695193 Uitwerkingskader zon en wind
Tekst van het document
UITWERKINGSKADER
ZON EN WIND GEMEENTE EPE
MAART 2023
PROJECT: Uitwerkingskader Zon en Wind OPDRACHTGEVER: Gemeente Epe PROJECTNUMMER: 20220409 STATUS: Definitief
Gemeente Epe Marktplein 1 8161 EE Epe T: 14 0578
RHO ADVISEURS - Rotterdam Weena 505 (Delftse Poort) 3013 AL Rotterdam E: info@rho.nl T: 0102018555
INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding
4
2 Beleidskaders
6
Deel A Uitwerkingskader
12
Deel B Eigenaarschap en participatie
36
Deel C Stappenplan
41
Bijlage Kaartmateriaal Participatieproces
46
- Zon op dak - Zon op land - Erfmolens en dorpsmolen - Windturbines
1. INLEIDING 1. INLEIDING URGENTIE Het is één van de grootste uitdagingen van deze tijd: de energietransitie. In het klimaatakkoord van Parijs heeft Nederland zich gecommitteerd aan 49% besparing van CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 om de opwarming van de aarde niet boven de 1,5 graad te laten uitkomen. In de omgevingsvisie is “een duurzame toekomst” mede daarom één van de vier belangrijke opgaven waarvoor gemeente Epe de komende tijd staat. Het werken aan een energieneutrale gemeente staat daarbij centraal. De Cleantech Regio, waarvan de gemeente Epe deel uitmaakt, heeft daarnaast de ambitie om geheel CO2 neutraal te worden. In de gemeente Epe kiezen we voor een juiste balans in de energiemix: besparen op gebruik, stimuleren en opwekken van verschillende vormen van hernieuwbare energie.
In de Cleantechregio hebben we samen met 7 gemeentes afspraken gemaakt over de invulling van de grootschalige opwek van zon en wind in de regio en in gemeente Epe in het bijzonder. De Regionale Energie Strategie (RES) is in de omgevingsvisie van de gemeente Epe verder uitgewerkt en daarmee onderdeel van de gemeentelijke visie geworden over de opwek van zonne- en windenergie in de gemeente Epe. In de Energievisie van de gemeente Epe is vastgelegd hoeveel zonne- en windenergie tot 2050 benodigd is. De manier waarop we ruimte willen bieden aan initiatieven voor zonne- en windenergie leggen we nu vast door middel van dit uitwerkingskader. Dit vormt de uitnodiging aan initiatiefnemers om met plannen te komen voor zonneen windenergie in de gemeente Epe.
In lijn met de omgevingsvisie streeft onze gemeente ernaar om voldoende hernieuwbare energie op te wekken met wind- en zonne-energie. Het opwekken van deze energie is een uitdaging omdat het een grote opgave betreft met grote veranderingen in ons landschap. Er wordt een nieuw landschap gecreëerd. De waardevolle leefomgeving is dus bepalend voor de mogelijkheden voor zon en wind. Zij geeft de condities aan waarbinnen zonne- en windenergie binnen de gemeente mogelijk is. Het landschap is daarbij leidend en binnen de kwaliteiten van dat landschap moeten zonne- en windenergie vorm krijgen.
UITWERKINGSKADER
4
In dit uitwerkingskader wordt aangegeven binnen welke voorwaarden de geambieerde energie-opwekking in het landschap van gemeente Epe kan worden gerealiseerd en welke stappen hiervoor nodig zijn. Na de vaststelling ervan zal er een tweejaarlijkse evaluatie plaatsvinden op dit uitwerkingskader. Dit om innovaties tijdig een plek te geven in het kader en het kader periodiek te actualiseren naar nieuwe inzichten.
Dit uitwerkingskader wordt uitgewerkt aan de hand van vier bouwstenen. • Zon op dak (binnen en buiten de kernen) • Grootschalig zon op land (zonneparken voor > 5 woningen, met een opwek >15kWp en met een oppervlak > 100 m2) • Erf- en dorpsmolens (kleine molens voor lokale opwek en gebruik) • Windturbines (grote windturbinesmet een tiphoogte van meer dan 200m) Voor elke bouwsteen gelden andere voorwaarden en uitgangspunten.
LEESWIJZER Dit uitwerkingskader is opgebouwd uit vier delen. Het eerste deel, hoofdstuk 2, is een introductiedeel waar bestaande (beleids)uitgangspunten aan bod komen. In hoofdstuk 3 wordt de samenhang tussen de 4 bouwstenen beschreven. Hierna volgt deel A, de beschrijving van de randvoorwaarden voor de bouwstenen op basis van bewezen technieken (2022). In deel B wordt vervolgens de participatie uitgewerkt waaronder het participeren door lokaal eigendom. Tot slot is in deel C een stappenplan opgenomen en wordt de link met het participatiebeleid van de gemeente Epe gelegd.
5
TOTSTANDKOMING VAN DIT UITWERKINGSKADER Bij het maken van dit uitwerkingskader is een zorgvuldig participatieproces het uitgangspunt geweest. Inwoners, ketenpartners, stakeholders en experts zijn op diverse manieren uitgenodigd en betrokken geweest bij de totstandkoming van dit uitwerkingskader. Zij zijn uitgenodigd voor verschillende participatie-avonden waar met interactieve werkvormen de ideeën, aandachtspunten en wensen zijn opgehaald. Om zo goed mogelijk in te kunnen spelen op de huidige en toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen zijn daarnaast interviews afgenomen met ketenpartners, bedrijven en andere belangrijke stakeholders en zijn in werksessies beleidsmakers en experts betrokken om zo ervaringen, uitdagingen, kansen, innovaties en tips uit te wisselen.
2. BELEIDSKADERS
RES 1.0
Er is al veel voorbereidend werk verzet. Meerdere bestaande beleidsdocumenten dienen als de basis voor dit uitwerkingskader. In de omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ is de opgave beschreven en is de ambitie gesteld. In de Transitievisie Energie en Warmte wordt deze concreet gemaakt: hoeveel hernieuwbare energie is benodigd in de gemeente Epe. In de Regionale Energie Strategie (RES) voor de Cleantechregio is de regionale ambitie vastgelegd en is het voorwerk verricht voor de zoekgebieden voor zonneparken en windturbines. Naast beleidstukken gerelateerd aan energieopwekking spelen ook kaders voor het landschap een belangrijke rol. De energieopgave heeft immers effect op het bestaande landschap. Het Landschapsontwikkelingsplan – dat ook in de omgevingsvisie als basis dient voor de beschrijving van de waardevolle leefomgeving - is hiervoor het referentiekader Het relevante overheidsbeleid wordt kort benoemd en het binnen de gemeente Epe reeds opgestelde beleid wordt op hoofdlijnen beschreven. Van grof naar fijn benoemen we landelijk, provinciaal, regionaal en lokaal beleid
RIJK EN PROVINCIE Naast het klimaatakkoord, heeft het Rijk geen direct kaderstellend beleid voor het opwekken van hernieuwbare energie. Wel wordt in de Nationale omgevingsvisie (NOVI) een aantal leidende principes genoemd waarvan ‘meervoudig boven enkelvoudig’
6
LOP
TRANSITIEVISIE ENERGIE EN WARMTE
OMGEVINGSVISIE
UITWERKINGSKADER ZON EN WIND
belangrijk is voor lokale uitwerking. Dit principe gaat ervan uit dat voor belangrijke nieuwe functies (zoals de energietransitie) moet worden onderzocht hoe meerdere functies op eenzelfde locatie een plek kunnen krijgen. De Provincie heeft ook een omgevingsvisie (POVI) en een omgevingsverordening die kaderstellend zijn. De provincie is ook bevoegdgezag voor het plaatsen van windturbines. De provincie Gelderland werkt momenteel aan een herziening van hun windbeleid en stelt ten behoeve daarvan een planMER op die van invloed is op het lokale- en regionale beleid voor zon en wind.
REGIONALE ENERGIE STRATEGIE (RES) De gemeente Epe werkt met omliggende gemeenten, de provincie en waterschappen aan de RES. In de RES wordt een zogenaamd ‘bod’ gedaan voor de bijdrage van de Cleantechregio aan het klimaatakkoord. In dit bod staat ook de verhouding tussen zon en wind beschreven. Voor de ruimtelijke uitgangspunten ten aanzien van de ontwikkeling van zon op land en windturbinesis in de RES de basis gelegd. Het uitwerkingskader van de gemeente Epe is een vertaling van deze RES. De RES wijst een zoekgebied voor wind aan en er wordt uitgegaan van clusters: compacte windopstellingen op ruime afstand van elkaar zodat grote windturbines de beleving van het landschap niet gaan overheersen. Voor zon gaat de RES uit van de landschappelijke Zonneladder. Vanaf medio 2023 start het proces voor de RES 2.0. Landelijke, provinciale en regionale ontwikkelingen blijven van invloed op de gemeentelijke opwek van zon en wind.
OMGEVINGSVISIE EPE
en is leidend voor dit uitwerkingskader. Zon op dak heeft daarbij de hoogste prioriteit en de voorkeur. Zon op dak kan niet in de hele opgave voor de gemeente voorzien. Daardoor is zon op land nodig. In de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ wordt voor zon op land aangegeven dat landschapstypen en de kenmerken daarvan leidend zijn voor beleid en is aangegeven waar zon op land al dan niet zou kunnen. Daarbij wordt aangegeven dat dit nader uitgewerkt moet worden. In de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ wordt ook het zoekgebied voor wind gedefinieerd. Dat is bepalend voor de keuze waar windturbines op termijn kunnen worden gerealiseerd. De energietransitie is niet de enige opgave in het buitengebied. Daarom wordt in de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ de koppeling met andere gebiedsopgaves gelegd: landbouwtransitie, klimaatadaptatie en natuurontwikkeling. Ook andere koppelkansen zijn benoemd. Denk daarbij aan een koppeling met recreatie, dubbelgebruik van het land(schap) of versterking van het landschap op basis van landschapstypen. De feitelijke randvoorwaarden en gebiedsbegrenzingen voor zon en wind krijgen in dit uitwerkingskader een plek.
In de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ is een verdere verfijning ontwikkeld waarbij drie gebieden worden onderscheiden: de Veluwe, de Veluwe Flank en de IJsselvallei. Deze driedeling is op basis van Projecten, overheid aan zet de daarbinnen voorkomende landschapstypen Vorm geven aan ontwikkeling gemaakt. In dit Uitwerkingskader Zon- en Wind vormt deze driedeling het uitgangspunt, waarbij in het deelgebied Veluwe geen mogelijkheden zijn voor grootschalige energieopwekking in welke vorm dan ook. In de deelgebieden de Veluweflank en de IJsselvallei zijn meer mogelijkheden. In dit uitwerkingskader zijn de voorwaarden voor deze gebieden bepaald op grond waarvan opwek via zon en wind mogelijk zijn.
Regie & samenleving
Ruimte voor initiatief
Veluwe Veluweflank IJsselvallei
Kleine dorpen
Belangrijk uitgangspunt voor zon is de zonneladder in de omgevingsvisie die een nadere uitwerking is van de landschappelijke zonneladder uit de RES. De zonneladder uit de omgevingsvisie geeft vooral de prioritering aan
Grote dorpen
Kaart Omgevingsvisie Epe met herkenbaar de drie gebieden 7
TRANSITIEVISIE ENERGIE EN WARMTE De energievisie beschrijft de visie en aanpak van de gemeente Epe om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Deze aanpak is gebaseerd op de vijf sectortafels uit het klimaatakkoord, te weten de Gebouwde Omgeving, Industrie, Elektriciteit, Mobiliteit en Landbouw & Landgebruik. Daarbij is de CO2-uitstoot per sector in kaart gebracht. Vervolgens zijn per sector bijpassende maatregelen geïdentificeerd om de CO2-uitstoot terug te dringen, met als stip op de horizon een CO2-neutrale gemeente in 2050. De Transitievisie Energie en Warmte en de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ vormen het vertrekpunt op basis waarvan het Uitwerkingskader wordt opgesteld.
Om aan de ambitie te werken om geheel CO2 neutraal te worden is in de Transitievisie Energie en Warmte een top drie gemaakt met maatregelen voor hernieuwbare energieopwekking. Deze maatregelen gelden als het uitgangspunt voor dit uitwerkingskader zon en wind: 1. Stimuleren aanpak Grootschalig Zon op Dak. In de energiemix wordt uitgegaan van 340 TJ opwek door zon op dak in 2050. Op dit moment wordt er 69 TJ opgewekt door zon op dak (klimaatmonitor 2021). 2. Stimuleren aanpak zon op land: In de energiemix wordt uitgegaan van 468 TJ opwek door zon op land in 2050. Dat is met de huidige vermogens ongeveer 134 hectare. Op dit moment is 6,1 TJ gerealiseerd en 45 TJ in voorbereiding. 3. Wind(parken): In de energiemix wordt uitgegaan van 415 TJ opgewekte energie uit wind in 2050. Met de inpassing van huidige generatie windturbines van 6 MW zijn er 7 winturbines nodig om bij een aantal vollasturen van 2900 per jaar 438 TJ middels wind molens op te wekken.
Energieopwek en besparing gemeente Epe tot 2050
Energiemix gemeente Epe tot 2050
8
LANDSCHAPSONTWIKKELINGSPLAN VAN VELUWE TOT IJSSEL 2010 (LOP) Het landschapsontwikkelingsplan geeft sturing aan de ontwikkeling van het landschap in de gemeente Epe. Hierin zijn de (kern)kwaliteiten van verschillende landschapstypen omschreven en wordt aangegeven op welke onderdelen het landschap kan worden versterkt. De identiteit van het landschap bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheden van zonneparkrn. Hier ligt een belangrijke link met: 1. de Omgevingsvisie ‘Natuurlijk Goed Leven’ waarin dit in de ‘laag’ waardevolle leefomgeving ook zo is benoemd én 2. met dit uitwerkingskader.
BELEIDSREGEL KLEINSCHALIGE INITIATIEVEN GRONDGEBONDEN ZONNESTROOMSYSTEMEN Naast grootschalige opwek is kleinschalige opwek ook van belang vanwege het uitgangspunt dat duurzame energie zo dicht mogelijk bij de verbruiker wordt opgewekt. Hiervoor is een beleidsregel ‘Kleinschalige initiatieven grondgebonden zonnestroomsystemen’ vastgesteld. De beleidsregel voorziet in een toetsingskader voor initiatiefnemers om kleinschalige zonnestroomsystemen voor het eigen energieverbruik te realiseren. Voor een stabiele duurzame stroomopwekking is een combinatie van wind en zon een voorwaarde. Hetzelfde geldt voor de opwek van energie bij de gebruiker. Gelet hierop wordt in dit kader ook ingegaan op erfmolens bij (agrarische)bedrijven. Daarvoor is nog geen beleid ontwikkeld. In dit kader nemen we dit mee en tegelijk geven we de voorwaarden aan waarbinnen erfmolens mogelijk zijn.
9
KENMERKEN VAN HET LANDSCHAP (Omgevingsvisie Epe) In grote lijnen herkennen we drie verschillende landschappelijke gebieden binnen de gemeente Epe. De Veluwe In het westen, op de Veluwe (1), liggen de heideontginningen en bossen. De Veluwe Flank Het landschap op de flanken van de Veluwe (2) op de overgang van hoog naar laag wordt gekenmerkt door de vele beken. We onderscheiden het enkenlandschap met de plaatselijke enken. Dit zijn oude bouwlanden met een open karakter, die aan de randen bebouwd zijn. Dan zijn er aan de rand van de Veluwe kleine ontgonnen veengebieden, zoals Tongerense veen, Wisselse veen en Pollense Veen. De IJsselvallei Het landschap (3) ten oosten van het Apeldoorns Kanaal bestaat grofweg uit twee landschapstypes. Rondom Oene is dit het landschap met de wat hoger gelegen oude bouwlanden. Hier kenmerkt de verkaveling zich door een minder rechtlijnige structuur dan in de natte broekpolder. Daaromheen ligt het broeklandschap. Het is een weteringengebied dat zich uitstrekt tussen het Apeldoorns Kanaal en de IJsseldijk in het oosten. De verkaveling heeft voornamelijk een strakke, rechthoekige structuur. De kavels strekken zich evenwijdig aan elkaar uit tussen de weteringen. Het rivierenlandschap langs de IJssel is het laagst gelegen deel van de gemeente. De verkaveling is hier ook rationeel (rechtlijniger, door de mens aangebracht).
Hier is sprake van grotere openheid van het landschap.
Deelgebied VELUWE
Deelgebied VELUWE FLANK
Deelgebied IJSSELVALLEI
Niks mogelijk
Onder voorwaarden zijn hier mogelijkheden
Onder voorwaarden zijn hier mogelijkheden
3. DE 4 BOUWSTENEN
ZON EN WIND De gemeente Epe biedt via dit uitwerkingskader ruimte aan het opwekken van energie uit zon en wind. De landschappelijke kwaliteiten binnen onze gemeente zijn bepalend voor ‘wat kan’ en ‘hoe dat kan’. Het opwekken van energie kan op verschillende manieren. Om hernieuwbare energie op te wekken zijn daarom bouwstenen geformuleerd. Dit zijn de vier bouwstenen waarvoor binnen de gemeentegrenzen ruimte wordt geboden. Voor zon: 1. Zon op dak – Het zoveel mogelijk benutten van dakoppervlak voor het opwekken van zonne-energie heeft de hoogste prioriteit binnen de bouwstenen. Dit is de makkelijkste manier om met weinig ruimtebeslag zonder grote impact energie op te wekken. 2. Zon op land – Gezien de ambitie en energiebehoefte is de aanleg van zonneparken op land noodzakelijk. Zon op land maakt onderdeel uit van de vastgestelde energiemix. Onder grootschalige opwek van zon op land verstaan we zonnevelden met een capaciteit van >15kWp. Voor wind: 3. Erfmolens – Erfmolens zijn in principe bedoeld om in een eigen energiebehoefte van een initiatiefnemer
10
te voorzien. De aard en de verschijningskenmerken van de erfmolen zijn passend bij de schaal en de kenmerken van erven. 4. Windturbines – Windturbines zijn nodig voor een stabiele duurzame stroomopwekking. Zij leveren potentieel de grootste bijdrage aan het opwekken van energie*. *Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar de effecten van grote windturbines op beschermde diersoorten (voor de Veluwe specifiek de Wespendief). Dit zorgt ervoor dat de komende jaren naar verwachting nog geen windturbines kunnen worden gerealiseerd, maar op termijn ligt hiervoor wel een ambitie.
IMPACT OP HET LANDSCHAP Het grootschalig opwekken van energie heeft een grote impact op het landschap en zal het beeld van ons landschap veranderen (belevingswaarde). We vinden het belangrijk dat deze veranderingen ook een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van dat landschap naar de toekomst (toekomstwaarde). De voorwaarden in dit uitwerkingskader zijn erop gericht om de: 1. Duurzame opwek ruimtelijk in te passen en waar mogelijk te combineren met andere functies (meekoppelkansen/ meervoudig ruimtegebruik). 2. Het bewerkstelligen van een toekomstbestendig energiesysteem.
De impact van het realiseren van opwekinstallaties zal met dit uitwerkingskader op meerdere vlakken bijgestuurd moeten worden. De ruimtelijke impact zal in eerste instantie moeten worden geregeld om de belevingswaarde van het landschap voldoende te borgen. Daarnaast is het belangrijk dat een ontwikkeling toekomstwaarde heeft. Een zonnepark moet er voor 25 jaar in goede kwaliteit kunnen staan, mag de bodemkwaliteit niet verslechteren en moet tot verbetering van de biodiversiteit leiden, ook op lange termijn (toekomstwaarde). Tot slot is het belangrijk dat we bij het vastleggen van dit beleid in voldoende mate rekening houden met de gebruikswaarde, het beleid moet enerzijds tot haalbare projecten leiden. Anderzijds is het belangrijk dat de energievoorziening en de gerealiseerde nevendoelen (gecombineerd agrarisch gebruik, waterberging, etc.) ook worden uitgevoerd en werken in de praktijk.
De impact verschilt per bouwsteen: • De 4 bouwstenen hebben allemaal een andere impact. Zon op dak. Passend op het dak, klein van schaal. Per definitie gecombineerd met andere functie (wonen, bedrijven, etc.) Erfmolens. Onderdeel van een erf, beperkt van schaal en weinig ruimtegebruik Zon op land. Niet van ver zichtbaar, wel grootschalig bedekte oppervlaktes (ruimtebeslag),met een bedrijfsmatige uitstraling in het landschap Wind op land. Van ver zichtbaar en met hinderaspecten zoals geluid en slagschaduw. Wel op een beperkt grondoppervlak te realiseren (relatief kleine fundering) wat dubbelgebruik mogelijk maakt.
op het elektriciteitsnetwerk. Dit wordt congestie genoemd. Praktisch zou het kunnen betekenen dat het lang duurt voordat een zonnepark of windturbine op het elektriciteitsnet aangesloten kan worden.
LEVERING AAN HET NET / CAPACITEIT
Bij de voorbereiding van dit uitwerkingskader hebben we via een innovatie atelier een aantal mogelijkheden verkend om hiervoor op korte termijn oplossingen te bieden. De initiatiefnemer kan daarbij (eventueel in overleg met de gemeente en de netbeheerder) aan de volgende mogelijkheden denken: • Buffering of opslag van energie in een accu • Directe levering van energie aan een grootverbruiker in de directe omgeving • Conversie van energie naar een vorm die makkelijker kan worden opgeslagen (waterstof, warmte) en eventueel ook in de omgeving kan worden gebruikt.
Om de opgewekte energie op het elektriciteitsnetwerk te kunnen brengen, zijn twee aspecten van belang: de capaciteit van het netwerk en de afstand tot het netwerk. Kleinere zonneparken (tot zo’n 6 ha/6 MW) kunnen in de regel worden aangesloten op een middenspanningsstation (MS-station), grotere zonneparken mogen niet worden aangesloten op het middenspanningsnet.
Voor de plaatsing van deze voorzieningen is geen specifiek beleid geformuleerd omdat de aard en schaal nog onvoldoende duidelijk zijn. Het is van belang bij de feitelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld een accu hiervoor kwaliteitscriteria op te stellen die aansluiten bij de intenties (randvoorwaarden) in dit uitwerkingskader.
• •
•
Per initiatief zal de initiatiefnemer voor een netwerkaansluiting moeten zorgen. Dit moet worden aangevraagd bij de netbeheerder. De netbeheerder is verplicht om hierin te voorzien. Binnen de gemeente Epe is er in het algemeen sprake van te weinig ruimte
11
DEEL
A
UITWERKINGSKADER In dit deel A worden voor alle 4 de bouwstenen de randvoorwaarden uitgewerkt. Eerst worden de twee bouwstenen voor zon beschreven, daarna volgen de twee bouwstenen voor wind. Elke bouwsteen wordt geïntroduceerd door een beschrijving en uitgewerkt in voorwaarden voor de waardevolle leefomgeving, de landschappelijke inpassing en een aantal praktische voorwaarden.
12
UITWERKINGSKADER
OPZET VAN DIT UITWERKINGSKADER De realisatie van de bouwstenen is van drie factoren afhankelijk: 1. Minimaal voldoet een bouwsteen aan de randvoorwaarden zoals beschreven in deel A van dit uitwerkingskader. 2. Verdere verdieping en uitwerking van de kwalitatieve aspecten vindt plaats in de afstemming met de gemeente Epe, (zie ook stappenplan deel C). Hier kan worden gestuurd en een aanscherping van de randvoorwaarden plaatsvinden op diverse aspecten zoals: • De relatie met een zonnepark direct aan de overzijde van de gemeentegrens. • De kwalitatieve toets hoe wordt omgegaan met bodem, water en natuur • Hoe meekoppelkansen worden meegenomen. 3. Tot slot de participatie (zie deel B). De (proces) participatie kan leiden tot een aanscherping van de randvoorwaarden om dat er bijvoorbeeld zorgen zijn vanuit de directe omgeving over een concreet initiatief. LET OP: dit betekent dus dat de randvoorwaarden uit deel A kunnen worden aangescherpt in het participatieproces (dit geldt niet voor zon op dak).
OPBOUW RANDVOORWAARDEN DEEL A In de omgevingsvisie is de waardevolle leefomgeving ons leidende principe bij de opgaven waarvoor we staan. Het landschap in gemeente Epe is divers en kent vele verschillende landschapstypes. Ten alle tijden is het landschap dan ook leidend bij het realiseren van hernieuwbare energie. Het specifieke landschap is dus altijd het vertrekpunt. Daarom kunnen per landschapstype andere voorwaarden gelden. Dit wordt verder uitgewerkt in ruimtelijke keuzes: randvoorwaarden voor plaatsing, maatvoering, etc. Hier wordt duidelijk hoe en waar de ontwikkelingen gaan plaatsvinden en vooral onder welke objectieve randvoorwaarden. Tot slot wordt de maatschappelijke meerwaarde beschreven: wat vindt de samenleving belangrijk en hoe kom je tot een evenwichtige verdeling van lusten en lasten.
NB. FINANCIËLE PARTICIPATIE De impact van met name zon op land en grote windturbines is dusdanig dat we het belangrijk vinden dat de omgeving financieel ook kan meeprofiteren. We maken hierbij onderscheid in lokaal eigendom (risicodragend mede-eigenaar worden) en locatie gerelateerde vergoedingen. Dit wordt nader uitgewerkt in deel B van dit kader en betreft alleen zon op land en grootschalige windturbines.
NB. PROCESPARTICIPATIE De aard en het karakter van de vier bouwstenen heeft ook gevolgen voor de afstemming met de gemeente en de proces participatie (hoe betrek je de bewoners in de omgeving). Dit staat beschreven in deel B en deel C in samenhang met het participatiebeleid van de gemeente Epe.
13
ZON Zonne-energie wordt opgewekt met photo-voltaïsche (PV) panelen voor stroom en met PVT-panelen1 voor thermische energie. Deze zonnepanelen kunnen op daken, op het land en op of aan bouwwerken worden geïnstalleerd. Bij de beschrijving van het beleid is de werking van de zonneladder genoemd. Zon op dak heeft voor het opwekken van hernieuwbare energie de meeste prioriteit. Dit geldt in de meest brede zin (op woonhuizen, schuren, carports en bedrijfsgebouwen).
1. ZON OP DAK Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk zonnepanelen op daken/objecten in de gemeente te realiseren zowel in de bebouwde gebieden als in de landelijke omgeving.
Nog niet alle mogelijkheden voor zonnepanelen op daken worden benut. In de gemeente Epe zijn de volgende knelpunten aan de orde: • Eigenaren van panden bepalen zelf of er panelen op een dak worden geplaatst; • Niet alle daken zijn constructief voldoende om zonnepanelen op te leggen (bouwjaar, constructie); • De kosten voor de installatie van zonnepanelen zijn hoger dan dat het opwekken van de energie oplevert voor de eigenaar; • Sommige verzekeringsmaatschappijen willen zon op daken van boerenschuren en bedrijfspanden niet verzekeren vanwege brandgevaar. In een nog te ontwikkelen regionaal programma worden hiervoor oplossingen geboden. Er ligt er een groot potentieel dat benut kan worden.
Echter, niet op alle daken kunnen zonnepanelen en niet alle knelpunten kunnen op dit moment worden opgelost. Mogelijk zal op termijn door innovatie nog meer (denk aan zonnepanelen op folies) mogelijk worden. De Cleantech Regio is bezig met het maken van aanvullende afspraken voor zon op dak. Zodra deze afspraken gereed zijn, worden deze onderdeel van dit uitwerkingskader. Vanuit dit regionaal programma wordt een lokaal handelingsperspectief geformuleerd, waardoor het potentieel nog beter wordt benut en knelpunten worden opgelost.
UITWERKINGSKADER ZON OP DAK (EN OBJECTEN) Gemeente Epe is groot voorstander van energieopwekking op daken. Dit kan op daken van woningen, kantoren, bedrijven en maatschappelijke gebouwen. Ook denken we voor de toekomst aan andere constructies, zoals het overkappen van een parkeerterrein met zonnepanelen. Deze installatie gaat het best samen met andere duurzaamheidsmaatregelen, zoals het beter isoleren van het dak of de gevel. Een echte win-win situatie is de ‘gouden combinatie’ van een groenblauw-geel dak, waarbij onder de zonnepanelen een waterbergend groen dak, met bijvoorbeeld sedum(planten), wordt gerealiseerd. In veel gevallen is er geen vergunning nodig voor zonnepanelen op daken. Wel is het belangrijk dat panelen goed worden geïntegreerd op het dak en de plaatsing past binnen de welstandsnota en het monumentenbeleid.
Ambitie Stimuleren aanpak Grootschalig Zon op Dak. In de energiemix wordt uitgegaan van 340 TJ opwek door zon op dak in 2050. Op dit moment wordt er 33 TJ opgewekt door zon op dak (klimaatmonitor, 2019).
1. Een PVT-paneel is een hybride zonnepaneel dat zowel elektriciteit als warmte opwekt. De voorkant van het PVT-warmtepomppaneel bestaat uit zonnecellen (PV) die zonlicht omzetten in elektriciteit. De achterkant is een thermische wisselaar (T) die zorgt voor de bronenergie voor de speciale PVT- of water/water-warmtepomp. Bron: www.triplesolar.eu 14
RUIMTELIJKE KEUZES
Overzicht
Zon op dak is toegestaan mits.....
MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING 1. Eerste trede van de zonneladder
Voor veel daken is zonder verder onderzoek of vergunningen zon op dak voor eigen gebruik toegestaan en vanuit de zonneladder ook gewenst. voor het checken van de geschiktheid van uw dak, neemt u een kijkje op https://www.zonatlas.nl/
2. Groenstructuren
Groenstructuren worden niet onnodig onderbroken en bomen worden niet gekapt om schaduwvorming op zonnepanelen te voorkomen.
RUIMTELIJKE EN UITVOERINGSAFSPRAKEN 3. Waarde van het gebouw
De cultuurhistorische waarde van een monument, een beeldbepalend pand of panden van het beschermt dorpsgezicht worden niet aangetast.
4. Plek op het dak
Panelen worden zo goed mogelijk geintegreed in/op het dak. Voor vergunningplichtige locaties wordt het plan voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.
5. Zon op of aan bouwwerken
Zon op of aan bouwwerken anders dan op dak is een maatwerkafspraak en wordt ter toetsing voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.
MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN 6. Opwek voor eigen gebruik
Particulieren en bedrijven wekken zo veel mogelijk hun eigen energie op.
7. Opwek voor gezamenlijk gebruik
Wanneer de opwek van energie direct geleverd wordt aan buurkavels (met name op bedrijventerreinen), dan wordt dit juridisch vastgelegd. De gemeente denkt daar over mee.
8. Opwek voor elders
Wanneer het voornaamste doel van de opwek is om energie terug te leveren aan het net, dan gebeurt dit in samenspraak met de gemeente en netwerkbeheerder.
15
2. ZONNEPARKEN (ZON OP LAND) Zonneparken (of zon op land) komen in de zonneladder qua prioriteit na zon op dak. Echter alleen met ‘zon op dak’ kan de gemeente Epe de beoogde doelstelling voor lokale opwek niet halen. Daarom is ook een gedeelte van de opwek door zon op land nodig.
De gemeente definieert een zonnepark als een ruimtelijk samenhangend geheel van: 1. Een installatie, bedoeld voor het opwekken van energetisch of thermisch vermogen uit zon, groter dan 15 kWp en/of 100 m2 (ook wel het zonneveld) 2. Ruimte voor ondersteunende technische bouwwerken, transformatoren en opslag, toegangsruimte, onderhoudspaden, hekwerken en beveiligingsmiddelen 3. Landschappelijke inpassing op basis van aard en schaal van het landschap.
Ambitie Stimuleren aanpak zon op land: In de energiemix wordt uitgegaan van 468 TJ opwek door zon op land in 2050. Dat is met de huidige vermogens ongeveer 134 hectare. Op dit moment is 6,1 TJ gerealiseerd en 45 TJ in voorbereiding .
De PV panelen in een zonnepark zijn aaneengeschakeld en in rijen opgesteld. De panelen worden op ‘tafels’ gemonteerd. Dit is het zonneveld, het functionele deel van het zonnepark. Naast de panelen bestaat een zonnepark in het algemeen uit verschillende andere technische voorzieningen zoals omvormers, transformatoren, onderhoudspaden, hekwerken en beveiligingsmiddelen. Op een zonneveld kan op dit moment tussen de 0,8 tot 1,25 MWh/jaar per hectare worden opgewekt, afhankelijk van het type opstelling. De energie die wordt opgewekt kan direct worden gebruikt of worden geleverd aan het net. Bij grootschalige zonneparken wordt de opgewekte stroom in de regel geleverd aan
16
het net. Energie kan ook lokaal worden opgeslagen of (op dit moment nog theoretisch) aan grootverbruikers worden geleverd.
OPSTELLING De opstelling van de panelen kan per zonnepark verschillen. Er zijn met name drie aspecten van belang in de opstelling van de panelen: • Oriëntatie van de panelen o zuidgericht: de panelen liggen onder een hoek allemaal op tafels georiënteerd in dezelfde richting. o oostwestgericht: de panelen liggen in een dakvorm, de helft van de panelen op het oosten en de helft van de panelen op het westen. • Hoogte van de panelen: van belang voor met name de openheid en zichtbaarheid in het landschap • Dichtheid van de panelen: in verband met de licht- en regeninval van belang voor de bodemkwaliteit en de mogelijkheden voor ecologisch en agrarisch dubbelgebruik. Hieronder worden de aspecten verder toegelicht. Oriëntatie panelen Wat betreft de oriëntatie van de panelen is van belang dat zuidgerichte panelen per paneel een grotere opbrengst leveren dan oost-westgerichte opstellingen. Zuidgerichte opstellingen hebben in het algemeen wel een ruimere opzet (groter ruimtebeslag), om te voorkomen dat de panelen schaduw veroorzaken op volgende rijen. Bij de oriëntatie oostwestgericht liggen de panelen in een dakvorm, de helft van de panelen op het oosten en de helft van de panelen op het westen. Dit levert een meer uitgebalanceerde levering van elektriciteit over de dag op.
Oost-westgerichte opstellingen hebben een hogere totaalopbrengst; hoewel de opbrengst per paneel lager is, kan het aantal panelen per hectare groter zijn en wordt per dag langer energie opgewekt, omdat de opstelling op verschillende richtingen is georiënteerd. Hoogte panelen De hoogte van de paneelopstellingen varieert in het
algemeen van 1 tot 3 meter. De hoogte heeft een belangrijk landschappelijk effect. Opstellingen tot 1,5 meter hebben minder effect op de openheid van het landschap dan panelen die tot 3 meter reiken. De hoogte van de panelen heeft in combinatie met de dichtheid ook effect op de ecologische bodemkwaliteit (waterhuishouding, lichtinval, bodemleven) en op de mogelijkheden voor ecologisch of agrarisch dubbelgebruik. Hogere opstellingen maken plantengroei onder de panelen mogelijk. De grond kan daardoor worden gebruikt als bijvoorbeeld schapenweide of bloemrijk grasland. Doordat weer en wind meer invloed hebben en regenwater onder de panelen waait, zijn de effecten op waterhuishouding en bodemleven positiever bij hoge opstellingen. Dichtheid panelen De dichtheid van de panelen is mede bepalend voor de elektriciteitsopbrengst van een opstelling. De dichtheid hangt samen met de oriëntatie van de opstellingen. Bij zuidgerichte opstellingen is de ruimte tussen de paneelrijen groter dan bij oostwestgerichte opstellingen, in verband met (het voorkomen van) onderlinge schaduwwerking. De dichtheid heeft ook gevolgen voor de kwaliteit van de bodem (licht- en regeninval) en daarmee op mogelijkheden voor ecologische waarden en agrarisch dubbelgebruik.
Naarmate de ruimte tussen de panelen groter is, valt er meer licht en water op de bodem, wat de kwaliteit van de bodem ten goede komt en meer mogelijkheden geeft voor ecologische waarden en agrarisch dubbelgebruik.
17
De opstelling van de panelen heeft, gelet op het voorgaande, effect op de volgende ruimtelijke aspecten, in onderlinge samenhang: • Landschappelijke effecten: zichtbaarheid in het landschap, effect op openheid; • Bodemkwaliteit: licht- en waterinval op de bodem, met gevolgen voor vochthuishouding en leven in de bodem; • Mogelijkheden voor ecologisch waarden en agrarisch dubbelgebruik: afhankelijk van het type opstelling en de hoogte groeit er onder de panelen meer of minder vegetatie. De bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de ecologische waarden en agrarisch dubbelgebruik zijn in het algemeen gebaat bij hoge opstellingen en een lage dichtheid. Hoge opstellingen hebben in het algemeen echter meer effect op zichtbaarheid vanuit de omgeving en de openheid en het landschap. Focus op maatwerk Gelet op het voorgaande zal per locatie, op basis van de kenmerken van de locatie en de omgeving, een afweging moeten worden gemaakt van het type opstelling en de hoogte. Op locaties waar de openheid en het zicht een bepalende gebiedskwaliteit is, hebben lage opstellingen de voorkeur. Daar waar een hoge opstelling landschappelijk goed kan worden ingepast in de omgeving, en de openheid van het gebied daardoor niet onevenredig wordt aangetast, heeft een hoge opstelling met een relatief lage dichtheid de voorkeur.
Voor de minimale afstand tussen panelen binnen een zonneveld hanteren we de landelijke Gedragscode Zon op Land als leidraad.
UITWERKINGSKADER ZONNEPARKEN (ZON OP LAND) In dit deel worden de voorwaarden voor de realisatie van zonneparken opgenomen.
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING Gemeente Epe kent vele verschillende landschapstypes. Van kleinschalige landschappen tot meer grootschalige en open landschappen. Het uitgangspunt is dat het landschap leidend is. Dit betekent ook dat per landschapstype andere inpassingsmogelijkheden zijn. Elke situatie is anders. Afhankelijk van de kwetsbaarheid en grootschaligheid van het landschap wordt een minimaal percentage landschappelijke
Legenda Ja, mits Nee, tenzij Niks mogelijk • • • • • •
Gelders Natuur Netwerk Natura 2000 Stuwwal Rustgebieden winterganzen Sprengen en beken Bebouwd gebied
Groene ontwikkelzones
18
inpassing verwacht. Binnen dit deel van het perceel is ruimte om aan de overige gestelde voorwaardes te werken. Per landschapstype wordt beknopt omschreven wat de kenmerken zijn en op welke dragende landschappelijke structuren een inpassing moet aansluiten. De omschrijvingen in deze paragraaf zijn algemeen van aard. Uiteindelijk is altijd een locatie specifieke uitwerking nodig, passend bij het landschapstype en de locatie. 1. Behoud landschappelijke kwaliteit per landschapstype Hoe kwetsbaarder en kleinschaliger het landschap hoe meer ruimte voor landschappelijke kwaliteit noodzakelijk
is. Daarom houden we op basis van de landschappelijke kwaliteit percentages aan die voldoende ruimte moeten bieden om een zonneveld landschappelijk in te passen. Daarnaast is het landschapstype bepalend voor de uiteindelijke grootte van het zonnepark. De opstelling moet passen binnen een bestaande kavelstructuur. Aangezien er binnen de gemeente Epe meerdere landschapstypen zijn met een kleinschalig karakter zullen zonneparken in de regel niet groter kunnen worden dan 10-25ha. Voor de verschillende landschapstypen houden we de volgende percentages voor landschappelijk inpassing aan en moet worden aangesloten op de basiskenmerken van dit type.
• Halfopen landschap. Oude bouwlanden • Kleinschalig landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 30%. • Maximale landschappelijke inpassing 40%. • Overgang van bouwlanden naar laag gelegen gebieden op de randen versterkt door aanplanting. • Langs dreven en wegen staan bomen (eerste orde): Beuk, Eiken, Linden, Kastanje. • Onverharde paden: begeleid door hagen. • Waardevolle open ruimte: geen nieuwe opgaande beplanting. Droge Heideontginning
Kampenlandschap • Relatief kleinschalig landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 30%. • Maximale landschappelijke inpassing 40%. • Beplanting langs percelen en wegen zorgen voor groene eilanden in lager gelegen graslanden. • Ongelijkmatige kavelstructuur.
• • • • • • •
Kleinschalig landschap. Minimale landschappelijke inpassing 30%. Maximale landschappelijke inpassing 40% Scherpe overgang met bos - akkers. Oude bosontginning (behouden ontginningsassen). Oude bossen met loofbomen. Landgoederen en Cultuurhistorische elementen.
Legenda Droge Heideontginning Hooilanden Natte heideontginning Oude bouwlanden Kampenlandschap Broeklanden Beekdalen Uiterwaarden Oeverwal Kernen
19
Landschapstypes in de gemeente Epe
Natte heideontginningen • Kleinschalig landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 20%. • Maximale landschappelijke inpassing 30%. • Wegen met beplanting: hoofdsoort berk. • Meer verdichten landschappen vormen robuust groen casco. • Bij nieuwe ontwikkelingen sterk vergroenen: wegbeplanting, erf- en kavelbeplanting, bosjes. Hooilanden • Grootschaliger en meer open landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 20%. • Maximale landschappelijke inpassing 30%. • Natte omstandigheden. • Hoge natuurwaarde (bijzondere waterkwaliteit). Broeklanden • Grootschaliger en meer open landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 30%. • Maximale landschappelijke inpassing 40%. • Min of meer planmatig ontgonnen. • Fijnmazige slotenverkaveling met lange lijnen. • Rond grotere erven opgaande beplanting. • Grasland met voornamelijk veehouderijen. Beekdalen • Kleinschalig landschap. • Minimale landschappelijke inpassing 40%. • Maximale landschappelijke inpassing 50%. • Scherpe overgang naar hoger gelegen gebieden. • Open karakter behouden. • Herstel oorspronkelijk watersysteem. 2. Bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit. Een zonnepark moet naast het opwekken van energie een
bijdrage leveren aan het versterken van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en de biodiversiteit. Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van inheemse soorten, extensief beheer, passend maaibeheer, het creëren van gradiënten, het faciliteren van nestgelegenheden met vogelhuizen, keverbanken en insectenhotels en het rekening houden met voldoende lichtinval en regenwaterverdeling in het zonneveld. Naast het bieden van een schuilplaats en voedsel, worden bomen en hoge struiken ook gebruikt om te navigeren. Vleermuizen gebruiken bomen (lanen) om hun vliegroute te bepalen.
EXTRA RANDVOORWAARDEN VOOR ‘NEE, TENZIJ’ Aan ‘Nee, tenzij’ gebieden wordt de laagste prioriteit gegeven voor grootschalige zonneparken. Dit zijn de extra kwetsbare landschappen. Dit om de voedselproductie te beschermen, perspectief te bieden voor de landbouw en extra kwetsbare landschappen nadrukkelijk te beschermen. Hier wordt het hoogste percentage landschappelijke inpassing gevraagd. De percentages voor inpassingsdoelen zijn voor ‘Nee tenzij’ gebieden 10% hoger dan voor ‘ja mits ‘ gebieden. 3. Extra strenge randvoorwaarden. Wat is de Nee, tenzij? De gebieden die in de trede ‘nee tenzij’ vallen krijgen geen medewerking voor het realiseren van grondgebonden zonneparken, tenzij de ontwikkeling van deze zonneparken als onderdeel van een (integrale) gebiedsontwikkeling is aan te merken en een waardevolle bijdrage levert aan opgaves op het gebied van bodem, biodiversiteit, en klimaatbestendig landschap. Dit houdt in dat de ontwikkeling van een zonnepark ook buiten het plangebied een aantoonbare bijdrage levert aan deze opgaves. De overige voorwaarden – 4-18 – zoals hieronder genoemd zijn van toepassing.
ZONNEPARK PRINCIPE TEKENING 10-HA NETTO OPPERVLAKTEN MET % LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
RUIMTELIJKE EN UITVOERINGSAFSPRAKEN Voorwaarden om de zonneparken passend te maken: 4. Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing zorgt ervoor dat een zonneveld in principe geheel aan het zicht wordt onttrokken, tenzij het zonneveld kwaliteit toegevoegd aan het landschap, een duidelijke educatieve waarde heeft en/ of het de gekoppelde ruimtelijke opgaven ten goede komt. Ook moet de landschappelijke inpassing ervoor zorgen dat minimaal 50 meter afstand wordt gehouden tussen de eerste panelen en woningen. De landschappelijke inpassing is ook gericht op het versterken en uitbreiden van de huidige groenstructuren en dragende structuren uit (historische) landschapselementen. Hiermee wordt de ruimtelijke impact van het zonnepark beperkt en de ecologische waarden bevorderd. Ook dit laatste is een randvoorwaarde gericht op de bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit. De struweelsoorten die gebruikt worden zijn inheems en hebben voldoende structuur om een schuilplaats te bieden aan kleine zoogdieren en vogels.
De struweelbeplanting heeft een minimale breedte van 5 - 10 meter en bestaat uit meerdere soorten beplanting. Door soorten te combineren is in het voorjaar en in de zomer een rijke bloei met een grote, gevarieerder rijkdom aan insecten en daarmee voldoende voedselaanbod voor vogels. In de nazomer en herfst is er dan een groot aanbod aan bessen. 5. Hoogte Om de zichtbaarheid van de panelen bij landschappelijke inpassing te minimaliseren mogen panelen nooit hoger zijn dan 3 meter, gemeten vanaf maaiveld. Per landschapstype kunnen hier in de participatie of via het proces met de gemeente aanvullende eisen worden gesteld. 6. Volg de vorm van het kavel Het al bestaande verkavelingspatroon wordt voortgezet en niet onnodig onderbroken. Dit komt terug in de opstelling van de zonnepanelen en de aangehouden begrenzing van het zonneveld. De vertanding van het zonneveld loopt gelijk met de randen van het kavel.
Volg de vorm van het kavel de vertanding loopt gelijk met de randen van het kavel
onderdeel uit van het integrale ontwerp. 7. Hekwerken Rond een zonneveld is vaak, vanuit verzekeringstechnisch oogpunt, een hekwerk nodig ten behoeve van de beveiliging van de zonnepanelen. De hekwerken worden aan de binnenzijde van de landschappelijke inpassing geplaatst waardoor ze uit het zicht staan. De hekwerken zijn maximaal 2 meter hoog, gemeten vanaf maaiveld. Kleine zoogdieren moeten het gebied kunnen doorkruisen. Met een onderdoorgang van 10 centimeter is dit mogelijk. Lokaal maatwerk blijft hierbij nodig. Het hekwerk dient zo transparant als mogelijk te worden uitgevoerd. Goede opties zijn een groene afrastering of houten palen met lichtmetalen gaaswerk. Het hekwerk (en eventuele camera’s) dient onderdeel te zijn van het integrale ontwerp van het zonnepark. 8. Alles in één integraal ontwerp Naast de panelen dienen ook alle overige benodigde voorzieningen meegenomen te worden in het ontwerp van het veld. Denk hierbij aan omvormers, transformatoren en schakelstations. Er wordt in principe niet meer bebouwing opgericht dan strikt noodzakelijk is. Technische installaties zijn onderdeel van het totaalontwerp en hebben een hoogte van maximaal 4 meter en worden zoveel als mogelijk landschappelijk ingepast. Als opslag- of conversieinstallatie(s) nodig zijn dan gelden hier dezelfde voorwaarden voor als voor technische installaties gelden. Ook maken deze
22
9. Verlichting Het zonnepark zal tussen zonsondergang en zonsopkomst niet verlicht worden om lichtvervuiling te voorkomen en de biodiversiteit in het park niet te verstoren. 10. Inzetten landschapsarchitect Om het zonneveld zo goed als mogelijk in het landschap te laten passen moet een externe landschapsarchitect betrokken worden bij de totstandkoming van het ontwerp van het hele zonnepark. 11. Licht, geluid en reflectie Rapportage over geluid en lichtreflectie is vereist. Op basis hiervan wordt mede de landschappelijke inpassing/ inrichting uitgewerkt. 12. Aanleg- en beheer/onderhoudsplan Dit plan maakt onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. Naast het technisch beheer bevat dit beheerplan minimaal afspraken over het waarmaken en op peil houden van: • de landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan; • bodemkwaliteit, en monitoring van voldoende lichten watertoetreding; • natuurwaarden en biodiversiteit. 13. Dubbel ruimtegebruik We streven in gemeente Epe naar dubbel ruimtegebruik.
Dit betekent dat in een zonnepark meerdere functies worden verenigd. Onder of naast de panelen kan agrarisch gebruik worden ingezet of de ruimte kan worden gebruikt om natuur te ontwikkelen. Ook recreatief medegebruik van de gronden is mogelijk. 14. Opruimplicht Aan het einde van het exploitatietermijn heeft de initiatiefnemer een opruimplicht. Hierover worden juridisch afdwingbare afspraken gemaakt. Aangebrachte landschappelijke versterking blijft na de exploitatietermijn in stand en maken onlosmakelijk deel uit van het landschap. 15. Hergebruik van materialen Aan het einde van het exploitatietermijn moet het overgrote deel (>80%) van de gebruikte materialen herbruikbaar of recyclebaar zijn. Hierover worden juridisch afdwingbare afspraken gemaakt. 16. Uitvoeringsplicht
We voorkomen het verhandelen van projectrechten door te werken met een uitvoeringsplicht.
MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN Voorwaarden om aan te sluiten bij de maatschappelijke opgave: 17. Het creëren van maatschappelijke waarde Bij de ontwikkeling van een zonnepark moet altijd sprake zijn van het creëren van maatschappelijke meerwaarde. Ontwikkelaars worden vrij gelaten in welke vorm de maatschappelijke meerwaarde wordt vormgegeven. Het uitwerken van de maatschappelijke meerwaarde vraagt immers om maatwerk. Ter objectivering moet een vast bedrag van € 1.000,- per MW per jaar geïnvesteerd worden in de maatschappelijke meerwaarde. Er zijn veel mogelijkheden om de maatschappelijke meerwaarde vorm te geven. Enkele voorbeelden zijn: • Aanvullende inrichtingselementen bovenop de landschappelijke inpassing: extra landschap/natuur,
Een basis landschappelijke inpassing bestaat uit een beplantingsstrook met een breedte van 10 m rondom het zonnepark. Mede afhankelijk van de zichtbaarheid van de locatie mag het oppervlakteequivalent van deze strook in een gevarieerder ontwerp worden opgenomen. Daarbij kunnen verschillende strategieën worden gehanteerd om de biodiversiteit te versterken.
23
recreatie/informatieverstrekking, waterberging; Het maken en beheren van verblijfsplekken; Concrete educatiedoeleinden zoals samenwerking met onderwijs/onderzoek of monitoring bodem/ biodiversiteit etc.; Verduurzaming van woningen van omwonenden; Financiële ondersteuning van maatschappelijke voorzieningen.
• •
• •
Als het niet mogelijk is voor de initiatiefnemer om de maatschappelijke meerwaarde zelf te realiseren, zal de financiële equivalent van € 1.000,- per MW per jaar worden gestort in het gemeentelijk duurzaamheidsfonds. 18. Altijd in overleg met de omgeving Een ontwerp wordt altijd vooraf met omwonenden gecommuniceerd. Hier is ruimte om mee te denken, kennis en kunde in te brengen. Het gemeentelijk participatiebeleid is hierop van toepassing waarin beschreven staat wat de stappen in de participatie zijn (zie ook bijlage wat er van participatie in de gemeente Epe wordt verwacht).
24
RUIMTELIJKE KEUZES
Overzicht
MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE
zon op land is toegestaan mits.....
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING 1. Behoud landschappelijke kwaliteit per landschapstype
Per landschapstype geldt een percentage, dat gebruikt wordt voor landschappelijke inpassing van het zonneveld in het landschap: Natte heideontginningen: min. 20%, Hooilanden: min. 20%, Kampenlandschap: min. 30%, Oude Bouwlanden: min. 30%, Droge heideontginningen: min. 30%, Broeklanden: min. 30%, Beekdalen: min. 40%. Een zonnepark is een ruimtelijk samenhangend geheel van: (1) Het zonneveld. (2) Ondersteunende technische bouwwerken, transformatoren en opslag, toegangsruimte, onderhoudspaden, hekwerken en beveiligingsmiddelen. (3) De landschappelijke inpassing op basis van aard en schaal van het landschap.
2. Bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit.
Een zonnepark levert naast het opwekken van energie een bijdrage aan het versterken van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en de biodiversiteit. Een initiatiefnemer levert hiervoor een onderbouwing aan.
NEE TENZIJ 3. De Nee tenzij
De ontwikkeling van deze zonnevelden is onderdeel van een (integrale) gebiedsontwikkeling aan te merken en levert een waardevolle bijdrage aan opgaves op het gebied van bodem, biodiversiteit, en klimaatbestendig landschap. De inpassingspercentages voor de Nee, tenzij gebieden zijn 10% hoger dan voor ‘ja, mits’ gebieden: Per landschapstype geldt een percentage, dat gebruikt wordt voor landschappelijke inpassing van het panelenveld in het landschap: Natte heideontginningen: min. 30%, Hooilanden: min. 30%, Kampenlandschap: min. 40%, Oude Bouwlanden: min. 40%, Droge heideontginningen: min. 40%, Broeklanden: min. 40%, Beekdalen: min. 50%.
RUIMTELIJKE EN UITVOERINGSAFSPRAKEN 4. Landschappelijke inpassing
Het toevoegen van landschappelijke kenmerken (zoals o.a. houtwal) zorgt ervoor dat een zonneveld indien gewenst geheel aan het zicht wordt onttrokken, tenzij het zonneveld kwaliteit toegevoegd aan het landschap, een educatieve waarde heeft en/of het de gekoppelde ruimtelijke opgaven ten goede komt. Er wordt minimaal 50 meter afstand gehouden tussen de eerste panelen en woningen.
5. Hoogte
Panelen mogen, vanwege landschappelijke inpassing en zichtbaarheid, maximaal 3 meter hoog zijn.
6. Volg de vorm van het kavel
Het al bestaande verkavelingspatroon wordt voortgezet en niet onnodig onderbroken.
7. Hekwerken
Hekwerken zijn maximaal 2 meter hoog, gemeten vanaf maaiveld. De onderste 10 centimeter van het hekwerk is op voldoende plekken open om kleine zoogdieren het gebied te laten kunnen doorkruisen.
8. Alles in één integraal ontwerp
Naast de panelen worden ook alle overige benodigde voorzieningen meegenomen in het ontwerp van het veld.
9. Verlichting
Er mag geen permanente verlichting op het zonnepark worden gerealiseerd. Tijdelijke verlichting ten behoeve van onderhoud is toegestaan.
10. Inzetten landschapsarchitect
Om het zonneveld zo goed als mogelijk in het landschap te laten passen moet een externe landschapsarchitect betrokken worden bij de totstandkoming van het ontwerp van het hele zonnepark.
11. Licht, geluid en reflectie
Rapportage over geluid en lichtreflectie is vereist.
12. Aanleg-en beheer/onderhoudsplan
Ten alle tijden moet een aanleg- en beheerplan worden voorgelegd.
13. Dubbel ruimtegebruik
Dubbel ruimtegebruik maakt onderdeel uit van een zonnepark.
14. Opruimplicht
Aan het einde van het exploitatietermijn heeft de initiatiefnemer een opruimplicht.
15. Hergebruik van materialen
Het overgrote deel (>80%) van de gebruikte materialen moet herbruikbaar of recyclebaar zijn.
16. Uitvoeringsplicht
We voorkomen het verhandelen van projectrechten door te werken met een uitvoeringsplicht.
MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN 17. Het creëren van maatschappelijke meerwaarde 25
18. Altijd in overleg met de omgeving
Bij de ontwikkeling van een zonnepark is altijd sprake van het creëren van maatschappelijke meerwaarde. Een initiatiefnemer levert hiervoor een onderbouwing aan. Een ontwerp wordt altijd vooraf met omwonenden besproken (conform het participatiebleid van de gemeente). Een initiatiefnemer levert hiervoor een participatieplan aan.
WIND 3. WINDTURBINES Windturbines zijn grote objecten met een significante impact op het landschap. Gezien de maat en schaal is inpassing niet aan de orde en wordt vooral op de grotere landschappelijke structuren aangesloten om tot een situering van windclusters te komen. Tot en
met de vaststelling van het provinciale en landelijke windbeleid worden er geen windturbines gerealiseerd.
Op basis van de RES worden er binnen de gemeente op termijn wel windturbinesvoorzien. De opgave is om voor 2050 7 windturbines te realiseren. Dit is ook de basis van de RES. In de regio (binnen de RES) is voor clusters gekozen. Het cluster dat in onze gemeente ligt, betreft een zoekgebied dat in de omgevingsvisie nader is gedefinieerd ten oosten van het Eekterveld op ruime afstand van zoekgebieden in Apeldoorn en Heerde. Gedurende het proces van de RES 1.0 is gebleken
Ambitie Wind(parken): In de energiemix wordt uitgegaan van 415 TJ opgewekte energie uit wind in 2050. Met de inpassing van huidige generatie windturbines van 6 MW zijn er 7 winturbines nodig om bij een aantal vollasturen van 2900 per jaar 438 TJ middels wind molens op te wekken.
omgevingsvisie
26
dat windenergie uit de grote windturbines in onze kwetsbare omgeving beperkt mogelijk is. Bovenregionaal is bestuurlijk afgesproken dat de mogelijkheden voor de 8-km zone rond de Veluwe nader worden onderzocht. Hier is vooral ecologisch onderzoek nodig, meer specifiek naar de Wespendief. De potentie voor windenergie door windturbines is door dat onderzoek dat langere tijd zal duren, tot 2030 naar verwachting beperkt. Als er na onderzoek wel mogelijkheden zijn dan zal de uitwerking van windbeleid in de gemeente Epe plaatsvinden. In het kader van de RES zal in de komende periode een planMER worden gemaakt. De uitkomsten zijn leidend voor het vervolg. De provincie Gelderland werkt momenteel aan een herziening van hun windbeleid en stelt ten behoeve daarvan een planMER op. Tevens wordt er op dit moment gewerkt aan een landelijke planMER ter onderbouwing van geluidsnormen voor windturbines. Dit is eventueel ook via een lokale planMER te borgen.
Voor grote windturbines gaan we op dit moment in beleidsvorming uit van de volgende bandbreedtes: • Vermogen individuele windturbines: 4.5-6 MW • Aantal windturbines: 7 (tot 2050) • Tiphoogte individuele windturbines: 200 tot 270 meter • Tiplaagte individuele windturbines: 50 tot 90 meter • Rotordiameter individuele windturbines: 149-180 meter • Onderlinge afstand tussen windturbines: 400 tot 700 meter • Aantal bladen per windturbine: 3 • Diameter funderingen (onderheid): 15 tot 25 meter
27
UITWERKINGSKADER WINDTURBINES
De omgevingsvisie is het uitgangspunt voor de omgang met windmolens. Hierbij wordt uitgegaan van clustering van windenergie. Dit is gebaseerd op het principe dat het landschap het kapitaal van de regio is. De grotere landschappelijke structuren worden aangehouden om tot een situering van windclusters te komen. Door clustering wordt de verrommeling van ons landschap zoveel mogelijk voorkomen en wordt de ruimtelijke impact van de windturbines verkleind. Voor de ontwikkeling van windturbines is nog veel onderzoek nodig om initiatieven voor windturbineseventueel te kunnen realiseren. Dit betekent dat vooral de toekomstige planologische mogelijkheden worden onderzocht. In dit uitwerkingskader worden vooralsnog geen duidelijke kaders voor wind opgenomen en wordt vooral gekeken naar het openhouden van mogelijkheden van ontwikkeling van windenergie op de langere termijn (na 2030).
RUIMTELIJKE KEUZES
Overzicht
MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE
Een windmolen is toegestaan mits.....
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING
DE WAARDEVOLLE LEEFOMGEVING 1. Aantasting van het landschap voorkomen
1.
Enkel in het Omgevingsvisie benoemde zoekgebied.
2.
De grotere landschappelijke structuren worden aangehouden om tot een situering van windclusters te komen.
RUIMTELIJKE EN UITVOERINGSAFSPRAKEN 2. Aantal
Tot 2050 in totaal maximaal 7.
MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN 3. Onderzoek voor realisatie
Voor de ontwikkeling van windturbines is nog veel onderzoek nodig om initiatieven voor windturbineste kunnen realiseren. Dit betekent dat vooral de toekomstige planologische mogelijkheden worden onderzocht.
4. In overleg met de omgeving
Er gaat een gebiedsproces aan een initiatief vooraf.
5. Per wanneer
Uitvoering vindt na 2030 plaats.
28
4. ERFMOLENS In het gemeentelijk beleid is tot op heden nog geen ruimte voor erfmolens. Dit type windenergie past echter bij een aantal waarden binnen de gemeente. Het gaat om: 1. Het stimuleren om vraag en aanbod bij elkaar brengen. Energie opwekken waar het ook wordt gebruikt. 2. Het opwekken van energie passend bij de maat en schaal van het landschap. Met name die tweede is een belangrijke overweging. Erfmolens passen goed bij de schaal van agrarische en bedrijfserven met gebouwen en schuren die groter van formaat zijn en waar erfbeplanting vaak gebruikelijk is. Erfmolens verhouden zich goed tot bijvoorbeeld volwassen bomen. Behoefte Binnen de gemeente Epe blijkt er behoefte bij ondernemers om lokaal energie op te wekken en te gebruiken. Kleine windturbines zijn voor (agrarische) bedrijven interessant, omdat zij veel energie verbruiken, ook in de tijden dat de zon niet schijnt. Juist op de momenten dat de zon niet schijnt, is de kans op wind groter. Daarnaast vragen deze kleine turbines vanwege direct gebruik nauwelijks tot geen ruimte op het stroomnetwerk. Ook in het najaar en in de winter is er een grote behoefte aan een andere manier van energievoorziening. De combinatie van zonnepanelen met een windturbine lijkt voor veel agrariërs een goede oplossing om voor een groot deel zelfvoorzienend te zijn.
Verwacht wordt dat er in de toekomst alleen maar meer energie nodig is doordat bijvoorbeeld de landbouwvoertuigen op duurzame energie gaan rijden. Elektriciteit zal steeds meer lokaal worden opgeslagen in accu’s of via conversie in waterstof.
29
Erfmolens kunnen bijdragen aan zelfvoorzienendheid op percelen, bijvoorbeeld in combinatie met zon op dak. De energie wordt dan vooral lokaal gebruikt (op het erf of binnen een cluster van erven) en oefent daarmee nauwelijks druk op het energienetwerk uit. Beleidsuitgangspunt is bijdragen aan duurzame opwek op individueel (bedrijven) of cluster (woningen) niveau voor eigen verbruik: met andere woorden ‘energie opwekken waar het gebruikt wordt’. Dit sluit aan bij beleidsregel kleinschalige grondgebonden zonnestroomsystemen voor particulieren. Reguliere erfmolens Op basis van een analyse van beleid voor kleine windturbines in verschillende gemeenten kan worden geconcludeerd dat kleine windturbines over het algemeen een ashoogte (hoogte van de mast) hebben van 15-21 meter. Recentelijke inzichten zijn dat deze hoogte onvoldoende is voor een rendabele molen. De traditionele hoogte is vergelijkbaar met een volwassen boom en is vaak passend bij de hoogte van bedrijfsbebouwing. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen grondgebonden turbines en turbines op het dak. Er zijn windturbines met een horizontale as (HAT, horizontale as turbine) en met een verticale as (VAT, verticale as turbine). Voor alle types geldt uiteraard dat ze het beste in windrijke gebieden geplaatst kunnen worden.
De markt van kleine windturbines heeft zich inmiddels verder ontwikkeld waardoor kleine windturbines inmiddels rendabel kunnen zijn mits een grotere hoogte (30 meter ashoogte) wordt toegestaan en het gebruik van kleine windturbines steeds aantrekkelijker wordt. De terugverdientijd ligt nu op circa 10 jaar, afhankelijk van het type turbine en de gebiedskenmerken.
Grondgebonden erfmolens Grondgebonden erfmolens zijn meestal HAT turbines. De zogenaamde HAT turbines hebben wieken en worden ook wel ’wiekturbines’ of ‘turbines van het propeller-type’ genoemd. De verhouding tussen de wieken en de as bepaalt voor een groot deel de vorm en kwaliteit van de turbine. Ook de snelheid waarmee de wieken draaien bepaalt veelal een rustig of juist onrustig beeld (hoe langzamer, hoe rustiger het beeld). Grondgebonden turbines kunnen ook bestaan uit VAT turbines. Verticale as turbines worden ook wel ‘windwokkels’ genoemd. Het voordeel van deze turbine is dat de windturbine niet in de wind gedraaid hoeft te worden. Dit heeft voordelen voor omgevingen die veel wisselende windrichtingen hebben en waar veel turbulentie voorkomt. VAT turbines zijn erg geschikt voor een bebouwde omgeving, waar vaak windvlagen voorkomen en de windrichting veel varieert. Dit neemt niet weg dat ook deze turbines in het buitengebied geplaatst kunnen worden. Deze turbine wekt energie op doordat de wind de wieken wegduwt. De rotor beweegt nooit sneller dan de wind. Over het algemeen zijn VAT turbines gemiddeld minder efficiënt.