CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

553459 TOE Vaassen Eierstreekweg 35a - 37

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Vaassen, Eierstreekweg 35a - 3713.087 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Bestemmingsplan | Toelichting

Vaassen, Eierstreekweg 35a - 37

Gemeente Epe

Datum: 24 mei 2022 Projectnummer: 190600.01 ID: NL.IMRO.0232.VAA031Eierstreekwg-OBP1

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

3 3 4 6

2

Planbeschrijving

7

2.1 2.2 2.3

Historische context Huidige situatie Toekomstige situatie

7 8 9

3

Beleid en regelgeving

12

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

12 14 16 18

4

Milieu- en omgevingsaspecten

21

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

21 22 23 24 26 27 30 32 34 34 35

5

Juridische toelichting

37

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels De verbeelding

37 37 38 39 40 40

6

Uitvoerbaarheid

41

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bijlagen Bijlage 1: stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan Bijlage 2: toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: nader bodemonderzoek Bijlage 6: akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: riolerings- en waterhuishoudkundig plan Bijlage 8: quick scan natuur Bijlage 9: stikstofonderzoek Bijlage 10: nader soortenonderzoek Bijlage 11: archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 12: verkeerstoets Bijlage 13: verslag inspraak

41 41

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Eierstreekweg 35a - 37 te Vaassen bevindt zich een loonwerkbedrijf en boerderij. Het voornemen bestaat om het loonwerkbedrijf te amoveren en hiervoor in de plaats vier vrije woonkavels mogelijk te maken. Daarbij zal de bestaande boerderij aan de Eierstreekweg 35A blijven behouden en worden omgezet naar reguliere burgerwoning. Dit voornemen sluit aan op - en maakt min of meer deel uit van - de ontwikkeling van de woonwijk Oosterhof-Zuid direct ten noorden van onderhavig plangebied, waarvoor een uitwerkingsplan wordt opgesteld. De beide documenten zijn gelijktijdig en in samenhang opgesteld. Ook zijn diverse onderzoeken gecombineerd. Zo mogelijk worden beide documenten ook in dezelfde periode ter visie gebracht. Een deel van de gronden van Oosterhof Zuid krijgt een agrarische bestemming zonder bebouwingsmogelijkheden. Aangezien dit niet past binnen de uitwerkingsregels maken desbetreffende gronden deel uit van voorliggend bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan ‘Oosterhof Heggerenk’ zijn de gronden waar woningbouw is beoogd bestemd als ‘Bedrijf’ waardoor de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk is. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuwe bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de oostzijde van de kern Vaassen, gemeente Epe, aan de rand van de bebouwde kom. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door woningbouw, aan de oostzijde door het buitengebied van Vaassen en woningen, aan de zuidzijde door de Eierstreekweg en aan de noordzijde door onbebouwde gronden waar de toekomstige woningen van Oosterhof Zuid zijn beoogd. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied (rode cirkel) in de kern Vaassen (bron: pdok.nl). 3

Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd, bron: pdok.nl).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied gelden op dit moment het bestemmingsplan ‘Oosterhof Zuid’, zoals vastgesteld op 11 maart 2009 en het bestemmingsplan ‘Oosterhof Heggerenk’, zoals vastgesteld op 20 maart 2008. Op grond van deze bestemmingsplannen gelden voor het plangebied de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Woongebied Uit te werken’, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. BP Oosterhof Zuid

Uitsnede uit verbeelding van het geldende bestemmingsplan met daarop het plangebied globaal rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

4

Woongebied - Uit te werken De voor ‘Woongebied - Uit te werken’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, bijzondere woonvormen, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, tuinen, erven, groen, water, wegen, parkeren, speel- en nutsvoorzieningen en straatmeubilair. Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Met deze dubbelbestemming is onder andere geregeld dat archeologisch onderzoek 2 noodzakelijk is bij ontwikkelingen die een grotere omvang kennen dan 100 m die dieper reiken dan 0,3 m onder het maaiveld. BP Oosterhof Heggerenk

Uitsnede uit verbeelding van het geldende bestemmingsplan met daarop het plangebied globaal rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Bedrijf De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn door toedoen van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - huidige bedrijfsactiviteit’ bestemd voor de huidige bedrijfsactiviteit. Daarnaast is één bedrijfswoning toegestaan ter plaatse van de desbetreffende aanduiding. Een hoofdgebouw mag enkel ter plaatse van een bouwvlak worden opgericht, waarbij moet worden voldaan aan de maximale goot- en bouwhoogte, alsmede het maximale bebouwingspercentage. Er gelden separate bouwregels voor bedrijfswoningen, aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Strijdigheid met de geldende bestemmingsplannen De voorgenomen woningbouw past niet binnen de bouw- en gebruiksregels die gelden ter plaatse van de bedrijfsbestemming. Voor de onbebouwde gronden ter plaatse van Oosterhof Zuid, bestaat niet langer de ambitie om deze in te vullen ten behoeve van woningbouw. Daarmee is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

5

1.4

Leeswijzer Deze toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

6

2

Planbeschrijving

2.1

Historische context 1900 De kern van Vaassen heeft zich ten westen van het plangebied ontwikkeld. Het plangebied zelf was oorspronkelijk onderdeel van de Hafkamper Enk. Dit is een opgehoogd akkercomplex op de zandgrond van de Veluwe. Rondom de enk lagen enkele gehuchten, zoals Het Veen, de Eijerstreek, Hafkamp en De Jonas. Over het hoogste punt van de enk liep de Enkweg, met enkele vertakkingen naar het noorden en zuiden. Eén daarvan liep langs de oostzijde van het plangebied en sloot aan op de (huidige) Zichtstede. Ten zuiden van het plangebied ligt de Dorpse beek, die ten westen van Vaassen ontstaat als spreng van de Veluwe en door het centrum van Vaassen loopt. De beek mondt uit in het Apeldoorns kanaal. De Eierstreekweg is rond 1900 al herkenbaar op de kaart, waar omheen het gehucht de Eijerstreek is ontstaan. 1940 - 1980 Het dorp Vaassen bevond zich nog altijd ten westen van het spoor en het plangebied werd voor de landbouw gebruikt, onder andere ten behoeve van fruitteelt. De lintbebouwing aan de Enkweg breidde zich verder uit richting het oosten. Ook langs de Zichtstede ontwikkelt zich steeds meer lintbebouwing. De verbinding tussen de Zichtstede en de Enkweg is niet langer zichtbaar in de kaart van 1980. 1980-heden Na 1980 breidt Vaassen flink uit door de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk de Oosterhof. Deze wijk ligt ten noorden van het plangebied.

Hiervoor is een nieuwe verkeersstructuur aangelegd die op enkele plekken de Enkweg kruist. Ook de Koestraat ten noorden van de Enkweg wordt grotendeels opgenomen in het plan.

Historische ontwikkeling Vaassen met daarop Oosterhof Zuid, alsmede het plangebied globaal zwart omlijnd (bron: topotijdreis.nl)

7

2.2

Huidige situatie Omgeving plangebied Aan de noordzijde van het plangebied zal worden voorzien in de nieuwe woonwijk Oosterhof Zuid. Het gebied rondom het plangebied heeft een landelijk karakter. De Zichtstede kenmerkt zich door lintbebouwing en ook aan de Eierstreekweg zijn landelijk gelegen boerderijen te vinden. Het plangebied ligt op de grens van de bebouwde kom van de kern Vaassen en wordt daarmee gekarakteriseerd door de overgang van het landelijk naar het stedelijk gebied.

Situatie rondom plangebied (centraal) bron: pdok.nl

plangebied Het plangebied is grotendeels in gebruik ten behoeve van een loonwerkbedrijf. Desbetreffend perceel is volledig beklinkerd en herbergt twee schuren, bestaande uit één laag met kap. Het perceel ligt aan de Eierstreekweg welke ter plaatse een bocht maakt van het zuiden richting het oosten. De achterzijde van het terrein wordt gebruikt voor opslag. Het perceel is omzoomd door een haag, waarmee het terrein wat aan het zicht wordt onttrokken. Het gebouw aan de Eierstreekweg 35a doet dienst als dienstwoning van het loonwerkbedrijf. Het markante gebouw is uitgevoerd in een lichte gevelkleur, kent 1,5 laag met een schilddak en is verbijzonderd met een rieten dak en dakkapel. Daarnaast bevindt zich ter plaatse een bakstenen bijgebouw met kap, uitgevoerd in een bijpassende verschijningsvorm. Het erf heeft een groene, landelijke inrichting en is met een haag afgescheiden van het loonwerkbedrijf. Ten slotte omvat het plangebied agrarische weides ten oosten van de hiervoor beschreven percelen. Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van achtereenvolgend het loonwerkbedrijf, de boerderij en de agrarische weides.

8

Impressie huidige situatie loonwerkbedrijf (bron: Google Maps)

Impressie huidige situatie boerderij (bron: Google Maps)

Impressie huidige situatie (bron: Google Maps)

2.3

Toekomstige situatie Om het plangebied een invulling te geven, passend bij de (toekomstige) ruimtelijke en functionele karakteristieken zoals die bestaan in de omgeving, bestaat het voornemen om te voorzien in vier vrije woonkavels ter plaatse van het huidige loonwerkbedrijf en een inpassing van de boerderij. Voor de boerderij zijn geen ruimtelijke c.q. fysieke ingrepen beoogd. Het betreft enkel de herbestemming van bedrijfswoning tot burgerwo9

ning. In de huidige situatie herbergt de boerderij twee wooneenheden. Dit is als zodanig opgenomen op de verbeelding. In het ontwerp van de woningbouwontwikkeling Oosterhof Zuid is onderhavig plangebied opgenomen. Voor het geheel is door SAB 1 een stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan opgesteld, welke is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Navolgend worden de uitgangspunten en beoogde uitwerking van de ontwikkeling uiteengezet, waarbij de beschrijving is beperkt tot onderhavig plangebied. Stedenbouwkundig plan Voor de ruimtelijke opzet van het stedenbouwkundig plan zijn op basis van een analyse van het plangebied uitgangspunten geformuleerd. Navolgend zijn de twee uitgangspunten voor onderhavig plangebied weergegeven.  De Eierstreekweg blijft losgekoppeld van de nieuwe buurt. Een nieuwe fietsverbinding vanaf de Wanstede, langs een noord-zuidas, de Zichtstede en een verlegde verbinding richting de Eierstreekweg zorgt voor een goede ontsluiting voor fietsers.  Op de locatie van het loonwerkbedrijf (Eierstreekweg 35a-37) worden vier vrije kavels gerealiseerd, die deels via de Zichtstede en deels via de Eierstreekweg ontsloten worden. De hiervoor beschreven uitgangspunten zijn navolgend aan de zuidzijde van de kaart weergegeven, waarbij volledigheidshalve de ontwikkeling als geheel is weergegeven.

De vrije kavels voegen zich in het beeld zoals dat bestaat aan de Zichtstede.

Uitgangspuntenkaart beoogde ontwikkeling, met locatie loonwerkbedrijf en boerderij globaal rood aangeduid (bron: SAB)

1

SAB (2022). Stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan. Oosterhof-Zuid, Vaassen. Projectnummer: 190600. 24 mei 2022. 10

Programma Tussen de Zichtstede en de Eierstreekweg worden vier vrije kavels gerealiseerd. Drie vrije kavels voegen zich in het beeld van de Zichtstede, één vrije kavel is georiënteerd op het fietspad en de Eierstreekweg. De beoogde woningen mogen een maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 10 meter hebben en worden uitgevoerd als vrijstaande woningen. De bestaande boerderij aan de Eierstreekweg wordt gehandhaafd conform de huidige situatie (geprojecteerde gebouw rechts van vrije kavels in navolgende impressie). De boerderij herbergt twee wooneenheden, waarmee een tweezijdige oriëntatie bestaat. Dit wordt met voorliggend plan positief bestemd. De agrarische weides blijven eveneens behouden, waarbij geen bebouwing wordt toegestaan (enkele ondergeschikte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd). Navolgend is een impressie weergegeven van een mogelijke invulling van de vrije kavels. Voor wat betreft parkeersituatie wordt uitgegaan van een dubbele oprit met garage. Er is voldoende ruimte op het eigen terrein om te kunnen voldoen in de parkeerbehoefte.

Impressie invulling vrije kavels (bron: SAB)

Tussen de Zichtstede en de Eierstreekweg loopt een fietspad (direct rechts naast geprojecteerde woningen in voorgaande afbeelding). De groene zone naast het fietspad wordt benut voor regenwaterafvoer richting de Dorpsche beek. De zone heeft een natuurlijke uitstraling met bloemrijk grasland en enkele bomen. Beeldkwaliteit Binnen het plangebied is een ingetogen architectuur beoogd met dorpse en landelijke kenmerken. De architectuur is eigentijds en de detaillering is doordacht. Het kleurenen materialenpalet bestaat uit natuurlijke materialen in gedekte aardetinten. De hoofdmaterialen zijn baksteen in aardse tinten en antraciete, gebakken, (matte) pannendaken met zonnepanelen. Accenten kunnen gemaakt worden met houten geveldelen, rieten kappen. Witte gevelstenen zijn niet toegestaan. Door de ingetogen architectuur staat het groen nadrukkelijk op de voorgrond. Dit tezamen maakt dat wordt voorzien in een woningbouwontwikkeling die nadrukkelijk past binnen de ruimtelijke en functionele kenmerken zoals die bestaan rondom c.q. binnen het plangebied. Waarbij zowel op grote als kleine schaal aandacht is voor groen. 11

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Het Rijk zet in de NOVI onder andere in op de energietransitie, duurzaam groeipotentieel, sterke en gezonde steden, combinaties van functies en identiteit. Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande (groene) kwaliteiten en kenmerken centraal staan, wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de Rijksprioriteiten uit de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans Natuurnetwerk Nederland (NNN)), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening,

12

Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ande2 re stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Met voorliggend initiatief worden maximaal vier nieuwe woningen opgericht. Hiermee is een toets aan de Ladder voor duurzame ontwikkeling niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden gesteld dat onderhavige woningbouwontwikkeling (als onderdeel van Oosterhof Zuid als geheel) is opgenomen in de gemeentelijke/regionale

2

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 13

woningbouwprogrammering en ook als zodanig is opgenomen in de ladder voor Duur3 zame verstedelijking behorende bij de ontwikkeling Oosterhof Zuid. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gestelde in het Rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.  Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s:  Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.  Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.  Circulaire economie: sluiten van kringlopen.  Biodiversiteit: werken met de natuur.  Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.  Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.

 Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels beschreven, welke ervoor moeten zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. De omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure.

3

SAB (2021). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 23 juni 2021. 14

De omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening oriënteert zich net zo breed als de omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Actualisatie omgevingsverordening Op 15 april 2021 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp voor de Omgevingsverordening vastgesteld. Dit ontwerp heet ook wel actualisatieplan 8. Naar verwachting nemen Provinciale Staten in november 2021 een besluit over deze actualisatie.

Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied meerdere thema’s raakt. Zo ligt het plangebied in zijn geheel binnen een intrekgebied. In een bestemmingsplan krijgen intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Onderhavig plan voldoet hieraan en vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Verder is het thema ‘woon- en leefomgeving’ van belang. Voor nieuwe woonlocaties stelt de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.1 en 2.2) dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in de regionale woonagenda. De onderliggende woningbouwontwikkeling (Oosterhof Zuid) is meegenomen in de woningbouwprogrammering en maakt onderdeel uit van de plannen die zijn opgenomen in de regionale woonagenda. Ten slotte ligt het plangebied binnen een Nationaal Landschap (Veluwe). Een plan voor gronden binnen een Nationaal landschap, maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied ‘Gradiënt Oost-Veluwe’.

De kernkwaliteit van dit deelgebied leest als volgt: Fraaie en beleefbare gradiënt van Veluwe naar IJssel: van besloten boslandschap in het westen via kleinschalig met houtwallen (ten westen van het Apeldoorns kanaal) naar grootschalige openheid in het oosten. Er ligt een zorgvuldig stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan ten grondslag aan onderhavige ontwikkeling en er is door het afnemen van het aandeel verharding meer ruimte voor groen om te floreren. Dit tezamen maakt dat het plan in lijn met het gestelde in de Omgevingsvisie en -verordening.

15

Conclusie Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Addendum Woonagenda Cleantech Regio De gemeente Epe maakt deel uit van de Cleantech Regio waarbinnen de samenwerkende gemeenten op regionaal niveau afspraken maken. Dit gebeurt onder meer op het gebied van woningbouw in de regionale woonagenda. Bij de vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 - 2023 is afgesproken dat deze wordt geëvalueerd en herijkt. Dat is ook nodig omdat er een aantal nieuwe thema’s spelen en gemeenten tegen de grenzen van de huidige afspraken aanlopen. Op basis van de evaluatie is vastgesteld dat een herijking zoals bedoeld in 2018 (een bijstelling op basis van nieuwe woningmarktcijfers) niet voldoende is om recht te doen aan alle veranderingen op het speelveld wonen. Op de korte termijn geeft een pragmatische herijking goede handvatten voor het woonbeleid, maar om voor de langere termijn goed in te kunnen spelen op de veranderende beleidswensen moet een nieuwe Woonagenda ontwikkeld worden. Dat is vooral nodig om invulling te geven aan de hogere groei-ambitie en de wens om een andere positie in te nemen in de landelijke verstedelijkingsopgave. De evaluatie en herijking is vastgelegd in het Addendum Woonagenda Cleantech Regio (d.d. 6 november 2020). Korte termijn: inzetten op versnelling woningbouw 2020-2022 De huidige Woonagenda biedt (na een herijking) voor de komende paar jaar nog voldoende basis voor de regionale samenwerking.

Op basis van de regionale principes voor woningbouwprogrammering uit de Woonagenda 2018 sturen gemeenten op een lokaal woningbouwprogramma dat gericht is op het versterken van de woonkwaliteit. Daarnaast gaan de gemeenten samen aan de slag met de thema’s betaalbaarheid en huisvesting arbeidsmigranten. Op basis van de Primos woningbehoefteprognose 2020 wordt de nieuwe bandbreedte vastgesteld voor de omvang van de regionale bouwopgave en als richtpunt voor het lokale programma. Vooral bij kleine gemeenten is de prognose niet altijd nauwkeurig en waar nodig corrigeren we die met maatwerkafspraken. De woningvraag is toegenomen en ligt nu ongeveer 40% hoger dan in 2018 verondersteld was. De inzet is gericht op het op stoom houden (versnellen) van de woningbouw en nieuwe bouwplannen voorbereiden als antwoord op de krapte op de woningmarkt. Om invulling te kunnen geven aan de extra woningvraag zullen er naast inbreidings- en transformatielocaties nieuwe uitleglocaties nodig zijn. Lange termijn: herpositionering Uit deze evaluatie blijkt dat er bij (bijna) alle gemeenten een wens is om in te zetten op een hogere groei-ambitie ter behoud en versterking van de vitaliteit van de kernen, dorpen en steden.

De gestegen woningbehoeftecijfers (+40% ten opzichte van Woonagenda 2018) geven een basis voor die extra groei, maar daar bovenop speelt de discussie over een substantiële schaalsprong die hoger is dan die autonome groei. Voor dat laatste zal werk gemaakt moeten worden van de herpositionering van de Cleantech Regio in landelijke verstedelijkingsopgave met een nadrukkelijkere rol voor de 16

regio bij de opvang van landelijke woningbehoefte. Die schaalsprong is geen doel op zich maar moet (samen met onder andere de economische-, infrastructurele- en duurzaamheidsopgaven) bijdragen aan het versterken van de vitaliteit van de steden, dorpen, kernen en landelijk gebied voor de langere termijn. Nieuwe uitleglocaties Om te voorzien in voldoende plancapaciteit en om voldoende tempo in de woningbouw te houden moeten naast inbreidings- en transformatielocaties nieuwe uitleglocaties ontwikkeld worden. Een belangrijk deel van de woningbouwplannen waarmee wordt voorzien in de woningbehoefte ligt op inbreidings- en transformatielocaties. Gemeenten spannen zich in om deze te realiseren in lijn met de uitgangspunten voor zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik uit de regionale Woonagenda. Maar dit zijn vaak complexe plannen waardoor de realisatie onzeker is. Ook geven dergelijke locaties niet altijd de mogelijkheid om alle gewenste type woonprojecten te realiseren. Zo is de gemeente Epe op zoek naar locaties voor betaalbare sociale huur. Bij de meeste gemeenten zijn de potentiële inbreidingslocaties (vrijkomende scholen, bedrijven et cetera) al meegenomen in het programma en is er beperkte extra capaciteit op de inbreidingslocaties te verwachten. Gemeenten willen op zoek naar nieuwe uitleglocaties om voldoende plancapaciteit beschikbaar te hebben.

Zeker in combinatie met een extra groeiambitie voldoet het aanbod op de inbreidingslocaties niet. Alle gemeenten hebben het voornemen om een nieuwe uitleglocatie te (onder)zoeken of zijn al gestart met de voorbereiding hiervan. De lokale woonopgaven In de Woonagenda 2018 is een van de uitgangspunten de diversiteit aan woonmilieus en opgaven in de verschillende delen van de regio. Op basis daarvan zijn specifieke lokale speerpunten geformuleerd en wordt gemeenten, onder andere met maatwerkafspraken, de ruimte gegeven om deze op te pakken. Voor de gemeente Epe gelden hierbij dat de gemeente als plattelandsgemeente tussen twee steden groeit met nieuwe inwoners van buiten de gemeente. Nieuwe mensen brengen nieuwe dynamiek. De wijk Klaarbeek is versneld gerealiseerd en ook andere woningbouwprojecten lopen vlot, er is groot animo voor koopprojecten. Met de lokale Woonagenda is de inzet gericht op gezinnen en senioren, evenals betaalbaar bouwen en een extra stimulans in de sociale huursector. De vitaliteit van de kernen in combinatie met het behoud van het voorzieningenniveau is een belangrijk uitgangspunt. Het huidige woningbouwprogramma is de basis maar daar bovenop is een plus per kern nodig om voorzieningen in stand te houden. De vergrijzing neemt toe, vooral ook in de kleine kernen.

Er zijn nieuwe locaties beschikbaar in Vaasen en Epe om de bovenlokale vraag op te vangen, specifiek gericht op gezinnen met kinderen. Op korte termijn zijn daarvoor al uitbreidingslocaties te realiseren. Voor de kern Epe wordt daarbij gezocht naar extra locaties voor sociale woningbouw. Epe wil graag in gesprek over het voorzien in de bovenlokale vraag. De woningbouw kan versneld worden, maar daarvoor is wel extra capaciteit nodig voor de te doorlopen procedures en onderzoek en mogelijk een aanjager vanuit het provinciehuis en ondersteuning vanuit het Actieplan Wonen. Voorstel voor herijking Voorstel is om de inzet voor de komende twee jaar te richten op het op stoom houden (versnellen) van de woningbouw en het in voorbereiding nemen van nieuwe bouw-

17

plannen. Als indicatie van de omvang is voor de gemeente Epe voor de periode tussen 2020 en 2030 een bandbreedte vastgesteld van 1.025 - 1.350 woningen. Toetsing Wanneer de harde plancapaciteit in de gemeente Epe wordt afgezet tegen de regionale kwantitatieve woningbouwafspraken (1.025-1.350 woningen) is er nog voldoende ruimte om woningbouwontwikkelingen toe te voegen aan de harde plancapaciteit. Met voorliggend initiatief wordt een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt ter plaatse van gronden waar een hinderveroorzakende functie wordt geamoveerd, waarbij zich kansen voordoen om te versterken op het gebied van klimaatadaptie, sociale veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Zo neemt het aandeel verharding af en wordt qua functionele en ruimtelijke structuur bijgedragen aan een meer leefbare wijk Oosterhof Zuid. Zo draagt dit initiatief bij aan het realiseren van verschillende regionale woonambities uit de regionale woonagenda. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gestelde in het regionale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Epe De gemeente Epe is een bijzonder mooie gemeente. Er is veel om dankbaar voor te zijn: veel groen, veel natuur en binnen de gemeente zijn mooie dorpen met hun eigen karakter. Daar willen we zorgvuldig mee omgaan. Tegelijkertijd zijn er veel uitdagingen en er moet veel gebeuren: de vraag naar voldoende woningen in een gezonde en sociale leefomgeving, de behoefte aan ruimte voor recreatie, economische groei en diverse duurzaamheidsambities. Dit alles samengenomen vraagt om een integrale aanpak met behoud van de kwaliteiten en waarden die we hebben. De gemeente wil via de omgevingsvisie samen met haar inwoners komen tot gedragen, evenwichtige en integrale oplossingen voor ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. De gemeente formuleert vier opgaven, die niet los van elkaar te zien zijn:  duurzame toekomst;  gezondheid, zorg en welzijn;  goed wonen;  ondernemen. Voor wat betreft goed wonen wordt de opgave als volgt geformuleerd: Het bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroep en op de juiste plek is onze uitdaging. Ook is het gewenst om passende woningtypes te ontwikkelen. We streven daarom naar een diversiteit aan woonvormen om een goed balans te creëren in de behoefte van de verschillende doelgroepen.

18

Toetsing

Bron: gemeente Epe

Onderhavig plangebied is in de ontwerp Omgevingsvisie aangewezen als voorkeursgebied woningbouwopgave. Ter plaatse van deze gebieden heeft de gemeente de ambitie om woningen te realiseren voor alle leeftijden en doelgroepen. Met voorliggend plan wordt voorzien in woningbouw in verschillende segmenten, waarmee verschillende doelgroepen worden aangesproken. Daarnaast wordt in de Omgevingsvisie bij nieuwbouw ingezet op groen (bomenstructuur en een groene ondergrond) en blauw (ruimte voor water). Met de vrije kavels bestaan mogelijkheden om daken te benutten voor zonnepanelen, regenwater af te koppelen en nestgelegenheden en klimplanten in/op de gevels te verwerken. Dit tezamen maakt dat nadrukkelijk wordt bijgedragen aan de ambities zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie. 3.4.2

Woonagenda gemeente Epe 2019-2023, Mijn Thuis De gemeente geeft in haar gemeentelijke woonagenda aan te streven naar verhoging van de woningbouwproductie op korte termijn. Daarmee wil de gemeente de huidige behoefte faciliteren, de te verwachten huishoudensgroei opvangen en de huidige druk op de woningmarkt verminderen. Verder wordt aangesloten op de kwantitatieve afspraken vanuit de regionale woonagenda. Voor nieuwe woningbouwinitiatieven zijn in de gemeentelijk woonagenda kaders opgesteld, bestaande uit kwantitatieve en kwalitatieve aspecten. Kwantitatief is het volgende afgesproken: a De in de regionale Woonagenda geschatte woningbehoefte voor de gemeente Epe hanteren wij als graadmeter om te bepalen aan hoeveel woningbouwplannen wij als gemeente ruimte geven. b Wij richten ons in eerste instantie op de kwalitatieve opgave bij het programmeren: 19

1 bij de invulling van een woningbouwlocatie zijn niet de aantallen leidend maar de wijze waarop de bouw bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en leidt tot een behoeftegerichte invulling (passend bij de lokale vraag en gericht op huisvestingsmogelijkheden voor doelgroepen en/of een verrijking van de huidige woonvoorraad). 2 het ontwikkelen van transformatielocaties geven we prioriteit. c Bij uitbreidingslocaties stemmen wij de programmering af met de gemeenten in de Cleantech Regio en de Provincie Gelderland, volgens de afspraken in de regionale Woonagenda 2018. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in woningbouw op gronden die in de huidige situatie een hinderveroorzakende functie herbergen. Daarnaast is het initiatief als geheel (ontwikkeling van Oosterhof Zuid) reeds deel uitmaakt van de woningbouwprogrammering. Met het mogelijk maken van vrije kavesl wordt ingespeeld op enige kwalitatieve flexibiliteit (vrijstaand danwel twee-aan-een), waardoor kan worden voorzien in een concrete behoefte. Daarnaast vormen de vrije kavels een goede aanvulling op het programma van Oosterhof Zuid als geheel, aangezien ter plaatse met name wordt voorzien in woningbouw voor starters en ouderen. Vrije kavels bieden kansen om levensloopbestendig te bouwen. Ten slotte wordt Oosterhof-Zuid als geheel specifiek genoemd als woningbouwplan in de Woonagenda.

Dit maakt dat reeds is voorgesorteerd op de onderhavige ontwikkeling in het woonbeleid. Conclusie Voorliggend initiatief is in lijn met het gemeentelijk beleid.

20

4

Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven) gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s cultuurhistorie, archeologie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, water, het Besluit milieueffectrapportage en verkeer en parkeren.

4.1

Milieueffectrapportage Algemeen Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Toetsing Onderhavig plan betreft de realisatie van woningbouw. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r..

Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de om-

21

standigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. 4

Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek, op basisniveau conform NEN 5725, blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Epe heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan. Toetsing Omdat dit bestemmingsplan nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt moet de kwaliteit van de bodem inzichtelijke zijn.

Ter plaatse van deze nieuwe ontwikkelingen is verken5 6 nend en nader bodemonderzoek uitgevoerd.

4

SAB (2022). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 18 maart 2022.

5

Boluwa (2019). Verkennend bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek asbest. Eierstreekweg 35A/Zichtstede te Vaassen. Projectnummer: 20098. 24 april 2019.

6

Boluwa (2020). Nader bodemonderzoek Eierstreekweg 35A te Vaassen. Projectnummer: 20098. 15 mei 2020. 22

Op basis van deze bodemonderzoeken is de bodem nog niet geschikt voor de functie Wonen. Met de uitvoering van een sanering kan de locatie wel geschikt gemaakt worden voor de functie wonen. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat in bodem verontreiniging aanwezig is. Voordat de toekomstige functie kan worden gerealiseerd dient de bodem te worden gesaneerd. In de exploitatiekosten moet rekening worden gehouden met saneringskosten. De saneringskosten moeten gebaseerd zijn op een (te overleggen) kostenraming opgesteld door een daarvoor deskundig adviesbureau of aannemer. Op basis van de onderzoeken kan worden geconcludeerd dat in de bodem bijmengingen met puin zijn aangetroffen variërend van sporen puin tot sterk puinhoudend. Ter plaatse van de bovengrondse tank, de ondergrondse tank, de olie/vet afscheider, de olie opslag/werkplaats en de wasplaats zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte stoffen gemeten. Op het overige terrein is de bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie, PCB’s, cadmium, koper, zink, lood en PAK. Met uitzondering van boring 24 is de ondergrond niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Ter plaatse van boring 24 is in de ondergrond een sterk verhoogd gehalte minerale olie (> interventiewaarde) gemeten.

Tijdens de uitvoering van het nader bodemonderzoek blijkt dat het een ernstig geval van bodemverontreiniging betreft met 3 3 minerale olie van 170 m , waarvan circa 85 m grond met minerale olie verontreinigd is boven de interventiewaarde. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium gemeten. Zintuiglijk zijn op of in de bodem naast het voorkomen van puin geen asbest verdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is geanalyseerd op asbest. Daaruit blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met asbest. Conclusie De sanering zal plaatsvinden in het kader van de sloop-/nieuwbouwwerkzaamheden. Van te voren wordt voorzien in de BUS-melding. Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelas23

ting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. Voor spoorweglawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van haar eigen beleid en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in geluidgevoelige functies in de vorm van wo7 ningen. In dit kader is voorzien in een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai . Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat van elke individueel te onderscheiden weg geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan de Wet Geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen.

7

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 2 maart 2022. 24

Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen 3 dan 1,2 µg/m . In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal vier nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek niet noodzakelijk is. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Rijksweg A50 (ter hoogte van het plangebied) bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool. De jaargemiddelde concen3 tratie NO2 bedraagt (voor 2020) maximaal 23,7 µg/m , voor PM10 bedraagt dit maxi3 maal 17,6 µg/m . In beide gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde van 40 3 µg/m niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt maximaal 3 10,2 µg/m en is daarmee ruimschoots lager dan de jaargemiddelde grenswaarde van 3 25 µg/m . Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrond-

25

concentraties van deze stoffen zullen dalen of stabiliseren, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is 8 de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt direct ten zuiden van de woonwijk Oosterhof en ligt op de overgang van het stedelijk naar het landelijk gebied. Er zijn nauwelijks hinderveroorzakende functies aanwezig. Ook ligt het plangebied niet aan hoofdinfrastructuur. Zodoende is sprake van een rustige woonwijk; eens temeer aangezien het loonwerkbedrijf dat in de huidige situatie binnen het plangebied gesitueerd is wordt geamoveerd en zodoende een hinderveroorzakende functie wordt wegbestemd. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daar-

8

VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 26

om niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Sportvelden

Zichtstede 16

Veldsportcomplex (met verlichting)

Grootste richtafstand (m) 50 (geluid)

Gemeten afstand (m) 150

Uit voorgaande tabel blijkt dat aan de richtafstand kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijvigheid niet onevenredig wordt geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ten slotte bevindt zich aan de Jonas 16 een melkveebedrijf. Een dergelijke veehouderij kent vaste richtafstanden voor het aspect geur (50 meter buiten de bebouwde kom; 100 meter binnen de bebouwde kom), waaraan wordt voldaan met de voorgenomen ontwikkeling (circa 600 meter). Een nadere beschouwing is niet nodig. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn hoofdtransportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron

27

op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6(één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations.

In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Epe In september 2013 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze visie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan indien het gaat op een verplaatsing van een bestaande risicobron naar een bedrijventerrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

In de visie is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd. 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12232795/1