381264 Officiersweg 76 verbeelding
Tekst van het document
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 5.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen; Nadere eisen: eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan de bestemming, ten behoeve van het algemeen belang; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn.
(ontwerp)
33
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe Afwijken van de bouwregels/ gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouw- en/of gebruiksregels. 5.2.4
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regel bevatten bepalingen omtrent functies die in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene procedureregels In dit artikel wordt de voorbereidingsprocedure tot het stellen van een nadere eis gegeven. Overige regels In dit artikel worden regels omtrent parkeren en laad- en losmogelijkheden gegeven. 5.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
5.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er wordt uitgegaan van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Bos - Bostuin Deze bestemming is in hoofdzaak bedoeld voor gronden met bos(beplanting) en bosstroken, gelegen rondom woonhuizen, waardoor de bosstructuur behouden blijft.. Wonen - Wonen in het bos Deze bestemming is opgenomen voor de percelen met woonhuizen die doorgaans omgeven zijn met bostuinen en waarvoor in het kader van het geldende bestemmingsplan "Epe noord, actualisatie wonen – wonen in het bos" bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zijn opgenomen. Waarde - Archeologie Deze dubbelbestemming is van toepassing vanwege de archeologische verwachtingswaarde in het plangebied.
De regeling bevat een bouwverbod waarvan ontheffing kan worden verleend indien aan het behoud van de archeologische waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. Uitgangspunt is dat met een rapportage inzichtelijk wordt gemaakt of al dan niet sprake is van de aanwezigheid van archeologische waarden.
34
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Met betrekking tot het verhaal van de kosten van de bestemmingsplanprocedure en de uitvoering van het bestemmingsplan, is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Verhaal van eventuele planschadekosten is onderdeel van de anterieure overeenkomst. Het verhaal van kosten is hiermee "anderszins verzekerd", zodat het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig is.
(ontwerp)
35
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
36
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 7 7.1
Vooroverleg
7.1.1
Het Rijk
Inspraak, vooroverleg en zienswijzen
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2
Provincie Gelderland
Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen provinciale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met de Provincie. 7.1.3
Waterschap Vallei & Veluwe
Het Waterschap Vallei en Veluwe is door middel van de watertoets geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Naar aanleiding van de watertoets heeft het waterschap een positief advies gegeven (zie Bijlage 2).
7.2
Inspraak en overleg
7.2.1
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt vanwege de kleinschaligheid van het voornemen geen voorontwerpbestemmingsplan voor inspraak ter inzage gelegd. 7.2.2
Overleg
De buren zijn op de hoogte van de plannen. Gezien de huidige maatregelen is een samenkomst niet mogelijk.
7.3
Zienswijzen
PM
(ontwerp)
37
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
38
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlagen
(ontwerp)
39
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
40
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlage 1
(ontwerp)
Bodemonderzoek
41
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
42
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlage 2
(ontwerp)
Watertoets
43
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
44
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlage 3
(ontwerp)
Foto's van de woning
45
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
46
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Regels
(ontwerp)
47
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
48
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan "Officiersweg 76 Epe" van de gemeente Epe; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat GML-bestandNL.IMRO.0232.EPE037Officiersw76-OBP1, met de bijbehorende regels; 1.3
in
het
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
aan huis verbonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7
aanpijling
een op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig opgenomen aanduiding, die aangeeft welke bestemming/aanduiding van toepassing is op de aangepijlde gronden; 1.8
ander werk
een werk, geen bouwwerk zijnde; 1.9
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de culturele overblijfselen uit oude tijden; 1.10
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.11
bebouwingspercentage
de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van nader aangegeven gronden; 1.12
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
(ontwerp)
49
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe 1.13
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming; 1.14
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.15
bostuin
een veelal omvangrijke tuin, grotendeels bestaande uit bos, of met een bosachtige uitstraling, waar het intensievere gebruik en de specifieke tuininrichting zich beperkt tot 10% van het perceel waarop het bouwvlak is gelegen met een maximum van 400 m2 per perceel; 1.16
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.18
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.19
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.20
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.21
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.22
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.23
cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.24
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
50
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
1.25
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel vallen geen afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten; 1.26
eerste verdieping
de tweede bouwlaag van een hoofdgebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen; 1.27
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28
hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.29
landschappelijke waarde
de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied; 1.30
natuur(wetenschappelijke) waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied; 1.31
normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming; 1.32
peil
a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. het door of namens burgemeester en wethouders bepaalde peil; 1.33
uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.34
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 1.35
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
(ontwerp)
51
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
52
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
breedte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren; 2.2
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekappen, lichtkoepels, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen, tenzij anders is aangegeven in de regels; 2.7
de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens:
vanaf de buitenwerkse gevelvlakken dan wel, indien sprake is van overstekende daken met een overstekend gedeelte van meer dan 0,75 m, respectievelijk overstekken van meer dan 0,75 m, vanaf de buitenrand van het overstekende dak/de overstek, neerwaarts geprojecteerd, tot de kadastrale zijgrens van het perceel. 2.8
Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
(ontwerp)
53
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
54
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Bos - Bostuin
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bos - Bostuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. (hoog)opgaande afschermende beplanting; b. bos en waterlopen; c. het behoud en herstel van landschappelijke en natuur (wetenschappe)lijke waarden; met daarbijbehorende: d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; e. andere werken, waterhuishoudkundige en andere voorzieningen. 3.2
Bouwregels
Op de voor 'Bos - Bostuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. 3.2.1
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, geldt de volgende regel: a. de bouwhoogte mag niet meer dan 2,5 m bedragen. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Omgevingsvergunning
Het bevoegde gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 en toestaan dat per beheersobject van meer dan 200 ha ten dienste van de bosbouw niet meer dan 1 gebouw wordt gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte, de goothoogte en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan respectievelijk 40 m2, 3 m en 6 m. 3.3.2
Afwegingskader
Een in 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de natuur(wetenschappelijke) waarden; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. de sociale veiligheid; g. de externe veiligheid. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; b. het aanleggen of het verharden van wegen en paden; c. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van recreatief of educatief medegebruik; d. het aanbrengen van drainage; e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.
(ontwerp)
55
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
3.4.2
Afwegingskader
Een in 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de historische waarde van de houtopstand; f. de waarde van de leefbaarheid van de houtopstand. 3.4.3 Uitzonderingen op verbod Het in 3.4.1 verbod is niet van toepassing op andere-werken en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
56
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 4 4.1
Wonen - Wonen in het bos
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - Wonen in het bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep, tot het bestaande aantal woningen; met daarbijbehorende: b. gebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. andere werken, tuinen en erven; 4.2
Bouwregels
Op de voor 'Wonen - Wonen in het bos' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. 4.2.1
Hoofdgebouwen in casu woonhuizen
Voor een hoofdgebouw in casu woonhuis gelden de volgende regels: a. een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - categorie B' mag de oppervlakte van een woonhuis niet meer bedragen dan 250 m2 en de inhoud niet meer dan 1.100 m3; c. een hoofdgebouw mag uitsluitend vrijstaand worden gebouwd; d. de breedte van een vrijstaand woonhuis mag niet minder dan 6 m bedragen; e. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 respectievelijk 11 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' en ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' de daar vermelde hoogtes gelden; f. de dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen; g. afwijkingen in maten en afmetingen zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, ook in geval van nieuwbouw, mogen gehandhaafd worden. 4.2.2 Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen Voor een aanbouw, een uitbouw en een bijgebouw gelden de volgende regels: a. een aanbouw, uitbouw of bijgebouw dient binnen een bouwvlak dan wel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' te worden gebouwd; b. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mag niet minder dan 3 m bedragen, met dien verstande dat dit niet geldt ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'; c.
de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 1 m bedragen, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd; d. de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60 m2 met inachtneming van de volgende bepalingen: 1. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het achter de voorgevel van het woonhuis en in het verlengde daarvan gelegen bouwperceel; 2. in afwijking van vorenstaande mag de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen meer bedragen dan 50%, mits de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 15 m2; 3. bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte wordt de oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen voor zover gelegen binnen het bouwvlak tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw niet meegerekend; e. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of een aangebouwd bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; f. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen; g. de bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 5 m bedragen; h.
de bouw van een erker over maximaal de halve breedte van de voorgevel - alsmede het verlengde deel daarvan met een maximale diepte van 1,5 m indien de erker om de hoek wordt gebouwd - is toegestaan, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m;
(ontwerp)
57
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe i.
afwijkingen in maten en afmetingen zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan mogen worden gehandhaafd. 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van een terreinafscheiding, dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd; b. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen; c. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen; d. de oppervlakte van een niet-overdekt zwembad mag niet meer dan 75 m2 bedragen; e. de bouwhoogte van een bij een tennisbaan behorend hekwerk mag niet meer dan 4 m bedragen; f. de bouwhoogte van vlaggemasten en lichtmasten mag niet meer dan 5 m bedragen; g. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen. 4.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de milieusituatie; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. de sociale veiligheid. 4.4
Afwijken van de bouwregels
4.4.1
Omgevingsvergunning
Het bevoegde gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. 4.2.1 onder e en toestaan dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt verhoogd tot niet meer dan 6 m; b. 4.2.1 onder f en toestaan dat de dakhelling wordt verkleind tot niet minder dan 0 o dan wel dat een hoofdgebouw (gedeeltelijk) wordt voorzien van een plat dak; c. 4.2.1 onder f en toestaan dat ten behoeve van afwijkende dakvormen de dakhelling wordt vergroot; d. 4.2.2 onder b en toestaan dat een aanbouw, uitbouw of bijgebouw tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd; e. 4.2.2 onder d en toestaan dat bij de huisvesting van twee huishoudens in één woonhuis, per huishouden een oppervlakte van 30 m2 is toegestaan en dat deze oppervlakte naar rato kan worden vermeerderd tot ten hoogste 60 m2 bij een woonhuis met een inhoud van 800 m3. 4.4.2 Afwegingskader Een in 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e. de sociale veiligheid; f. de externe veiligheid. 4.5
Specifieke gebruiksregels
4.5.1
Strijdig gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. de bewoning van vrijstaande bijgebouwen; b. de recreatieve bewoning van bijgebouwen;
58
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe c.
het gebruik van gronden voor de opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voertuigen, schroot, afbraak- en bouwmaterialen, vuil- en afvalstoffen, behoudens de opslag die geschiedt in het kader van het normale gebruik. 4.5.2 Aan huis verbonden beroep Een aan huis verbonden beroep is toegestaan, met dien verstande dat: a. ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis met de daarbij behorende bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat deze gezamenlijke oppervlakte nimmer meer bedraagt dan 50 m2; b. de uitstraling als woning intact blijft; c. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu; d. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt; e. geen detailhandel is toegestaan. 4.6
Afwijken van de gebruiksregels
4.6.1
Omgevingsvergunning
Het bevoegde gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 ten behoeve van de huisvesting van twee huishoudens, mits het aantal woningen niet wordt vergroot, de inhoud van het woonhuis niet minder is dan 500 m 3 en de uiterlijke verschijningsvorm wordt gehandhaafd. 4.6.2
Afwegingskader
Een in 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de milieusituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e. de sociale veiligheid; f. de externe veiligheid.
(ontwerp)
59
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
60
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming (basisbestemming), primair bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Bouwverbod
Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd. 5.2.2
Uitzondering
Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing op: a. werken en bouwprojecten met een oppervlakte van niet meer dan 100 m²; b. bouwactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; c. bouwprojecten waarvoor een bouw- of omgevingsvergunning is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Omgevingsvergunning
Het bevoegde gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de (basis)bestemming. 5.3.2
Afwegingskader
Een in 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische waarde geen bezwaar bestaat, hetgeen kan blijken uit een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1
Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk; d. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. 5.4.2 Uitzondering Het in 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op andere-werken en werkzaamheden die: a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen; b. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. betrekking hebben op de in 5.2.2 genoemde (bouw)werkzaamheden. 5.4.3 Afwegingskader a. Een in 5.4.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van archeologische waarden, hetgeen dient te blijken uit een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. b.
Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het onderdeel van het bevoegde gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan ook als een rapport beschouwd.
(ontwerp)
61
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
62
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
(ontwerp)
63
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
64
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 7
Algemene bouwregels
Voor legale bouwwerken die afwijken van de in de regels gestelde afstandseisen, oppervlakte- en/of hoogtebepalingen en of overige bouwbepalingen gelden de bestaande maten voor zo ver die aanwezig waren op het tijdstip van het ter visie leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan en voor zo ver het legale bouwwerken zijn.
(ontwerp)
65
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
66
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
Onder een gebruik strijdig met alle bestemmingen wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting;
(ontwerp)
67
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
68
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 9 9.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijkingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt voor de bouwhoogte; b. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. de bestemmingsregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein mits de structuur van het plan niet wordt aangetast en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; d. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 10 m; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m; f. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door: 1.
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen; 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; 3. hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden; 4. het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 m; g. het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 m; h. het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen en worden toegestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen. 9.2
Afwegingskader
Een in lid 9.1 genoemde omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de milieusituatie; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. de sociale veiligheid;
(ontwerp)
69
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
70
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 10 10.1
Overige regels
Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 10.2
Parkeernormen
10.2.1 Parkeernormen a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Bijlage 1 Nota parkeernormen; b. indien gedurende de planperiode een nieuwe versie van de onder a bedoelde Nota parkeernormen wordt vastgesteld, wordt deze nieuwe versie in acht genomen. Het aanleggen en / of instandhouden van voornoemde parkeergelegenheid geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. 10.2.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen. Het aanleggen en / of instandhouden van voornoemde ruimte, met bijhorende voorzieningen, geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.
10.2.3 Afwijken Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.2.1 en artikel 10.2.2 indien: a. het voldoen aan die bepalingen gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk is en/of op overwegende bezwaren stuit, en / of; b. op andere wijze of op een andere locatie wordt voorzien in de parkeerbehoefte. 10.2.4 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 10.2.1 en 10.2.2 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen en / of het aanleggen van voorzieningen voor het laden en lossen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij het (functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen. Een nadere eis kan tevens gesteld worden bij die (bouw)plannen waarvan de functie niet genoemd wordt in de tabel met parkeernormen zoals opgenomen in het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.
(ontwerp)
71
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
72
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Hoofdstuk 4 Artikel 11 11.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.2
Afwijken
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 11.3
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.4
Gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik. 11.5
Strijdig gebruik
a. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 11.4 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. b. Indien het gebruik, bedoeld in 11.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.6
Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Het bepaalde in 11.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
(ontwerp)
73
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
74
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan 'Officiersweg 76 Epe'.
(ontwerp)
75
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
76
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlagen
(ontwerp)
77
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
78
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Bijlage 1
(ontwerp)
Nota parkeernormen
79
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
80
(ontwerp)
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
Verbeelding
(ontwerp)
81
bestemmingsplan Officiersweg 76 Epe
82
(ontwerp)
17
Legenda Plangebied
Enkelbestemmingen 2
BO-BOT
Bos - Bostuin
W-WBO
Wonen - Wonen in het bos
Dubbelbestemmingen WR-A
Waarde - Archeologie
Bouwvlakken BO-BOT
13 W-WBO [sba-cb]
WR-A
Of
bouwvlak
Bouwaanduidingen [sba-cb]
specifieke bouwaanduiding - categorie b
76
fici ers
74 we
g
70 Bestemmingsplan:
Officiersweg 76 Epe Gemeente Epe
103
Datum:
WDK
15-12-2020
Formaat:
Schaal:
A3
1:500
Tekeningnummer: NL.IMRO.0232.EPE037Officiersw76-OBP1
GIS/CAD Ondersteuning en software
Opdrachtgever: Slaa en Van Asselt Architecten Status: ontwerp
Get.:
Noordpijl
Dalenstraat 4B, 5466 PM Eerde Tel: 0413-303279 E-mail: info@bragis.nl Web: www.bragis.nl
Nota Parkeernormen 2018 gemeente Epe
1
2
Inhoud Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 5 1.1 Doel .............................................................................................................................................................. 5 1.2 Werkwijze parkeereis ................................................................................................................................... 5 1.3 Afwijken ......................................................................................................................................................... 6 1.4 Extra eisen ..................................................................................................................................................... 6 Hoofdstuk 2 Bepalen parkeereis ............................................................................................................................. 7 Stap 1 Gebiedsindeling ........................................................................................................................................ 8 Stap 2 Vastellen ruimtelijk programma .............................................................................................................
10 Stap 3 Bepalen dubbelgebruik binnen ruimtelijk plan per dagdeel .................................................................. 11 Stap 4 Totale parkeereis .................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 3 Afwijken van de parkeereis............................................................................................................... 13 3.1 Inleiding ....................................................................................................................................................... 13 3.2 Toelichting stappenplan .............................................................................................................................. 14
8 november 2018 3
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Doel Parkeernormen worden gehanteerd om bij bouwplannen of wijzigingen in het gebruik de behoefte van het benodigde aantal parkeerplaatsen te bepalen. Het uitgangspunt is dat bij de ontwikkeling van een plan het aantal benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Hiermee wordt er voor gezorgd dat de parkeerdruk niet op het openbaar gebied wordt afgewenteld en daar vervolgens tot problemen leidt. 1.2 Werkwijze parkeereis De werkwijze en de principes die wij hanteren om de parkeereis van een ruimtelijk plan te bepalen, zijn opgenomen in hoofdstuk 2. Hieronder geven wij een toelichting op de achterliggende gehanteerde principes. Voor de te hanteren parkeernormen is aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317, oktober 2012). Deze publicatie biedt een handreiking voor bijvoorbeeld het bepalen van het aantal verkeersbewegingen die een bepaalde functie genereert maar ook voor de parkeernorm (parkeerkencijfer) die bij de functie hoort. De parkeernorm neemt daarbij af naarmate het project dichter bij het centrum ligt van een zeer stedelijk gebied en is het hoogst als het project in het buitengebied ligt van een niet stedelijk gebied.
Voor elk soort gebied wordt door voornoemde CROW-publicatie per functie een bandbreedte gegeven voor de hanteren parkeernorm (minimaal - maximaal).
Voorbeeld van een tabel met parkeerkencijfers uit de uitgave 317 van het CROW
Stedelijkheidsgraad Voor de gehele gemeente Epe is de stedelijkheidsgraad bepaald op ‘weinig stedelijk’ op basis van de adressendichtheid. Alleen het centrum van Epe is aangemerkt als ‘matig stedelijk’. Het centrum van Epe heeft een bovenlokale functie als wordt gekeken naar het winkelvoorzieningenniveau en de aantrekkingskracht op bezoekers uit de regio en recreanten in het toeristenseizoen (en daarmee gepaard gaande activiteiten in het centrum). Gemiddelde parkeernorm Voor Epe is binnen de bandbreedte die het CROW hanteert de gemiddelde parkeernorm aangehouden. Dit is mede gebaseerd op het autobezit, fietsgebruik, de huidige praktijkervaringen en het parkeerbeleid. Het autobezit per huishouden in Epe bedraag 1,2 (2016). Dit ligt boven het landelijke gemiddelde van 0,9. In de parkeernormen wordt hier echter rekening mee gehouden door de keuze per stedelijkheidsgraad. Ook de buurgemeenten kennen een autobezit van 1,2 per huishouden (uitgezonderd de gemeente Apeldoorn, maar die wijkt af van de gemeente Epe qua type stedelijkheidsgraad en omvang).
5
Fietsgebruik: het aandeel fietsgebruik in Epe ligt rond de 34%. Dit is overeenkomstig het landelijke gemiddelde. Dit is echter een cijfer uit 2008 en niet recent. De landelijke trend is dat het fietsgebruik toeneemt, onder andere vanwege de opkomst van de e-bike, speedpedelec etc. De verwachting is dat het aantal inwoners binnen de gemeente Epe niet significant zal gaan stijgen en stabiel zal blijven. De huidige parkeersituatie geeft aan dat met de gemiddelde actuele normen kan worden voorzien in de opvang van de parkeervraag. Het huidige parkeerbeleid binnen de gemeente Epe is dat er geen vormen van parkeerregulering worden toegepast in de dorpscentra en woonwijken. Vanuit het vigerende parkeerbeleid worden er geen beperkende maatregelen genomen om het autobezoek aan de centra te verminderen.
1.3 Afwijken In de meeste gevallen is in het kader van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk dat het aantal parkeerplaatsen dat volgt uit toepassing van de desbetreffende parkeernorm gerealiseerd wordt en is dat ook mogelijk binnen het plangebied. Maar het komt regelmatig voor dat een kleiner aantal parkeerplaatsen volstaat en dat (een deel) van de al aanwezige parkeerplaatsen in het openbaar gebied gebruikt kan worden. In die situaties kan afgeweken worden van de normstelling of de locatie-eis. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een goede parkeerbalans in het gebied waarin het project gelegen is. Een goede parkeerbalans beoogt een evenwichtige verhouding tussen de parkeervraag en het parkeeraanbod. In dit plan is daarom een regeling opgenomen die de mogelijkheid biedt om gemotiveerd af te kunnen wijken van de gestelde parkeernorm. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 3. 1.4 Extra eisen Het kán in incidentele gevallen ook voorkomen dat de gestelde norm te laag is. Het bestuur is dan bevoegd om extra eisen op te leggen: de 'nadere eis'. De nadere eis is vergelijkbaar met de afwijking, maar heeft een 'omgekeerde' werking: de norm wordt strenger in plaats van minder streng. Deze mogelijkheid bestaat ook voor plannen waarbij de te realiseren functies niet aansluiten op de functies zoals beschreven in de uitgave van het CROW.
Het opleggen van een nadere eis zal niet vaak voorkomen, maar is gezien de grote gevolgen die een verkeerde parkeerbalans heeft voor de omgeving van een plan, gerechtvaardigd. Zeker daar dit besluit voorzien moet worden van een gedegen motivering waarbij het besluit vatbaar is voor bezwaar en beroep.
6
Hoofdstuk 2 Bepalen parkeereis Onderstaand is beknopt de werkwijze weergegeven om de parkeereis te bepalen. Deze werkwijze wordt in dit hoofdstuk uitgelegd. Daarbij is aangegeven welke principes wij hanteren. Stap 1 Bepalen ligging plangebied
De ligging bepaalt welke parkeernormen van toepassing zijn. In de parkeerbalans wordt per ruimtelijke functie de parkeervraag berekend door de oppervlakte van de ruimtelijke functie of aantal woningen te vermenigvuldigen met de parkeernorm, zoals opgenomen in deze nota. Het totaal hiervan vormt de totale parkeerbehoefte. Indien het ruimtelijk plan uit meerdere ruimtelijke functies bestaat, wordt er binnen het ruimtelijk plan gekeken naar dubbelgebruik. Per dagdeel kan de parkeervraag per functie verschillen. Bijv. op zaterdagmiddag is de parkeerbehoefte voor detailhandel maximaal en voor een kantoorfunctie minimaal. Dit kan er toe leiden dat dubbelgebruik van parkeerplaats en mogelijk is binnen het ruimtelijke plan. Per dagdeel wordt daarom de parkeerbehoefte berekend door het toepassen van aanwezigheidspercentages, zoals opgenomen in deze nota. Het dagdeel met de hoogste parkeerbehoefte is maatgevend. Zoveel parkeerplaatsen moeten in het plan aanwezig zijn om in de parkeerbehoefte van de betreffende ruimtelijke functies te voorzien. Ten behoeve van het bezoekers aandeel wordt bepaald hoeveel parkeerplaats er openbaar toegankelijk moeten zijn.
Stap 2 Vastellen ruimtelijk programma
Stap 3 Bepalen dubbelgebruik binnen ruimtelijk plan per dagdeel
Stap 4 Parkeereis
7
Stap 1 Gebiedsindeling Voor de parkeernormen is aansluiting gezocht bij de functielijsten en de waarden uit de publicatie 317 van het CROW uit 2012. Verder onderscheid het CROW een drietal gebieden: centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Op navolgende kaarten is weergegeven hoe de gemeente Epe op deze manier is ingedeeld.
Buitengebied: dit zijn alle gebieden die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Centrum Epe: dit is het gebied binnen de centrumring (binnen de met groen aangegeven begrenzing) Centrum Vaassen: dit is het gebied binnen de (parkeer)ruit (binnen de met groen aangegeven begrenzing) Rest bebouwde kom: dit zijn alle gebieden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom, maar buiten de centra van Epe en Vaassen (binnen de met rood aangegeven begrenzing).
Epe
Oene
Emst
Vaassen
Indeling gemeente Epe
8
Begrenzing rest bebouwde kom Epe (rood) en centrum Epe (groen)
Begrenzing rest bebouwde kom Vaassen, Eekterveld en Emst (rood) en centrum Vaassen (geel)
9
Stap 2 Vastellen ruimtelijk programma In de parkeerbalans wordt per ruimtelijke functie de parkeervraag berekend door de oppervlakte van de ruimtelijke functie te vermenigvuldigen met de parkeernorm, zoals opgenomen in bijlage 1. Voor woningen wordt de parkeervraag berekend per type en aantal woningen, vermenigvuldigd met de parkeernorm. Het totaal hiervan vormt de totale parkeerbehoefte waar binnen het plan in moet worden voorzien. Bruto vloeroppervlak Bij veel ruimtelijke functies die zijn opgenomen in de tabel wordt de term BVO (Bruto Vloer Oppervlakte) gehanteerd. Dit betreft de vloeroppervlakte gemeten langs de buitenomtrek van het gebouw. Hierin worden ook de ruimtes, zoals de gang, trap en lift in meegenomen. Woningtype Bij het bepalen van woningentype gelden de volgende oppervlaktematen voor het gebruiksvloeroppervlak (NEN2580): Grondgebonden
Appartement
Goedkoop
< 110 m²
< 100 m2
Midden
110 m² - 155 m²
100 m2 - 125 m2
Duur
> 155 m²
> 125 m2
Maatvoering Langsparkeerplaatsen zijn minimaal 2,0 meter breed en minimaal 6,0 meter lang (een lengte van 5,5 meter is mogelijk bij de parkeerplaatsen die aan de kopse kant liggen). Haaksparkeerplaatsen zijn minimaal 2,5 meter breed en hebben een minimale lengte van 5,0 meter. Parkeren op eigen terrein bij woningen Parkeerplaatsen op eigen terrein worden meestal niet volledig of gecombineerd gebruikt. Daarom wordt hiervoor een berekeningsaantal toegepast (gebaseerd op de praktijkervaring) versus het theoretisch aantal wat fysiek mogelijk is. Om te berekenen in hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein wordt voorzien dient het berekeningsaantal te worden gehanteerd. Parkeervoorziening
Theoretisch aantal Enkele oprit zonder garage 1 Lange oprit zonder garage of carport 2 Dubbele oprit zonder garage 2
Berekeningsaantal
Opmerking
0,8 1 1,7
Oprit min. 5,0 meter diep > 11,0 meter Oprit min. 4,5 meter breed
Garage/carport zonder oprit (bij woning) Garagebox/carport (niet bij woning) Garage/carport met enkele oprit Garage/carport met lange oprit Garage/carport met dubbele oprit
1
0,4
1 2 3 3
0,5 1 1,3 1,8
Oprit min. 5,0 meter diep Oprit min. 4,5 meter breed
Bij iedere woning dient minimaal 0,3 parkeerplaats (per woning) ten behoeve van bezoekers openbaar toegankelijk te zijn.
10
Parkeren op eigen terrein Het inrichten van de tuin als parkeerplaats is een mogelijkheid om altijd te beschikken over een parkeerplaats. Voor het gebruik van deze parkeerplaats is een inrit nodig. De aanleg van een inrit tot de tuin gaat meestal ten koste van het parkeren op straat. De gemeente toetst daarom ondermeer op de gevolgen voor het parkeren. De aanleg van de inrit mag niet ten koste gaan van de openbare parkeercapaciteit. Loopafstanden Onderstaand zijn de loopafstanden weergegeven die als acceptabel worden beschouwd bij de diverse ruimtelijke functies. Deze zijn overgenomen uit de CROW publicatie 317. Parkeerplaatsen bij nieuwe ruimtelijke functies moeten binnen deze loopafstand (gemeten via de looproute) te worden gerealiseerd. De acceptatie van de loopafstand hangt af van de parkeerduur en van het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres.
Gehandicaptenparkeerplaatsen Bestuurders of passagiers die beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart kunnen gebruik maken van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen in de centra of bij voorzieningen. De parkeerplaats is gemarkeerd met een kruis en het verkeersbord E6 'Gehandicaptenparkeerplaats'. Anderen mogen er niet parkeren. Bij elk openbaar gebouw hoort tenminste één algemene gehandicaptenparkeerplaats aanwezig te zijn. Bij publieke voorzieningen moet 5% van het aantal parkeerplaatsen worden aangelegd als algemene gehandicaptenparkeerplaats. De afstand tot de ingang van het gebouw dient minder te zijn dan 50 meter. Stap 3 Bepalen dubbelgebruik binnen ruimtelijk plan per dagdeel Indien het ruimtelijk plan uit meerdere ruimtelijke functies bestaat, wordt er binnen het ruimtelijk plan gekeken naar dubbelgebruik. Per dagdeel kan de parkeervraag per functie verschillen. Bijv. op zaterdagmiddag is de parkeerbehoefte voor detailhandel maximaal en voor een kantoorfunctie minimaal. Dit kan er toe leiden dat dubbelgebruik van parkeerplaats en mogelijk is. Per dagdeel wordt daarom de parkeerbehoefte berekend door het toepassen van aanwezigheidspercentages, zoals hieronder opgenomen.
11
Voor horeca hanteren wij de volgende aanwezigheidspercentages:
horeca
Werkdagochtend 30%
Werkdagmiddag 40%
Werkdagavond 90%
Koopavond 90%
Werkdagnacht 70%
Zaterdagmiddag 40%
Zaterdagavond 100%
Zondagmiddag 40%
Stap 4 Totale parkeereis Het dagdeel met de hoogste parkeerbehoefte is maatgevend. Zoveel parkeerplaatsen moeten in het plan aanwezig zijn om in de parkeerbehoefte van de betreffende ruimtelijke functies te voorzien. Uitgangspunt daarbij is parkeren op eigen terrein. Ten behoeve van het bezoekers aandeel wordt bepaald hoeveel parkeerplaats er openbaar toegankelijk moeten zijn. Afronding Bij het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt gerekend met één decimaal. Ook de uitkomst is op één decimaal nauwkeurig; bijvoorbeeld 13,5 parkeerplaatsen. Het heeft echter weinig toegevoegde waarde om ook een halve parkeerplaats aan te leggen. Daarom geldt bij het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen dat de uitkomst van de berekening afgerond wordt op een geheel aantal parkeerplaatsen waarbij vanaf '0,5' en hoger naar boven wordt afgerond. 12
Hoofdstuk 3 Afwijken van de parkeereis 3.1 Inleiding Om maatwerk te kunnen leveren is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Daarmee kan afgeweken worden van de eis om (al dan niet alle) parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren en / of om de norm te verlagen. In specifieke situaties kan het maatwerk dat nodig is er ook toe leiden dat eisen worden opgelegd via de nadere eis. Parapluplan Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 en artikel 5.2 indien: a. het voldoen aan die bepalingen gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk is en/of op overwegende bezwaren stuit, en / of; b. op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Om beargumenteerd te kunnen afwijken van de parkeereis dient onderstaand stappenplan te worden doorlopen.
13
3.2 Toelichting stappenplan
bron: arnhem@buro-sro.nl
14
1. 2. 3.
De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen (zie hoofdstuk 2) Afhankelijk van de aard van het initiatief kunnen er redenen zijn voor het hanteren van een lagere parkeernorm. In sommige gevallen zijn er bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving die benut kunnen worden. Voorwaarde is dat de actuele bezettingsgraad een toenemend gebruik toelaat. Bij grotere plannen vraagt dit om een parkeeronderzoek naar de bezettingsgraad tijdens maatgevende tijdstippen.
4.
De parkeerbehoefte (of een deel daarvan) kan worden gerealiseerd door in de directe omgeving (openbaar gebied of particulier terrein) parkeerplaatsen te realiseren.
5.
Indien niet (geheel) kan worden voorzien in de parkeerbehoefte kan de initiatiefnemer een storting doen in het parkeerfonds.
6.
Indien gemotiveerd kan worden dat sprake is van een plan met een uitzonderlijke maatschappelijke meerwaarde of bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, kan positief geadviseerd worden, ondanks dat niet voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte of geen sprake is van een storting in het parkeerfonds.
Hieronder volgt een toelichting per stap (stap 1 is beschreven in hoofdstuk 2). 2. Is er aanleiding tot het hanteren van lagere normen? Als een aanvrager kan aantonen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden kan een verlaging van de parkeereis worden toegepast. Dit is maatwerk. 3. Kunnen bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving worden benut? Een initiatief mag niet leiden tot parkeeroverlast in de omgeving. Echter in de openbare ruimte kan wel restcapaciteit aanwezig zijn voor het maatgevende dagdeel, zoals is vastgesteld in het bepalen van de parkeereis (zie hoofdstuk 1). Dit is alleen te bepalen op basis van parkeeronderzoek in de openbare ruimte, waarbij op het maatgevende moment (met toevoeging van de nieuwe ruimtelijke functies uit het plan) de parkeerdruk onder de 85% blijft. Als er binnen 10 jaar ontwikkelingen zijn die van invloed zin op de parkeerdruk, dient hier rekening meet te worden gehouden. Ook dient te worden bepaald welk gebied van de openbare ruimte mag worden meegerekend qua dubbelgebruik. Hierbij zijn de acceptabele loopafstanden uit hoofdstuk 2 leidend. Als er niet voldoende recente onderzoeksgegevens beschikbaar zijn, dient de aanvrager van het ruimtelijke plan een parkeeronderzoek te laten uitvoeren. 4.
Kan het tekort in de openbare ruimte worden gerealiseerd? De parkeerbehoefte (of een deel daarvan) kan worden gerealiseerd door in de directe omgeving (openbaar gebied of particulier terrein) parkeerplaatsen te realiseren. Voorwaarde is dat de loopafstand aanvaardbaar is (zie loopafstanden die zijn opgenomen in hoofdstuk 2). 5. Wordt voor de aanleg van de parkeerplaatsen een bijdrage in het parkeerfonds gestort? Indien de voorgaande stappen geen soelaas bieden en het aanpassen van het bouwvolume niet mogelijk is, kan de aanvrager van een ruimtelijk plan binnen de bebouwde kom bij het college een gemotiveerd schriftelijk verzoek indienen om de (resterende) parkeereis af te kopen. Het college kan besluiten om op deze wijze ontheffing te verlenen van de parkeereis, wanneer zij vindt dat de realisatie van het plan belangrijker is dan de (tijdelijke) nadelige gevolgen op het gebied van bereikbaarheid en leefbaarheid. Als het college ontheffing verleent van de parkeereis, neemt zij de verplichting van de aanvrager over om te zorgen voor
15
voldoende parkeergelegenheid. Aan het verlenen van een ontheffing verbindt het college een financiële voorwaarde. De rechten, plichten en de hoogte van het bedrag worden vastgelegd in een overeenkomst. De hoogte van de parkeerbijdrage per parkeerplaats is bepaald op €6.275,-. De financiële onderbouwing van de afkoopbijdrage kunt u vinden in bijlage 2. De bijdrage in de reserve kan de gemeente, behalve voor de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen, ook inzetten voor het in stand houden van reeds gerealiseerde (al dan niet voorgefinancierde) parkeerplaatsen of alternatieve vormen van vervoer die een positief effect hebben op de parkeerdruk (zoals het stimuleren van fietsparkeervoorzieningen in de dorpscentra). Parkeerplaatsen die in het kader van deze afkoopregeling worden gerealiseerd zijn openbaar toegankelijk. De aanvrager kan geen rechten ontlenen aan de afkoopbijdrage. 6. Gemotiveerd afwijken i.v.m. uitzonderlijke maatschappelijke meerwaarde of bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit Indien gemotiveerd kan worden dat er sprake is van een plan met een uitzonderlijke maatschappelijke meerwaarde of bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, kan positief geadviseerd worden, ondanks dat niet voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte of geen sprake is van een storting in het parkeerfonds.