CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

B NL IMRO 0232 VAA032OosthofzUitw-OBP1 tb3

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken8.839 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Vaassen, Oosterhof Zuid

Gemeente Epe

Datum: 18 maart 2022 Projectnummer: 190600.01

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 4 6

2

Kenmerken van het project

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving project Omvang van het project Overige kenmerken van het project

7 7 10 11

3

Plaats van het project

12

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

12 12 15

4

Kenmerken van het potentiële effect

20

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Archeologie Water

20 21 24 25 26 28 29

5

Conclusie

31

Gebruikte onderzoeken/bronnen

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de oostrand van Vaassen, gemeente Epe, liggen enkele onbebouwde agrarische percelen. De locatie is aan de noordkant bereikbaar via de Wanstede en aan de zuidkant via de Zichtstede. Er wordt reeds jaren gesproken over het invullen van de percelen ten behoeve van woningbouw. Zodoende is een uit te werken woonbestemming opgenomen, welke nu wordt uitgewerkt. Het voornemen bestaat om op deze onbebouwde locatie nieuwbouw te ontwikkelen in de vorm van 83 grondgebonden woningen. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Oosterhof Zuid’ is de locatie bestemd als ‘Woongebied - Uit te werken’. Deze bestemming wordt uitgewerkt tot een woonbestemming, waarbij moet worden voldaan aan een aantal uitwerkingsregels. Voor een deel van de gronden van de uitwerkingsplicht, in combinatie met de adressen Eierstreekweg 35a-37, wordt een separaat bestemmingsplan opgesteld, ter plaatse waarvan 4 vrije kavels worden mogelijk gemaakt. De beide ruimtelijke procedures worden gelijktijdig en in samenhang opgesteld. Onderstaande figuur geeft de ligging van de gehele planlocatie weer.

Locatie Oosterhof Zuid (Bron: pdok.nl/viewer)

In het kader van de juridisch-planologische procedures moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

SAB

3

Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit project.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.

SAB

4

Sedert een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig project (de nieuwbouw van in totaal 87 woningen te Vaassen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” De oppervlakte van het totale plangebied van onderhavig project bedraagt minder dan de 100 hectare, en betreft zoals eerder genoemd de realisatie van maximaal 87 woningen. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ruim onder de drempelwaarde en zou een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd zijn. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r.

juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit.

SAB

5

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

SAB

6

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving project

2.2.1

Planbeschrijving De geplande woningbouwontwikkeling ter plaatse van het plangebied bestaat uit maximaal 87 woningen. Voor de inrichting van het plangebied, alsmede de uitgangspunten voor de landschappelijke inrichting, is door SAB een stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan opgesteld, welke als bijlage bij de toelichting is gevoegd.. In het stedenbouwkundig plan is een bouwplan uitgewerkt. Navolgend worden de uitgangspunten en beoogde uitwerking van de ontwikkeling uiteengezet. Voor de ruimtelijke opzet van het stedenbouwkundig plan zijn op basis van een analyse van het plangebied uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten vormen het kader waarbinnen het stedenbouwkundig plan is opgesteld:  Een nieuwe verbinding vanaf de Zichtstede vormt de hoofd-ontsluitingsroute. Deze verbinding loopt als een lus door het plangebied. De wegen volgen daarbij de oorspronkelijke verkavelingsstructuren in het gebied. Langs de oostelijke rand van het plan loopt een smalle weg voor bestemmingsverkeer.  Het plan krijgt een groen en landschappelijk karakter, waarin bestaande ecologisch waardevolle structuren worden ingepast. Er zijn twee grote groenzones aanwezig in het plan. Hier kunnen mensen elkaar ontmoeten, kinderen spelen en is er tevens ruimte voor waterberging. Regenwater verzamelt zich in wadi’s in deze groenzones, waar het kan infiltreren.

Bij extreme regenval kan het water afstromen via noord-zuid georiënteerde groene assen, richting de Dorpsche beek.  De bestaande struweelhaag blijft behouden en wordt daarmee onderdeel van één van de noord-zuid assen. Zo blijft de bestaande vliegroute voor vleermuizen intact en krijgt het plan een bijzonder groen karakter.  Bestaande bomen worden zoveel mogelijk gehandhaafd en de groenzones worden benut voor de aanplant van nieuwe bomen. De houtsingel grenzend aan de bestaande woonwijk ten noorden van het plangebied wordt aangevuld en opgeschoond, zodat er een mooie landschappelijke overgang ontstaat.  De woningen liggen door de gekozen opzet in een aantrekkelijke groene omgeving. Op belangrijke kruisingen van de groenstructuren dragen stedenbouwkundige accenten daaraan bij.  Er is een knip voor autoverkeer aanwezig bij de Wanstede, zodat autoverkeer altijd via de Zichtstede het plangebied bereikt. In lijn met de uitwerkingsregels is er een secundaire ontsluiting aanwezig tussen de Wanstede en het plangebied. Dat wil zeggen dat deze ontsluiting enkel toegankelijk is voor langzaam-, calamiteiten- en bestemmingsverkeer.

SAB

7

 De Eierstreekweg blijft losgekoppeld van de nieuwe buurt. Een nieuwe fietsverbinding vanaf de Wanstede, langs een noord-zuidas, de Zichtstede en een verlegde verbinding richting de Eierstreekweg zorgt voor een goede ontsluiting voor fietsers.  Op de locatie van het loonwerkbedrijf (Eierstreekweg 35a-37) worden een aantal vrije kavels gerealiseerd, die deels via de Zichtstede en deels via de Eierstreekweg ontsloten worden. De hiervoor beschreven uitgangspunten zijn navolgend in kaart weergegeven.

Uitgangspuntenkaart beoogde ontwikkeling (bron: SAB)

In het stedenbouwkundig plan zijn 83 grondgebonden woningen ingepast, beoogd in een gemengd programma. De dure woningen bevinden zich aan de Zichtstede en aan de buitenrand van het plangebied. De middeldure huur en koop, sociale huur en goedkope koop bevindt zich rondom de centrale groenzone en bij het noordwestelijke hof. Deze opzet zorgt ervoor dat er een overgang ontstaat van het dorpse naar het landelijke karakter. Hiernaast worden vier vrije kavels gerealiseerd aan de Eierstreekweg en wordt een bestaande boerderij positief bestemd. De noordwesthoek is een hoek die door veel achterkanten wordt begrensd. Hier is ruimte voor een bijzonder woningtype. In het ontwerp is hier een woonhof gesitueerd. De woningen hebben een kleine achtertuin en ontlenen kwaliteit aan het wonen in een gezamenlijk hof. De hofwoningen zijn met name geschikt voor senioren en/of starters. Het stedenbouwkundig plan is navolgend weergegeven.

SAB

8

Stedenbouwkundig plan Oosterhof Zuid (Bron: SAB)

De oorspronkelijke noord-zuid georiënteerde kavelstructuren komen terug in het plan als groenzones waar ook de afvoer van water kan plaatsvinden. De bestaande struweelhaag en meerdere bomen/houtsingels blijven gehandhaafd om het groene karakter te versterken. Centraal in het plangebied ligt een groene brink. Een tweede groenzone ligt aan de noordkant en functioneert als groene buffer naar de bestaande woonwijk. De groenzone vormt een natuurlijke buffer tussen de bestaande en de nieuwe woonwijk. Naast de waterbergende functie wordt hier een speelplek voor kinderen van 0-12 jaar gerealiseerd (de centrale groenzone is hier eveneens voor geschikt) en is ruimte voor een sportveldje en hondenlosloopveldje. Door het groen lopen struinpaden. De parkeerplaatsen zijn grotendeels in parkeerkoffers nabij de rijwoningen gesitueerd. Aanvullend zijn er langsparkeerplaatsen langs de woonstraten en is er aan de noordzijde van de groene brink een straat met haaksparkeerplaatsen omzoomd door hagen. Een nieuwe fietsverbinding zorgt voor een natuurlijke verbinding tussen de woonwijk ten noorden van het plangebied en de Eierstreekweg. Tevens is een ommetje via de noord-zuidassen, de centrale groenzone en de Zichtstede mogelijk.

Regenwater kan worden geborgen en geïnfiltreerd in de twee wadi's in de groenzones en kan - bij extreme regenval - via de groenzones in de noord-zuidassen afstromen naar de ten zuiden gelegen Dorpsche beek. De openbare ruimte krijgt een bijzonder groen en natuurinclusief karakter en de materialen die worden toegepast hebben een hoogwaardige uitstraling.

SAB

9

Tussen de Zichtstede en de Eierstreekweg worden vier vrije kavels gerealiseerd. Drie vrije kavels voegen zich in het beeld van de Zichtstede, één vrije kavel is georiënteerd op het fietspad en de Eierstreekweg. De beoogde woningen mogen een maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 10 meter hebben en worden uitgevoerd als vrijstaande woningen. De bestaande boerderij aan de Eierstreekweg wordt gehandhaafd conform de huidige situatie (geprojecteerde gebouw rechts van vrije kavels in navolgende impressie). De boerderij herbergt twee wooneenheden, waarmee een tweezijdige oriëntatie bestaat. Dit wordt met voorliggend plan positief bestemd. De agrarische weides blijven eveneens behouden, waarbij geen bebouwing wordt toegestaan (enkele ondergeschikte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd). Navolgend is een impressie weergegeven van een mogelijke invulling van de vrije kavels. Voor wat betreft parkeersituatie wordt uitgegaan van een dubbele oprit met garage. Er is voldoende ruimte op het eigen terrein om te kunnen voldoen in de parkeerbehoefte.

Impressie invulling vrije kavels (Bron: SAB)

Tussen de Zichtstede en de Eierstreekweg loopt een fietspad (direct rechts naast geprojecteerde woningen in voorgaande afbeelding). De groene zone naast het fietspad wordt benut voor regenwaterafvoer richting de Dorpsche beek. De zone heeft een natuurlijke uitstraling met bloemrijk grasland en enkele bomen.

2.3

Omvang van het project In totaal worden er 87 wooneenheden gerealiseerd, als ook nieuwe verkeers- en groenstructuren. Voor de voorliggende ontwikkeling is overeengekomen dat wordt voorzien in 20% sociale huur, 10% middeldure huur, 20% goedkope koop, 25% middeldure koop en 25% dure koop. De vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen aan de dorpsrand bestaan uit één à twee lagen met een kap en kennen een afwisselende voorgevellijn. De rijwoningen aan het centrale groen worden voorzien van één à twee lagen met een kap en de voorgevel bevindt zich minimaal 2,5 meter uit de erfgrens. Een rij bestaat uit maximaal zes woningen, waarbij maximaal drie identieke woningen aan elkaar geschakeld zijn. Het woonhof is halfomsloten beoogd, waarbij een Delftse stoep de voorzone vormt. De woningen bestaan uit twee lagen met een lage goot.

SAB

10

De beoogde woningen tussen de Zichtstede en de Eierstreekweg mogen een maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 10 meter hebben en kunnen worden uitgevoerd als vrijstaande woningen. De bestaande boerderij kent ook de bestaande maatvoering.

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De nieuwe woningen hebben een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

SAB

11

3 3.1

Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied aan de noordzijde is agrarisch gebied waarin de noord-zuid gerichte verkavelingsstructuur nog aanwezig is. Een struweelhaag met enkele grote bomen op de kavelgrens maakt deze verkavelingsrichting herkenbaar in het gebied. De overige groenstructuren komen voort uit recentere ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van de woonwijk ten noorden van het plangebied, en zijn dus minder waardevol wat betreft de oorspronkelijke landschappelijke karakteristieken. Naast agrarische weides en de struweelhaag valt verder een houtopstand centraal binnen het plangebied en een houtsingel aan de noordoostzijde van het plangebied te onderscheiden. In de navolgende afbeeldingen worden impressies gegeven van de huidige situatie van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied (Bron: pdok.nl)

SAB

12

Impressies huidige situatie plangebied (bron: SAB)

De Zichtstede kenmerkt zich door lintbebouwing en ook aan de Eierstreekweg zijn landelijk gelegen boerderijen te vinden. Het plangebied ligt daarmee aan de zuidzijde op de grens van de bebouwde kom van de kern Vaassen en wordt daarmee gekarakteriseerd door de overgang van het landelijk naar het stedelijk gebied. De gronden aan de zuidzijde zijn grotendeels in gebruik ten behoeve van een loonwerkbedrijf. Desbetreffend perceel is volledig beklinkerd en herbergt twee schuren, bestaande uit één laag met kap. Het perceel ligt aan de Eierstreekweg welke ter plaatse een bocht maakt van het zuiden richting het westen. De achterzijde van het terrein wordt gebruikt voor opslag. Het perceel is omzoomd door een haag, waarmee het terrein wat aan het zicht wordt onttrokken. Het gebouw aan de Eierstreekweg 35a doet dienst als dienstwoning van het loonwerkbedrijf. Het markante gebouw is uitgevoerd in een lichte gevelkleur, kent één 1,5 laag met een schilddak en is verbijzonderd met een rieten dak en dakkapel. Daarnaast bevindt zich ter plaatse een bakstenen bijgebouw met kap, uitgevoerd in een bijpassende verschijningsvorm. Het erf heeft een groene, landelijke inrichting en is met een haag afgescheiden van het loonwerkbedrijf.

SAB

13

Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van achtereenvolgend het loonwerkbedrijf, de boerderij en de agrarische weides.

Impressie huidige situatie loonwerkbedrijf (Bron: Google Maps)

Impressie huidige situatie boerderij (Bron: Google Maps)

Impressie huidige situatie (Bron: Google Maps)

SAB

14

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In de directe nabijheid van het projectgebied is geen aangewezen Wetland aanwezig .

Kustgebieden

Het projectgebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het projectgebied is niet gelegen in een berggebied of bosgebied, maar kent wel een groen karakter (zie verder onder 1).

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het projectgebied ligt in het Na-

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

tionale Landschap ‘Veluwe’ (zie

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

verder onder 2).

van de EHS.

Het plangebied ligt niet in een Nationaal Park.

3.3.2.1

Speciale beschermingszones,

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het project-

door de lidstaten aangewezen

gebied liggen Natura 2000-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

gebieden (zie verder onder 3).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het projectgebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar basis van commu-

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

nautaire wetgeving reeds nor-

kwaliteit reeds worden

men worden overschreden.

overschreden Gebieden met hoge bevol-

Het projectgebied is niet gele-

kingsdichtheid

gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

SAB

Verdrag van Valletta

15

Er bevinden zich geen histori-

Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

historisch belang

Monumentenwet

sche structuren of wegen bin-

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

nen het plangebied. Ook zijn er

ontwikkelingsplan

in het plangebied geen Rijks-

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

en/of gemeentelijke bescherm-

archeologisch belang

de monumenten of anderszins karakteristieke panden aanwezig. Het gebied heeft wel een dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Dit is opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden (zie verder onder 4)

1. Bosgebied Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De Wet natuurbescherming schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. In het plangebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn namelijk onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter. In het plangebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld.

Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstand die wordt geveld ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden van de gemeente. Van een belangrijk nadelig milieueffect is daarom geen sprake. Dit aspect wordt daarom niet nader onderzocht in hoofdstuk 4. 2. Nationaal Landschap Het plangebied is gelegen binnen het Nationaal Landschap de Veluwe. In het verleden heeft het Rijk een aantal Nationale Landschappen aangewezen. Deze landschappen weerspiegelen samen de diversiteit en ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Het rijk laat het beleid ten aanzien van landschap op land over aan provincies en wil provincies meer ruimte geven bij de afweging tussen verstedelijking en landschap om zodoende meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk. De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitwerking van het beleid voor de nationale landschappen. Zij nemen een gedetailleerde begrenzing op in hun structuurvisies en werken daarin per nationaal landschap benoemde kwaliteiten uit.

SAB

16

Het plangebied is gelegen in het nationaal landschap Veluwe. Dit gebied omvat het grootste aaneengesloten bosgebied van Nederland, en maakt deel uit van de IJsselvallei en de overgangszone naar het IJsselmeer. De kernkwaliteiten zijn dan ook groot, aaneengesloten bosgebied en actieve stuifzanden. Binnen het grote bosgebied liggen nog actieve stuifzanden, grote en kleine heidegebieden en enkele landbouwenclaves. Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied ‘Gradiënt Oost-Veluwe’. De kernkwaliteit van dit deelgebied leest als volgt: Fraaie en beleefbare gradiënt van Veluwe naar IJssel: van besloten boslandschap in het westen via kleinschalig met houtwallen (ten westen van het Apeldoorns kanaal) naar grootschalige openheid in het oosten. Er ligt een zorgvuldig stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan ten grondslag aan onderhavige ontwikkeling. Daarin zijn de bestaande (groene) kwaliteiten zoveel als mogelijk geïntegreerd in het ontwerp. Dit tezamen maakt dat het plan in lijn met het gestelde in de Omgevingsvisie en –verordening, en er wordt geen negatieve aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap voorzien. Dit aspect is daarom niet nader behandeld in hoofdstuk 4. 3. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992).

Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt op circa 500 meter ten westen van Natura 2000-gebied Veluwe. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op grotere afstand van het plangebied Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Verstoringen door geluid en trillingen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is echter wel een toename in stikstofuitstoot te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

Kaart met globale ligging van het plangebied (aangeduid met locatie) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden. (Bron: AERIUS-Calculator)

SAB

17

4. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Aangezien onderhavige locatie mogelijk archeologische waarden be1 vat, is archeologisch onderzoek verricht . Dit wordt verder behandeld in hoofdstuk 4. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het projectgebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het projectgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 5).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het projectgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het projectgebied is niet gelegen

Provinciale verordening

in een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het projectgebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Wel ligt het gebied in een intrekgebied (zie verder onder 6).

1

Bureau voor Archeologie 2021 (2021). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Wanstede Zichtstede, Vaassen. Rapportnummer: 1039. 26 april 2021

SAB

18

5. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 6. Grondwaterbeschermingsgebied Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied meerdere thema’s raakt. Zo ligt het plangebied in zijn geheel binnen een intrekgebied. In een bestemmingsplan krijgen intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Onderhavig plan voldoet hieraan en vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. De voorgenomen ontwikkeling is hiernaast geen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functie. Nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd met een woonfunctie. De voorgenomen ontwikkeling verslechtert niet de kwaliteit van het grondwater en is daarmee niet in strijd met hetgeen gesteld is ten aanzien van intrekgebieden. Negatieve milieueffecten zijn daarom op voorhand niet te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht.

SAB

19

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van maximaal 87 grondgebonden woningen in Vaassen betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het projectgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het projectgebied bevind zich Natura 2000gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het project kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer.  archeologie: Er is mogelijk sprake van negatieve effecten voor archeologische waarden door onderhavig project.  water: Er is met het project sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Dit heeft mogelijke negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten.

SAB

20

 cultuurhistorie: Er is geen sprake van negatieve effecten voor cultuurhistorische waarden door onderhavig project.  bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van de kern van Vaassen aan de Zichtstede en de Eierstreekweg (gemeente Epe, provincie Gelderland). In de omgeving van Vaassen is voornamelijk agrarisch gebied aanwezig. Daarnaast bevinden het Apeldoorns kanaal en de Veluwe zich in de buurt van het plangebied. Op 22 april 2020 is door SAB een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit vier agrarische percelen, een bosperceel, een klein grasveld en een loonwerkbedrijf. Van west naar oost ligt er eerst een perceel met grasland met aan de oostkant van dit perceel een groenstrook met struiken en bomen. Daarnaast ligt een smal perceel met akkerbouw. In het midden van het plangebied ligt een bosperceel, bestaande uit hoge dunne bomen (stakenbos), omringd met braam. Ten oosten hiervan ligt nog een akkerperceel en het meest oostelijke perceel in het plangebied is nog een grasland. Het loonwerkbedrijf ligt in het zuiden van het plangebied en bestaat uit een open schuur, een gesloten schuur, een woonhuis met een rietdak en veel materiaalopslag. Langs de noordkant van het plangebied loopt nog een houtsingel en ligt een klein grasveld. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

Grasland westkant perceel

SAB

Akkerland met groenstrook.

21

4.2.2

Stakenbos.

Akkerland met op de achtergrond grasland.

Materiaalopslag.

Open schuur.

Gesloten schuur.

Woonhuis.

Effecten ontwikkeling 2

Middels een quickscan natuur is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de onderzoeken uiteengezet. Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Echter, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Veluwe) ligt op circa 500 meter afstand. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied mogelijk. Zo kan bij eventuele sloop en nieuwbouw door 2

SAB (2021). Quick-scan Natuur, Vaassen Oosterhof-Zuid. Projectnummer:190600

SAB

22

de aanwezige machines stikstof worden uitgestoten. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activitei3 ten van de bouwsector. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Daarbij inbegrepen zijn de voertuigbewegingen die onlosmakelijk verbonden zijn aan deze activiteiten. De wetgever verwacht wel van initiatiefnemer een inspanningsverplichting om bij bouw- en sloopwerkzaamheden gebruik te maken van zo schoon mogelijk materieel. In het licht van deze vrijstelling voor de bouw- en sloopwerkzaamheden is een berekening van stikstofemissie en bijbehorende stikstofdepositie niet vereist. Het is immers aannemelijk dat door het tijdelijk karakter van de emissies door bouwactiviteiten de stikstofemissie op landelijk niveau gelijk blijft en slechts een klein aandeel vormt van de totale stik4 stofdepositie, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken. Significant negatieve milieueffecten ten gevolge van de aanlegfase kunnen dus op voorhand worden uitgesloten. Wel kan de verkeersaantrekkende werking door de plannen toenemen, waardoor ook de stikstofemissie toe kan nemen.

Om te bepalen of deze stikstof kan leiden tot de verstoring van stikstofgevoelige vegetaties in Natura 2000-gebieden is een AERIUS5 berekening uitgevoerd . Uit de berekeningen volgt dat er met de ontwikkeling geen toename van stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000-gebieden voor de gebruiksfase. Uit de beoordeling blijkt dat significant negatieve effecten van het plan voor zowel de aanleg- als gebruiksfase op voorhand zijn uitgesloten. Een vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming is daarom niet nodig zijn. Beschermde soorten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden.

Om overtreding van de wet te voorkomen is geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

3

https://www.aanpakstikstof.nl/actueel/nieuws/2021/06/18/stikstofwet-gaat-in-per-1-juli-2021

4

https://www.aanpakstikstof.nl/themas/woningbouw/vragen-en-antwoorden/over-dekamerbrief-van-13-oktober-2020-vrijstelling

5

SAB (2022). Stikstofonderzoek. Vaassen, Oosterhof-Zuid. Projectnummer: 190600.01

SAB

23

Verder zijn mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter, bunzing en wezel en essentieel leefgebied van de das aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is 6 nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel en bunzing of andere essentiële elementen voor deze soorten zijn niet aanwezig in de bebouwing binnen het plangebied. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen is ook niet in het plangebied aanwezig. Wel is een essentiële vliegroute voor vleermuizen aanwezig in het plangebied. Het is echter goed mogelijk om de aanwezige essentiële vliegroute te behouden en functioneel te houden. De voorgenomen plannen houden hier dan ook rekening mee en er zal gezorgd worden dat de vliegroute functioneel blijft met behulp van een ecologisch werkprotocol. Verder is een bijburcht of vluchtpijp van de das in het plangebied aangetroffen. Vanwege de functie en de ligging is echter uit te sluiten dat deze zijn functie verliest door de voorgenomen plannen. Om met zekerheid verstoring van dit hol te voorkomen worden werkzaamheden conform protocollen uitgevoerd. Een ontheffing Wet natuurbescherming is dan bij een goede naleving niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht.

Ervan uitgaande dat de voornoemde werkwijzen worden gevolgd kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied grotendeels ingericht als agrarische weides. Ten zuiden is een loonwerkbedrijf gesitueerd. Momenteel is dus sprake van een relatief lage verkeersaantrekkende werking.

4.3.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met maximaal 87 woningen. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt 7 gegenereerd is een verkeersstudie opgesteld. Gebaseerd op onderstaande kentallen van het CROW is een verkeersgeneratie berekend.

6

SAB (2021). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600. 29 maart 2021.

7

Mobycon. Verkeerskundige toetsing Oosterhof Vaassen. Kenmerk M07109-M-E7, d.d. 18 maart 2022.

SAB

24

Berekening verkeersgeneratie aan de hand van CROW-381 kentallen (Bron: Mobycon)

Hier komt uit voort dat door de toevoeging van 87 woningen circa 698 extra verkeersbewegingen per werkdag ten opzichte van de huidige situatie zullen ontstaan. Uit de verkeersstudie komt naar voren dat het verkeer zich via de Zichtstede naar de Hommelbrinkstede zal verplaatsen, om zich vervolgens te verdelen over de Laan van Frasna in noordelijke en zuidelijke richting. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename, zoals blijkt uit de verkeersstudie. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied grotendeels ingericht als agrarische weides. In de omgeving zijn enkele wegen gelegen met een relatief lage etmaalintensiteit. De verwachting is dat in het plangebied sprake is van een relatief lage geluidbelasting.

4.4.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met maximaal 87 extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op circa 698 extra motorvoertuigen per gemiddelde weekdagetmaal. Het planverkeer zal via de Zichtstede en de Hommelbrinkstede worden ontsloten op de Laan van Frasna. Voor de ontsluitingswegen geldt dat woningen in de buurt liggen. De geluidbelasting zou hier kunnen toenemen vanwege de extra verkeersbewegingen. Uit de Wet Geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Bij dit plan is de verkeerstoename op de 30 km/uur weg

SAB

25

Zichtstede hoger dan 40%. Er is dus naar verwachting sprake van een merkbare geluidstoename. In het akoestisch onderzoek is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toetsing uitgevoerd ten gevolge van de Zichtstede, inclusief de planbijdrage van 698 motorvoertuigen. Hierbij is getoetst op de bouwvlakken van onderhavig bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek toont aan dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden ten gevolge van de Zichtstede. Daarmee kan verondersteld worden sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn in het akoestisch rekenmodel enkele toetspunten op de maatgevende aangrenzende bebouwing gepositioneerd. De toetspunten zijn gesitueerd op 1,5 meter boven elke verdiepingsvloer, waarbij uitgegaan wordt van een verdiepingshoogte van 3 meter. De geluidbelasting is getoetst ten gevolge van de Zichtstede, inclusief planbijdrage. Onderstaande uitsnede toont de resultaten.

Uitsnede akoestisch rekenmodel: Berekende geluidbelasting vanwege de Zichtstede, inclusief aftrek conform art. 110g Wgh, op bestaande bebouwing

Uit de berekening blijkt dat als gevolg van de Zichtstede er in totaliteit geen overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogste geluidbelasting bedraagt 46 dB. Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee blijven worden gewaarborgd na realisatie van onderhavig plan. Gezien voorgaande is geen sprake van een belangrijk nadelig negatief milieueffect.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brent de achtergrondconcentraties in beeld.

SAB

26

Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie 3 11 - 12 µg/m 3 15 - 17 µg/m 3 8 - 10 µg/m

Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m

Uit bovenstaande tabel blijkt dat sprake is van relatief lage achtergrondconcentraties voor wat betreft stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5). In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissieconcentraties 40 3 3 µg/m voor NO2 en PM10 en 25 µg/m voor PM2,5. In alle gevallen blijven de achtergrondwaarden beneden deze grenswaarden. 4.5.2

Effecten ontwikkeling Onderliggend project voorziet in de ontwikkeling van 87 extra woningen. Gezien deze omvang is het project ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig project onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Onderstaand is de NIBM-berekening toegevoegd. Worst-case is uitgegaan van 2022 als jaar van planrealisatie.

NIBM-berekening toekomstige situatie

Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

SAB

27

4.6

Archeologie

4.6.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een grotendeels onbebouwd agrarisch gebied met een loonbedrijf aan de zuidzijde.

4.6.2

Effecten ontwikkeling Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Ter plaatse van het plangebied is voorzien in een archeologisch bureau- en booron8 derzoek . Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er potentieel archeologische waarden worden verstoord door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek uit te voeren, bestaande uit karterende en waarderende proefsleuven, in de noordelijke helft van het plangebied (zie navolgende afbeelding). De kans dat in de rest van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn is laag.

8

Bureau voor Archeologie 2021 (2021). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Wanstede Zichtstede, Vaassen. Rapportnummer: 1039. 26 april 2021.

SAB

28

Advieskaart proefsleuvenonderzoek (Bron: BvA)

De eventuele archeologische waarden binnen het plangebied zullen beschermd worden middels een archeologische dubbelbestemming. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen werkzaamheden worden uitgevoerd die in het kader van het bestemmingsplan vergunningplichtig zijn. Daarnaast zullen archeologische vondsten, dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek, gemeld moeten worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Wat betreft archeologie is hierdoor geen sprake van een negatief milieueffect.

4.7

Water

4.7.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een grotendeels onbebouwd agrarisch gebied met een loonbedrijf aan de zuidzijde.

4.7.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling (de realisatie van maximaal 87 nieuwe woningen) zorgt voor een toename van het verharde oppervlak. Voor de planontwikkeling als geheel is 9 voorzien in een riolerings- en waterhuishoudkundig plan . In dit plan worden de mogelijkheden bekeken om op een duurzame wijze met het water om te gaan. De ambitie voor het omgaan met het hemelwater is om het binnen het plangebied vast te houden en te infiltreren. 9

NTP (2021). Riolerings- en waterhuishoudkundig plan. Plan Oosterhof te Vaassen. kenmerk: 1201114-RAP-01-vA. 4 mei 2021.

SAB

29

Het hemelwater, afkomstig van daken, wegen, parkeervakken en trottoirs wordt zoveel mogelijk bovengronds getransporteerd richting de in het ontwerp opgenomen wadi’s en infiltratiegreppels. Op locaties waar oppervlakkige afvoer niet mogelijk is worden HWA-leidingen opgenomen die afvoeren richting één van de wadi’s. De achterpaden die niet oppervlakkig tot afstroming kunnen komen, lozen middels een kolk op één van de wadi’s, infiltratiegreppels of HWA-leidingen. Door het waterschap wordt er een berging geëist van 60 mm (T=100 + 10%), om zo een toekomstbestendig watersysteem te hebben. De wadi’s hebben voldoende capaciteit om minimaal 60 mm neerslag, afvloeiend van openbaar en uitgeefbaar terrein te bergen. Doordat de woningen minimaal 20 cm boven de as van de rijbaan liggen, zal het hemelwater eerder afstromen richting het HWA-riool en de watergangen dan dat het de woningen instroomt. Na afloop van de regenbui kan water dat geborgen is in de openbare ruimte via de wadi’s en infiltratiegreppels infiltreren naar de ondergrond. Navolgende afbeelding toont een vergelijking van de aanwezige en benodigde berging. Hieruit volgt dat kan worden voldaan aan het benodigde berging.

Vergelijking aanwezige en benodigde berging (Bron: NTP)

De nieuwe functies zijn verder niet van dien aard, dat deze mogelijk gevolgen hebben voor de kwaliteit van het oppervlakte- of grondwater. Ook is geen negatieve invloed op de veiligheid van de waterkeringen in de omgeving te verwachten. Gelet op voorgaande kan in ieder geval worden geconcludeerd dat de wateropgave vroegtijdig is meegewogen in de planvorming en dat er voor wat betreft het aspect ‘water’ geen sprake van negatieve milieueffecten.

SAB

30

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de nieuwbouw van de ontwikkeling Oosterhof-Zuid belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In totaal zullen maximaal 87 woningen mogelijk worden gemaakt. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

SAB

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op het nabij gelegen Natura 2000 gebied niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. De aanwezigheid van beschermde soorten is grotendeels uitgesloten middels een flora en fauna onderzoek, of er geldt een provinciale ontheffing. Wel zijn mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter, bunzing en wezel en essentieel leefgebied van de das aanwezig. Nader onderzoek heeft aangetoond dat vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel en bunzing of andere essentiële elementen voor deze soorten niet aanwezig zijn. Wel is een essentiële vliegroute voor vleermuizen aanwezig in het plangebied. Het is echter goed mogelijk om de aanwezige essentiële vliegroute te behouden en functioneel te houden (mede middels een ecologisch werkprotocol). Verder is een bijburcht of vluchtpijp van de das in het plangebied aangetroffen. Vanwege de functie en de ligging is echter uit te sluiten dat deze zijn functie verliest door de voorgenomen plannen. Om met zekerheid verstoring van dit hol te voorkomen worden werkzaamheden conform protocollen uitgevoerd.

Met inachtneming van de broedperiode voor vogels, de zorgplicht uit de Wet Natuurbescherming en het ecologisch werkprotocol zijn de negatieve effecten op zijn hoogst beperkt. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De nieuwe woonontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking zonder te verwachten afwikkelingsproblemen op de bestaande infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de nieuwe woonontwikeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking

31

Lucht

Archeologie

Water

ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is mogelijk sprake van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de aangrenzende 30 km/uur weg Zichtstede zorgt echter niet voor een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee gewaarborgd blijven. Van een belangrijk nadelig milieueffect is geen sprake. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. De eventuele archeologische waarden binnen het plangebied worden beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen werkzaamheden worden uitgevoerd die in het kader van het bestemmingsplan vergunningplichtig zijn. Daarnaast zullen archeologische vondsten, dan wel waarnemingen gedaan bij niet-archeologisch onderzoek, gemeld worden op basis van de artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Van afbreuk op eventueel aanwezig archeologische waarden is geen sprake. De wateropgave is vroegtijdig meegewogen in de planvorming. Er is sprake van een positieve waterbalans.

De nieuwe functies zijn niet van dien aard, dat deze mogelijk gevolgen hebben voor de kwaliteit van het oppervlakte- of grondwater. Ook is geen negatieve invloed op de veiligheid van de waterkeringen in de omgeving te verwachten. Voor het aspect water is geen sprake van een negatief milieueffect.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

SAB

32

Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken  Quick scan natuur  Stikstofonderzoek  Verkeerskundige toetsing  Riolerings- en waterhuishoudkundig plan  Akoestisch onderzoek  Archeologisch onderzoek Bronnen  Risicokaart www.risicokaart.nl  Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken  Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/  Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/  CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/  Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken  Interactieve kaarten provincie Overijssel http:// gisopenbaar.overijssel.nl/  AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/  Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12191324/1