786238 Bijlage 1. Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 13 van 24
Militaire luchtfoto genomen op 23 maart 1945, met binnen de rode cirkel het plangebied (bron: https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf)
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 14 van 24
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Hoog
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen.
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen
Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen.
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen
Late-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vondstaag direct aan en onder het maaiveld. Sporen onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke afzettingen
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied een ligging heeft op een daluitspoelingswaaier, als overgangs-/randzone van de ten westen gelegen Oost-Veluwse stuwwal naar het ten oosten gelegen Pleistocene bekken van de Gelderse IJssel (waar de huidige Gelderse IJssel doorheen stroomt). De van nature voldoende gedraineerde gronden van de daluitspoelingswaaier zullen in principe al voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Vanaf het Neolithicum zal het plangebied ook geschikt zijn geweest als nederzettingslocatie voor Landbouwers. De hoger geleden daluitspoelingswaaier was van nature voldoende gedraineerd en daarmee mede geschikt als landbouwgronden. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat vanaf het begin van de 19e eeuw het plangebied binnen een niet ontgonnen gebied lag en heide betrof. Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw maakte het plangebied deel uit van percelen (productie)bos. Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied tot een agrarisch perceel heeft behoord waar plaggenbemesting heeft plaatsgevonden.
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 15 van 24
Op de (vernieuwde/geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Epe ligt het plangebied binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. Daluitspoelingswaaiers betreffen over het algemeen landschappelijke eenheden waar vaak een hoge dichtheid aan archeologische resten kan worden verwacht. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vondsten gedaan, echter het aantal eerdere uitgevoerde archeologische onderzoeken is ook vrij beperkt. Op basis van bovenstaande uitgangspunten kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen wordt hoog geacht (zie tabel VII). Voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een lage verwachting. Eventueel aanwezige archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Een antropogeen opgebracht plaggendek wordt niet verwacht. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. De eventueel aanwezige archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen.
Verwacht wordt dat organische resten en bot slecht zijn geconserveerd, vanwege de diepe heersende grondwaterstanden. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Een groot deel van het plangebied is bebouwd met een kinderdagverblijf en een peuterspeelzaal, welke voorzien is van beton-/staalfunderingen tot een diepte van 120 cm -mv en een kruipruimte tot circa 100 cm -mv. Te verwachten is dat, ten behoeve van de bouw en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen het bestaande bouwoppervlak minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven en dat ter plaatse het oorspronkelijke bodemprofiel gedeeltelijk zo niet geheel is verstoord. De bouw van een berging en fietsenstalling, alleen gefundeerd op betonnen poeren tot circa 50 cm -mv, zal waarschijnlijk zeer lokaal tot verstoring van de bodemopbouw hebben geleid. De onbebouwde terreindelen rondom het kinderdagverblijf/de peuterspeelzaal is grotendeels voorzien van een klinkerverharding (speelplein) en verder in gebruik als groenstrook/siertuin. Wellicht heeft deze inrichting ook geleid tot een verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel.
In welke mate is echter niet bekend. 2.9
Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de verwachting dat er reeds vergravingen/verstoringen hebben plaatsgevonden ten behoeve van bouwwerkzaamheden en de huidige inrichting van het terrein, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Gelijkmatig verspreid over het plangebied dienen boringen te worden gezet met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm om inzicht te krijgen in de intactheid van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 16 van 24
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Tevens is het onderzoek uitgevoerd conform de Handreiking archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek gemeentes Brummen, Epe, Lochem en Voorst (versie van 30-04-2019).25 Voor het inventariserend veldonderzoek is op 2 september 2022 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het plangebied was vrij toegankelijk. Ter plaatse van de onbebouwde delen rondom de bestaande bebouwing (kinderdagverblijf en een peuterspeelzaal) en binnen de begrenzing van het plangebied, zijn gelijkmatig verspreid acht boringen gezet (zie figuur 15). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) tot maximaal 200 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.26 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (xen y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 6 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven.
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
25 26
Pape-Luijten, 2019 Bosch, 2005
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 17 van 24
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De hoofdlijn van de opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.
Bodemopbouw noordelijke en westelijke deel plangebied (onbebouwde delen, boringen 1 t/m 3, 7 en 8) Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot minimaal 70 en maximaal 130, gemiddeld tot 110
Variërend van bruingrijs, donkerbruin, geelgrijs tot bruingeel gekleurd en veelal sterk gevlekt (zichtbaar vermenging met bouwzand of geel zand van de C-horizont), veelal zwak en plaatselijk matig humeus, zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand, deels vermengd met resten/brokjes beton- en baksteenpuin (bouwpuin), ter plaatse van de verharde terreindelen onder de klinkerverharding een dunne laag lichtbruin, lichtgrijs tot lichtgeelgrijs gekleurd cunet-/stabilisatiezand, bij de boringen 1 en 3 ook nog een halfverhardingslaag van gebroken puin in de bovengrond
Geroerde/verstoorde lagen dan wel teruggestorte grond, meest waarschijnlijk veroorzaakt tijdens de bouw/uitbreiding van de bestaande kinderdagverblijf en een peuterspeelzaal en gepaard gaande inrichting van bestaande speelplaatsen en aanleg delen groenstrook/siertuin
Vanaf gemiddeld 110 tot 200 (einddiepte boringen)
Lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs tot lichtgeelwit gekleurd, veelal zwak grindig, zwak siltig, veelal matig grof tot zeer grof zand, slecht gesorteerd en scherp aanvoelend zand
C-horizont, sneeuwsmeltwaterafzettingen/hellingsafspoelingen
Tabel IX.
Bodemopbouw zuidoostelijke deel plangebied (onbebouwde delen, boringen 4 t/m 6) Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 35
Onder de klinkerverharding aanwezige laag lichtbruin, lichtgrijs tot lichtgeelgrijs gekleurd, zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand
Klinkerverharding met hieronder cunet-/stabilisatiezand
Tussen gemiddeld 35 en 90
Donkerzwartbruin en naar onderen toe donkerbruin tot en navolgend lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak humeus (amorfe humus), zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand
Intact restant podzol-Bhs-horizont (bij boringen 4 en 5 onderscheid te maken van een Bhs1- en een Bhs2horizont) en navolgend overgangsBC-horizont, merendeels intacte haarpodzolbodem
Vanaf gemiddeld 90 tot 150 (einddiepte boringen)
Lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs tot lichtgeelwit gekleurd, veelal zwak grindig, zwak siltig, veelal matig grof tot zeer grof zand, slecht gesorteerd en scherp aanvoelend zand
C-horizont, sneeuwsmeltwaterafzettingen/hellingsafspoelingen
De boringen laten goed het verschil in de mate van intactheid van de bodemopbouw zien tussen de noordelijke tot westelijke en de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied. In de noordelijke tot westelijke delen (boringen 1 t/m 3, 7 en 8) is sprake van een verstoorde/geroerde bodemopbouw tot gemiddeld 110 cm -mv (minimaal 70 en maximaal 130 cm -mv), bestaande uit lagen varierend van bruingrijs, donkerbruin, geelgrijs tot bruingeel gekleurd en veelal sterk gevlekt), veelal zwak en plaatselijk matig humeus, zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand. Tevens is bij de boringen 1 en 3 nog sprake van een halfverhardingslaag van gebroken puin, doorlopend tot maximaal 60 cm -mv. Onder het verstoorde niveau vindt een scherpe overgang plaats direct naar de C-horizont, in de vorm van lichtgeel en naar onderen toe lichtgeelgrijs tot lichtgeelwit gekleurd, veelal zwak grindig, zwak siltig, veelal matig grof tot zeer grof zand. Het oorspronkelijke moedermateriaal betreft daluitspoelingswaaierafzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen). De slechte sortering, het scherp aanvoelen van het zand en voorkomen van grind zijn hiervoor kenmerkend. Een afdekkende laag/deken van dekzand is binnen het plangebied niet aangetroffen.
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 18 van 24
Ter plaatse van de zuidoostelijke (onbebouwde) delen (boringen 4 t/m 6) is onder de aanwezige klinkerverharding en de laag cunet-/stabilisatiezand, vanaf circa 35 tot gemiddeld 90 cm -mv, nog een merendeels intacte haarpodzolbodem (droge humuspodzol) aanwezig. Deze bestaat uit een restant van de Ahp-horizont dan wel direct de Bhs-horizont met hieronder de overgangs-BC-horizont, in de vorm van donkerzwartbruin en naar onderen toe donkerbruin tot en navolgend lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak humeus (amorfe humus), zwak grindig, zwak siltig, matig grof zand. Dit restant van het van nature gevormde bodemprofiel is gevormd in de top van de daluitspoelingswaaierafzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen). Op basis van de aangetroffen bodemopbouw geldt dat het archeologisch potentiële sporenniveau nog intact aanwezig is in de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont/op de overgang van de BC- naar C-horizont, op een diepte tussen 60 tot 90 cm -mv. Het archeologisch potentiële vondstniveau, welke wordt verwacht in de oorspronkelijke Ah-horizont, lijkt al wel volledig te zijn verstoord. Voor de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied, met een verstoringsdiepte van gemiddeld 110 cm -mv, zal gelden dat de verstoringen reiken tot 20 cm in de top van de C-horizont.
Met deze verstoringsdiepte is de verwachting dat het archeologisch sporenniveau sterk is aangetast. Voor de bouw van het bestaande kinderdagverblijf en de bestaande peuterspeelzaal zijn bodemingrepen uitgevoerd tot minimaal 120 cm -mv. Voor de bouw hiervan zal het archeologisch potentiële sporenniveau nog dieper zijn verstoord, zo niet volledig is vergraven. Archeologie Allereerst dient gemeld te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. In geen van de boringen is archeologisch relevant vondstmateriaal waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal.
4 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen en een lage verwachting op het voorkomen van resten uit de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het plangebied heeft namelijk een landschappelijke ligging op een daluitspoelingswaaier. De van nature voldoende gedraineerde gronden van de daluitspoelingswaaier zullen in principe al voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Vanaf het Neolithicum zal het plangebied ook geschikt zijn geweest als nederzettingslocatie voor Landbouwers. Daluitspoelingswaaiers worden gezien als landschappelijke eenheden waar vaak een hoge dichtheid aan archeologische resten kan worden verwacht. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vondsten gedaan, echter het aantal eerdere uitgevoerde archeologische onderzoeken is ook vrij beperkt. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat vanaf het begin van de 19e eeuw het plangebied binnen een niet ontgonnen gebied lag en heide betrof. Gedurende de eerste helft van de 20 e eeuw maakte het plangebied deel uit van percelen (productie)bos.
Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied tot een agrarisch perceel heeft behoord waar plaggenbemesting heeft plaatsgevonden
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 19 van 24
Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat alleen nog binnen de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied sprake is van een merendeels intacte haarpodzolbodem (droge humuspodzol), tussen circa 35 en 90 cm -mv. Dit restant van het van nature gevormde bodemprofiel is gevormd in de top van de daluitspoelingswaaierafzettingen (sneeuwsmeltwaterafzettingen). Voor de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied geldt dan ook dat het archeologisch potentiële sporenniveau hier nog intact aanwezig is. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest zichtbaar zijn in de BC-horizont/op de overgang van de BC- naar C-horizont, op een diepte tussen 60 tot 90 cm -mv. Het archeologisch potentiële vondstniveau, welke wordt verwacht in de oorspronkelijke Ah-horizont, lijkt al wel volledig te zijn verstoord. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars, welke voornamelijk bestaan uit strooiingen van fragmenten vuursteen en (beperkt voorkomen) ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem, zullen waarschijnlijk al verloren zijn gegaan (geen in situ gelegen strooiing van fragmenten vuursteen). Nederzettingssporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum, welke dieper zullen doorlopen (zoals paalgaten en afvalkuilen) kunnen nog wel intact worden aangetroffen.
Binnen de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied is sprake van een verstoorde/geroerde bodemopbouw tot gemiddeld 110 cm -mv. De overgang naar de onverstoorde bodem betreft direct de C-horizont. Hier geldt dat de verstoringen reiken tot zeker 20 cm in de top van de 1C-horizont en ter plaatse van het bebouwde deel van het plangebied nog dieper, op grond van ondergrondse delen van de bestaande bebouwing). Met deze verstoringsdiepte is de verwachting dat het archeologisch sporenniveau sterk is aangetast, zo niet volledig is vergraven. Geconcludeerd wordt dat de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied hun hoge verwachting op het voorkomen van archeologische (nederzettings)sporen daterend vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen behouden. Voor de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied, alsook het reeds bebouwde oppervlak van het kinderdagverblijf en de peuterspeelzaal, waar het archeologisch niveau (vondstniveau én sporenvlak) diep is aangetast, kan de hoge verwachting voor deze perioden bijgesteld worden naar een lage verwachting. De hoge verwachting op het voorkomen van intacte vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars kan voor het gehele plangebied bijgesteld worden naar een lage verwachting. 4.2
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen de zuidoostelijke (onbebouwde) delen van het plangebied, binnen een oppervlakte van circa 625 m² (zie figuur 16), een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Hier is namelijk sprake van een merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw. Door de geplande ingreep (afgraven tot op het “gele” zand (top van de 1C-horizont)) zal hier het archeologisch potentiële vondstals sporenniveau worden verstoord. Omdat archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht met een lage, matige dan wel een hoge spoor-/vondstdichtheid, wordt geadviseerd het vervolgonderzoek in de vorm van een gravend onderzoek te laten uitvoeren. Vindplaatsen met een lage spoor-/vondstdichtheid kunnen met een karterend booronderzoek worden gemist en is dan ook niet geschikt als vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en nadat het plangebied (in ieder geval de zuidoostelijke delen van het plangebied) vrij is gemaakt van de bestaande begroeiing/verhardingen en bij voorkeur ook de bestaande bebouwing is verwijderd/gesloopt. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden.
Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Epe).
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 20 van 24
Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 35 cm onder het huidige maaiveld (bijvoorbeeld door ophoging). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’). Voor de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied, als ook de oppervlakte van de bestaande bebouwing (kinderdagverblijf en peuterspeelzaal), wordt, vanwege de vrij diepgaande bodemverstoringen en het ontbreken van restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw, geadviseerd geen vervolgonderzoek/aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de noordelijke tot westelijke delen van het plangebied, als ook de oppervlakte van de bestaande bebouwing (kinderdagverblijf en peuterspeelzaal), kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed27).
27
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 21 van 24
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & W.P. Locher, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Maas, G., P. van Delft, & h. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research). Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Pape-Luijten, H.G., 2019: Handreiking archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek gemeentes Brummen, Epe, Lochem en Voorst. Stichting voor Bodemkartering, 1971: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 27 West/ Heerde. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Veen, S. van der, Neefjes, J. Snippenburg, B.J.G. van & Willemse, N.W., 2012: ‘…langs onzen weg gaat het bouwland allengs in heide over...’ Erfgoed in de gemeente Epe. RAAP-Rapport 3536. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Weesp. Vries, F. de, Groot, W. de, Hoogland, T. & Denneboom, J., 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Wageningen: Alterra. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 22 van 24
BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’. Available at: https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm AHN; internetsite, september 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, september 2022. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, oktober 2022. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket, internetsite, september 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (2014) ‘BAG WFS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa4d44-a9e3-54355556f5e7 Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK) (2013) ‘Kadastrale Kaart v4 WFS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a4d01-9245-5cf058314ebf. Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’.
Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-85137370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021) ‘Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK RGB 25cm en 7,5cm WMTS’. Available at: https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a584761-a809-b4c5d90dcd35. NGR/Wageningen Environmental Research (2018) ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’. Available at: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6 AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’. Available at: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26a444-7616e1d888f0
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 23 van 24
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, september 2022. https://pdokviewer.pdok.nl Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, september 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Ruimingskaart; internetsite, september 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, september 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis; 200 jaar topografische kaarten; internetsite, september 2022. https://www.topotijdreis.nl
Rapport 20163.001 versie 2
Pagina 24 van 24
Figuur 1.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen Nederland
Figuur 2.
Rapport 20163.001 versie 2
Detailkaart van het plangebied
Figuur 3.
Rapport 20163.001 versie 2
Luchtfoto van het plangebied
Figuur 4.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Epe
Rapport 20163.001 versie 2
Rapport 20163.001 versie 2
Figuur 5.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de geomorfologische kaart van de gemeente Epe
Rapport 20163.001 versie 2
Figuur 6.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Figuur 7.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Figuur 8.
Rapport 20163.001 versie 2
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN
Rapport 20163.001 versie 2
Figuur 9.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1811-1832 (Minuutplan)
Figuur 10.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1872 (Bonneblad)
Figuur 11.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1912 (Bonneblad)
Figuur 12.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1933 (Bonneblad)
Figuur 13.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966
Figuur 14.
Rapport 20163.001 versie 2
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1975
Figuur 15.
Rapport 20163.001 versie 2
Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto
Figuur 16.
Rapport 20163.001 versie 2
Resultaten booronderzoek en advieskaart voor vervolgonderzoek
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 20163.001 versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 20163.001 versie 2
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 20163.001 versie 2
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 20163.001 versie 2
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 20163.001 versie 2
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 20163.001 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 20163.001 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. **** Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
Rapport 20163.001 versie 2
Bijlage 4
Rapport 20163.001 versie 2
Inrichtingsplan
50 2963 2606
17
19
5305
21
5689
23 5690
87-87B
23A
52-90
85G
85F
85E
85D
85C
85B
85A
2
83
4885
92/G01-92/
G04
11
5601
2965
49008
5602
9
25 7
5
17861
4858
112
5673
5672
108
110
5298
5666
106
104
102
5675 5676
35467
114
at
116
De Wetstr a
118
53328
53595
5598
5222
96
94B
4620
94A
92
90
4692 5223
5599
52669 Woestijnweg 5407
De Wetstraat 25 8172 CK Vaassen Kadastraal bekend: Gemeente: Epe Perceelnummer: 4620, 4858 Sectie: D projectnummer:
project:
tekeningnummer:
opdrachtgever:
2101
VO-051
Appartementen Woestijnweg Vaassen Bemog projectontwikkeling
onderwerp:
SITUATIE NIEUW
status: getekend:
definitief FR
datum 1e versie: wijz. datum + versie:
16-11-2021 22-03-2022
formaat: A3 schaal: 1:500
Kastanjelaan 6 3833AN Leusden 085 - 06 55 744 info@ebbensarchitecten.nl www.ebbensarchitecten.nl
Bijlage 5
Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen
Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 1
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 3
Vanuit zuidoostelijke richting nabij boring 5
Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 7
Boring 1
Boring 2
Rapport 20163.001 versie 2
Boring 3
Boring 4
Boring 5
Boring 6
Boring 7
Boring 8
Rapport 20163.001 versie 2
Bijlage 6
Rapport 20163.001 versie 2
Boorprofielen
Bijlage 6
Boorstaten
Boring: 1
Boring: 2
X: Y:
X: Y:
193884.00 477260.00
16.7
m +NAP
193902.00 477266.00
16.8
m +NAP 0
0
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
0
0
8 15
Klinkerverharding Zand, zeer grof, zwak siltig, licht geelgrijs, cunet-/stabilisatiezand Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht bruingrijs, halfverhardingslaag van gebroken puin
50
50 60
70
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, geelgrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt, vermengd met resten betonen baksteenpuin
80
100 100
100
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
110
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, geelgrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
130
Zand, matig grof, zwak siltig, matig humeus, zwak grindig, donker grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt Zand, matig grof, zwak siltig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
150 150
150
200
200
Boring: 3
Boring: 4
X: Y:
X: Y:
193922.00 477261.00
16.8 0
m +NAP
0
8
20
40
50
50
75
100 105
120
150
150
Projectcode: 20163.001
193923.00 477240.00
16.9
m +NAP
0 8
0
Klinkerverharding 20
Zand, zeer grof, zwak siltig, lichtgrijs, cunet-/stabilisatiezand Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, bruingrijs, halfverhardingslaag van gebroken puin
Zand, zeer grof, zwak siltig, licht bruingrijs, cunet-/stabilisatiezand Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgeel, cunet-/stabilisatiezand
45
50 60
70
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, geelgrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
90
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, Ahp-horizont, recent geroerde/verstoorde oorpronkelijke minerale bovengrond Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker bruingrijs, intact restant Bhs1-horizont van haarpodzolbodem Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker geelbruin, Bhs2-horizont Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht geelbruin, BC-horizont
100
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht grijsgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht grijsgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen Zand, zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
Klinkerverharding
35
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donkerbruin, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, bruingeel, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt, vermengd met resten betonen baksteenpuin
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt, teruggestort "geel" zand van de oorspronkelijke C-horizont
130
150
150
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
Bijlage 6
Boorstaten
Boring: 5
Boring: 6
X: Y:
X: Y:
193917.00 477224.00
16.7
m +NAP
193898.00 477227.00
16.8
m +NAP 0
0
8
0
0
8
Klinkerverharding 20
Zand, zeer grof, zwak siltig, licht bruingrijs, cunet-/stabilisatiezand 40 35
50
50
60
80
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker zwartbruin, intact restant Bhs1-horizont van haarpodzolbodem
60
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker geelbruin, Bhs2-horizont
Zand, zeer grof, zwak siltig, licht bruingrijs, cunet-/stabilisatiezand Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, grijsbruin, Ahp-horizont, recent geroerde/verstoorde oorpronkelijke minerale bovengrond Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker grijsbruin, intact restant Bhs-horizont van haarpodzolbodem Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht geelbruin, BC-horizont
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht geelbruin, BC-horizont Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, lichtgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
100
50
Klinkerverharding
90
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht grijsgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
100
110
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht grijsgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen 150
150 150
150
Boring: 7
Boring: 8
X: Y:
X: Y:
193883.00 477225.00
16.7
m +NAP
16.8 0
0
193884.00 477241.00
m +NAP 0
Zand, matig grof, zwak siltig, matig humeus, zwak grindig, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
0 8
Klinkerverharding Zand, zeer grof, zwak siltig, licht bruingrijs, cunet-/stabilisatiezand 40
35
Zand, zeer grof, zwak siltig, lichtbruin, cunet-/stabilisatiezand
50
50
50
75 70
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht grijsgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker geelgrijs, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, grijsbruin, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, grijsgeel, geroerde/verstoorde laag, recent bewerkt
100 110
100
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen 130
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht witgeel, C-horizont, sneeuwsmeltwater-/daluitspoelingsw aaierafzettingen
150
170
Projectcode: 20163.001
150
150
Bijlage 7
Rapport 20163.001 versie 2
Bouwtekeningen uit 2001 uitbreiding kinderdagverblijf