947425 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 8 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 3067 Vaassen, Smutsstraat Gemeente Epe (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
I. Korver
Versie
Versie 2.0
Projectcode
23030104
Datum
14-09-2023
Opdrachtgever
Buro SRO
Uitvoerder
Transect b.v.
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Veldonderzoek
T. Nales (Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding
5444718100
Bevoegde overheid
Gemeente Epe
Adviseur bevoegde overheid
Regio-archeoloog Stedendriehoek
Status
Beoordeeld en goedgekeurd
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (22-06-2023)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)
Datum
Paraaf
18-07-2023
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in juni 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Smutsstraat en Bothastraat in Vaassen (gemeente Epe). De aanleiding voor het onderzoek vormt een wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementencomplex in het gebied. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het plangebied ligt op de overgang van een stuwwal in het westen naar de lager gelegen vallei van de IJssel in het oosten, op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Vermoedelijk is deze afgedekt met dekzand, waar bodemvorming heeft plaatsgevonden. Dergelijke overgangszones vormden vanaf het Paleolithicum aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Op basis hiervan heeft het plangebied een hoge verwachting voor de periode Paleolithicum – Late Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van bebouwing op historische kaarten is er een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, met uitzondering van sporen van landgebruik.
Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat zich in het plangebied dekzand bevindt. In de top van het dekzand zijn sporen van bodemvorming aangetroffen (BC-horizont). De top bevindt zich direct onder de bouwvoor op 30-50 cm -Mv (15,78 – 16,15 m +NAP). In het plangebied zijn meerdere woningen gebouwd. Deze bevatten een fundering van circa 80 cm -Mv. Het is de verwachting dat hier alleen nog diepere sporen aanwezig zullen zijn (bijlage 8). Op basis van deze resultaten is de archeologische verwachting van het bureauonderzoek bij te stellen. In het plangebied geldt een hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen in de onbebouwde delen. In de bebouwde delen kan deze verwach ting bijgesteld worden naar middelhoog aangezien het sporenniveau hier naar verwachting zal zijn afgetopt (circa 20 cm). Voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum is archeologische verwachting laag. Archeologische resten uit deze periode kenmerken zich door vondstconcentraties en ondiepe grondsporen. Het is de verwachting dat deze niet meer in situ aanwezig zijn door de aanleg van de huidige woonwijk. De lage verwachting voor de Nieuwe Tijd uit het bureauonderzoek blijft behouden. Advies Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw en sloopwerkzaamheden aanvullende maatregelen nodig.
Er is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor het plangebied. Eventuele archeologische resten kunnen aangetast worden door de geplande werkzaamheden. Daarom adviseren wij om een dubbelbestemming Archeologie op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Indien de werkzaamheden, inclusief ondergrondse sloop, dieper reiken dan de bouwvoor (30 cm Mv; 15,78 – 16,15 m +NAP), dan adviseren wij tot vervolgonderzoek. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO -P, protocol 4003), al dan niet onder begeleiding. Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat op voorhand door de bevoegde overheid (gemeente Epe) moet worden goedgekeurd.
Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Epe) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1. Aanleiding
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5. Beleidskader
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem
7
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken
9
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
14
9. Gespecificeerde archeologische verwachting
19
10. Resultaten veldonderzoek
22
11. Beantwoording onderzoeksvragen
24
12. Conclusie en Advies
25
13. Geraadpleegde bronnen
26
Bijlage 1: Plantekening
28
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Vaassen
29
Bijlage 3: Geomorfologie
31
Bijlage 4: Hoogtekaart
32
Bijlage 5: Bodemkaart
33
Bijlage 6: Archeologische informatie
34
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
35
Bijlage 8: Verwachtings- en advieskaart
36
Bijlage 9: Foto’s van boringen
37
Bijlage 10: Boorbeschrijvingen
38
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in juni 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Smutsstraat en Bothastraat in Vaassen (gemeente Epe). De aanleiding voor het onderzoek vormt een wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementencomplex in het gebied. In het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachting volgens de waarden- en verwachtingskaart (gemeente Epe, 2021). Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 1000 m2 en dieper dan 35 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 2800 m2 met bodemingrepen dieper dan 35 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Korver, 2023).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en st aat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepal en van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbar e geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is er navraag gedaan bij de Historische vereniging Ampt Epe voor aanvullende informatie (via algemene e-mailadres; d.d. 05-07-2023). Deze informatie is in deze rapportage verwerkt.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied . Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verl eden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt he t bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeo logie versie 4.1 (KNA 4.1).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Epe
Plaats
Vaassen
Toponiem
Smutsstraat – Bothastraat
Kaartblad
27D
Centrumcoördinaat
193.702 / 477.363
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzo eksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt tussen de Smutsstraat en de Bothastraat in Vaassen (gemeente Epe). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied het perceel VSN02 Sectie D nummer 5499. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Krugerstraat in het noorden, de Smutsstraat in het westen en de Bothastraat in het oosten. De zuidelijke grens wordt gevormd door de contouren van de toekomstige parkeerplaats. Het plangebied is circa 2800 m2 groot.
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Bestemmingsplanwijziging
Oppervlakte plangebied
2800 m2
Planvorming
Nieuwbouw appartementencomplex
Omvang verstoringen
900 m2 complex Sloop bebouwing (650 m2 ) Aanleg nutsvoorziening en parkeerplaats (360 m2 )
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
Diepte verstoring
Onbekend (>35 cm)
Het voornemen bestaat om in het plangebied een nieuw appartementencomplex te realiseren (circa 900 m2 ). De toekomstige bebouwing is gepland op reeds bebouwd terrein. De woningen (circa 650 m2 ) voor de toekomstige plannen moeten wijken. Een inrichtingstekening van de toekomstige situatie is weergegeven in bijlage 1. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. De bodemingrepen zullen naar verwachting het bodemarchief en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden aantasten. Hoe diep de ingrepen zullen reiken is echter nog niet bekend, aangezien de technische tekeningen voor de bebouwing nog worden opgesteld. De verwachting is echter dat de funderingen in ieder geval vorstvrij zullen worden aangelegd (circa 80 cm -Mv). Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Archeologische waardenkaart gemeente Epe
Onderzoeksgrens
1000 m2 en dieper dan 35 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Op de gemeentelijke waarden- en verwachtingskaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting (Gemeente Epe, 2021; bijlage 2). Aan deze verwachting zijn in het conceptbeleid onderzoeksgrenzen verbonden. Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 1000 m2 én dieper reiken dan 35 cm -Mv is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk.
Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van een bestemmingsplanwijziging dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNA waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Gelders zandgebied
Geomorfologie
Glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen
Geomorfologie (gemeente Epe)
Vlakke erosiewaaier met droge humuspodzol
Maaiveld
16,2 – 16,5 m +NAP
Bodem
Laarpodzolgronden
Grondwater
GWT-VII
Landschapsgenese Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse zandgebied, een gebied dat gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van hoge stuwwallen die zich gedurende de voorlaatste ijstijd hebben kunnen vormen (de stuwwallen van het Veluwemassief; Berendsen, 2005). In het Laat-Saalien (ca. 170000 – 140000 jaar geleden) waren grote delen van Noord- en Midden-Nederland bedekt met landijs. Ter hoogte van de landijstongen ontstonden glaciale bekkens, van waaruit morene werd opgestuwd. De afzettingen waaruit het Veluwemassief is ontstaan zijn afkomstig uit het glaciale dal van de IJssel, ten oosten van het onderzoeksgebied. De opgestuwde afzettingen bestaan daarom vooral uit grind en grof zand, die reeds vóór de ijstijden hier door de Rijn zijn aangevoerd. Door het afsmelten van het landijs aan het einde van het Saalien ontstonden langs de flanken van de opgestuwde ruggen, diverse landschapsvormen door toedoen van afstromend smeltwater. De meest bekende zijn de sandrs, grote puinwaaiers die aan de voet van e en stuwwal liggen (Berendsen, 2005). In de laatste ijstijd (het Weichselien, circa 115000 – 10000 jaar v. Chr.) was er geen sprake van de aanwezigheid van landijs, maar kende Nederland wel een zeer koud en droog klimaat.
De bodem was ‘permanent’ bevroren (permafrost), waardoor tijdens de zomers het sneeuwsmeltwater niet in de bodem kon wegsijpelen, maar via de lagere delen van het landschap langs de stuwwal afstroomde. Hierdoor werden in de hellingen van de stuwwal smalle diepe dalen uitgesleten en op de vl akkere delen brede, ondiepe dalen. Omdat de erosiedalen als gevolg van het ontdooien van de permafrost niet meer watervoerend zijn, worden het ook wel droogdalen genoemd. Tevens was sprake van aanhoudend sterke windstromen, die vanuit drooggevallen rivierbeddingen en de Noordzeebodem grote hoeveelheden zand wegbliezen. Dit zand werd even verderop weer afgezet als dekzand, onder andere ook tegen de westrand van de stuwwal en in de droogdalen. Dit leidde tot een landschap dat gekenmerkt werd door een sterk glooiend reliëf dat bestaat uit zandruggen, welvingen en vlakten, onderbroken door dagzomende oudere glaciale landschapselementen. Aan het eind van de laatste ijstijd – het Weichselien – trad een permanente klimaatsopwarming aan, die het Holoceen als huidig geologisch tijdsvak inluidde. Als gevolg van vegetatieontwikkeling werden de verstuivingen aan banden gelegd en werd het landschap als het ware “vastgelegd”.
Geologie Volgens boring B27D0164 en B27D0040 uit het Dinoloket van TNO liggen op 215 m ten zuiden van het plangebied antropogene afzettingen op afzettingen van de Formatie van Boxtel (193695, 477123 (RD)). De antropogene laag is 30 cm dik (16,4 – 16,7 m +NAP). De Formatie van Boxtel reikt tot circa 12,5 m -Mv (3,5 m +NAP). Vanaf 3,5 m +NAP zijn er afzettingen van de Formatie van Kreftenheye aanwezig (rivierafzettingen, bron: www.dinoloket.nl, zie ook voorgaande paragraaf “landschapsgenese”).
7
Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied. Op basis van gegevens uit de omgeving ligt het plangebied vermoedelijk op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen, bedekt met dekzand (kaartcode 4H21ydl; bijlage 3; Maas e.a., 2019). Volgens de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Epe bevindt het plangebied zich op een vlakke erosiewaaier waarin zich een droge humuspodzol heeft ontwikkeld (bron: www.epe.nl/archeologie-en-cultuurhistorie). Ten noorden en ten zuiden van de bebouwde kom bevinden zich droogdalen (code 23R21). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied op 16,2 – 16,5 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 4; bijlage 4). Het maaiveld binnen het plangebied is relatief vlak en vertoont weinig verschillen. Ten westen van het plangebied is het maaiveld hoger, tot circa 18,5 m +NAP en ten oosten van het plangebied daalt de hoogte tot circa 10,4 m +NAP. Ook in de droogdalen is het maaiveld lager op het AHN. Bodem en grondwatertrap Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in bebouwd gebied (bijlage 5; Alterra, 2019). Op basis van gegevens uit de omgeving komen in het plangebied waarschijnlijk laarpodzolgronden voor (kaartcode Hn21).
Laarpodzolgronden zijn dunnere oude bouwlandgronden, met een humusrijke bovengrond van 30-50 cm dikte, die door plaggenbemesting is ontstaan. Deze gronden hebben een humuspodzol-B (De Bakker, 1966). Ter plaatse van de laarpodzolgronden is grondwatertrap VII gekarteerd. Dit wijst op een gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm -Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat anorganische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven. Voor wat betreft organische resten moet het voorbehoud worden gemaakt, dat door schommelingen in de grondwaterstand en door oxidatie (als gevolg van een lage grondwaterstand) deze kunnen zijn gedegradeerd.
8
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Middelhoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een vlakke erosiewaaier met een dun conserverend dek. Deze hebben vanwege hun wat hogere ligging binnen het regionale landschap bewoningsmogelijkheden geboden (gemeente Epe, 2022; bijlage 2). Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 6). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie uit overige bronnen verkregen. Archeologisch gezien valt uit de resultaten van de reeds uitgevoerde onderzoeken in de omgeving af te leiden dat er allereerst weinig vindplaatsen gevonden zijn.
Archeologische resten worden verwacht in de top van de smeltwaterafzettingen. In een eventueel oud bouwlanddek kunnen sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd voorkomen. Naar verwachting bestaan eventuele archeologische resten uit met name grondsporen.
9
Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstand-windrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
4772020100
Woestijnweg
280 m ten westen
Bureau- en booronderzoek
Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een hoge verwachting geldt voor alle archeologische perioden.
Reinders en Osinga, 2019
Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een bouwvoor op de C-horizont (sneeuwsmeltwaterafzettingen), veelal met in het algemeen een dunne verwerkte tussenlaag (verploeging). Er zijn tijdens het veldonderzoek geen relevante archeologische indicatoren en/of vondsten waargenomen. Er is geadviseerd tot vrijgave van het plangebied. 5287968100 Vooronderzoek: 5287951100
De Weststraat 25
170 m ten oosten
Booronderzoek
Uit de boringen blijkt dat in de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied sprake is van een merendeels intacte haarpodzolbodem (droge humuspodzol), tussen circa 35 en 90 cm mv. De bodemvorming bevindt zich in de top van de daluitspoelingswaaierafzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen). Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ
Ten Broeke, 2022
10
gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Nederzettingssporen daterend vanaf het LaatNeolithicum, welke dieper zullen doorlopen (zoals paalgaten en afvalkuilen) kunnen nog wel intact worden aangetroffen. Binnen de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied is sprake van een verstoorde/geroerde bodemopbouw tot gemiddeld 110 cm -mv. Hier geldt dat de verstoringen tot zeker 20 cm in de top van de C-horizont reiken. Hierdoor is de verwachting dat het archeologisch sporenniveau sterk is aangetast, zo niet volledig is vergraven. Voor het zuidoostelijk deel van het gebied is vervolgonderzoek aangeraden. 2213643100
Mandelahof
230 m ten oosten
Booronderzoek
Rapport niet raadpleegbaar via Dans Easy en Archis3
-
4816182100
Potgieterstraat 20
290 m ten noordoosten
Verkennend en karterend booronderzoek
Uit de boringen blijkt een sterk verstoorde bodemopbouw. Tot een gemiddelde diepte van circa 150 cm -mv komen geroerde/verstoorde lagen grond voor, ten dele vermengd met resten/brokjes recent beton- en baksteenpuin (bouwpuin). De verstoring is het gevolg van de huidige bebouwing. De onverstoorde bodem betreft direct de C-horizont, in de vorm van sneeuwsmeltwaterafzettingen. In de boringen is de bovenliggende bodemopbouw verdwenen en vaak ook de top van de C-horizont.
Ten Broeke, 2021
Vooronderzoek: 4816174100
11
Er zijn geen indicatoren van enige ouderdom aangetroffen. Daarnaast zijn er geen lagen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een oude antropogene bodemhorizonten (oude akkerlagen/cultuurlagen) met een datering die dan mogelijk ouder zou kunnen zijn dan de periode van grootschalige ontginning van het gebied. Er is geen vervolgonderzoek aangeraden.
12
Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Datering
Type onderzoek
Omschrijving vondstmelding
3077169100
Elspeterweg
440 m ten noordwesten
Laat Neolithicum – Bronstijd
Archeologisch
Ophogingslaag van een mogelijke grafheuvel, alhoewel deze als zeer twijfelachtig is aangemerkt.
13
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype
Gelders zandgebied
Cultuurhistorische elementen
Nee
Aard historisch landgebruik
Heide
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van arche ologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied ligt ongeveer 500 m ten zuidwesten van de historische kern van Vaassen. De oudste vermelding van Vaassen dateert uit het einde van 8 e of begin van de 9 e eeuw. De omgeving van het dorp is in de Late Middeleeuwen ontgonnen. Een goed beeld van de historische ontwikkeling van het plangebied in de Nieuwe Tijd kan verkregen worden aan de hand van historische kaarten (figuren 3-8). Op het Kadastrale Minuutplan uit 18111832 is het plangebied onbebouwd. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels ligt het plangebied in een heidegebied.
In het gebied zijn een aantal paden aanwezig, waarvan een langs de noordgrens van het plangebied loopt. Deze weg staat niet aangegeven op de Cultuurhistorische kaart van de provincie Gelderland (bron: www.geoportaal.gelderland.nl). Aan dit beeld verandert weinig tot in 1925. Het plangebied wordt dan bosland en in de omgeving is de bebouwing toegenomen. Op de kaart uit 1962 verschijnt de eerste bebouwing in het plangebied. Dit lijkt de bestaande bebouwing te zijn, alhoewel die volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen uit 1951 dateert (bron: bagviewer.kadaster.nl). Dit beeld verandert tot op heden niet. Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is ten tijde van het onderzoek deels bebouwd (650 m2 ). Voor het plangebied zijn bouwtekeningen opgevraagd. Niet alle bouwtekeningen zijn beschikbaar. Uit de beschikbare tekeningen blijkt dat de meeste woningen en bijgebouwen vorstvrij gefundeerd zijn (circa 80 cm -Mv; bron: West-Brabants Archief). De woningen zijn niet onderkelderd.
Verder is het plangebied in gebruik als tuin of stoep. Er heeft in of direct om het plangebied in het verleden geen milieukundig onderzoek plaatsgevonden (bron: gelderland.omgevingsrapportage.nl). Andere aanwijzingen voor bodemverstoringen in het terrein zijn er niet.
14
Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
15
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
16
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1962 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
17
Figuur 8: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).
18
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Het plangebied ligt op de overgang van een stuwwal in het westen naar de lager gelegen vallei van de IJssel in het oosten, op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Vermoedelijk is deze afgedekt met dekzand, waar podzolering heeft plaatsgevonden. Dergelijke overgangszones vormden vanaf het Paleolithicum aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Op basis hiervan heeft het plangebied een hoge verwachting voor de periode Paleolithicum – Late Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van bebouwing op historische kaarten is er een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, met uitzondering van sporen van landgebruik. Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau bevindt zich in de top van de pleistocene afzettingen, onder de bouwvoor (30 cm -Mv). Complextypen In het plangebied worden kampementen en nederzettingsterreinen verwacht, maar er zouden ook sporen van landgebruik of grafvelden aanwezig kunnen zijn: Archeologische resten en/of sporen uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Deze archeologische resten worden verwacht in de top van het dekzand.
Wanneer de podzolbodem is afgetopt (de B-horizonten zijn verdwenen) kan de trefkans voor deze periode worden bijgesteld naar laag, diepere grondsporen uit deze periode worden immers niet verwacht. Dit kan zo zijn wanneer de B-horizont is opgenomen in het eerddek, maar ook door vergravingen van andere aard. Archeologische resten uit het Neolithicum worden vooral verwacht in de vorm van huisplaatsen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen en/of aardewerk, en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten. Ook deze resten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de oorspronkelijke podzolbodem is afgetopt (al dan niet opgenomen in een eventueel eerddek), is een eventueel vondstenniveau al verdwenen en worden alleen nog grondsporen verwacht. Nederzettingsterreinen uit de periode Bronstijd – Late Middeleeuwen zouden zich kunnen kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenstrooiing, hetgeen met name te danken is aan de langdurigheid van bewoning op een bepaalde plek. Hierbij kunnen ook vond sten en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, greppels en funderingen aanwezig zijn. Ook kunnen sporen aanwezig zijn die te relateren zijn aan het achtererf van een huis, zoals afvalkuilen, beer - en waterputten en sporen van nijverheid.
Sporen van landgebruik kenmerken zich door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal (zoals aardewerk, bouwmateriaal, houtskool, (on)verbrand bot, fosfaatvlekken). Sporen van landgebruik kenmerken zich door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal (zoals aardewerk, bouwmateriaal, houtskool, (on)verbrand bot, fosfaatvlekken). Sporen van begraving kunnen zowel in de vorm van inhumaties als crematies worden aangetroffen en kenmerken zich zowel door grondsporen (kringgreppels, grafkuilen) als door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot), afhankelijk van de periode. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3.
19
Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag in hoeverre in het plangebied nog archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. De top van de pleistocene afzettingen kunnen namelijk als gevolg van verploeging zijn verdwenen. Dit is bepalend voor het vaststellen van de archeologische verwachting. Om dit te kunnen toetsen, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek (voor methodologie, zie hoofdstuk 10). Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn.
20
Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
Archeologische verwachting 1
Datering
Reden Hoog
Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen
Ligging op overgang stuwwal naar vallei, weinig vondsten in omgeving.
Laag
Nieuwe tijd
Bebouwingsresten uit de Nieuwe tijd zijn op basis van de historische kaarten niet te verwachten.
2 3
Complextype Omvang
Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, sporen van landgebruik, grafvelden 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen)
4 5
Diepteligging Gaafheid en conservering
Vanaf de bouwvoor (30 cm -Mv) -/+ Aantasting door bebouwing (circa 80 cm -Mv).
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)
Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door grondsporen, vondsten of cultuurlagen.
8
Mogelijke verstoringen
De huidige bebouwing tot circa 80 cm -Mv.
21
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van nieuwe woningen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Korver, 2023). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De boringen hebben een diepte tot maximaal 90 cm –Mv, tot 25 cm diep in de C-horizont. Ze zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 9. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet, op de onverharde terreindelen binnen het gebied. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied bebouwd met woningen en ook als tuinen in gebruik.
Het maaiveld is vlak: er is geen sprake van opvallend reliëf. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 10.
Figuur 9: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (22-06-2023).
22
Bodemopbouw en lithologie Onderin de boringen is zwak siltig, matig fijn (grijs)geel zand aangetroffen. Het is tevens goed gesorteerd, waardoor het geïnterpreteerd is als dekzand. In de top van het dekzand heeft bodemvorming plaatsgevonden. In de boringen zijn restanten van een podzol aangetroffen in de vorm van een 5 – 15 cm dikke BC-horizont. Deze bestaat uit (licht)bruingeel zwak siltig zand, dat zwak humeus en matig fijn is. De top van het dekzand bevindt zich direct onder de bouwvoor op 30 -50 cm Mv (15,78 – 16,15 m +NAP). De bouwvoor is matig humeus, bruin van kleur en bevat een spoor wortelresten. Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn te velde verbrokkeld en doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Er zijn geen indicatoren waargenomen. Interpretatie Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat zich in het plangebied dekzand bevindt. In de top van het dekzand zijn sporen van bodemvorming aangetroffen (BC-horizont). De top bevindt zich direct onder de bouwvoor op 30-50 cm -Mv (15,78 – 16,15 m +NAP). In het plangebied zijn meerdere woningen gebouwd. Deze bevatten een fundering van circa 80 cm -Mv. Het is de verwachting dat hier alleen nog diepere sporen aanwezig zullen zijn (bijlage 8). Op basis van deze resultaten is de archeologische verwachting van het bureauonderzoek bij te stellen.
In het plangebied geldt een hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen in de onbebouwde delen. In de bebouwde delen kan deze verwach ting bijgesteld worden naar middelhoog aangezien het sporenniveau hier naar verwachting zal zijn afgetopt (circa 20 cm). Voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum is archeologische verwachting laag. Archeologische resten uit deze periode kenmerken zich door vondstconcentraties en ondiepe grondsporen. Het is de verwachting dat deze niet meer in situ aanwezig zijn door de aanleg van de huidige woonwijk. De lage verwachting voor de Nieuwe Tijd uit het bureauonderzoek blijft behouden .
23
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich op een vlakke erosiewaaier die is bedekt met dekzand. Er is geen helling aanwezig in het gebied.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand betreft een archeologisch relevant niveau en bevindt zich op 30-50 cm Mv (15,78 – 16,15 m +NAP).
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? In het plangebied is het niveau grotendeels intact. Ter plaatse van de bebouwing is de verwachting dat de top van het dekzand tot 20 cm diep in de C-horizont is aangetast. Hier worden alleen nog diepe sporen verwacht.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen. Voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum en de Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag.
24
12. Conclusie en Advies Conclusie Het plangebied ligt op de overgang van een stuwwal in het westen naar de lager gelegen vallei van de IJssel in het oosten, op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Vermoedelijk is deze afgedekt met dekzand, waar bodemvorming heeft plaatsgevonden. Dergelijke overgangszones vormden vanaf het Paleolithicum aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Op basis hiervan heeft het plangebied een hoge verwachting voor de periode Paleolithicum – Late Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van bebouwing op historische kaarten is er een lage verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd, met uitzondering van sporen van landgebruik. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat zich in het plangebied dekzand bevindt. In de top van het dekzand zijn sporen van bodemvorming aangetroffen (BC-horizont). De top bevindt zich direct onder de bouwvoor op 30-50 cm -Mv (15,78 – 16,15 m +NAP). In het plangebied zijn meerdere woningen gebouwd. Deze bevatten een fundering van circa 80 cm -Mv. Het is de verwachting dat hier alleen nog diepere sporen aanwezig zullen zijn (bijlage 8). Op basis van deze resultaten is de archeologische verwachting van het bureauonderzoek bij te stellen. In het plangebied geldt een hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen in de onbebouwde delen.
In de bebouwde delen kan deze verwach ting bijgesteld worden naar middelhoog aangezien het sporenniveau hier naar verwachting zal zijn afgetopt (circa 20 cm). Voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum is archeologische verwachting laag. Archeologische resten uit deze periode kenmerken zich door vondstconcentraties en ondiepe grondsporen. Het is de verwachting dat deze niet meer in situ aanwezig zijn door de aanleg van de huidige woonwijk. De lage verwachting voor de Nieuwe Tijd uit het bureauonderzoek blijft behouden . Advies Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw en sloopwerkzaamheden aanvullende maatregelen nodig. Er is een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor het plangebied. Eventuele archeologische resten kunnen aangetast worden door de geplande werkzaamheden. Daarom adviseren wij om een dubbelbestemming Archeologie op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Indien de werkzaamheden, inclusief ondergrondse sloop, dieper reiken dan de bouwvoor (30 cm Mv; 15,78 – 16,15 m +NAP), dan adviseren wij tot vervolgonderzoek. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P, protocol 4003), al dan niet onder begeleiding.
Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat op voorhand door de bevoegde overheid (gemeente Epe) moet worden goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Epe) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
25
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • •
www.kadastralekaart.com www.archieven.nl
• • •
www.pdok.nl www.ahn.nl Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka)
• •
Geomorfologische kaart van Nederland www.bodemloket.nl
• •
bagviewer.kadaster.nl www.kadaster.nl
• • •
www.dinoloket.nl landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart beeldbank.cultureelerfgoed.nl
• •
www.topotijdreis.nl library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf
• •
gelderland.omgevingsrapportage.nl www.ikme.nl
• •
www.tracesofwar.com www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/
Lijst met afbeeldingen Figuur 1: Ligging van het plangebied (me t rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl). ......................... 4 Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811 -1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................... 15 Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. .............................................................................................................................. 15 Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. .............................................................................................................................. 16 Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. .............................................................................................................................. 16 Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1962 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
.............................................................................................................................. 17 Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. .............................................................................................................................. 17 Figuur 8: Uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl)........................................................................................................................................................... 18 Figuur 10: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (22 -06-2023)................................ 22
26
Literatuur Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands. Assen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A., 2004. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. Broeke, E.M. ten, 2022. Eindrapportage archeologisch vooronderzoek. De Wetstraat 25 te Vaassen. Econsultancy-rapport 20163.001 Broeke, E.M. ten, 2021. Eindrapportage archeologisch vooronderzoek. Potgieterstraat 20 te Vaassen. Econsultancy-rapport 12305.003 Broeke, E.M. ten, 2020. Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Potgieterstraat 20 te Vaassen in de gemeente Epe . Econsultancy-rapport 12305.003 Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. Lammers, W. R. Reiling en E. Zilverberg, 1981. Verslag van een Kwartair geologisch veldwerk in Noord Brabant. Scriptie V.U., Amsterdam (uit Stiboka, 1987).
Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad, 1250 1750. Actualisatie 2013. Woudrichem (Pictures Publishers). Mulder, E.F.J de., M.C. Geluk, I. Ritsema, W.E. Westerhof & T.E. Wong 2003, De ondergrond van Nederland, Groningen. Reinders, M. en M. Osinga, 2020. Archeologisch onderzoek Sprenghenparc te Vaassen. Greenhouse Advies 2020.03 Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands), Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). Vos, P.C., 2015. Origin of the Dutch coastal landscape. Longterm landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series. PhD dissertation, Utrecht University, Barkhuis Groningen. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018, Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus). Zijverden, van, W.K. & J. de Moor, 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voorarcheologen. Leiden. 27
Bijlage 1: Plantekening
28
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Vaassen
29
30
Bijlage 3: Geomorfologie
31
Bijlage 4: Hoogtekaart
32
Bijlage 5: Bodemkaart
33
Bijlage 6: Archeologische informatie
34
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
35
Bijlage 8: Verwachtings- en advieskaart
36
Bijlage 9: Foto’s van boringen
Boring 3: 0-90 cm -Mv
37
Bijlage 10: Boorbeschrijvingen
38
boring: 303104-1 beschrijver: TN, datum: 11-7-2023, X: 193.691, Y: 477.391, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 27D, hoogte: 16,13, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, opdrachtgever: Buro SRO, uitvoerder: Transect
0 cm -Mv / 16,13 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, spoor wortelresten, interpretatie: dekzand Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
35 cm -Mv / 15,78 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: BC-horizont
45 cm -Mv / 15,68 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 70 cm -Mv / 15,43 m +NAP
boring: 303104-2 beschrijver: TN, datum: 11-7-2023, X: 193.684, Y: 477.369, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 27D, hoogte: 16,30, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, opdrachtgever: Buro SRO, uitvoerder: Transect
0 cm -Mv / 16,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, spoor wortelresten, interpretatie: dekzand Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
45 cm -Mv / 15,85 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: BC-horizont
55 cm -Mv / 15,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 90 cm -Mv / 15,40 m +NAP
boring: 303104-3 beschrijver: TN, datum: 11-7-2023, X: 193.680, Y: 477.348, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 27D, hoogte: 16,45, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, opdrachtgever: Buro SRO, uitvoerder: Transect
0 cm -Mv / 16,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, spoor wortelresten, interpretatie: dekzand Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
30 cm -Mv / 16,15 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: BC-horizont
45 cm -Mv / 16,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 80 cm -Mv / 15,65 m +NAP
boring: 303104-4 beschrijver: TN, datum: 11-7-2023, X: 193.715, Y: 477.379, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 27D, hoogte: 16,27, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, opdrachtgever: Buro SRO, uitvoerder: Transect
0 cm -Mv / 16,27 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, spoor wortelresten, interpretatie: dekzand Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
35 cm -Mv / 15,92 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: BC-horizont
40 cm -Mv / 15,87 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 70 cm -Mv / 15,57 m +NAP
boring: 303104-5 beschrijver: TN, datum: 11-7-2023, X: 193.722, Y: 477.355, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 27D, hoogte: 16,36, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, opdrachtgever: Buro SRO, uitvoerder: Transect
0 cm -Mv / 16,36 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, spoor wortelresten, interpretatie: dekzand Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
50 cm -Mv / 15,86 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: BC-horizont
55 cm -Mv / 15,81 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont
Einde boring op 80 cm -Mv / 15,56 m +NAP