CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

766969 Bijlage 3 Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 (wijzigingen bijhouden)

Gemeenteraad 14 september 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken d.d. 14 september 202324.637 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Collegebesluit 20231

zaaknummer: 298535 766969

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE EPE

Overwegende dat het gewenst is dat de gemeente beleidsregels vaststelt ter uitvoering van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe. Gelet op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 en Jeugdwet en de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe.

BESLUIT vast te stellen de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 20231.

1/47

Deel A: Beschrijving algemeen Hoofdstuk 1 Inleiding De beleidsregels in dit document zijn een uitwerking van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe (hierna te noemen verordening). De beleidsregels geven een toelichting op en een instructie voor de uitvoering van het beleid in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna te noemen Wmo) en de Jeugdwet. In de beleidsregels verduidelijkt het college van burgemeester en wethouders hoe in een concreet geval met een bevoegdheid wordt omgegaan. Denk bijvoorbeeld aan een bepaling in de verordening waarin wordt gezegd dat burgemeester en wethouders iets 'kan' doen. Burgemeester en wethouders kunnen dan in de beleidsregels aangeven wanneer dit wel of niet gebeurt. In de beleidsregels kunnen ook begrippen uit de verordening worden uitgelegd. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen. De Wmo en de Jeugdwet leggen de nadruk op de eigen kracht, zelfredzaamheid en samenredzaamheid.

Mensen komen zelf tot oplossingen op basis waarvan wordt bepaald op welke punten aanvullend een individuele maatwerkvoorziening nodig is. Waar een inwoner niet meer in staat is om zelf of samen met het sociale netwerk te voorzien in zijn of haar zelfredzaamheid en participatie, kan hij of zij een beroep doen op een individuele maatwerkvoorziening uit de Wmo of Jeugdwet. Hierbij wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van algemene voorzieningen zoals het consultatiebureau, was- en strijkservice, klussendienst of van (andere) algemene of overige voorzieningen die het college ter beschikking stelt. Dit gebeurt tijdens een gesprek dat thuis of telefonisch kan plaatsvinden. De basisgedachte van de Wmo en de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven, wat betekent dat iedere inwoner ervoor moet zorgen dat hij voldoende is verzekerd. Tevens zou een inwoner daar waar mogelijk rekenschap geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning, de grootte van de woning, de bereikbaarheid van winkels en voorzieningen.

Een inwoner kan hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase. Ook zou hij bereid moeten zijn om zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen. Daarnaast hebben gemeenten wettelijke taken op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling. Aan de hand van de 5 stappen van de meldcode bepalen professionals of ze een melding over vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling moeten doen bij de regionale organisatie Veilig Thuis (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huiselijk-geweld/meldcode). Hoofdstuk 2 Begripsbepaling Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo, Jeugdwet, de verordening en de Algemene Wet Bestuursrecht. Hoofdstuk 3 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Algemeen 1.

De gemeente wijst alle cliënten en hun mantelzorger(s) die een melding van een hulpvraag doen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze functie wordt door de gemeente ingekocht bij een professionele organisatie. 2. Cliëntondersteuning is er op gericht om cliënten te ondersteunen bij het formuleren en beantwoorden van hun ondersteuningsvraag. Cliëntondersteuning is: 2/47

a. b. c. d.

onafhankelijk; de cliëntondersteuner handelt vanuit het belang van de cliënt; een algemene, vrij toegankelijke voorziening; voor iedereen kosteloos beschikbaar; gericht op de toegang tot ondersteuning in het sociaal domein en/of ondersteunend aan mensen die al van bepaalde voorzieningen gebruik maken. 3. Iedere cliënt kan gebruik maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook kan een consulent van de gemeente cliëntondersteuning adviseren aan een cliënt. Specifiek jeugd 4. Voor jeugdigen en/of hun ouders is er ook de mogelijkheid om gebruik te maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Het AKJ (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg) voert in opdracht van het ministerie van VWS, het onafhankelijk vertrouwenswerk voor de Jeugdwet uit. Deze functie wordt door de gemeente ingekocht bij een professionele organisatie (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ). De vertrouwenspersoon wordt meestal pas benaderd als er al hulp is en daar vragen, problemen of klachten over ontstaan. De vertrouwenspersoon ondersteunt een cliënt bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid te krijgen. Als dit is opgelost, dan stopt ook de ondersteuning van de vertrouwenspersoon.Een vertrouwenspersoon vormt de brug tussen jongeren en/of hun ouders en zorgaanbieders, wanneer er bijvoorbeeld dingen niet goed lopen in de hulpverlening.

De vertrouwenspersoon ondersteunt de jongeren en/of ouders om de zaak weer in beweging te krijgen. Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp 1. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende jeugdigen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor jeugdigen geldt dat ouders/wettelijk vertegenwoordigers geacht worden de tot hun gezin behorende jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te stimuleren en toezicht aan hen te bieden. 2. Er is sprake van meer dan gebruikelijke hulp, als de voor de jeugdige noodzakelijke zorg meer is dan de noodzakelijke zorg die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperking redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft aard, frequentie en benodigde tijd. Hierbij wordt aangesloten bij de Richtlijn gebruikelijke zorg in de Beleidsregels indicatiestelling Wlz (https://wetten.overheid.nl/BWBR0047580/2023-01-01). 3. Als uit onderzoek van het college blijkt dat Wanneer de ouder overbelast is of dreigt te raken, wordt van hen tijdelijk geen (boven)gebruikelijke hulp verwacht voor wat betreft de te bieden Jeugdhulp, tot dat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven, met dien verstande dat: a.

de (dreigende) overbelasting dient te worden opgeheven door de noodzakelijke hulp als bedoeld in het voorgaande lid (artikel 4 lid 2 van de beleidsregels) aan de jeugdige tijdelijk te laten uitvoeren door ondersteuning vanuit het sociale netwerk, een jeugdhulpaanbieder of andere zorgaanbieder (Wmo); b. de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke zorg, al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek. Het leveren van gebruikelijke hulp gaat voor op het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten. Hoofdstuk 5 Meer dan gebruikelijke hulp 1. Bij iedere individuele maatwerkvoorziening wordt op basis van artikel 2.6 van de verordening gemotiveerd vastgesteld in het gespreksverslag zoals bedoeld in artikel 2.5 van de Verordening of er sprake is van meer dan gebruikelijke zorg. 2. Er is geen sprake van meer dan gebruikelijke hulp bij niet-chronische situaties. Bij niet-chronische situaties gaat het om kortdurende hulp waarbij er uitzicht is op herstel van de situatie van de jeugdige en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. 3. Er is wel sprake van meer dan gebruikelijke hulp bij chronische situaties.

Bij chronische situaties gaat het om langdurige hulp waarbij naar verwachting de zorg langer dan drie maanden nodig zal zijn. 4. De invulling van gebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties is opgenomen in de bijgevoegde richtlijn Gebruikelijke Hulp in bijlage 2. Hoofdstuk 6 Mantelzorg 1. Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de cliënt die ondersteuning behoeft. 2. Een groot risico is dat mantelzorgers worden overbelast. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. Bijvoorbeeld door het Steunpunt Mantelzorg, door de cliënt voor één of meer dagdelen per week naar de dagbesteding te laten gaan, zodat de mantelzorger 3/47

even iets voor zichzelf kan doen. Ook respijtzorg is mogelijk, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval kan de mantelzorg tijdelijk worden overgenomen door bijvoorbeeld een formele of informele hulpverlener of anders een vrijwilliger. 3. Onder voorwaarden kan een cliënt ook één of meer etmalen per week worden opgenomen in een instelling. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat de cliënt ’s nachts toezicht nodig heeft en niet alleen gelaten kan worden. In dat geval kan het overigens ook zo zijn dat de cliënt in aanmerking komt voor de Wet langdurige zorg (Wlz). 4. De gemeente heeft oog voor de inzet van mantelzorgers. De inzet van mantelzorgers verdient steun en waardering. Hoofdstuk 7 Persoonsgebonden budget (pgb) Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, dan geldt het volgende. 1. Een pgb is alleen mogelijk als: a. naar het oordeel van het college is voldaan aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo of artikel 8.1.1 Jeugdwet genoemde voorwaarden en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo of artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet niet van toepassing zijn; b.

de cliënt naar het oordeel van het college in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of hij daarvoor een vertegenwoordiger heeft die: is verbonden aan een organisatie die beschikt over het keurmerk van PerSaldo of een persoon is die niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. Tenzij dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college bij de betreffende vertegenwoordiger voldoende is geborgd. De taken omvatten onder andere het afsluiten van een zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank1, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb. c. ouders van jeugdigen onder de 18 jaar zijn op grond van de wet in alle opzichten verantwoordelijk voor hun jeugdigen. Voor hen gelden de voorwaarden, zoals deze gelden voor iedere budgethouder. d. de vertegenwoordiger helpt de budgethouder bij: a. de administratie van het pgb; b. het kiezen van de hulpverleners; c. het nakomen van de rechten en plichten van het pgb; d. het in de gaten houden van de kwaliteit van de zorg. e. een vertegenwoordiger voldoet aan de volgende voorwaarden: a. zit niet in detentie; b. kan aan alle pgb verplichtingen voldoen; c.

woont maximaal 200 kilometer bij de cliënt vandaan in Nederland; d. krijgt geen vergoeding uit het pgb voor zijn taken als vertegenwoordiger; e. heeft geen betalingsproblemen (zoals Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), faillissement of uitstel van betaling); f. is niet eerder vertegenwoordiger geweest, waarbij niet aan de verplichtingen is voldaan. f. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het ondersteuningsplan opgenomen doelstellingen; g. het college instemt met het persoonlijk plan dat door de cliënt is ingediend. 2. In navolging van artikel 3 lid 2 van de verordening geldt het volgende. Indien de cliënt reeds kosten gemaakt heeft en kan worden vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk was, dan kunnen middels bankafschriften aantoonbaar gemaakte kosten en gerelateerde omschrijving worden vergoed, vanaf de meldingsdatum tot maximaal het bij beschikking toegekende bedrag voor deze voorziening (goedkoopst passend). Deze vergoeding geldt niet voor de huur van voorzieningen als men niet tijdig (12 weken voor afloop van de uitleentermijn) een melding heeft gedaan bij de gemeente. 3. In navolging van artikel 4 lid 2a van de verordening geldt het volgende.

De met het pgb ingekochte formele hulp moet voldoen aan de kwaliteitseisen, zoals gesteld in de raamovereenkomst Individuele voorzieningen voor jeugdigen en maatwerkvoorzieningen voor volwassenen in het kader van de Jeugdwet, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd wonen GGZ. 4. Het college weegt bij het beoordelen van de kwaliteit mee of de hulpverlening, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor

1

Zie www.svb.nl onder modelzorgovereenkomsten 4/47

het pgb wordt verstrekt door middel van een persoonlijk plan en/of een programma van eisen (bij hulpmiddelen/woningaanpassingen). 5. Het college bepaalt of in verband met de kwaliteitsborging bepaalde hulp door een formele hulp moet worden geboden. 6. In navolging van artikel 4 lid 5 van de verordening geldt het volgende. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inhuren van informele hulp middels een pgb wordt het volgende afgewogen: a. De cliënt moet zijn keus om een informele hulp met het pgb in te schakelen motiveren; b. De informele hulp mag daarbij op geen enkele wijze druk op de cliënt hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling; c. De wens en de behoefte van de cliënt om invloed uit te oefenen op de invulling en het tijdstip van de geboden informele hulp wordt meegewogen; d. De informele hulp is in staat om de gevraagde hulp te bieden (mag niet te zwaar zijn). e. De totale belasting van de mantelzorger, dat wil zeggen de combinatie van gebruikelijke hulp, mantelzorg en werk, acceptabel is; f. Er sprake is van verlies aan inkomsten als gevolg van het verlenen van hulp aan de cliënt; g. De kosten die iemand moet maken om informele hulp te verlenen en de mogelijkheid om dit zelf te kunnen bekostigen; h.

Betaling van vrienden, kennissen, collega’s en buren is afhankelijk van de sociale relatie die de cliënt met deze mensen heeft en de mogelijkheid van de cliënt om zelf iets terug te doen voor de mantelzorger (wederkerigheid); i. Het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de mate van verplichting (bij ziekte of vakantie kan de hulp wel/niet een keer worden overgeslagen) spelen een rol bij het al dan niet toekennen van een pgb; j. De mogelijkheid om zorg uit handen te kunnen geven. Mogelijk is er passende zorg in natura beschikbaar. 7. Hulpverleners mogen geen taken van elkaar overnemen (uitruil), tenzij zij hierover andere afspraken met het college hebben gemaakt en deze afspraken zijn vastgelegd. Over de omvang van de inzet van deeltijdverblijf/logeeropvang dienen altijd afspraken te worden gemaakt. 8. De cliënt kan bij een pgb voor hulpverlening geen vrij besteedbaar bedrag opnemen. 9. Het gebruik van de model zorgovereenkomsten van de sociale verzekeringsbank (SVB) is verplicht. 10. Het pgb wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren (declaratie basis), niet zijnde maandloon.Het afspreken van een vast maandloon is uitsluitend mogelijk bij een vaste inzet van uren per week of per maand. 11. Er wordt geen feestdagenuitkering verstrekt. De feestdagenuitkering maakt integraal onderdeel uit van het uurtarief. 12.

Er wordt geen aparte reiskostenvergoeding verstrekt. De reiskosten maken integraal onderdeel uit van het uurtarief. 13. Er wordt geen eenmalige uitkering verstrekt bij het beëindigen van een pgb. 14. De SVB biedt gratis ondersteuning aan cliënten met een pgb, waaronder het verzorgen van de salarisadministratie. Hoofdstuk 8 Eigen bijdrage Wmo In artikel 6 van de verordening zijn de kaders opgenomen bij welke voorzieningen een eigen bijdrage gevraagd wordt en de hoogte van deze bijdrage. 1. Het college kondigt schriftelijk aan bij de cliënt dat een bijdrage opgelegd wordt en, indien van toepassing, de looptijd. 2. De eigen bijdrage voor een individuele maatwerkvoorziening of een pgb wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. 3. De eigen bijdrage kan (tijdelijk) opgeschort worden als er meer dan 2 maanden aaneengesloten geen zorg of ondersteuning is ontvangen. Hoofdstuk 9 Bezwaar en mediation 1. Iedere belanghebbende heeft de mogelijkheid als hij het oneens is met een beschikking, in bezwaar te gaan. Met het indienen van een bezwaarschrift verzoekt de belanghebbende de gemeente om het besluit waartegen hij bezwaar maakt, te heroverwegen. 2. Bij de behandeling van het bezwaar, vindt er eerst een gesprek plaats tussen een daartoe gemandateerde vertegenwoordiger namens het college en belanghebbende of diens gemachtigde, ook wel pre-mediation genoemd. 3.

Bezwaren worden behandeld conform de verordening Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Epe.

5/47

Deel B: Uitwerking naar individuele maatwerkvoorziening Hoofdstuk 10 Jeugdhulp Inleiding De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe en deze beleidsregels geven uitvoering aan de Jeugdwet. Met de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten vanaf 2015 uitgebreid met de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor jeugdigen (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een licht verstandelijk beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt naar een stelsel met een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Afwegingskader algemeene visie n Met de stelselwijziging streven we naar een grotere inzet op preventie, tijdige ondersteuning en het versterken van eigen kracht van jeugdigen en hun ouders.

Door gemeenten verantwoordelijk te maken voor alle taken op het gebied van de ondersteuning en hulp aan jeugd, krijgen zij de mogelijkheid om een samenhangend stelsel te realiseren. We zetten ons in voor de jeugd. Al onze voorzieningen

moeten eraan bijdragen dat kinderen en jongeren zich maximaal kunnen ontplooien. Daarbij gelden in de gemeente Epe de volgende uitgangspunten focuspunten vanuit het Integraal Beleidsplan Sociaal Domein ‘Samen voor Elkaar’ gemeente Epe 2019-20222023-2027: We investeren meer in preventieve, algemeen toegankelijke voorzieningen zoals jongerenwerk, schoolmaatschappelijk werk, Steunouder, Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) en een scheidingsloket We zetten de samenwerking tussen de huisartsen en het CJG voort en bouwen deze uit De toegang werkt volgens het gedachtengoed van ‘de nieuwe route’ bij gezinnen met complexere hulpvragen We stimuleren pleegzorg, gezinshuizen en kleinschalige opvang om jeugdigen zo thuis mogelijk te laten opgroeien We zetten in op de transformatie van de Jeugdzorg door uitvoering van onder andere de Hervormingsagenda en Gelderse verbeteragenda We onderzoeken en implementeren acties om de overgang naar volwassenheid van jongeren in Jeugdzorg te ondersteunen Regie Inwoners organiseren zoveel mogelijk zelf Inwoners voeren de regie over hun eigen leven Inwoners hebben keuzevrijheid in het ondersteuningsaanbod Meedoen Alle inwoners kunnen meedoen naar vermogen Inwoners hebben oog en zorg voor elkaar Er is aandacht en waardering voor mantelzorgers Er is begrip voor- en kennis over inwoners met onbegrepen gedrag Er is een sterke samenwerking tussen het ruimtelijke

en sociale domein Dichtbij Ondersteuning is voor iedereen toegankelijk en bereikbaar Ondersteuning is afgestemd op de vraag van inwoners Ondersteuning is van goede kwaliteit Preventie Er is aandacht voor vroegsignalering en een centraal punt waar men terecht kan met signalen Er is een samenhangend preventief ondersteuningsaanbod Integraliteit Inwoners hebben te maken met één gezin, één plan, één regisseur Samenwerking neemt een centrale plek in 6/47

Professionals maken gebruik van elkaars expertise Professionals hebben aandacht voor het systeem rondom de inwoner Kernbegrippen zijn het leveren van zorg en ondersteuning op maat, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Een belangrijk uitgangspunt bij de toeleiding en toegang is het centraal stellen van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders. De aanpak is vervolgens oplossingsgericht. Omdat maatwerk nodig is, vindt een gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, waaronder ook de eigen kracht en het eigen netwerk. In de verordening en in deze beleidsregels wordt het proces van de toegang tot een individuele maatwerkvoorziening vastgelegd en verder toegelicht. Jeugdigen en ouders hebben het recht op een zorgvuldige procedure. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal tot een juist besluit moeten leiden en daarbij zorg dragen voor ; passende zorg en ondersteuning waar deze nodig is. De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe legt veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan wordenvan de Jeugdwet wordt (in mandaat) uitgevoerd door de deskundigen van in het CJG.

Overige voorzieningen In de samenleving zijn vele voorzieningen te vinden waar ouders en jeugdigen terecht kunnen met vragen en voor preventieve ondersteuning, vaak gekoppeld aan welzijn, onderwijs of vrije tijdsbesteding. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en dragen bij aan de eigen kracht. Preventie, informatie en advies en signalering vallen hier onder. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. Individuele maatwerkvoorzieningen Individuele maatwerkvoorzieningen (volgens de Jeugdwet ‘individuele voorzieningen’) zijn beschikbaar in de vorm van (intensieve,) specialistische ondersteuning. Deze voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Individuele maatwerkvoorzieningen zijn ingekocht bij de zorgaanbieders die de raamovereenkomst ‘Individuele voorzieningen voor jeugdigen en maatwerkvoorzieningen voor volwassenen in het kader van de Jeugdwet, Wmo lokaal en Maatschappelijke Opvang/Beschermd WonenThuis GGZ ‘’ hebben ondertekend. Ddaarnaast zijnworden voorzieningen er voor jeugdreclassering en jeugdbescherming op Gelders niveau zorg ingekocht, als onderdeel van de Gelderse Verbeteragenda. / landelijk aanbod?. De meest specialistische zorg die bijna niet voorkomt, wordt op landelijke schaal ingekocht.

Met de regionale Inkoop 2019 zijn de maatwerkvoorzieningen zoveel mogelijk integraal ingekocht (Jeugd, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen en een afgeleide variant, zijnde Beschermd Thuis). Integrale producten zijn: • Ondersteuning individueel • Ondersteuning groep • Wonen/verblijf Specifieke jeugdvoorzieningen zijn: • Behandeling; zowel individuele behandeling, groepsbehandeling als wonen/verblijf met behandeling • Pleegzorg • Dyslexiezorg • Gesloten jeugdhulp • Specialistische geestelijke gezondheidszorg; zowel diagnostiek basis en specialistische geestelijke gezondheidszorg, behandeling zeer specialistische zorgvormen als crisis. • Activiteiten in het preventief justitieel kader en jeugdbescherming en jeugdreclassering • Kindergeneeskunde • Vervoer inzake jeugdhulp (zie bijlage 1 voor een overzicht van de individuele maatwerkvoorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht. (Zie https://www.zorgregiomijov.nl/ voor het meest recente overzicht) Individuele maatwerkvoorzieningen kunnen worden ingezet als zorg in natura en via een Pgb. Voor de regels met betrekking tot een PGB wordt verwezen naar de verordening en naar artikel 7 van deze beleidsregels. Artikel 10.1 Vervoer Jeugdhulp 1. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, zorgezijnn ouders in beginsel verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Er kunnen 7/47

omstandigheden zijn waardoor hierin door de jeugdige, zijn ouders en hun netwerk niet kan worden voorzien. De gemeente kanis verplicht om dan ook een voorziening voor vervoer afgevente regelen van en naar de jeugdhulpaanbieder. Dit artikel is een uitwerking van artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet. Artikel 10.2 Voorwaarden voor vervoer jeugdhulp 1. Het college kent op aanvraag een vervoersvoorziening toe als de jeugdige is aangewezen op een door het college toegekende individuele maatwerkvoorziening voor jeugdhulp bij een jeugdhulpaanbieder en sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt en de jeugdige geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden: a. op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn omgeving; b. door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een overige of algemene voorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening; 2. Het college kent een vervoersvoorziening toe indien de jeugdige niet in staat is zelfstandig te reizen en bij de ouders sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor zij de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige meereizen. 3.

Het college kent een vervoersvoorziening toe als er geen andere mogelijkheid is die de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp te ontvangen die in de beschikking is vastgelegd. Artikel 10.3 Aanvraag en toekenning van een vervoersvoorziening 1. De aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend bij het college. 2. De jeugdige of zijn ouders doen een aanvraag voor een vervoersvoorziening, voordat de jeugdhulp start of voordat mogelijk aanspraak ontstaat op een vervoersvoorziening. 3. Vervoerskosten die zijn gemaakt voordat deze zijn aangevraagd, komen niet voor vergoeding door het college in aanmerking. Artikel 10.4 Dichtstbijzijnde passende voorziening voor jeugdhulp 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen het hoofdverblijf van de jeugdige volgens Basis registratie personen (Brp) en de dichtstbijzijnde goedkoopst adequatepassende voorziening jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de verordening. Artikel 10.5 Vergoeding op basis van de reiskosten van eigen vervoer 1. Het college vergoedt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding wanneer zij zelf de jeugdige vervoeren, dan wel laten vervoeren door een andere persoon uit het netwerk, naar de jeugdhulpaanbieder van een bedrag per kilometer van ten hoogste € 0,38.

De vergoeding bedraagt normaliter € 0,19 per kilometer. Gaat de ouder tussendoor terug naar huis dan wordt maximaal € 0,38 vergoed per kilometer dat de jeugdige meereist (de vergoeding komt ook dan dus uit op € 0,19 per kilometer). 2. De te vergoeden kilometers worden berekend op basis van de kortste route via de ANWB routeplanner. Artikel 10.6 Vergoeding van de reiskosten van openbaar vervoer 1. Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding op basis van de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas. 2. Indien meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer. Dit geldt dus zowel voor de heenreis (ouder met jeugdige) als de terugreis (ouder met jeugdige of ouder alleen). 3. Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vergoeding van ten hoogste de reiskosten 2e klas van één meereizende ouder, of een ander persoon uit het netwerk, indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 10.7 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.

Het college verstrekt aan de ouders van een jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 10.2 van deze beleidsregels, een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als de jeugdige door de ernst van de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet in staat is - ook niet met een meereizende ouder- van het openbaar vervoer gebruik te maken. Bij de toekenning door het college wordt de wijze en het tijdstip van de verstrekking alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening aangegeven. 8/47

2. Indien meereizen in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het aangepaste vervoer. Artikel 10.8 Goedkoopst adequate vervoersvoorziening 1. Het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst adequate vervoersvoorziening toe. Artikel 11 Huishoudelijke Ondersteuning 11.1. Inleiding Deze beleidsregels zijn opgesteld ten behoeve van het indiceren van huishoudelijke ondersteuning ingevolge de Wmo 2015 en de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe. Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet in staat zijn zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren (artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.1.1 Wmo 2015). In de Wmo 2015 is geen concrete definitie gegeven van een gestructureerd huishouden. In de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe verstaan we er een schoon en leefbaar huis onder. Huishoudelijke ondersteuning voorziet in eenvoudige huishoudelijke (schoonmaak) werkzaamheden. Naast die werkzaamheden bestaat, indien nodig, ondersteuning in de vorm van regievoering over het huishouden.

Van dit laatste is sprake als iemand geen of onvoldoende regie over het eigen huishouden kan voeren en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en de gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een algemeen aanvaard basisniveau van schoon en leefbaar huis te realiseren kan de gemeente Epe een individuele maatwerkvoorziening afgeven. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening (activiteiten, frequenties en de tijd) maken we gebruik van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’ (Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Epe: Bijlage 3 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019). 11.2.

Uitgangspunten huishoudelijke ondersteuning De gezamenlijke huishouding is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in standhouden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Huishoudelijke ondersteuning is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. De eigen verantwoordelijkheid van gezamenlijke huishouding houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden. Wonen mensen zelfstandig samen op een adres en delen ze gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld woongroepen, kamerverhuur, meerdere generaties in een huis), dan zal het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van één van de leden worden overgenomen door de andere leden de huishouding. Eventuele huishoudelijke ondersteuning wordt dan alleen verstrekt voor de eigen woonruimte van de zorgvrager. Een voorbeeld ter verduidelijking: een groep studenten woont bij elkaar in een studentenflat. Ieder huurt zijn eigen kamer. De keuken is voor gemeenschappelijk gebruik. Eén student heeft ondersteuning nodig. De ondersteuning vanuit de gemeente wordt dan alleen verstrekt voor betreffende kamer. De overige studenten houden gezamenlijk de keuken schoon. 11.2.2.

Particuliere huishoudelijke ondersteuning kan voorliggend zijn Als cliënten al langere tijd particuliere hulp hebben, en zij na het ontstaan van beperkingen huishoudelijke ondersteuning aanvragen, kan sprake zijn van de volgende situaties: 1. Als een cliënt minder dan 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft gehad en de reden van de aanvraag is gelegen in het feit dat het financieel niet meer haalbaar is of er een andere moverende reden is dan wordt de particuliere hulp niet als algemeen gebruikelijk beschouwd. 2. Als een cliënt 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft en, op moment van de aanvraag, nog steeds hulp heeft die activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan wordt de particuliere hulp als algemeen gebruikelijk beschouwd voor de overgenomen activiteiten. 9/47

3. Als een cliënt 9 maanden van een jaar particuliere hulp heeft en, op moment van de aanvraag, nog steeds hulp heeft die niet alle activiteiten overneemt (waarmee de cliënt bij het voeren van het huishouden problemen ondervindt) dan kan er een maatwerkvoorziening worden verstrekt voor de activiteiten die niet overgenomen worden. 11.2.3. Stimuleren/motiveren We gaan uit van het principe ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. Dit betekent dat we daar waar mogelijk stimuleren dat de cliënt zelf huishoudelijke activiteiten uit blijft voeren. Huishoudelijke ondersteuning kan in voorkomende situaties immers anti-revaliderend werken niet bijdragen aan een verbetering van de situatie of kan een verbetering in de weg staan (anti-revaliderende werking).. 11.2.4. Normen onderliggend aan toekenning De volgende normen zijn onderliggend bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning: Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen toegekend voor noodzakelijke activiteiten. Er wordt in principe niet meer geïndiceerd dan nodig is om verantwoorde huishoudelijke ondersteuning te bieden in de essentiële woonfuncties van de aanvrager en de andere inwoners (partner/kinderen). Alleen de ruimtes die door de bewoner(s) in gebruik zijn worden schoongemaakt/gehouden.

Hieronder verstaan we limitatief de volgende ruimtes: o sanitaire ruimte(s), o keuken, o woonkamer, o de door de bewoner(s) gebruikte slaapkamer(s), o de hal/trap die leidt naar bovengenoemde ruimtes. Periodieke werkzaamheden (zoals het aan de binnenkant wassen van ramen) in andere ruimten dan hierboven omschreven, mogen bij uitzondering geïndiceerd worden. Hier wordt rekening gehouden met een lagere schoonmaakfrequentie. Van de cliënt wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het efficiënt uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. Activiteiten die de cliënt niet zelf (volledig) uit kan voeren, lukken misschien wel als activiteiten op een andere manier worden uitgevoerd. Het zogenaamde ‘elimineren, volgorde veranderen, simplificeren, combineren van activiteiten’. 11.2.5. Inrichting van de woning Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning leidt in principe niet tot de toekenning van extra ondersteuning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de cliënt invloed op kan uitoefenen. 11.2.6.

Tuinonderhoud Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB 22-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de wooneenheid. 11.2.7. Ramen wassen buitenkant Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de Centrale Raad van Beroep aan dat deze kosten ook door inwoners met een minimuminkomen gedragen kunnen worden. 11.2.8. Huisdieren Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee.

Als uitzondering kan gelden indien de cliënt is aangewezen op een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet. De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 nog bevestigd dat beleid dat inhoudt dat de aanwezigheid van gewone huisdieren (niet zijnde hulphonden) geen aanleiding is voor het toekennen 10/47

van aanvullende uren huishoudelijke ondersteuning, de rechterlijke toetsing kan doorstaan (ECLI:NL:CRVB:2019:2585). 11.3. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 11.3.1. Context normenkader In het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019, opgenomen in de hoofdstukken 11.4 en 11.5, wordt per onderdeel de frequentie en/of de benodigde tijd genoemd die/dat toegekend kan worden. In hoofdstuk 11.4 wordt dit weergegeven voor de basisactiviteiten en in hoofdstuk 11.5 voor de aanvullende activiteiten. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een richtlijn, met als doel om uniformiteit na te streven. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en als die situatie erom vraagt dan wordt van onderstaande richtlijn afgeweken. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn. 11.3.2. Gemiddeld huishouden Het normenkader is van toepassing op een gemiddeld huishouden. Door uit te gaan van een gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. In het normenkader is naast de directe tijd ook indirecte tijd opgenomen.

Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan: o een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende jeugdigen; o wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; o er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; o de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; o de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; o er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; o er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; o de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. 11.3.3. Niet-gemiddeld huishouden Een aantal factoren kan maken dat een situatie niet gemiddeld is, maar dat een andere inzet nodig is door een andere frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding. Het gaat dan om de onderstaande factoren.

Kenmerken cliënt o Mogelijkheden cliënt zelf. Hier wordt gekeken naar de fysieke en de psychische mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Wanneer deze zeer beperkt zijn, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. o Beperkingen en belemmeringen van de cliënt. Hier wordt gekeken naar de beperkingen en belemmeringen van de cliënt die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Naarmate een cliënt meer beperkingen en belemmering heeft, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. o Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers. Hier wordt gekeken naar of er ondersteuning wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers. Afhankelijk van de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden kan minder 11/47

professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk zijn omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan. Kenmerken huishouden o Samenstelling van het huishouden. Hier wordt gekeken naar het aantal personen en leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet per se extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.

o Huisdieren Door de aanwezigheid van een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. In voorkomende gevallen wordt 15 minuten extra inzet per week toegekend. Kenmerken woning o Inrichting van de woning. Er kan extra inzet nodig zijn doordat er bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer staan of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarbij de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Zie hiervoor ook 11.2.5. ‘Inrichting woning’ over wat hierin van een cliënt verwacht wordt. o Bewerkelijkheid van de woning. Er kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. o Omvang van de woning. Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken.

Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 11.4. Normenkader huishoudelijke ondersteuning

12/47

11.4.1. Schoonmaakactiviteiten Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

11.4.2. Frequentie basisactiviteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

13/47

11.4.3. Frequentie incidentele activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

11.5. Aanvullende activiteiten 11.5.1. Wasverzorging Iedere burger dient te beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Ondersteuning bestaat uit wassen en strijken. Naast de algemene voorziening Was- en Strijkservice zijn strijkvrije kleding en een wasmachine/droger algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn dan betreft 14/47

het strijken van kleding alleen de bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is. 

Bij de beoordeling van de noodzaak voor wasverzorging, wordt beoordeeld of er een algemene was- en strijkservice beschikbaar is, of de kosten van de was- en strijkservice door de klant financieel gedragen kunnen worden en of de voorziening voor de klant adequate compensatie biedt. Wordt wasverzorging geïndiceerd dan wordt verkend welk aandeel mantelzorgers en cliënt verwacht mag worden in de was- en droogcyclus (dit in verband met de praktische haalbaarheid voor wat betreft de aanwezigheid van de hulp in relatie tot de draaitijd van machines). Het hebben van strijkvrije kleding is algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn, dan betreft het strijken van kleding alleen bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is. Meerfactoren: o Aantal kinderen jonger dan 16 jaar: + 30 min. per kind per week. o Bedlegerige patiënten: + 30 min. per week. o Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc.: + 30 min. per week.

Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Wasverzorging

Wasgoed sorteren Behandelen van vlekken Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aanzetten) Wasmachine leeghalen Sorteren naar droger of waslijn Was in de droger stoppen Droger leeghalen Was ophangen Was afhalen Was opvouwen Was strijken Was opbergen/opruimen Totaal

Frequentie 1-persoons 2-persoons huishouden huishouden 1 x per week 1 x per week 2 x per week 5 x per 2 weken (indien nodig) (indien nodig) 2 x per week 5 x per 2 weken

Tijdsbesteding (min/dag) 1-persoons 2-persoons huishouden huishouden 1,8 min 1,8 min 0 min 0 min 2,9 min

3,7 min

2 x per week 2 x per week 2 x per week 2 x per week 2 x per week 2 x per week 2 x per week 1 x per week 2 x per week

3,0 min 2,5 min 1,1 min 0,8 min 6,4 min 1,0 min 10,9 min 19,7 min 3,9 min 54,2 min

3,8 min 3,1 min 1,4 min 1,0 min 8,0 min 1,3 min 13,7 min 19,7 min 4,9 min 62,3 min

5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 5 x per 2 weken 1 x per week 5 x per 2 weken

11.5.2. Boodschappen  In beginsel wordt deze activiteit niet geïndiceerd, omdat hiervoor gebruik kan worden gemaakt van een boodschappendienst. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn.  Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de cliënt (bv. voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen.  Voor alle geïndiceerde zorg geldt dat algemeen (gebruikelijke) voorzieningen voor de hand liggen. We noemen het hier echter nadrukkelijker omdat de ervaring leert dat het in huis halen van boodschappen vaak voldoende gecompenseerd wordt middels algemeen gebruikelijke voorzieningen.  Factoren meer hulp:  Indien het cliëntsysteem bestaat uit meer dan 4 personen of er zijn kinderen aanwezig van jonger dan 12 jaar, dan kan er 2x per week boodschappen geïndiceerd worden.  Indien de afstand tot de winkels groot is, kan er 30 minuten per week extra geïndiceerd worden. Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Boodschappen

Het opstellen van boodschappenlijst Boodschappen doen Het opruimen van boodschappen Totaal

1 x per week 1 x per week 1 x per week

Tijdsbesteding (min/dag) 6,5 min 39,4 min 4,9 min 50,9 min

11.5.3. Maaltijden Het gaat om het klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van de warme maaltijd. Bij hoge uitzondering kan sprake zijn van het bereiden van de warme maaltijd. Het aansporen tot het nuttigen van een maaltijd valt niet onder de huishoudelijke ondersteuning, maar respectievelijk onder begeleiding (Wmo) en persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet). 15/47

Komt de algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bv. bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) dan kan de warme maaltijd wel geïndiceerd worden. Als er jonge kinderen woonachtig zijn in het huishouden, kan het bereiden van de warme maaltijd geïndiceerd worden. Uit jurisprudentie (Rechtbank ’s Hertogenbosch 25-10-2012, nr. AWB 12/1795) blijkt dat twee broodmaaltijden en één warme maaltijd per dag adequaat kan worden geacht. Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Maaltijden

Broodmaaltijden: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

1 x per dag

Tijdsbesteding (min/dag) 20 min

1 x per dag

20 min

11.5.4. Verzorging kinderen De verzorging van gezonde kinderen die tot het gezin behoren vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. Zijn ouders hier niet volledig toe in staat en kunnen zij niet terugvallen op hun sociale omgeving of algemeen gebruikelijke voorzieningen, dan kan de gemeente tijdelijke (maximaal 3 maanden) ondersteuning (niet: volledige overname) bieden totdat een andere oplossing gevonden is. Het gaat om dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen in geval van ontwrichting of calamiteiten. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, een maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het waar mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. maaltijd bereiden, kinderen naar bed of school brengen), het aantal minuten eenmaal telt en niet per persoon.  Het gaat hier om verzorging van gezonde kinderen, waarbij de ouder door beperkingen de verzorging/opvang niet uit kan voeren.  Onder ‘verzorging van de kinderen’ valt ook: sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten.  Factoren voor meer hulp kunnen hier nog bovenop komen.

Deze ondersteuning wordt, gedurende maximaal 3 maanden, ingezet om de ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te bieden om eigen oplossingen te vinden buiten de Wmo.  Waar mogelijk worden activiteiten gecombineerd. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. kinderen in bad doen of naar bed of school brengen), dan wordt het aantal minuten eenmaal geïndiceerd en niet per persoon.  Opvang wordt alleen bij uitzondering geïndiceerd. Specifiek voorliggende voorzieningen zijn: zorgverlof, crèche, kinderopvang, BSO, tussenschoolse opvang, gastouder, etc.  Het is mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.  Factoren meer hulp: o Aantal kinderen; o Leeftijd kinderen; o Gezondheidssituatie/functioneren kinderen/huisgenoten; o Aanwezigheid gedragsproblematiek. Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Verzorging kinderen

Naar bed brengen Uit bed halen Wassen en kleden Eten en/of drinken geven Babyvoeding (flesje/potje) Naar school/crèche brengen/halen

1 x per dag 1 x per dag 1 x per dag 1 x per dag 1 x per dag 1 x per dag

Tijdsbestedin g (min/dag) 10 min 10 min 30 min 20 min 10 min 10 min

Deze ondersteuning wordt, gedurende maximaal 3 maanden, ingezet om de ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te bieden om eigen oplossingen te vinden buiten de Wmo.

11.5.5. Dagelijkse organisatie huishouden (regievoering) Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de inwoner niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Met adequaat wordt hier bedoeld dat de huishoudelijke ondersteuning voldoende aangestuurd wordt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De inwoner is niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door 16/47

bijvoorbeeld psychische klachten, psychiatrische aandoening (waaronder psycho-geriatrisch, dementie) en/of psychosociale problematiek en/of een visuele handicap of een verstandelijke beperking. Er kan dan dagelijkse organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn). Het gaat hierbij om maximaal één keer per week. Voor de administratieve werkzaamheden wordt alleen een indicatie afgegeven als dit in combinatie is met andere huishoudelijke activiteiten. Meerfactoren:  Communicatieproblemen;  Aantal huisgenoten, vooral kinderen jonger dan 16 jaar;  (Psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden. Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Dagelijkse organisatie huishouden

Administratieve werkzaamheden Organisatie huishoudelijke activiteiten Plannen en beheren van middelen t.b.v. het huishouden.

Frequentie en Tijdsbesteding (min/week) Deze activiteiten worden uitgevoerd in maximaal 30 minuten per week.

11.5.6. Advies, instructie en voorlichting, gericht op het huishouden Het gaat om het aanleren van activiteiten in relatie tot het huishouden. Er valt onderscheid te maken tussen tijdelijk aanleren en structureel adviseren: Tijdelijk aanleren van activiteiten: Dit betreft cliënten die leerbaar zijn, bijvoorbeeld mensen met een (recente) lichamelijke beperking of mensen die de activiteiten nooit hebben aangeleerd maar deze moeten gaan uitvoeren door het wegvallen van een partner of gezinslid. Structureel adviseren en instrueren: Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of een licht verstandelijke beperking (LVB). Dit ligt op het snijvlak van HH en individuele begeleiding. Het gaat hier om advies, instructie en voorlichting die gericht is op het huishouden, bij ontregelde huishouding in verband met bijvoorbeeld psychische stoornissen. Deze activiteit wordt alleen ingezet als iemand leerbaar wordt geacht. Wees kritisch of het om huishoudelijke ondersteuning gaat of om begeleiding. Activiteiten en frequentie Onderdeel

Activiteit

Advies, Instructie en Voorlichting

Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging. Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden.

Frequentie en Tijdsbesteding (min/dag) Een maatwerkvoorziening voor advies, instructie en voorlichting kan afgegeven worden voor een periode van maximaal 6 weken met een maximale tijdsbesteding van 90 minuten per week

11.6 Huishoudelijke ondersteuning wordt beëindigd/gewijzigd indien  De samenstelling van het huishouden wijzigt;  De cliënt verhuist;  De cliënt is overleden. Als er op het moment van overlijden een partner inwoont, dan wordt de huishoudelijke ondersteuning na 1 maand beëindigd. Indien deze partner de huishouding niet kan verzorgen, moet er binnen de 4 weken een nieuwe aanvraag worden gedaan;  De cliënt wordt opgenomen in het ziekenhuis. Er wordt dan geen hulp geleverd omdat de cliënt dan niet in de woning verblijft. Als er op het moment van de indicatiestelling een partner inwoont die de huishouding niet kan verzorgen moet er een nieuwe aanvraag worden gedaan (als de duur van de opname langer duurt dan 4 weken);  De cliënt of echtgenoot een Wlz-indicatie krijgt. Aanvullend kan voor de partner nog een Wmo indicatie worden afgegeven voor huishoudelijke ondersteuning;  Door een beleidswijziging.

17/47

11.7 Mantelzorg Ook bij mantelzorgers kan er sprake zijn van problemen met een schoon en leefbaar huis. Dit kan voorkomen als de mantelzorger aantoonbaar niet toe komt aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen bestaat er de mogelijkheid om tijdelijk (maximaal 3 maanden) huishoudelijke ondersteuning in te zetten met als voorwaarde dat de mantelzorger in deze periode op zoek gaat naar een oplossing.

Artikel 12

Wonen Wmo

Inleiding Iedere Nederlandse inwoner dient zelf voor een eigen woning te zorgen. Met het begrip eigen woning wordt het hoofdverblijf van iemand bedoeld. Dit is de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt. De woning kan een gekochte woning zijn of een huurwoning, maar ook bijvoorbeeld een woonwagen met vaste standplaats. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) en erkende instellingen of instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg, vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Afwegingskader Toelichting Men moet normaal gebruik kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrek(ken), keuken, sanitaire ruimten, berging, terras of balkon. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke gebruik (frequentie) kunnen er individuele maatwerkvoorzieningen worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Wanneer een bewoner aangeeft dat de woning ongeschikt is om in te wonen, bespreekt het college allereerst met de cliënt of hij eigen mogelijkheden heeft om tot een oplossing te komen. Dat betekent dat een bewoner zelf moet onderzoeken of er mogelijkheden zijn tot bijvoorbeeld verhuizen naar een geschikte woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13046813/1