CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

946457 Kanaalweg 30 - 30a Bijlagen regels

Gemeenteraad 27 maart 2024, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Bestemmingsplan Kanaalweg 30-30a Epe6.516 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a ontwerp

bestemmingsplan Bijlagen regels

Kanaalweg 30 - 30a ontwerp 25-10-2023

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a

Inhoudsopgave

Bijlagen regels

5

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

6

Bijlage 2

Natuurtoets

19

3

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a

4

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a

Bijlagen regels

5

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

6

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

KANAALWEG 30, EPE

APRIL 2023

INHOUD 1.

Inleiding

5

2.

Analyse

7

3.

Landschappelijke inpassing

11

Colofon Separate bijlage Schets landschappelijke inpassing op schaal 1:500

12

N276

A73

0

Afbeelding 1: Plangebied Kanaalweg 30, Epe (bron: BügelHajema). 4

0,05 0,1

0,2

0,3

Kilometers 0,4

Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

1. INLEIDING Het perceel Kanaalweg 30 – 30a ligt in het buitengebied van de gemeente Epe, tussen de kernen Epe en Oene in. Ter plaatse van de locatie Kanaalweg 30 is een agrarisch bedrijf aanwezig. De eigenaar heeft het voornemen om het melkveebedrijf de stoppen en de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Hierbij wil de eigenaar de bestaande agrarische bebouwing op het perceel slopen en deze inruilen voor een tweede burgerwoning op het perceel. Ter plaatse van de bedrijfswoning wonen op het moment twee huishoudens. Dit gebruik vindt inmiddels al 30 jaar plaats, en is een legale afwijking van het bestemmingsplan ter plaatse. De schoonmoeder van de initiatiefneemster, die ongeveer 4 jaar geleden is overleden, heeft op dit adres ca. 90 jaar gewoond. De initiatiefneemster, heeft 30 jaar geleden deze woning zodanig verbouwd, zodat de woning geschikt is gemaakt als woning voor twee huishoudens. Om deze reden zijn ter plaatse twee adressen te vinden: Kanaalweg 30 en 30a. De initiatiefnemer sloopt ruim 1.400 m² aan bebouwing, en wenst deze sloopmeters in te zetten voor de bouw van een extra woning ter plaatse. De verwijdering van de ontsierde stallen en het grote oppervlak verharding (asfalt) biedt een aanzienlijke kans voor kwaliteitsverbetering langs de Kanaalweg. De initiatiefnemer heeft het voornemen een vrijstaande woning te realiseren.

Op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Epe is het echter niet mogelijk om deze functieverandering en de nieuwe woning te realiseren. Om deze reden is een bestemmingsplanherziening ter plaatse noodzakelijk. Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend als gemeente Epe, sectie K, nummer 1884. Om de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk in te passen, is deze landschapsanalyse uitgevoerd. Uit deze analyse volgt het landschappelijke inpassingsplan voor de betreffende ontwikkeling. Leeswijzer Hoofdstuk 1 bestaat uit een algemene inleiding. Het tweede hoofdstuk beschrijft de analyse van het landschapstype en de ontstaansgeschiedenis van het plangebied. Op basis van de ruimtelijke analyse wordt in hoofdstuk 3 een passende landschappelijke inpassingsschets voorgesteld.

5

Legenda Kampenontginningen Broekontginningen Heideontginningen Kommen

Afbeelding 2: Landschapstypenkaart plangebied Kanaalweg 30, Epe (SLGnederland.nl). 6

Apeldoors ka naal

Epe

2. ANALYSE Kampenlandschap Het plangebied ligt in het Kampenlandschap (zie afbeelding 2). Om precies te zijn op de flank van de Veluwe, onderaan de stuwwal. De dekzandruggen liggen over het algemeen in een dwarsrichting (oost-west) op de Veluwe. Kenmerkend voor de hogere zandgronden is de aanwezigheid van bebouwingslinten en een groot complex of collectief van oude bouwlanden bij het dorp. Over het algemeen loopt de hoofdontsluiting evenwijdig aan de stuwwal, op de overgang van hoog naar laag of tussen de bouwlanden door.

Conclusie landschap De kleinschaligheid en de grillige perceelsbegrenzing in het Kampenlandschap moet worden behouden en versterkt. Belangrijk om het zicht onderaan de stuwwal op de hooilanden zoveel mogelijk te behouden of versterken door doorzichten te houden zodat het contrast tussen de hoge, besloten stuwwal en de lager gelegen hooilanden beleefbaar blijft .

Het Kampenlandschap kenmerkt zich door kleinschalige verkaveling en waar de (grillige) perceelsgrenzen zijn omringd met houtwallen. Vanuit de stuwwalrand heeft het een overgang naar de natte, open IJsselvallei. In dit gebied zijn hooilanden gelegen. Dit zijn laaggelegen broekgebieden waar het water stagneerde (vanuit de beekdalen en door kwel), waardoor hier sprake is van natte omstandigheden. Het zijn open bouwlanden met plaatselijk enkele boerderijen. Gemeentelijk beleid Ook in het bestemmingsplan Buitengebied Epe wordt aangegeven dat het plangebied op de rand van het landschap van de Dekzandruggen en oude bouwlanden en de hooilanden valt (zie afbeelding 3). De belangrijke landschaps- en natuurwaarden die voor dit gebied genoemd worden zijn: Kernkwaliteiten dekzandruggen en oude bouwlanden • Besloten openheid • Laanbeplantingen • Bebouwingslinten met doorzichten • Oude wegen en paden • Bolle ligging • Grote open percelen met randbeplantingen • Steilranden Kernkwaliteiten Hooilanden • Grootschalige openheid • Natte omstandigheden • Incidentele bebouwing • Hoge natuurwaarde

Legenda Dekzandruggen en oude bouwlanden Hooilanden Afbeelding 3: Landschapstypenkaart (Ruimtelijke plannen.nl - Bestemmingsplan Buitengegbied Epe).

7

HISTORISCHE ANALYSE VAN HET PLANGEBIED. 1850-HEDEN 1850

1990

Afbeelding 4: Historische analyse plangebied 1850 - heden (bron: BügelHajema).

1901

2022

Historie Door de tijd heen zien we dat het landschap, op de aanleg van de A50 na, weinig is veranderd. Wel zijn houtwallen, door landbouwactiviteit, en de westelijke groenstructuur door de jaren heen deels verdwenen. Ook heeft er een gematigde schaalvergroting van de kavels plaatsgevonden. De schaalvergroting is voor de tijdsgeest beperkt gebleven waardoor het historische karakter van het landschap is bewaard. De kleinschaligheid van de kavels, in een grillig mozaïek, kan worden gekenmerkt als een karakteristiek element van het omliggende landschap. In het landschap is het Apeldoorns Kanaal een constante ruimtelijke drager dat onveranderd is ingebed in het gebied. Op de historische kaarten is de laanstructuur zichtbaar langs het Apeldoorns Kanaal. De aanleg van de A50 heeft grote betekenis gehad voor het landschap. Dit heeft invloed gehad op de stedenbouwkundige structuur waarin de bochtige wegen, o.a. het verlengde van de huidige Horsterweg, zijn opgeknipt door de komst van de snelweg. Het huidige perceel is gelegen aan een kruispunt dat verbonden is met de Oenerweg en de Kanaalweg.

Conclusie/uitgangspunten analyse Voor het plangebied zijn de besloten openheid, doorzichten, grillige perceelsbegrenzing en laanbeplanting van belang. Bomenlanen komen van oudsher voor in het Kampenlandschap en belangrijk om hierop aan te haken en deze landschappelijke contouren op sommige punten te herstellen in het landschap. De kleinschaligheid van de kavels met grillige perceelsbegrenzing kan worden gekenmerkt als een karakteristiek element van het omliggende landschap. Op en rondom erven komen meer heggen en hagen voor. Deze hagen werden vaak aangeplant rondom de voortuin, moestuin of boomgaard. Rondom de voortuin werd het beeld veelal bepaald door een meidoorn, beukhaag of haagbeuk (de haagbeuk vooral op kalkrijkere delen) (zie afbeelding 6). Ter bescherming tegen de wind en vraat door wild werden akkers omgeven door houtwallen en singels. Deze houtwallen en houtsingels komen vooral voor rondom de percelen. Belangrijk om deze landschapselementen te behouden en te herstellen om de besloten openheid te waarborgen in het landschap.

Huidige situatie Rondom het plangebied bevinden zich meerdere erven die op verschillende manieren gebruikt worden, zoals: wonen, agrarisch bedrijf of kwekerij. Kenmerkend in dit gebied is dat erven veelal worden omringd door erfbeplanting. De erven in het landschap kennen een vrij traditionele indeling, met voor het huis de voortuin omgeven door een haag. Terzijde van de voortuin is vaak een boomgaard aan te treffen. Achter het huis stonden vervolgens de opslaglocaties zoals stallen en schuren. Op het erf en rond het huis zijn ook vaak aansprekende solitaire bomen te zien. De bebouwing langs de wegen staan voornamelijk haaks op de weg georiënteerd. Aan de oostzijde van de Kanaalweg bevinden zich nabij het plangebied een aantal volgroeide eikenbomen (zie afbeelding 5). Onder deze bomen door zijn open weilanden te zien.

Afbeelding 5: Aanzicht Kanaalweg met rechts het

Afbeelding 6: Eperweg 64 (rechterzijde), vrijliggende erven,

Apeldoorns Kanaal en de bomenlaan met doorzichten

waarvan de perceelsgrenzen rondom beplant zijn. Op het

richting de open weilanden landschap (bron: Googlemaps).

voorerf staat een solitaire boom (bron: Googlemaps). 9

10

3. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De landschappelijke inpassing geldt voor het gehele voormalige agrarische bouwvlak. De aanwezige woning blijft in gebruik als woning. Het erf blijft verder intact. Met dit ontwerp zal worden aangesloten bij het oorspronkelijke karakter van het gebied. Het verbeteren van het landschapsherstel en een nieuwe functie wonen, zal een verbeterde toevoeging worden aan de Kanaalweg. Uitgangspunten De landschappelijke inpassing is zorgvuldig afgestemd op de karakteristieken van de omgeving/het landschap. Om dit te bereiken zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het beeld vanaf Kanaalweg niet aantasten. • Huidige bebouwing handhaven aan de noordzijde. • Huidige inrit behouden. • Nieuwe inrit realiseren voor het nieuwe woonerf. • Het nieuwe gebouw wordt haaks op de weg georiënteerd. • Het erf als groen cluster behouden, door de groene randen te herstellen, versterken en/of te vernieuwen. • Het erf krijgt een groene uitstraling. Het oppervlak verharding wordt zoveel mogelijk beperkt tot noodzakelijk. • Het herstellen en/of versterken van de bestaande laanbeplanting langs de Kanaalweg. Erfinrichting Het erf kent een vrij traditionele indeling met representatief deel nabij de woning en een meer functioneel/landschappelijk deel als overgang naar het agrarisch landschap (zie landschappelijke schets).

Deze overgang wordt gemarkeerd door een boomgaard, zodat er een duidelijke grens ontstaat tussen de tuin en het landschappelijke gedeelte.

Boomsoorten welke nieuw worden aangeplant, sluiten aan op de inheemse en al bestaande bomen. De tuin Het perceel wordt aan de kanaalzijde voorzien van een fraaie haag, die terugkomt rondom de voortuin waarin we vooral oude rassen voorstellen. Op het erf en rondom de woningen staan aansprekende solitairen van een rode beuk, tulpenboom, de trompetboom en een sierlijke Magnolia. Tussen de twee percelen zorgt een struweelhaag van wilde kers, Gelderse roos, hazelaar en een paar fruitbomen voor een erfafscheiding in de traditie van de houtwallen. Aan de achterzijde van het perceel zorgt het bloemrijkstruweel voor een natuurlijke grens naar de achterliggende weilanden. Op deze manier wordt de perceelsgrens gemarkeerd en blijft het open hooiland beleefbaar. De hoogte van het bloemrijkstruweel wordt ongeveer 0,3m tot 0,6m hoog. De samenstelling bestaat uit een inheems mengsel van M1 bloemrijke bermen van Cruydthoeck. De soorten zijn o.a.: duizendblad, gewoon biggenkruid, gewone margriet, gewone rolklaver, smalle weegbree, gewone brunel, scherpe boterbloem en witte klaver. De boomgaard Op de overgang van privé naar het landschappelijke gedeelte wordt een boomgaard geplaatst met hoog- en laagstam fruitbomen. Onder de boomgaard wordt een inheems FB1 en G5 mengsel van Cruydthoeck toegevoegd. De hoogte van het bloemrijkstruweel wordt ongeveer 0,3m tot 0,6m hoog.

De samenstelling bestaat o.a. uit: duizendblad, fluitenkruid, korenbloem, knoopkruid, klein streepzaad, grote klaproos, rode klaver, klein streepzaad, ratelaar, veldzuring, moerasrolklaver en scherpe boterbloem. Het weiland Het zuidelijke deel van het perceel wordt landschappelijk ingericht als kruidenrijk weiland met een G5 mengsel van Cruydthoeck. Hierdoor wordt de overgang naar het hooiland behouden. De samenstelling bestaat o.a. uit: rode klaver, klein streepzaad, ratelaar, veldzuring, moerasrolklaver en scherpe boterbloem.

De bestaande bomenstructuur wordt behouden en aan de westkant van het perceel aangevuld met nieuw aan te planten eikenbomen. Hierdoor worden de gaten in de bomenlaanstructuur van de Kanaalweg op deze plek aangevuld, dat gespiegeld wordt aan de overzijde van het Apeldoorns Kanaal. 11

Colofon April 2023 BügelHajema Adviseurs Utrechtseweg 7 3811 NA AMERSFOORT T 033 - 465 65 45 E info@bugelhajema.nl I www.bugelhajema.nl

12

bestemmingsplan Kanaalweg 30 - 30a

Bijlage 2 Natuurtoets

19

B e k n opte n a tu u rto e ts K a n a a lw e g 3 0 – 3 0 a Epe projectnummer: P000847 Onderwerp:

Beknopte natuurtoets Kanaalweg 30 - 30a Epe

Datum:

15-11-2022

Inleiding KA D E R De initiatiefnemer is van plan om het melkveebedrijf aan de Kanaalweg 30 - 30a in Epe op te heffen, de bedrijfsbebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een nieuwe burgerwoning te realiseren. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een natuurtoets uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of het plan vanuit ec ologisch oogpunt zo uitvoerbaar is, of dat aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbe1

scherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de natuurtoets op 2 november 2022 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek ware n: licht bewolkt, droog, circa 13˚C en een matige wind. PLA NG E B IE D E N PLA NNE N Het plangebied ligt aan de Kanaalweg aan de oostzijde van Epe (figuur 1). Het wordt begrensd door de Kanaalweg in het westen en de Eperweg in het noorden. Ten zuiden en oosten van het plangebied liggen agrarische percelen. Het plangebied bestaat uit een melkveehouderij met een bedrijfswoning en enkele bedrijfsgebouwen. De bedrijfswoning (nummer 1) in het noordwesten van het plangebied is opgetrokken uit ba ksteen met een dakpannen zadeldak. De woning bestaat uit twee delen en is volledig in gebruik als woning en woonopslag. In het noordoosten van het plangebied staat de kapschuur (nummer 2), die is opgetrokken uit baksteen met een golfplaten dak. De open zijde van de kapschuur is afgesloten met loshangende zeilen. Ten zuiden van de kapschuur staat de opslagloods (nummer 3), die is opgetro kken uit damwandplaten met een golfplaten dak. Ten zuidwesten van de bedrijfswoning staat een driedelige garage (nummer 4). Deze heeft bakstenen muren en een dakpannen zadeldak. Direct ten 1

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.

oosten van de garage staat de grote koeienstal (nummer 5), die is opgetrokken uit bakstenen met een golfplaten zadeldak. Aan de zuidzijde van de stal is damwanden gevelbeplating aanwezig. Aan de noordzijde van de koeienstal grenst het tanklokaal (nummer 6) dat net als de melkstal is opgetrokken uit baksteen met damwanden gevelbeplating en een golfplaten zadeldak. Ten slotte is ten oosten van de koeienstal de jongveestal (nummer 7) aanwezig. Deze is opgetrokken uit houten plaatmateriaal met een golfplaten zadeldak. Langs de west- en noordzijde van de woning is tuinbeplanting en in het zuiden van het plangebied is een stuk weiland aanwezig. Opgaande begroeiing is voornamelijk langs de westelijke rand van het plangebied aanwezig. Langs de oostelijke grens van het plangebied zijn ook enkele struiken en opslag van bomen aanwezig. Op de oostelijke en westelijke grenzen van het plangebied zijn greppels aa nwezig die tijdens het veldbezoek droog stonden. Permanent oppervlaktewater is niet in het plangebied aanwezig.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

2

Figuur 1. Locatie van het plangebied (rood) met nummers voor de te slopen gebouwen die corresponderen met de nu mmers in de tekst. Bron kaartondergrond: www.ruimtelijkeplannen.nl.

De plannen bestaan uit het opheffen van het huidige melkveebedrijf en de sloop van de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning. In plaats van de schuren en stallen wordt één woning gerealiseerd. De bedrijfswoning blijft behouden en wordt omgevormd naar een gewone burgerwoning. De bomen in het plangebied en de greppels langs het plangebied blijven vooralsnog o ngemoeid.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

3

Foto’s 1 t/m 4. Impressie van het plangebied op 2 november 2022. Linksboven de bedrijfswoning (nummer 1) in het noordwesten van het plangebied. Rechtsboven de kapschuur (nummer 2) in het noordoosten van het plangebied. Link sonder de opslagloods (nummer 3) in het oosten van het plangebied. Rechtsonder de garage (nummer 4) in het westen van het plangebied.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

4

Foto’s 5 t/m 8. Impressie van het plangebied op 2 november 2022. Linksboven de grote koeienstal (nummer 5) gezien vanuit het zuiden. Rechtsboven het tanklokaal (nummer 6) aan de noordzijde van de koeienstal. Linksonder de jongve estal (nummer 7) in het oosten van het plangebied. Rechtsonder het weiland in het zuiden van het plangebied.

S oorten b es ch erm i n g Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 - 3.4 Wnb);

-

dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5 - 3.9 Wnb);

-

nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.10 3.11 Wnb).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (artikel 3.11 Wnb). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in artikel 3.10 eerste lid van de Wnb.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

5

INVE NT A RIS A T IE Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna 2 (NDFF © 27 oktober 2022) blijkt dat in de directe omgeving (0 – 1 km) van het plangebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. Het betreft vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren, een reptiel (hazelworm) en een zoetwatervis (beekprik). De vegetatie in de tuin aan de west- en noordzijde van het plangebied bestaat voornamelijk tuinplanten met onder andere een gazon van Engels raaigras en een beukenhaag en laurierkershaag. Het weiland in het zuiden van het plangebied bestaat voornamelijk uit algemene gras - en plantensoorten, zoals Engels raaigras, paardenbloem en smalle weegbree. Langs de oostzijde van het plangebied was daarnaast ook grote weegbree, veldzuring, speerdistel en grote brandnetel aanwezig. Deze soorten duiden op voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden. Opgaande beplanting langs de westelijke rand het plangebied bestaat voornamelijk uit zomereik, ruwe berk en paardenkastanje. Verspreid over het plangebied is daarnaast opslag aanwezig van g ewone esdoorn. In de tuin in het noorden van het plangebied staat ook een appelboom. Gezien de terreingesteldheid, de voedselrijkdom en het ontbreken van waarnemingen uit de omgeving (NDFF) zijn beschermde plantensoorten niet in het plangebied te verwachten.

Uit de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil (NDFF). Huismus maakt vaak nesten in kleine, besloten ruimtes, zoals tussen dakpannen en dakbeschot. Ti jdens het veldbezoek is op het dak van de bedrijfswoning een mannelijke huismus waargenomen. De meeste daken in het plangebied bestaan uit golfplaten (nummers 2, 3, 5 – 7). Onder deze daken is, vanwege het snelle opwarmen en afkoelen van het materiaal, geen geschikt microklimaat aanwezig voor huismussen om nesten te hebben. De pannendaken van de bedrijfswoning (nummer 1) en van de garage (nummer 4) zijn voor huismus toegankelijk via de dakgoten. Onder deze pannendaken kunnen wel geschikte besloten ruimtes aanwezig zijn voor huismus om nesten in te hebben. Ook zijn de binnenkanten van de kapschuur (nummer 2), de koeienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) via open deuren toegankelijk voor huismus. Hier kan huismus tussen de balken en het dak of in ander kleine besloten ruimtes nesten hebben. Hierdoor kan de aanwezigheid van huismus in de bedrijfswoning (nummer 1), de kapschuur (nummer 2), de garage (nummer 4), de koeienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) niet worden uitgesloten.

Ook voor gierzwaluw bieden de ruimtes tussen de golfplaten en het dakbeschot van de gebouwen met golfplaten daken (nummers 2, 3, 5 – 7) geen geschikt microklimaat om nesten in te hebben. 2 De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

6

Daarnaast zijn deze gebouwen door het ontbreken van geschikte invliegopeningen niet toegankelijk voor gierzwaluw. Het pannendak van de garage (nummer 4) is te laag voor gierzwaluw ( ≤ 3 meter) om voor gierzwaluw toegankelijk te zijn en als geschikte nestlocatie te dienen. Het pannendak van de bedrijfswoning (nummer 1) beschikt wel over een geschikt microklimaat en is voldoende hoog met een geschikte aanvliegroute voor gierzwaluw. Dit dak is voor gierzwaluw toegankelijk via de ruimtes tussen de kantpannen en de muren op de kopse kanten van het gebouw. Jaarrond beschermde ne sten van gierzwaluw kunnen dan ook niet worden uitgesloten in de bedrijfswoning (nummer 1). In de stallen en schuren in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen nesten of sporen, zoals krijtstrepen, veren of braakballen, van kerkuil waargenomen. Ook zijn geen grotere besloten ruimtes aanwezig die geschikt zijn als nest- of verblijfplaats. Hierdoor kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nest- en/of roestplaatsen van kerkuil in het plangebied worden uitgesloten. Ook van steenuil zijn tijdens het veldbezoek geen sporen waargenomen. Sporen van steenuil, zoals braakba llen, zijn echter veel kleiner en kunnen makkelijk over het hoofd worden gezien. Bovendien kan steenuil nesten hebben in veel kleinere besloten ruimtes dan kerkuil.

In de jongveestal (nummer 7) zijn ook enkele relatief kleine besloten ruimtes aanwezig tussen het dak, het dakbeschot en in de ruimte tussen de houten muren. Deze zijn voor steenuil toegankelijk via de plekken waar het dakbeschot aan de binnenzijde van het dak mist (foto 9) of via openingen in de houten muren aan de buitenzijde van het gebouw (foto 10). Hierdoor kunnen jaarrond beschermde nesten en/of roestplaatsen van steenuil in de jongveestal (nummer 7) niet worden uitgesloten.

Foto 9 en 10. Links één van de plekken waar het dakbeschot ontbreekt aan de binnenzijde van de jongveestal. Rechts de opening in de houten muren aan de noordzijde van de jongveestal.

In de koeienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) zijn tijdens het veldbezoek nesten van boerenzwaluwen waargenomen. Boerenzwaluw is een categorie vijf beschermde soort. Dit zijn ne sten van soorten die vaak naar dezelfde plek terugkeren, maar voldoende flexibel zijn om een andere

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

7

broedplaats te vinden als de oude verdwenen is. Nesten van categorie vijf soorten zijn hierdoor in principe niet jaarrond beschermd, tenzij de ecologische omstandigheden of zwaarwegende feiten hierom vragen. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer niet voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig zijn in de omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn enkele nesten ( ≤10 nesten) waargenomen in de koeienstal (nummer 5) en in de jongveestal (nummer 7) het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn ook enkele boombewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals buizerd, boomvalk en ransuil (NDFF). In de bomen in en direct rondom het plangebied zijn geen nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Hierdoor kunnen jaarrond beschermde nesten van boombewonende vogels in het plangebied worden uitgesloten. In de struiken en heggen in het plangebied kunnen algemene, weinig verstoringsgevoelige vogelsoo rten broeden, zoals roodborst, heggenmus en merel. Nesten van algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd. Uit de gegevens van de NDFF komen verschillende gebouwbewonende vleermuissoorten naar voren, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laa tvlieger en gewone grootoorvleermuis (NDFF). Het merendeel van de daken in het plangebied bestaat uit golfplaten (nummers 2, 3, 5 – 7).

Hieronder is vanwege het snelle opwarmen en afkoelen van het materiaal geen geschikt microklimaat aanwezig voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger om ve rblijfplaatsen te hebben. Ruimtes onder het pannendaken van de bedrijfswoning (nummer 1) en de garage (nummer 4) beschikken wel over een geschikt microklimaat voor vleermuizen. Deze daken zijn voor vleermuizen toegankelijk via onder andere de kantpannen aan de kopse kanten van de gebo uwen. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger in de bedrijfswoning (nummer 1) en de garage (nummer 4) niet worden uitgesloten. Gewone grootoorvleermuis heeft vaak ook verblijfplaatsen en foerageergebied in grotere binne nruimtes, zoals stallen en schuren. Deze soort is ook minder kritisch met betrekking tot temperatuur en temperatuurschommelingen dan bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis. De kapschuur (nummer 2) bevat alleen waar de steunbalken bij de nok samenkomen kleine ruimtes die goed te overzien zijn. Hieronder zijn ook geen sporen van gewone grootoorvleermuis aangetroffen. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis in de kapschuur worden uitgesloten.

De opslagloods (nummer 3) is opgetrokken uit nauw sluitende damwand- en golfplaten en bevat geen geschikte invliegopeningen voor gewone grootoorvleermuis. Ook hierin kunnen verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis uitgesloten kunnen worden. De koeienstal (nummer 5) is door het g ebruik van doorschijnende golfplaten zeer licht en bevat ook geen kleine donkere besloten ruimtes onder de bovenzijde het dak. Langs de onderste rand van het dak is op enkele plekken dakbeschot

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

8

aangebracht. Het dakbeschot is vanbinnen strak afgewerkt, waardoor ruimtes tussen het dakbeschot en het golfplaten dak van binnen niet toegankelijk zijn voor gewone grootoorvleermuis. Ook van buiten zijn deze ruimtes niet toegankelijk door de aanwezigheid van een dakgoot en de lage hoogte van de dakrand. Hierdoor kunnen ook in de koeienstal (nummer 5) verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis worden uitgesloten. De jongveestal bevat meerdere kleine ruimtes tussen balken, dakbeschot en de nok waar gewone grootoorvleermuis verblijfplaatsen kan hebben. In deze ruimte kon de aan- of afwezigheid van sporen van gewone grootoorvleermuis door het aanwezige opgeslagen materiaal niet worden bepaald. Ook langs de buitenzijde van het gebouw zijn verschillende openingen in het gebouw en de muren aanwezig waardoor gewone grootoorvleermuis toegang heeft tot ruimtes in de muren en het dak. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis in de jongveestal (nummer 7) niet worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied zijn ook boombewonende vleermuizen bekend, zoals rosse vleermuis (NDFF). In de bomen in en direct rondom het plangebied zijn tijdens het veldbezoek gee n holtes of scheuren waargenomen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

Hierdoor kan de aanwezigheid van beschermde verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in het plangebied worden uitgesloten. Het plangebied kan onderdeel vormen van het foerageergebied van soorten als gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis, die rondom bebouwing foerageren. De binnenkant van de stallen kunnen daarnaast ook foerageergebied vormen van gewone grootoorvleermuis, die ook binnen bebouwing foerageert. Vleermuizensoorten die in open gebieden foerageren, zoals de uit de omgeving bekende rosse vleermuis (NDFF), kunnen daarnaast boven de open graslanden in het zuiden van het plangebied foerageren. In het plangebied zi jn geen groenstroken of brede watergangen aanwezig die een onderdeel vormen van een doorgaande structuur, die dienst kan doen als essentiële vliegroute. Het grasland in het plangebied vormt geschikt leefgebied voor een aantal grondgebonden zoogdie rsoorten, zoals huisspitsmuis en veldmuis. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plangebied is het voorkomen van de niet-vrijgestelde bever, bunzing, das, eekhoorn, otter en steenmarter bekend (NDFF). Bever is aangewezen op grotere watergangen met aangrenzend bosgebied.

In en rondom het plangebied is geen geschikt leefgebied voor bever aanwezig. De aanwezigheid van bever in het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Ook otter is aangewezen op grote watergangen met rustige, beschutte oevers, die niet aanwezig zijn in of rondom het plangebied. Otter kan hierdoor eveneens in het plangebied worden uitgesloten. Voor eekhoorn is geschikt leefgebied met grote bomen ook niet aanwezig in en rondom het plangebied. Daarom wordt

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

9

de aanwezigheid van eekhoorn in het plangebied uitgesloten. In het plangebied zijn geen takkenrillen of houtstapels aanwezig waarin bunzing nesten of verblijfplaatsen kan he bben. Ook ontbreken geschikte beschutte rechtlijnige elementen voor bunzing om zich door, van en naar het plangebied te bewegen. De aanwezigheid van bunzing kan hierdoor in het plangebied worden uitgesloten. In en direct om het plangebied zijn geen bosschages aanwezig waarin das een burcht kan hebben. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen sporen van das, zoals graafsporen, wissels en latrines, waargenomen in het gazon en weiland. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van steenmarter, zoals prooiresten of afgebeten veren, in het plangebied waargenomen. In het plangebied zijn ook geen rustige romme lhoekjes, houtstapels of onoverzichtelijke (hooi)zolders aanwezig waarin steenmarter een verblij fplaats kan hebben. Hierdoor kan een verblijfplaats van steenmarter in het plangebied worden uitgesloten. Wel kan de soort af en toe foerageren binnen het plangebied. Uit de directe omgeving is de beschermde vissensoort beekprik bekend (NDFF). Deze zoetwatersoort is aangewezen op stromende watergangen met zowel grind- als slibbodem. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het plangebied, kan de aanwezigheid van beekprik en andere beschermde vissoorten in het plangebied worden uitgesloten.

Het grasland en de groene randen van het plangebied vormen geschikt landbiotoop voor enkele algemene amfibieënsoorten, zoals de uit de omgeving bekende gewone pad en kleine watersalama nder (NDFF). De greppels langs de randen van het plangebied kunnen, wanneer hier water in staat, geschikt voortplantingswater vormen voor deze algemene soorten. Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Vanwege het ontbreken van geschikt voortplantings - en landbiotoop en/of waarnemingen uit de omgeving (NDFF) zijn niet-vrijgestelde amfibieënsoorten niet te verwachten in het plangebied. Overige beschermde ongewervelden zijn in de directe omgeving niet bekend (NDFF). Het plangebied biedt deze soortgroep ook geen geschikt leefgebied. Hierdoor ka n de aanwezigheid van beschermde ongewervelden worden uitgesloten. T OE T S ING Als gevolg van de sloop van de bebouwing in het gebied gaan mogelijk jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen verloren. Bij de sloop van de kapschuur (nummer 2), de garage (nummer 4), de koeienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) kunnen jaarrond beschermde nesten van huismus worden vernietigd. Als gevolg van de sloop van de jongveestal (nummer 7) kunnen jaarrond beschermde nesten en/of roestplaatsen van steenuil verloren gaan.

Ook gaan bij de sloop van de garage (nummer 4) mogelijk verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis,

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

10

kleine dwergvleermuis en laatvlieger verloren. Daarnaast kunnen bij de sloop van de jongveestal (nummer 7) verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis verloren gaan. Bij de sloop van de koe ienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) kan daarnaast essentieel foerageergebied van g ewone grootoorvleermuis verloren gaan. Om te bepalen of nest- en verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn in het plangebied, is nader onderzoek nodig. Doordat de bedrijfswoning wordt behouden, blijven eventuele jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger hierin eveneens behouden. Wel mogen eventuele beschermde nesten en/of verblijfplaatsen in de bedrijfswoning bij uitvoering van de plannen niet worden verstoord of anderzijds onbruikbaar worden. Dit wordt bereikt door geen hoge of grote werktuigen en/of materialen binnen circa twee meter van in- en uitvliegroutes te plaatsen. Verder dient lichtverstoring te worden voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van naar beneden gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling op de woning veroorzaken. In de koeienstal (nummer 5) en de jongveestal (nummer 7) zijn ook enkele nesten van boerenzwaluw waargenomen.

Nesten van boerenzwaluw zijn alleen jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden of zwaarwegende feiten hierom vragen. In het plangebied is slechts een klein aantal (≤ 10) nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Ook zijn in de omgeving van het plangebied meerdere boerderijen aanwezig met grote schuren en/of stallen. Hierdoor zijn in ruime mate alternatieve nestlocaties aanwezig voor boerenzwaluw. Negatieve effecten op de lokale staat van instandhouding van boerenzwaluw door het verlies van nestgelegenheid treden niet op. Bij uitvoering van het plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarr ond beschermde nesten, zoals huismus en buizerd, maar zal naar verwachting niet geheel ongeschikt worden. Bij de realisatie van een nieuwe woning kan voor huismus ook weer nieuw foerageergebied ontstaan. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. Het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten van (algemene) vogelsoorten, zoa ls heggemus en roodborst, is bij wet verboden. Dit kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen.

Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

11

Het plangebied zal naar verwachting na de sloop en nieuwbouw niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die rondom bebouwing foerageren, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het plangebied kan wel veranderen als foerageergebied voor vleermuissoorten die in open gebieden foerageren, zoals rosse vleermuis. In de directe omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig voor zowel soorten die rondom bebouwing foerageren als voor soorten die in open gebieden foerageren. Negatieve effecten op gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vlee rmuis door verlies van foerageergebied treden niet op. Het plangebied vormt hooguit een klein deel van het foerageergebied van steenmarter. Bij uitvoering van het plan zal het plangebied naar verwachting niet ongeschikt worden als foerageergebied en bovendien is in de omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op steenmarter door verlies van foerageergebied kunnen worden uitgesloten. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen tot slot enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood.

De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Gelderland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. G eb i ed s b es ch erm i n g Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WE T NA T U U RB E S C H E RM IN G In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. NA T U U RNE T WE RK NE D E RL A ND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleids-

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

12

doel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. Het Gelderse NNN wordt het Gelders N atuurnetwerk genoemd (GNN). De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het GNN is voor provincie Gelderland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd op 1 februari 2022). G ROE NE ONT WIKKE LING S Z ONE E N G A NZ E NRU S T G E B IE D Vanuit de Omgevingsverordening Gelderland worden behalve de GNN-gebieden ook gebieden aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. In gebieden die zijn aangewezen als Groene Ontwikkeling szone worden ontwikkelingen alleen toegelaten als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuur beleid wordt buiten de GNN-gebieden en Groene Ontwikkelingszones bij ruimtelijke plannen ook specifiek ingezet op de bescherming van ganzenrustgebied en weidevogelgebied. Hiertoe zijn specifieke gebieden aangewezen. INVE NT A RIS A T IE Het plangebied ligt op circa 2,8 km ten oosten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Het gebied ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Kanaalweg, is aangewezen als Groene Ontwikkelingszone en Gelders Natuur Netwerk (figuur 2).

De graslanden op cir ca 2,2 km ten oosten van het plangebied zijn aangewezen als ganzenrustgebied. T OE T S ING Het plangebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten door externe werking mogelijk. Het plangebied is ge scheiden van het Natura 2000gebied door onder andere de bebouwing van Epe, wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan, gezien de niet al te grote afstand tot stikstofgevoelige habita ttypen (circa 2,8 km), mogelijk een toename van stikstofdepositie op Natura 2000 -gebieden plaatsvinden. Om te bepalen of het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige delen van het Natura 2000-gebied, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Het GNN, GO of ganzenrustgebied in Gelderland kent geen externe wer king. Met de uitvoering van de plannen gaat geen GNN, GO of ganzenrustgebied verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

13

Figuur 2. Overzicht van de locatie van het plangebied (rood) ten opzichte van het naburige GO (lichtgroe n) en het GNN (donkergroen). Bron kaartondergrond: ruimtelijkeplannen.nl.

Bes ch erm d e h ou top s tan d en De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1.000 m 2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. INVE NT A RIS A T IE E N C O NC LU S IE In het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Gelderland is niet nodig.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

14

C on cl u si e Voor dit plan is op 2 november 2022 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgeg evens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Het veldbezoek en de verspreidingsgegevens geven nog onvoldoende beeld van de natuurwa arden in het gebied om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen mogelijk jaarrond beschermde nesten en/of roestplaatsen van huismus en steenuil verloren gaan. Ook gaan mogelijk verblijfplaatsen va n gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone groo toorvleermuis verloren. Nader onderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van de bovengenoemde soorten in de kapschuur (nummer 2), de garage (nummer 4), de koe ienstal (nummer 5) en/of de jongveestal (nummer 7) vast te stellen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is. Wel moet verstoring als gevolg van de plannen op de potentiële jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen in de bedrijfswoning worden voorkomen. Zo mogen er bijvoorbeeld geen hoge of grote werktuigen en/of materialen binnen circa twee meter van in- en uitvliegroutes worden geplaatst.

Verder dient lichtverstoring te worden voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van naar beneden gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling op de woning veroorzaken. Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogel s. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het plang ebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op da t moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000 -gebieden kunnen nog niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet uitwijzen of de stikstofdepositie al dan niet boven de 0.00 mol N/ha/ja uitkomt. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid uit de Omgevingsverordening Gelderland of het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming.

datum 15-11-2022

projectnummer P000847

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857989/1