Bijlage 1 - Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2026 definitief
Tekst van het document
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning 2026 gemeente Epe
Intitulé De raad van de gemeente Epe; Gelet op: • • •
de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en het uitvoeringsbesluit Wmo de handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang, december 2014, en de handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen, november 2016;
Overwegende dat: 1. inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; 2. dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; 3. het noodzakelijk is om ingezetenen te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden; 4. het noodzakelijk is om ingezetenen met psychische of psychosociale problemen in ingezetenen die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn; 5.
het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning. BESLUIT Vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 gemeente Epe
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: Afschrijvingstermijn: periode waarover een voorziening economisch wordt afgeschreven; Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: -
Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; Daadwerkelijk beschikbaar is; Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; Financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;
Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; Andere voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Wmo, op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen, die passend is ter ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie; Beschermd thuis: een vorm van begeleid wonen voor mensen met psychische, psychosociale of verslavingsproblematiek die niet volledig zelfstandig kunnen wonen, maar ook geen intensieve zorg in een instelling nodig hebben; het biedt een veilige, gestructureerde woonomgeving met 24/7 bereikbare, op afroep inzetbare begeleiding, waarbij de cliënt zelfstandig woont (vaak in een eigen huis) en de zorg 'gescheiden' is van het wonen, in tegenstelling tot 'beschermd wonen' in een instelling; Beschermd wonen: Het verblijf in een accommodatie van een instelling, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij toezicht en begeleiding worden geboden gericht op zelfredzaamheid, participatie, stabilisatie en veiligheid van personen met psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven; Budgethouder: inwoner aan wie een maatwerkvoorziening is toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget
(pgb) of een door de inwoner ingeschakelde vertegenwoordiger, die aanspreekbaar en bereid is verantwoordelijk gehouden te worden voor het nakomen van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen; College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe; Dienst: voorziening die niet tastbaar is, niet beet te pakken of aan te raken zoals bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, begeleiding, respijtzorg, vervoer en dagbesteding;
Eigen bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo; Eigen kracht: de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen, de beschikbare tijd en middelen van de inwoner en/of diens leefeenheid om, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociaal netwerk, zelf beperkingen in zelfredzaamheid en participatie of problemen bij het zich handhaven in de samenleving te verminderen of weg te nemen; Financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag, zonder dat dit kostendekkend hoeft te zijn, al dan niet forfaitair vastgesteld; Het gesprek: Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo; Hoofdverblijf: woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn/haar feitelijke vaste woon- en verblijfsplaats heeft; Hulpvraag: Behoefte van een inwoner of diens vertegenwoordiger aan ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; Intramuraal verblijf: het wonen in een instelling waarbij de inwoner verblijft in een verblijfssetting van een zorgaanbieder en waar de noodzakelijke zorg en ondersteuning integraal onderdeel uitmaken van het verblijf. Voorbeelden hiervan zijn verblijf in een verpleeghuis, een instelling voor beschermd wonen of een zorginstelling voor mensen met een beperking.
Maatwerkvoorziening: Aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is. De voorziening moet wel noodzakelijk zijn in het kader van de zelfredzaamheid en participatie van inwoner en heeft, voor zover aan de orde, een langdurig karakter. Bij verstrekking ervan wordt uitgegaan van de goedkoopst adequaat compenserende voorziening; Mantelzorg: langdurige, onbetaalde zorg voor iemand uit de eigen omgeving die door ziekte, beperking of ouderdom hulp nodig heeft; Melding: Melding van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; Ondersteuningsplan: Een document met de conclusie van het onderzoek naar aanleiding van een melding waarin onder andere een beschrijving staat van de hulpvraag, de ervaren problemen, de eigen mogelijkheden en mogelijkheden van het netwerk en welke ondersteuning daarbij nodig is; Persoonlijk plan: Een beschrijving van de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner en welke ondersteuning naar zijn/haar mening het meest aangewezen is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo;
Pgb: een geldbedrag waarmee de inwoner, op basis van een door het college vastgesteld besluit, zelf de ondersteuning, hulp of andere maatwerkvoorziening kan inkopen die past bij de toegekende maatwerkvoorziening, en waarmee deze tevens zelf verantwoordelijk is voor de uitvoering, kwaliteit, administratie en verantwoording van die ondersteuning; Pgb-plan: plan van de inwoner waarin deze de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt; het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak, een begroting en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. Als de inwoner hier niet toe in staat is, kan een gewaarborgde regievoerder worden aangewezen. Schoon en leefbaar huis: een woning die, gelet op de persoonlijke situatie van de, op een zodanig niveau wordt schoongehouden dat sprake is van een aanvaardbaar hygiënisch en leefbaar woonklimaat, passend bij de aard en omvang van het huishouden en de gebruikelijke woonfuncties van de woning; Sociaal netwerk: het geheel van personen met wie de inwoner een persoonlijke band onderhoudt, zoals familie, vrienden, buren of andere bekenden, die op basis van die relatie bereid en in staat kunnen zijn om de inwoner ondersteuning te bieden.
Als iemand een zorgverlener is én tot het sociaal netwerk van de inwoner behoort, dan gaat de gemeente er voor deze verordening van uit dat hij of zij tot het sociaal netwerk hoort; Vertegenwoordiger: de wettelijk vertegenwoordiger (zoals bedoeld in Wmo, artikel 1.1.1 lid 2) of gemachtigde. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Zorgverlener: Onder zorgverleners (of hulpverleners) wordt de persoon verstaan die de ondersteuning direct levert aan de inwoner. Het gaat hierbij zowel om formele als informele hulp. De zorgverlener kan in dienst zijn van een zorginstelling of kan als zelfstandige een overeenkomst met de gemeente hebben of via een persoonsgebonden budget (pgb) ondersteuning leveren. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2: Melding, onderzoek en aanvraag
Artikel 2.1 Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner bij het college worden gemeld. 2. Met het indienen van een hulpvraag ontstaat er een melding. Indien mogelijk wordt de melding van de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger direct beantwoord of wordt er doorverwezen. Als directe beantwoording of doorverwijzing niet mogelijk is, wordt een afspraak gemaakt om de hulpvraag verder te onderzoeken. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal. 4. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.4 en 2.5 van deze verordening.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is en informeert inwoners hierover.
Artikel 2.3 Vooronderzoek 1. Het college brengt de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger op de hoogte van de
mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen tot het gesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen. 2. Als de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het vooronderzoek. Artikel 2.4 Gesprek 1.
Het college onderzoekt dit aan de hand van het stappenplan zoals opgesteld door de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819) en hieronder weergegeven: • Stap 1: wat de precieze hulpvraag is. • Stap 2: welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. • Stap 3: welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie
•
2.
3. 4.
5.
Stap 4: of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden • Stap 5: of er na bovengenoemde stappen nog iets te compenseren overblijft. Als dat het geval is zet het college een maatwerkvoorziening in. Als dit naar het oordeel van het college nodig is voor het onderzoek, kan het college, in het kader van de medewerkingsplicht op grond van de Wmo, de inwoner, zijn/haar mantelzorger, vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn/haar huisgenoten, oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. Het college kan in overleg met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger, afzien van een gesprek. Bij het onderzoek wordt conform lid 1 het volgende meegewogen: a. welke hulp passend is bij de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b. de mogelijkheden op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn/haar zelfredzaamheid of participatie te handhaven of te verbeteren of te voorzien in zijn/haar behoefte aan wonen/verblijf; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn/haar sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid of participatie of te voorzien in zijn behoefte aan wonen/verblijf; d.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende, algemene voorziening of andere voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid of participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn/haar behoefte aan wonen/verblijf; en f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgkantoren, zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, zorgkantoren en zorgaanbieders als bedoeld in de Wet langdurige zorg, alsmede met partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid, participatie of aan wonen/verblijf. Zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn/haar zelfredzaamheid, participatie of aan wonen/verblijf. Het onderzoek moet resulteren in: a. een duidelijke beschrijving van het doel van de gevraagde ondersteuning; b.
een overzicht van de bijdrage in de kosten die de inwoner zelf moet betalen, volgens artikel 2.1.4 van de wet.
6. Voor, tijdens of na het gesprek verschaft de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger aan het college alle overige gegevens die nodig zijn voor het uitvoeren van het onderzoek. Het betreft gegevens waarover de inwoner redelijkerwijs beschikt of kan beschikken. De inwoner verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 7. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 8. Het college informeert de inwoner over hoe het gesprek verloopt, welke rechten en plichten de inwoner heeft en hoe het vervolg van de procedure eruit ziet. 9. Het college kan de zorgverlener weigeren bij een gesprek.
Artikel 2.5 Verslag 1. Na het gesprek verstrekt het college aan de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt het ondersteuningsplan genoemd. 2. De inwoner tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven dagen na ontvangst van het verslag wordt teruggestuurd naar de contactpersoon waarmee het gesprek is gevoerd. 3. Als de inwoner alleen tekent voor gezien, kan daarbij tevens worden aangeven waarom men niet akkoord is. 4. Als de inwoner van mening is in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, kan dit worden aangeven op het ondertekende ondersteuningsplan. 5. Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken teruggestuurd wordt, kan het college beslissen de melding niet verder meer in behandeling te nemen. 6. Het college kan in afwijking van het derde lid en in overleg met de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger afzien van een verslag of ondertekening van het verslag.
Artikel 2.6 Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is
uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2. Een inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 3. Het ondertekende en retour gestuurde ondersteuningsplan wordt beschouwd als aanvraag voor een maatwerkvoorziening, wanneer een maatwerkvoorziening onderdeel uitmaakt van het plan of wanneer de inwoner op het ondersteuningsplan heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening.
Artikel 2.7 Beschikking 1. Op basis van de aanvraag neemt het college een besluit in de vorm van een beschikking als onderzoek uitwijst dat een maatwerkvoorziening wordt toegekend of afgewezen. Als onderzoek uitwijst dat een algemene voorziening passend is ten aanzien van de hulpvraag, dan kan afgezien worden van het nemen van een besluit in de vorm van een beschikking. 2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage, wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd.
Artikel 2.8 Passend beschikken 1. Onder passend beschikken wordt verstaan: het toekennen van een maatwerkvoorziening op een wijze die aansluit bij de situatie, behoeften en mogelijkheden van de inwoner. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de verwachte duur en stabiliteit van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college stelt beschikkingen zodanig vast dat deze bijdragen aan passende en duurzame ondersteuning van de inwoner. Daarbij wordt in ieder geval: a. gekeken naar de persoonlijke situatie en het dagelijks leven van de inwoner; b. rekening gehouden met de ernst, duur en veranderlijkheid van de ondersteuningsbehoefte; en c. gestreefd naar continuïteit van ondersteuning met zo min mogelijk onnodige herindicaties. 3. Bij het bepalen van de looptijd van de beschikking geldt dat: a. de looptijd wordt afgestemd op wat passend is voor de individuele situatie van de inwoner; b. bij een langdurige of blijvende ondersteuningsbehoefte een langere indicatieduur of een beschikking zonder vaste einddatum kan worden afgegeven, voor zover dit passend is. 4. Het college kan de toegekende ondersteuning periodiek evalueren. Als uit de evaluatie blijkt dat de ondersteuning niet langer passend is, kan het college het besluit wijzigen.
Hoofdstuk 3 Criteria maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
a. ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van de inwoner; b. ter tegemoetkoming in het omgaan met de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de inwoner ondervindt; c. ter ondersteuning van de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn/haar gezondheid of veiligheid. Dit voor zover de inwoner de hulpvraag naar het oordeel van het college niet geheel of gedeeltelijk kan oplossen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp of met mantelzorg; c. met andere personen uit zijn/haar sociale netwerk; d. door algemeen gebruikelijke voorzieningen (voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1); e. door wettelijk voorliggende of andere voorzieningen; f. door een algemene voorziening; g. door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; h. door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequaat compenserende voorziening. 3.
Ten aanzien van een maatwerkvoorziening geldt dat een inwoner alleen hiervoor in aanmerking komt als: a. De inwoner geen handelingen heeft verricht of nagelaten, die hebben geleid tot het ontstaan van de noodzaak tot/ de behoefte aan de voorziening, of; b. Er van de inwoner rederlijkwijs niet verwacht kan worden dat deze maatregelen zou hebben getroffen om de noodzaak tot een voorziening te beperken of te vermijden; c. Er geen sprake is van een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is. 4. Maatwerkvoorzieningen, niet zijnde een dienst, kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt.
Artikel 3.2 Weigeringsgronden 1. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt indien: a. de inwoner geen ingezetene is van, of zijn/haar hoofdverblijf niet heeft in de gemeente Epe, met uitzondering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang; b. de inwoner de beperkingen weg kan nemen op grond van eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn/haar sociale netwerk; c. de inwoner de beperkingen weg kan nemen met gebruikmaking van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen; d. voor de problematiek, die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; e. de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; f. aannemelijk is of er al recht bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling zoals de Zorgverzekeringswet of de Wlz; g.
de maatwerkvoorziening gezien de beperkingen van de inwoner, onveilig zijn voor hem/haar zelf en zijn/haar omgeving of gezondheidsrisico’s met zich meebrengen en anti-revaliderend werken; h. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan; i. de voorziening uitsluitend therapeutische doeleinden heeft; j. de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten op het moment van de melding achteraf niet meer kan worden beoordeeld. k. het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner tussen de melding en de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; l. deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; m. deze niet langer dan 6 maanden noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij collectief vervoer, het huishouden of begeleiding; n. het niet aangemerkt wordt als de goedkoopste adequaat compenserende voorziening; o.
de inwoner zijn/haar medewerking niet verleent aan een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, dat redelijkerwijs nodig is om te beoordelen of en in welke mate de inwoner zelfredzaam is en in welke mate de inwoner kan participeren in de samenleving; p. uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de maatwerkvoorziening in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en
2.
3. 4.
5.
participatie. Het college kan deze hulp wel toekennen wanneer deze in de persoonlijke situatie als meest passend worden gevonden. q. ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college na voorafgaande goedkeuring van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat, dat niet in Nederland kan worden behaald. Voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover: a. de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem; c. de noodzaak tot ondersteuning voor de inwoner niet redelijkerwijs vermijdbaar is geweest. De weigeringsgrond genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op maatschappelijke opvang en verblijf.
Indien bij de aanvraag sprake is van een mantelzorgverklaring, wordt bij de beoordeling van de noodzakelijke ondersteuning uitgegaan van het uitgangspunt dat de mantelzorger de eerste acht uur per week aan ondersteuningsbehoefte zelf levert. Deze uren worden niet gecompenseerd met een maatwerkvoorziening, tenzij de mantelzorger gemotiveerd aantoont dat deze inzet, gezien zijn of haar fysieke, mentale of sociale belastbaarheid, redelijkerwijs niet kan worden verwacht. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning of wanneer de ondervonden aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. b. indien de woning voorafgaand het plaatsen van de voorziening al niet voldeed aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). De inwoner/eigenaar van de woning zal ervoor moeten zorgen dat de woning alsnog voldoet aan de eisen, zodat het college deze voorziening kan verstrekken; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen. d. als de inwoner zijn/haar hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; e.
de voorziening niet is bedoeld voor elementaire woonfuncties; f. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en
recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADL clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen; g. als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was. h. als de inwoner ervoor kiest te verhuizen naar een woning die op dat moment met het oog op diens beperkingen niet geschikt is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; i. voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; j. als de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz; k. als de voorziening in geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 6. Geen vervoersvoorziening wordt verstrekt als een adequate stallingsmogelijkheid noodzakelijk is, maar deze ontbreekt en ook niet te realiseren is.
Artikel 3.3 Gebruikelijke hulp 1. Met gebruikelijke hulp wordt de inwoner in staat gesteld het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving te bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Personen binnen de leefeenheid van een bewoner zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid. b. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de bewoner ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. c. Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de Wmo. d. Bij uitval van een persoon wordt verwacht dat een ander persoon binnen de leefeenheid de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten overnemen. Dit geldt ook als zij daarnaast fulltime werken, vrijwilligerswerk doen of een opleiding volgen. e. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van iedere jeugdige van 18 jaar wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.
Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast
een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie. f. Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is. g. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: i. De aard van de benodigde ondersteuning. ii. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. iii. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. iv. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. v.
Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege: • langdurige fysieke afwezigheid • een beperking of een beperkte leerbaarheid. • (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Artikel 3.4 Aanvullende criteria voor huishoudelijke hulp 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 geldt voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke Ondersteuning dat: a. voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning – Bureau HHM.
b. de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap; c. het schoon en leefbaar houden van de woning uitsluitend betrekking heeft op woonruimten binnen de woning. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning.
Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor Maatschappelijke Opvang 1. Ten aanzien van Maatschappelijke Opvang geldt dat een inwoner alleen hiervoor in aanmerking komt als deze: a. feitelijk dakloos is; b. beperkt redzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden; c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid op kunnen heffen. 2. Het college treft algemene voorzieningen in de vorm van dag- en nachtopvang voor diegenen die hun thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit dient te gebeuren met inachtneming van het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang; 3. Na toelating tot een voorziening voor Maatschappelijke Opvang is iedere deelnemer verplicht om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, deel te nemen aan een traject aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid, participatie en uitstroom uit de opvang. 4. Indien de deelnemer in staat is om deel te nemen aan het traject zoals aangegeven in het derde lid, maar dit blijft weigeren zonder een deugdelijke motivering, kan het college de toegang tot Maatschappelijke Opvang vanaf dat moment weigeren.
Artikel 3.6 Aanvullende criteria voor Beschermd Wonen 1. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en Beschermd Wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Apeldoorn, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente. 2. Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor Beschermd Wonen indien de inwoner: a. is aangewezen op een beschermde woonomgeving ter voorkoming van verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen; b. er sprake is van complexe psychosociale en psychiatrische problematiek; c. niet in staat is om zichzelf op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
d. niet geholpen is met ondersteuning vanuit voorliggende en algemene voorzieningen aangevuld met ambulante maatwerkvoorzieningen al dan niet gecombineerd met respijtverblijf of een tijdelijk terugvalverblijf. En in geval van Beschermd Thuis: e. binnen redelijke termijn zichzelf weer op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving zonder beschermde woonomgeving. 3. Beschermd Wonen; waaronder beschermd thuis kent de volgende varianten: a. klassiek beschermd wonen waarbij cliënten geen huur betalen (beschermd wonen zoals bedoeld in de wet); b. beschermd thuis waarbij cliënten wel zelf huur betalen (ook wel scheiden van wonen en ondersteuning); c. tussenvormen van beschermd wonen waarbij cliënten huur of een vergelijkbare vergoeding voor het wonen betalen, bijvoorbeeld waarbij: i. de huur (tijdelijk) wordt overgenomen door de aanbieder; ii. de aanbieder een woning huurt van een woningcorporatie voor de inwoner of voor deze inwoner garant staat; iii. de inwoner een woning huurt van de aanbieder; iv. de inwoner op een andere manier zelfstandig woont met een beschermd wonen indicatie. 4. Het college kan de inwoner in aanmerking laten komen voor tijdelijk intramuraal verblijf bij een instelling waarbij er 24/7 begeleiding beschikbaar is op de locatie indien de inwoner: a.
niet geholpen is met reeds ingezette ambulante maatwerkvoorzieningen vanuit een beschermde woonomgeving waardoor de leefsituatie instabiel is geworden; b. ADL-taken niet meer zelfstandig kan uitvoeren en de regie overgenomen moet worden; c. is aangewezen op 25/7 toezicht in de nabijheid omdat verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of gevaar voor inwoner en anderen niet meer voorkomen kan worden in de huidige leefsituatie. 5. Het college kan een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen/Beschermd Thuis tevens weigeren of intrekken indien: a. de inwoner in staat is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject, maar niet bereid is hieraan mee te werken; b. de inwoner zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de instelling of jegens de medewerkers. Artikel 3.7 Aanvullende criteria voor woningaanpassing 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing indien: a. de inwoner aantoonbare beperkingen heeft bij normaal gebruik van zijn/haar woning; b. aantoonbaar alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen; en
c. een verhuizing niet mogelijk of niet de goedkoopst adequaat compenserende oplossing is. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 wordt een maatwerkvoorziening tot woningaanpassing slechts verleend indien: a. niet reeds een begin met de werkzaamheden is gemaakt zonder schriftelijke toestemming van het college; b. voor deze bouwkundige of woontechnische aanpassing een omgevingsvergunning is verleend, indien van toepassing; c. de door het college aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woning waar de bouwkundige of woontechnische aanpassing wordt verricht op basis van de schriftelijke toestemming onder a.; d. aan de onder c. genoemde personen inzicht wordt geboden in bescheiden en tekeningen, die betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische aanpassing; en; e. het een woning betreft die bestemd is voor permanente bewoning en de inwoner hier zijn/haar hoofdverblijf heeft. 3. Bij het toekennen van een tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning of woonruimte zijn de volgende voorwaarden van toepassing: a. de bezoeker heeft zijn/haar hoofdverblijf in een Wlz-instelling; b. de aan te passen woning staat in de gemeente Epe; c. de bezoeker bezoekt deze woning regelmatig en dit draagt bij aan zijn/haar participatie; d. er is niet eerder in de gemeente Epe een woning voor de bezoeker bezoekbaar gemaakt; en; e.
er wordt maximaal één woonruimte bezoekbaar gemaakt voor wat betreft de toegang van de woning, daarnaast kan de toiletvoorziening bereikt en gebruikt worden.
Artikel 3.8 Aanvullende criteria voor lokaal verplaatsen 1. Naast wat is bepaald in artikel 3.1 wordt bij de vervoersbehoefte voor maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingsbehoeften in de directe woon- en leefomgeving, die nodig zijn voor het dagelijks leven daarbij geldt voor het collectief vervoer een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. 2. De gemeente kan aan de inwoner een (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening verstrekken. Hierbij geldt het volgende: a. de voorziening is noodzakelijk ter vervanging van de loop- en/of de fietsfunctie; b. de inwoner is in staat om zelfstandig op en van de voorziening te stappen; c. de inwoner heeft een vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. er moet een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn; e. de inwoner werkt, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, mee aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling, waaronder begrepen het treffen of toestaan van redelijke aanpassingen in of aan de woonomgeving;
f.
de voorziening kan geweigerd worden als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is; g. de inwoner in staat is om – na instructie - op veilige wijze gebruik te maken van de voorziening in het verkeer en in/uit de stalling. 3. Indien de inwoner gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld in het eerste en derde lid van dit artikel, niet volstaat dan kan inwoner in staat worden gesteld om meer kilometers met het collectief vervoer te reizen.
Artikel 3.8.1 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer Reizen op afroep (Wmo-taxi) 1. 2. 3. 4.
Reizen op afroep is alleen bedoeld voor sociaal recreatieve bestemmingen. Reizen op afroep is alleen mogelijk met een door het college geïndiceerde Wmo-vervoerspas. Het tarief voor deze Wmo-vervoerspas is terug te vinden op PlusOV1. Voor het reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd dat bestaat uit een opstap- en kilometertarief. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op de regionale tarieven in het openbaar vervoer, deze zijn terug te vinden op de website van PlusOV en worden jaarlijks
geindexeerd door toepassing van de Landelijke Tarieven Index. De tarieven voor het nieuwe jaar worden uiterlijk in december van het jaar daaraan voorafgaand gepubliceerd op www.plusov.nl. 5. Er wordt onderscheid gemaakt in tarief voor lokaal verplaatsen en in bovenlokaal verplaatsen. a. Lokaal verplaatsen: in het vervoergebied tot maximaal 20 kilometer om het woonadres van de reiziger is het kilometer- en opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart kilometer- en opstaptarief van de openbaar vervoer concessies die liggen in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen. b. Bovenlokaal verplaatsen: in het vervoergebied 20 tot en met 40 kilometer om het woonadres van de reiziger is het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart opstaptarief en het kilometertarief is gebaseerd op het commercieel tarief. c. Voor bijzondere bestemmingen die liggen in het bovenlokale vervoergebied zoals bedoeld in sub b, geldt het tarief dat van toepassing is voor het lokale vervoergebied zoals bedoeld in sub a. Deze bijzondere bestemmingen staan vermeld in bijlage 2. 6. Minderjarigen tot 4 jaar met een Wmo-vervoerspas betalen geen opstap- en kilometertarief zoals bedoeld in het vierde lid. 7. Minderjarigen van 4 jaar tot 12 jaar met een Wmo-vervoerpas krijgen op de bij in lid vier genoemde ritbijdrage een procentuele korting. 1
https://www.plusov.nl/reizen-op-afroep/tarieven-en-rekenvoorbeelden
8. Een begeleider die op medische of sociale indicatie meereist betaalt geen ritbijdrage. Deze reist gratis mee. 9. Een assistentiehond reist gratis mee. 10. Voor reizen met het individueel (rolstoel)taxi- kilometerbudget geldt een ritbijdrage, zoals vermeld in het vierde lid. Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer) 11. Ten behoeve van het collectief traject vervoer worden de volgende ritbijdragen gerekend: a. Voor het vervoer naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening of buurtpunt betaalt de reiziger geen kilometer- en opstaptarief, maar een eigen bijdrage via het CAK. b. Voor andere dan bij sub a geïndiceerde trajecten geldt een kilometer- en opstaptarief dat gelijk is aan de tarieven zoals genoemd in het vierde lid. 12. Voor het reizen naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een Wmovervoerpas niet verplicht. Artikel 3.8.2 Aanvullende criteria rolstoel 1. Om in aanmerking te komen voor een handbewogen rolstoel gelden de volgende criteria: a. de inwoner ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning; en b. de inwoner is niet in staat om zich gedurende vijf minuten, al dan niet met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator, te verplaatsen of zich minder dan 100 meter te verplaatsen; en c. de beperkingen zijn langdurend van aard. 2.
Bij het verstrekken van een elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd gelden de volgende aanvullende criteria: a. de inwoner kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handbewogen rolstoel, bijvoorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.). b. de inwoner is niet in staat gebruik te maken van een scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie en/of te weinig zitbalans. 3. Er kan een integraal advies opgevraagd worden waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoel-geschiktheid van de woning.
Artikel 3.9 Aanvullende criteria voor begeleiding 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding individueel als deze ondersteuning nodig heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in het dagelijks leven. 2. Dit in relatie tot één of meerdere van de volgende criteria: a. er is professionele kennis en kunde nodig vanwege de psychosociale en/of lichamelijk problemen die de inwoner ervaart in het dagelijks leven;
b. er professionele ondersteuning in de thuissituatie nodig is gericht op het aanleren, vasthouden of vergroten van de zelfredzaamheid en participatie; c. er formele ondersteuning nodig is gericht op het behouden van vaardigheden en taken in het dagelijks leven, waarbij er periodiek in de gaten wordt gehouden of resultaten zijn behaald en of ondersteuning nog nodig is. 3. voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Begeleiding – bureau HHM/Factum Advies.
Artikel 3.9.1 Aanvullende criteria begeleiding groep en dagbesteding 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1 kan een inwoner met een verstandelijke, zintuiglijke, lichamelijke en/of psychische of geriatrische (dementie) beperking bij wie sprake is van een zelfredzaamheidsvraagstuk in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Begeleiding groep of dagbesteding indien deze niet in staat is: a. aangepast werk of vrijwilligerswerk zelfstandig te verrichten; of b. deel te nemen aan de Buurtpunten. 2. Begeleiding groep bestaat uit activiteiten in groepsverband die overdag plaatsvinden op een locatie buiten de woonsituatie en die, afhankelijk van de persoonskenmerken van de inwoner en het in te zetten product, gericht zijn op: a. het trainen en/of onderhouden van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden; b. het bevorderen van de cognitieve en/of fysieke zelfredzaamheid of vertragen van de achteruitgang daarvan; c. het ontlasten van de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert; d. het bieden van structuur; e. het bevorderen van het fysiek en mentaal welbevinden en een gezonde leefstijl; f. het ontmoeten van anderen in het kader van bestrijding van eenzaamheid. 3.
Voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik wordt gemaakt van het meest recente ‘Normenkader Begeleiding – bureau HHM/Factum Advies.
Artikel 3.10 Primaat van verhuizing 1. De ‘Toekomstbestendig Wonen Lening’ de ‘Toekomstbestendig Wonen Verzilverlening’ en de ‘Toekomstbestendig Wonen Maatwerklening’ als bedoeld in de Verordening Toekomstbestendig Wonen Gelderland 2022, gemeente Epe worden aangemerkt als voorliggende voorzieningen. Voor zover met toepassing van deze leningen in een passende en toereikende oplossing kan worden voorzien wordt geen woonvoorziening verstrekt. 2. Indien een woonvoorziening en de kosten van de voorziening boven € 10.000,- uitstijgen, moet de inwoner in beginsel omzien naar andere adequate of op goedkopere wijze adequaat te maken woonruimte.
3. Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorzieningen in totaal lager dan € 10.000,-, dan kan het primaat van verhuizen buiten toepassing blijven indien: a. de aanpassing redelijkerwijs voor de komende 5 jaren een adequate oplossing is; b. niet meer grotere aanpassingen te verwachten zijn voor de komende 5 jaren; c. indien de situatie van de inwoner niet voldoet aan deze voorwaarden dan wordt onderzocht of een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt kan worden; d. indien er een urgent probleem in de woonsituatie is ontstaan, wordt onderzocht of er ter overbrugging maatregelen getroffen dienen te worden tot verhuizing geregeld is. 4. Wanneer het primaat van verhuizen wordt toegepast, kan aan de inwoner een voorziening als bedoeld in artikel 5.3, derde lid onder f, worden toegekend. 5. Bij het toepassen van het primaat tot verhuizen zullen onder andere de volgende aspecten worden meegewogen: a. financiële consequenties van de verhuizing, zoals een kostenvergelijking en woonlastenconsequenties; b. termijn waarop een andere, meer passende woning volgens een door het college gesteld programma van eisen beschikbaar komt; c. aanwezigheid van mantelzorg (o.a. frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week) en gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger; d. gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk; e.
de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; f. de snelheid waarmee het woonprobleem moet en kan worden opgelost; g. de werksituatie; h. is de inwoner huurder of eigenaar van de woning; i. de wil van de inwoner om te verhuizen; j. volkshuisvestelijke afwegingen.
Hoofdstuk 4: Kwaliteit Artikel 4.1 Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. het voldoen aan hetgeen bepaald is in de wet en in de door het college vastgestelde, meest recente voorwaarden voor de inkoop Maatschappelijke Ondersteuning en Beschermd Wonen; e. het hebben van relevante en dan geldende (door de branche/werkgeversorganisatie) ondertekende cao, deze naleven en actief toepassen, waaronder, doch niet gelimiteerd tot: i. cao GGZ; ii. cao VVT; iii. cao Gehandicaptenzorg; iv. cao Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening; f. het beschikken over een gecertificeerde kwaliteitsborgingssysteem voor de dienstverlening waarop de overeenkomst ziet en hiertoe het certificaat kan overleggen.
Voorbeelden van geaccepteerde certificaten zijn: HKZ, Mijn Keurmerk (Kiwa), HKZ Ligt, PREZO keurmerk, Keurmerk Kwaliteitswaarborg Zorgboederijen (Federatie Landbouw en Zorg), ISO 9001:2015, kwaliteitsvisitaties van brancheverenigingen NVO, NIP, NVVP, LVVP, NFG en FVB; g. aangesloten te zijn bij een branchevereniging en/of beroepsvereniging voor onder andere doorontwikkeling en borging van kwaliteit en intervisie; h. in het bezit te zijn van een afgegeven verklaring omtrent gedrag (VOG) voor rechtspersonen, indien de professionele aanbieder rechtspersoonlijkheid heeft; i. geen corrigerende of bestuursrechtelijke maatregel(en) opgelegd gekregen te hebben van de toezichthouder; j. een integraal zorgplan per inwoner; en rapportages over resultaten. 2. De aanbieder die ondersteuning biedt, in natura of op basis van een pgb voor formele hulpverlening, voldoet kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de wet en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop, zoals door het college vastgesteld. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek, en
5.
6.
7.
8.
het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde individuele maatwerkvoorzieningen. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. Het college draagt er zorg voor dat de aanbieder er zorg voor draagt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.
Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert door derden te leveren individuele maatwerkvoorzieningen, rekening met: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs zoals bedoeld in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo. b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de kosten van de beroepskracht; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten;
f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid een overeenkomst wordt aangegaan.
Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming Artikel 5.1 Regels voor een pgb 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college voorafgaand aan de toekenning of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden. 2. Het college stelt eisen aan de vaardigheden en verantwoordelijkheden die van belang zijn voor het beheren van een persoonsgebonden budget (pgb). In bijlage 3 is een schematische en toelichtende weergave die verduidelijkt wat het pgb-houderschap betekent. 3. De inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger dient ter toetsing een pgb-plan in. In dit pgb-plan is in elk geval opgenomen: a. Hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociaal netwerk de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren, en; b. Wat de motivatie is om de hulp in de vorm van een pgb te ontvangen, en; c. Welke hulp de inwoner met het pgb zou willen inkopen en bij welke aanbieder, en; d. Op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd en duidelijk is dat de hulp geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, en; e. De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 4.
Onverminderd artikel 2.3.6 Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en door onderzoek van het college niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 5. Binnen het beschikbare budget dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de in de beschikking genoemde budgetperiode te worden behaald, tenzij uit onderzoek blijkt dat er zich nieuwe omstandigheden bij de inwoner voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen. 6. Een pgb is niet mogelijk: a. als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo zoals crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang; b. voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gevraagd en gegeven door het college; c. voor bemiddelings- of administratiekosten, tussenpersonen of belangenbehartigers, feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering, reiskosten en coördinatie of voortgezette diagnostiek; d. voor het inkopen van wettelijk voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen; 7.
Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een (pgb-)aanbieder indien er twijfels zijn over de integriteit van de (pgb-)aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de (pgb-)aanbieder gedurende een periode van vier jaar voorafgaand aan de verstrekking van het pgb:
a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar kan brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn/haar directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie; g. op basis van een Bibob-toets door het college is (of zal worden) geweigerd als zorgaanbieder.
Artikel 5.2 Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van
een dienst wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties: a. in loondienst zijn bij een zorgaanbieder die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, primair op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan; i. de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen zoals bepaald in de Wmo 2015 en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop2, zoals door het college is vastgesteld en ontvangen voor de betreffende ondersteuning een salaris dat daarmee overeenkomstig is; ii. degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de inwoner is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie de hulp wordt verleend en beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; iii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) en in het bezit van een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moet de ZZP’er ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke 2