CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Motivering Parkweg 5 Epe

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente EpeBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad: Transformatie naar appartementen Parkweg 5, Epe12.510 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Parkweg 5 Epe Onderbouwing etfal – gemeente Epe

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:

Parkweg 5 Epe

Datum:

15 april 2025

Projectnummer Buro SRO:

03.10.19

Opdrachtgever:

Triada

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:

M. Schuijl

Bezoekadres vestiging Arnhem:

Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem

Telefoon:

026 - 35 23 125

E-mail:

arnhem@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

2

Parkweg 5 Epe

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging van het projectgebied

6

1.3

Wettelijke context

6

1.4

Leeswijzer

7

Hoofdstuk 2

Voorgenomen ontwikkeling

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

9

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

11

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

11

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

12

3.3

Regionaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

15

Hoofdstuk 4

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

19

4.1

Weging van het waterbelang

19

4.2

Activiteiten en milieuzonering

20

4.3

Bodem

21

4.4

Luchtkwaliteit

22

4.5

Geur

24

4.6

Geluid

25

4.7

Omgevingsveiligheid

27

4.8

Trilling

29

4.9

M.e.r.-beoordeling

30

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

32

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

32

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

32

5.3

Ecologie

34

5.4

Verkeer en parkeren

36

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

37

Hoofdstuk 6

Conclusie

39

Hoofdstuk 7

Toestemming en voorwaarden

41

7.1

Toedeling functies

41

7.2

Procedure

41

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

42

8.1

Participatie

42

8.2

Kostenverhaal

42

Parkweg 5 Epe

3

Bijlagen

4

43 Onderzoek transformatie

44

Watertoets

45

Onderzoek wegverkeerslawaai

46

M.e.r.-beoordelingsnotitie

47

Natuurwaardenonderzoek

48

Voortoets Stikstofdepositie

49

Parkweg 5 Epe

Parkweg 5 Epe

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om 25 sociale huurappartementen te realiseren in het bestaande pand aan de Parkweg 5 in Epe. Dit betreft een gedeelte van het gemeentehuis dat niet meer als zodanig in gebruik is. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Epe, maar wel wenselijk is, wordt middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In voorliggende onderbouwing wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Parkweg 5 in Epe centrum. Het perceel heeft de kadastrale aanduiding gemeente Epe, sectie U, nummer 887. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

Globale ligging projectgebied in de omgeving (bron: openstreetmap.org)

1.3

Wettelijke context

Voor de overgangsfase voor het omgevingsplan bevat artikel 12.27a Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een beoordelingsregel voor opvolgende vergunningverleningen ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA). Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarbij moet worden voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl welke overeenkomen met de regels die gelden voor het opstellen van een

6

Parkweg 5 Epe

omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Dit maakt het mogelijk om eerst een 'planologisch basisbesluit’ te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hierbij kan bijvoorbeeld éérst toestemming verleend worden voor de gewenste functie / activiteit op de locatie en de plaatsing van het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume waaraan, indien nodig, voorwaarden kunnen worden gekoppeld.

Op een later moment wordt dan nogmaals een vergunning aangevraagd. Dat is de opvolgende vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het feitelijk verrichten van de bouwactiviteit. Deze is dan wel in strijd met het omgevingsplan maar in overeenstemming met de eerder verleende omgevingsvergunning. Op deze manier kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor deze (nader uitgewerkte) bouwactiviteit. Voor wat bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk is toegestaan (zoals de functie/ activiteit, het bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) hoeft het bevoegd gezag bij de tweede vergunning niet opnieuw af te wegen of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorliggende onderbouwing etfal is een onderdeel van de motivering van het besluit tot vergunningverlening. Het ‘planologisch basisbesluit’ komt in de Omgevingswet noch in de memorie van toelichting voor maar wordt, onder meer door het Informatiepunt voor de Leefomgeving, gebruikt om uitleg te geven aan de Omgevingswet. Het planologisch basisbesluit heeft dezelfde werkingskracht als voorheen het bestemmingsplan zoals dat bestond onder de Wro, maar dan in de vorm van een omgevingsvergunning.

Uiterlijk 5 jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt het omgevingsplan in overeenstemming gebracht met de vergunning. Een en ander zoals verplicht in artikel 4.17 van de Omgevingswet.

Wettelijke context i.r.t. voorliggende onderbouwing etfal Deze onderbouwing wordt betrokken bij de omgevingsvergunningverlening van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit: het planologische basisbesluit. Hoofdstuk 7 van deze onderbouwing gaat daar verder op in.

1.4

Leeswijzer

Onderhavige onderbouwing gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar de voor het plan relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 aangegeven waar deze onderbouwing etfal betrekking op heeft en wat daarbij vergund wordt.

Parkweg 5 Epe

7

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de onderbouwing dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor daarom wordt daar in voorliggend stuk ook op in gegaan. Dat gebeurt in hoofdstuk 8 ‘Overige aspecten’.

8

Parkweg 5 Epe

Hoofdstuk 2

Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het projectgebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het projectgebied is gelegen in Epe aan de Parkweg 5 en wordt ontsloten via een inrit op de Parkweg. Deze weg loopt uit op de Stationsstraat. Het projectgebied ligt in het centrum van Epe, nabij het winkelgebied. Het projectgebied bevindt zich in een gemengde omgeving. Naast winkels zijn er in de omgeving ook woningen en appartementen. Het projectgebied ligt naast het gemeentehuis van Epe. Achter het pand bevind zich een parkje. Aan de oostzijde van het perceel bevindt zich een groenstrook.

Het projectgebied is momenteel nog in gebruik als kantoorpand en is in het verleden gebouwd als onderdeel van het gemeentehuis van Epe. Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven.

Luchtfoto van het projectgebied (PDOK viewer)

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om 25 sociale huurappartementen te ontwikkelen in het bestaande kantoorpand aan de Parkweg 5. De appartementen zullen deels levensloopbestendig zijn en deels doorstroom/ starters appartementen, passend bij de behoefte en opgave. Het bestaande pand wordt enkel aan de gevels gewijzigd door het aanpassen van bestaande gevelopeningen en het toevoegen van balkons. De verbindingsbrug tussen de projectlocatie en het gemeentehuis wordt verwijderd. Hierdoor ontstaan er 2 losse gebouwen die op zichzelf functioneren.

Parkweg 5 Epe

9

Het uitgangspunt is om bestaand groen op het terrein te behouden. In de parkeerbehoefte wordt op het naastgelegen parkeerterrein van het gemeentehuis voorzien, dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.4.

Het algemene doel is om een aangenaam en groen woonmilieu te creëren midden in het centrum van Epe, waarbij het getransformeerde gebouw een goede inpassing in de context krijgt dat past bij de (woningbouw)opgave. Op onderstaande afbeeldingen is een impressie van de nieuwe situatie weergegeven. In Bijlage 1 is het onderzoek transformatie opgenomen met daarin onder andere de impressies voor de plattegronden en gevelbeelden.

Impressie gevelbeelden, bron: Sacon

10

Parkweg 5 Epe

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op: •

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

•

Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;

•

Natuurbescherming.

Parkweg 5 Epe

11

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden •

Veiligheid primaire waterkeringen;

•

Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;

•

Kwaliteit van de buitenlucht;

•

Waterkwaliteit;

•

Kwaliteit van de zwemlocatie.

De ladder voor duurzame verstedelijking is ook onderdeel van de Bkl. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken. Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3

Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het projectgebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1

Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van

12

Parkweg 5 Epe

energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: •

Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;

•

Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;

•

Een voortvarend en innovatief circulair beleid;

•

Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;

•

Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;

•

Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;

•

Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze wordt regelmatig op onderdelen geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een ruimtelijk plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.6 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

Gelderse streek IJsselvallei Onderhavig projectgebied is gelegen binnen het beschermde landschap ‘Gelderse streken: IJsselvallei’. Op grond hiervan dient aangegeven te worden op welke wijze rekening is gehouden met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. De IJsselvallei kent een rivierenlandschap van

Parkweg 5 Epe

13

uiterwaarden, oeverwallen en lagergelegen broekgebieden. Het projectgebied is gelegen in het deelgebied ‘Noordelijke Flank’. Dit deelgebied aan de oostflank van de noordelijke Veluwe is een afwisseling van dekzandruggen, smeltwaterdalen en laagtes. De van oorsprong hoger gelegen en drogere dekzandruggen vormden de best bewoonbare plekken in het gebied en hier zijn van oudsher de dorpen op ontstaan. Binnen de visie ligt de focus op het behouden van landschapskwaliteiten. 3.2.3

Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft het realiseren van 25 nieuwe sociale huurappartementen in het centrum van Epe. Het plan speelt in op de vraag naar sociale huurwoningen binnen de provincie. Het projectgebied ligt in een intrekgebied. In de omgevingsverordening zijn regels opgenomen die de kwaliteit van het drinkwater beschermen. Nieuwe ontwikkelingen binnen 'intrekgebieden' mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Doordat dit initiatief wordt gerealiseerd binnen de bebouwde kom van Epe, in een bestaand pand, raakt dit geen kernkwaliteiten die zijn benoemd binnen de Gelderse streek IJsselvallei. Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Woondeal Stedendriehoek

In de 'Regionale woondeal 2022-2030' van de Regio Stedendriehoek en de provincie Gelderland, zijn voor de komende 8 jaar afspraken vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering. Er is een gezamenlijke opgave om het huidige woningtekort aan te pakken. Daarvoor is het noodzakelijk de komende jaren versneld meer woningen te bouwen. Met het programma Woningbouw zet de minister voor VRO nationaal in op de bouw van in totaal 900.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten van de regio zetten zich, samen met provincie en ministerie, tot en met 2030 in voor de realisatie van in totaal 12.400 woningen in het betaalbare segment, dat is 72% van de regionale woningbouwopgave. Het streven is dat ten minste tweederde van alle nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Deze evenwichtige verdeling is gericht op het streven naar op termijn 30% sociale huurwoningen in de totale woningvoorraad, zowel in regionaal verband als per gemeente, waarbij oog is voor specifieke situaties in gemeenten of in de regio. Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 nationaal 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig. In het beleidsprogramma ‘Betaalbaar wonen’ is daarom opgenomen dat circa 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze segmenten. 3.3.2

Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

Binnen de woondeal heeft de gemeente Epe de ruimte gekregen om 1843 nieuwe woningen te realiseren. Waarvan 625 sociale huurwoningen. Vanuit kwalitatief oogpunt speelt het plan, door het mogelijk maken van 25 nieuwe sociale huurappartementen, in op een actuele lokale vraag naar meer

14

Parkweg 5 Epe

sociale huurwoningen. Dit wordt nader onderbouwd in paragraaf 3.4. Het plan past daarmee binnen de regionale woondeal Stedendriehoek.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Gemeente Epe

In de Omgevingsvisie 'Natuurlijk goed leven' komt onder andere het volgende aan de orde. De gemeente Epe kent veel groen, veel natuur en binnen de gemeente zijn mooie dorpen met hun eigen karakter. De gemeente wil daar zorgvuldig mee omgaan. Tegelijkertijd zijn er veel uitdagingen en er moet veel gebeuren: de vraag naar voldoende woningen in een gezonde en sociale leefomgeving, de behoefte aan ruimte voor recreatie, economische groei en diverse duurzaamheidsambities. Dit alles samengenomen vraagt om een integrale aanpak met behoud van de kwaliteiten en waarden. De gemeente wil via de omgevingsvisie samen met inwoners komen tot gedragen, evenwichtige en integrale oplossingen voor ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.

Door in de omgevingsvisie doelgericht afwegingen en keuzes te maken wordt de visie een richtinggevend instrument. Met de omgevingsvisie wordt iedereen, die actief is in de leefomgeving, geïnspireerd om ideeën waar te maken die passen in onze gedeelde visie. Om initiatieven samen voor elkaar te krijgen, is het belangrijk dat de uitnodiging zo open mogelijk is met zo min mogelijk beperkingen. Tegelijkertijd blijft sturing een belangrijk middel. Het is van belang dat ontwikkelingen elkaar versterken en niet beperken. Bovendien is het belangrijk om het eigene van de gemeente te behouden: de identiteit en de kernwaarden waar Epe trots op is. Waardevolle leefomgeving De basis voor de omgevingsvisie is de kwaliteit van de leefomgeving. Iets wat in honderden jaren is ontstaan, gegroeid en opgebouwd. Binnen de gemeente Epe is er brede waardering voor de omgeving. Dit is duidelijk uit het participatieproces naar voren gekomen. Het gaat om een breed spectrum aan kwaliteiten: landschappelijk, monumentaal, natuurlijk. De kern zit in drie waarden: •

de rijkdom van natuur met bijbehorende wateren bodemkwaliteit;

•

de kwaliteit en grote afwisseling in het landschap;

•

de rust, de cultuurhistorie en het dorpse karakter.

Opgaven Binnen de gemeente Epe is er aandacht voor de behoeftes van de samenleving, actuele trends en nieuwe ontwikkelingen en er zijn op dit moment urgente opgaven. In het document ‘De samenlevingslaag’ zijn vier opgaven voor de gemeente gedefinieerd. Deze opgaven zijn de uitkomst van enerzijds de analyse van grotere maatschappelijk knelpunten zoals klimaat en biodiversiteit en anderzijds van het participatieproces met inwoners, bestuurders, raadsleden, ambtenaren, ketenpartners en stakeholders. Het gaat om de volgende opgaven: •

duurzame toekomst;

•

gezondheid, zorg en welzijn;

Parkweg 5 Epe

15

•

goed wonen;

•

ondernemen.

De vier opgaven zijn niet los van elkaar te zien en hangen op meerdere vlakken samen. Er zijn raakvlakken, maar ook knelpunten. Vooral bij nieuwe ontwikkelingen (energie-installaties, woningbouw, recreatieontwikkeling) zoekt men binnen de gemeente naar integrale oplossingen. Ruimtelijke keuzes Epe Met name als het om wonen en ondernemen gaat ligt er een grote ambitie in Epe. Epe heeft een lange geschiedenis en is ontstaan uit agrarische linten. Bijzonder is dat een aantal groene wiggen tot in het centrum doorlopen. Rondom de grote kerk ligt een waardevol ensemble. In Epe staan vele karakteristieke villa’s waaronder de villa’s langs de Quickbornlaan. Ook duurzaamheid en het stimuleren van beweging speelt een rol binnen Epe. Voor Epe geldt dat uitbreiding van de kern door woningbouw een belangrijke bijdrage moet leveren aan de groei. De gemeente zal in aantallen en doelgroepen sturen. Binnen Epe is met name het centrum een belangrijk speerpunt. In Epe wordt op meerdere locaties uitgebreid. Landschap en bestaande natuur zijn inspiratie voor ontwikkeling. Er wordt voor alle doelgroepen gebouwd. 3.4.2

Woonagenda gemeente Epe 2024 - 2028, GOED WONEN

De gemeenteraad heeft op 11 juli 2024 de "Woonagenda gemeente Epe 2024 – 2028 GOED WONEN" vastgesteld. De Woonagenda 2024 – 2028 is het volkshuisvestelijk programma en beschrijft concreet waarop de inzet van de gemeente de komende vier jaar gericht is. Aan het woonbeleid liggen zeven speerpunten ten grondslag, te weten:

1.Inspelen op de grote woningbehoefte De komende jaren wordt een extra inspanning op woningbouw geleverd. Juist om invulling te geven aan de grote woningbouwopgave in de regio.

2.Juiste balans tussen wonen en andere ruimtelijke opgaven Naast wonen zijn er nog tal van andere ruimteclaims. In de eerste plaats is er ook ruimte nodig voor natuur, maar ook mobiliteit, bedrijvigheid, recreatie. Al deze functies zijn van grote waarde voor de (woon)aantrekkelijkheid van de gemeente Epe. Woningbouw zal daarom in balans moeten blijven met de andere ruimtelijke opgaven.

3.Sterke nadruk op bouw betaalbare woningen De komende jaren is de grote opgave om het aanbod aan betaalbare woningen te vergroten.

4.Meer variatie aan woningtypen en woonvormen Een groot deel van onze woningbouwopgave zal bestaan uit betaalbare huur- en koopwoningen. De uitdaging daarbij is wel om te komen tot gevarieerde woonwijken met een mix aan woningtypen, huuren koopwoningen en verschillende prijsklassen. Hiermee willen we een gevarieerde bevolkingsopbouw op wijk- en buurtniveau creëren. 16

Parkweg 5 Epe

5.Aardgasloze woningbouw Op termijn moeten alle woningen gasloos worden verwarmd. Zowel de bestaande als de nieuw te ontwikkelen woningen.

6.Beter benutten bestaand vastgoed Bij uitbreiding van het woningaanbod wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden voor het creëren van woningen binnen bestaand vastgoed (woningen of andere gebouwen).

7.Onderscheidende kwaliteiten van de dorpen Ambities om meer en vooral ook betaalbare woningen te bouwen, gelden voor de hele gemeente Epe. Tegelijkertijd is het woonkarakter en de functie van Epe en Vaassen (met een groot woningaanbod, veel voorzieningen) anders dan van Emst en Oene (dorps/landelijk karakter, beperkt aantal voorzieningen). In de kwalitatieve uitgangspunten wordt daar rekening mee gehouden.

Planspecifiek Epe richt zich voornamelijk op uitbreiden van de woningvoorraad binnen de bestaande kern. Voorliggend initiatief speelt hierop in. Door het realiseren van 25 sociale huurappartementen in bestaande bebouwing wordt eveneens ingespeeld op de behoefte naar meer woningen en dan vooral sociale huurwoningen. De appartementen zullen niet aangesloten worden op het aardgas. Het initiatief maakt verder ook gebruik van bestaand vastgoed. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie en de woonagenda van de gemeente Epe. 3.4.3

Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Ter plaatse van het projectgebied geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervat in het bestemmingsplan ‘Epe Centrum’, vastgesteld op 20 juni 2013. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het projectgebied de functie ‘Maatschappelijk’. Op het perceel is een bouwvlak aanwezig met een maximale bouwhoogte van 10 meter en een maximaal bouwpercentage van 70% van het perceel. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 1’. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

Parkweg 5 Epe

17

Uitsnede omgevingsplan ter hoogte van het plangebied (Omgevingswet.overheid.nl)

Tevens geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervat in de bestemmingsplannen: -

‘Parapluplan parkeren’ vastgesteld op 8 november 2018. Deze is van toepassing aangaande het bepalen van de parkeerbehoefte en -oplossing;

-

‘Parapluplan Terrassen’ vastgesteld op 8 maart 2018. Deze is niet van toepassing op dit initiatief;

-

‘Parapluplan Mantelzorg’ vastgesteld op 22 september 2019. Deze is niet van toepassing op dit initiatief.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Met voorliggende ontwikkeling worden 25 sociale huurappartementen gerealiseerd op een locatie waar enkel maatschappelijke functies zijn toegestaan. Het realiseren van woningen binnen de functie 'Maatschappelijk' is dan ook niet toegestaan, waarmee het plan strijdig is met het geldende omgevingsplan. 3.4.4

Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

18

Parkweg 5 Epe

Hoofdstuk 4

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1

Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld: •

Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);

•

Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);

•

Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Parkweg 5 Epe

19

Planspecifiek Binnen het projectgebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig. Bij voorliggend initiatief wordt het bestaande pand getransformeerd er wordt geen oppervlakteverharding toegevoegd.

Waterberging Het toekomstig verhard oppervlak blijft gelijk aan de huidige situatie. Het doel is om het bestaande groen op het terrein zoveel mogelijk te behouden. Water kan daarbij op het terrein infiltreren.

Wateradvies Voor dit project is een watertoets uitgevoerd, deze is als Bijlage 2 opgenomen bij deze onderbouwing. In deze watertoets wordt ingegaan op alle waterhuishoudkundige aspecten in en om het projectgebied en is het planvoornemen getoetst. Uit deze watertoets volgt een ‘Geen belangen procedure’, verder overleg met het waterschap is dus niet nodig.

Overige aspecten Binnen de projectlocatie en in de directe omgeving zijn geen watergangen of andere vormen van oppervlaktewater aanwezig. Tijdens de bouw van de woningen worden geen uitloogbare materialen gebruikt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2

Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën.

20

Parkweg 5 Epe

Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de eerste beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek Het ontwikkelen van 25 appartementen in het bestaande kantoorpand betreft het toevoegen van nieuwe milieugevoelige objecten. In de onderstaande tabel zijn de omliggende milieubelastende activiteiten en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven. Hierbij geldt dat er spake is van een gemengd gebied waardoor de richtafstanden met 1 stap terug gebracht mogen worden. Geurhinder van veehouderijen blijft in deze paragraaf buiten beschouwing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5.

Functie (adres)

Milieucategorie

Parkweg 5, gemeentehuis

1

Grootste richtafstand (maatge- Feitelijke afstand tot projectvend aspect)

gebied

0 meter

0 meter

De projectlocatie is qua aard en omvang passend binnen het gemengde centrumgebied van Epe. Uit voorgaande tabel is op te maken dat voldaan wordt aan de richtafstand tot het gemeentehuis. Hierbij wordt extra opgemerkt dat de ingang van het gemeentehuis zich bevindt aan de andere kant als de waar de appartementen worden gerealiseerd. Op basis van bovenstaande is er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen de projectlocatie.

Het toevoegen van woningen in het bestaande pand leidt niet tot een afname of belemmering van eventuele ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving. Deze bevinden zich allen op dusdanige afstand, dat de komst van woningen hier geen invloed op heeft.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3

Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;

•

te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart)

Parkweg 5 Epe

21

en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe bodemgevoelige functie, anders dan nu al is toegelaten op de locatie. Er vinden geen grondwerkzaamheden plaats tijdens de transformatie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarom niet nodig om aan te tonen of er sprake is van een etfal.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de ‘omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit’ opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;

•

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan

22

Parkweg 5 Epe

mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: •

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

•

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;

•

bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 51468751_15566291 op circa 1,1 kilometer afstand van het projectgebied. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. NO2 (stikstofdioxide)

Gemeten totale concentratie jaarge-

PM10

PM2,5 (fijnere fractie

(fijnstof)

van fijnstof)

9,1 µg/m3

14,0 µg/m3

7,4 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

middelde 2023 (µg/m3) Resultaatverplichting concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de

Parkweg 5 Epe

23

rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5

Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw

Standaardwaarde

Grenswaarde

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een

2,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

3,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

35,0 ouE/m3

concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

24

Parkweg 5 Epe

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van 25 sociale huurappartementen die aangemerkt kunnen worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het projectgebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig die van invloed kunnen zijn op deze projectlocatie.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Parkweg 5 Epe

25

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort

Standaardwaarde, in dB.

Grenswaarde, in dB.

Rijks- en provinciale wegen. In Lden

50

60

Gemeente- en waterschapswegen. In Lden

53

70

Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden

55

65

Lden

50

55

Lnight

40

45

Industrieterrein

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en 3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: •

op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: o

op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw

o

op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw

•

op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen

•

in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36

26

Parkweg 5 Epe

dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeersdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling), zie navolgende tabel.

Geluidsaandachtsgebied

Breedte (m)

Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder

100

Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u

200

Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken

350

Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen

200

Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

350

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek Voorliggend initiatief maakt 25 appartementen mogelijk wat een geluidgevoelige functie is. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. De projectlocatie is gelegen in het aandachtsgebied van de xxxx weg. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 3.

PM Post

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Parkweg 5 Epe

27

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario’s brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de

28

Parkweg 5 Epe

omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het projectgebied is hier globaal aangegeven met een rood vierkant.

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat op circa 100 m afstand ten oosten van het projectgebied een tankstation aanwezig is. Het projectgebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van dit tankstation. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c.

gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

Parkweg 5 Epe

29

d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat.

Planspecifiek In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.

30

Parkweg 5 Epe

o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.

o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek Het onderhavig initiatief behelst de ontwikkeling van 25 appartementen. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Een afweging of een m.e.r. doorlopen moet worden is dan ook aan de orde. Hiertoe is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 4. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16863289/2