CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

359152 Nota bodembeheer 2021

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Nota Bodembeheer Gemeente Epe34.750 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Niet gevonden in dit document.

•

2.5.5

De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden. De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden. Lood overschrijdt de gestelde maximale waarde 270 mg/kg ds (gemeten) niet.

Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse ‘Wonen’

Om de nu relatief beperkte hergebruiksmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente Apeldoorn toe dat in aangewezen gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’, grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (zie de kaartbijlagen 5A en 5B). Gemeente Apeldoorn • Grootschalige uitbreidingen in bodemkwaliteitszone B12. Apeldoorn, buitengebied. • Bodemkwaliteitszones ‘T2/O2. Apeldoorn, Wonen 1’ (Zevenhuizen, Zuid, Kerschoten, Het Loo, Orden, Berg en Bos, Ugchelen, Beekbergen, Loenen, Klarenbeek, Lieren en Wenum). • Bodemkwaliteitszones ‘T3/O3. Apeldoorn, Wonen 2’ (Zuidbroek, Zonnehoeve, De Maten, Woudhuis en Osseveld, Uddel en Hoenderloo). Gemeenten Brummen, Epe en Voorst • Bodemkwaliteitszone B11. Brummen/Epe/Voorst, Jonge bedrijventerreinen en de hieronder liggende bodemkwaliteitszones T7/O7. Overig gebied. • Grootschalige uitbreidingen in bodemkwaliteitszones (buitengebied): o B13. Brummen, buitengebied. o B14. Epe, buitengebied. o B15. Voorst, buitengebied. o T7/O7. Overig gebied.

16 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is vastgesteld voor de volgende gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’: Gemeente Apeldoorn • Bodemkwaliteitszones ‘T2/O2. Apeldoorn, Wonen 1’ (Zevenhuizen, Zuid, Kerschoten, Het Loo, Orden, Berg en Bos, Ugchelen, Beekbergen, Loenen, Klarenbeek, Lieren en Wenum). • Bodemkwaliteitszones ‘T3/O3. Apeldoorn, Wonen 2’ (Zuidbroek, Zonnehoeve, De Maten, Woudhuis en Osseveld, Uddel en Hoenderloo). Gemeenten Brummen, Epe en Voorst • Bodemkwaliteitszone B11. Brummen/Epe/Voorst, Jonge bedrijventerreinen en de hieronder liggende bodemkwaliteitszones T7/O7. Overig gebied. • Grootschalige uitbreidingen in bodemkwaliteitszones (buitengebied): o B13. Brummen, buitengebied. o B14. Epe, buitengebied. o B15. Voorst, buitengebied. o T7/O7. Overig gebied.

2.5.6

Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen met gevoelig bodemgebruik)

Op de grondgebieden van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst bevinden zich een aantal voormalige stortplaatsen. De bovenafdichting van een deel van deze stortplaatsen is of wordt in de toekomst mogelijk onvoldoende. Het toepassen van grond “als bovenafdichting voor een stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal” wordt binnen het Besluit als een nuttige toepassing gezien (artikel 35 onderdeel d). De toe te passen grond moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van vrijgekomen grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’, ‘Stedelijk wonen’ en ‘Industrie’ vergroten door deze toe te passen op stortplaatsen waar de bovenafdichting onvoldoende is. Omdat de stortplaatsen in het buitengebied en in woongebieden zijn gelegen, voldoet de kwaliteitsklasse ‘Wonen’, ‘Stedelijk wonen’ of ‘Industrie’ niet altijd aan de toepassingseis ter plaatse (in de regel ‘Wonen’ of ‘Achtergrondwaarden - AW2000’). Daarom stellen de gemeenten voor het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen waarop gevoelig bodemgebruik10 plaatsvindt) onder de volgende voorwaarden Lokale Maximale Waarden vast: 10

Hieronder wordt verstaan: wonen met tuin, onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen (zoals bijvoorbeeld openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij -particuliere-

17 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Alleen voor oude stortplaatsen waarvan de bovenafdichting onvoldoende is, mag grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’, ‘Stedelijk wonen’ of ‘Industrie’ worden gebruikt ter eenmalige verbetering (het voldoende op dikte brengen) van de bovenafdichting. Grond met de kwaliteitsklasse ‘Stedelijk wonen’ of ‘Industrie’ mag worden gebruikt alleen in combinatie met het aanbrengen van een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag. 2.5.7

2.5.7.1

Lokale Maximale Waarden hergebruik van nature arseenhoudende grond (gemeente Epe) Inleiding

In de gemeente Epe komt veelvuldig arseen in (sterk) verhoogde gehalten in de grond voor. De (sterk) verhoogde gehalten hebben een natuurlijke oorzaak, maar zijn veelal boven de hergebruiksnormen voor grond vanuit de Regeling en/of de al vastgestelde toepassingsnormen door de gemeente (vanuit de eerder opgestelde nota bodembeheer) gelegen. Dit zorgt ervoor dat gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt binnen de gemeente. Het in deze paragraaf geformuleerde beleid is gebaseerd op de notitie “Wijziging beleidsregels Nota bodembeheer (2011) voor gemeente Epe, hergebruik van nature arseenhoudende grond”[16] uit 2020. 2.5.7.2

Van nature verhoogd arseen

Op kaartbijlage 6 zijn de bij de gemeente Epe bekende arseengehalten in de bovengrond weergegeven (periode 1986-2018). De gehalten zijn getoetst aan verschillende bekende toetsnormen. Kaartbijlage 6 bevestigt dat in de bovengrond veelvuldig sterk verhoogde arseengehalten voorkomen, onder meer ter plaatse van beekeerdgronden 11. De van nature (sterk) verhoogde arseengehalten in de grond van Epe zijn het gevolg van jarenlange verwering van ijzer- en arseenhoudende mineralen in hooggelegen gebieden, gevolgd door uitspoeling en precipitatie (neerslag) van het ijzer en arseen in lager gelegen gebieden. IJzeraanrijking van grond komt met name voor op plaatsen waar grondwater opkwelt. Het arseen in het kwelwater adsorbeert aan de aanwezige ijzer(hydr)oxiden en mogelijk aan organisch materiaal. Bodems met van nature verhoorde arseengehalten zijn veelal te herkennen aan het voorkomen van roestvlekken aan de gronddeeltjes en ijzeroer. Ook kan arseenhoudend kwelwater direct in een watergang terecht komen waarna het arseen adsorbeert in de sliblaag van de waterbodem. Vervolgens kan door onderhoudsbaggerspecie het arseenhoudende slib op de oevers van de watergangen terecht komen.

kinderopvanginstellingen), intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen, moes- en volkstuincomplexen. 11 Bron ligging beekeerdgronden kaartbijlage 6: Provincie Gelderland.

18 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.5.7.3

Verschillende toetsnormen voor arseen in de grond

Voor arseen zijn verschillende toetsnormen beschikbaar en bepalend daarbij is het gebruik en de mogelijke risico’s die daaruit voortkomen. In bijlage 6 is een overzicht hiervan opgenomen. Veel van deze toetsnormen zijn gebaseerd op gemiddelde waarden die in Nederland voorkomen en de mogelijke risico’s voor ecologie. De gebieden waar van nature verhoogde arseengehalten voorkomen zijn echter afwijkend en meerdere toetsnormen zijn niet geschikt om te gebruiken als toepassingsnorm voor gebiedseigen grond. In tegenstelling tot verontreinigingen die veroorzaakt zijn door antropogene invloeden, is het in gebieden met van nature verhoogd arseengehalten niet logisch om de toepassingsnormen te baseren op ecologische risico’s. Bij ecologische risico’s gaat het om de schadelijke effecten van de stof (in dit geval arseen) op het ecosysteem. Dit is niet aan de orde bij van nature verhoogd gehalten aan arseen. Het ecosysteem in dit gebied is namelijk ontstaan ondanks of juist dankzij de aanwezige arseengehalten in de grond: de natuur heeft zich aangepast aan de natuurlijke toestand van de bodem. Voor het bepalen van een lokale norm van arseen voor dit specifiek gebied is uitgegaan van humane risiconormen. 2.5.7.4

Lokale Maximale Waarden hergebruik van nature arseenhoudende grond

Inleiding Zoals in § 2.5.7.2 al is aangegeven komt in de gemeente Epe van nature (sterk) arseenhoudende grond voor. De verhoogde gehalten zorgen voor knelpunten bij hergebruik van deze grond binnen de gemeente Epe. Gebiedseigen grond kan hierdoor niet voldoende worden hergebruikt (alleen ter plaatse van de watergangoevers tot maximaal 50 meter buiten het hart van de watergang/beek) en moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Dit leidt tot extra verwerkingskosten en kosten voor de aanschaf van grond van elders (bijvoorbeeld een grondbank). In de hierna volgende paragrafen is daarom gebiedsspecifiek beleid geformuleerd voor het hergebruik van grond in de gemeente Epe waarin arseen van nature (sterk) verhoogd voorkomt, als ook de onderbouwing van dit beleid. Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Uit tabel B6.1 in bijlage 6 blijkt dat de hergebruiksnormen voor arseen in de grond veelal zijn afgeleid van ecologische risico’s en mogelijke risico’s bij agrarische bodemfuncties (akkerbouw/veeteelt). Humane risicowaarden liggen vele malen hoger. Omdat het arseen van nature in (sterk) verhoogde gehalten voorkomt, zijn de ecologische waarden (en de daarbij behorende normen) minder relevant. De ecologie heeft zich al eeuwenlang op de met arseen verrijkte bodem ingesteld.

Voor arseen is er geen relatie aangetoond tussen (sterk) verhoogde gehalten en nadelige effecten bij agrarisch gebruik. In 1991 zijn de LAC-signaalwaarden opgesteld die in 2006 zijn geactualiseerd. Voor arseen is geen relatie tussen bodem en plant aangetoond. De LACsignaalwaarden zijn gebaseerd op de mogelijke schade aan de gewasontwikkeling en mogelijke opbrengstderving, en zijn niet gebaseerd op de doorvergiftiging van arseen via en opname van arseen door gewassen. Ter plaatse van de arseenhoudende gronden (beekeerdgronden) in de

19 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

gemeente Epe zijn nadelige effecten overigens niet bekend, ook al zijn deze gebieden al eeuwen lang in gebruik voor agrarische functies. Mede hierom worden de gemeentelijke toepassingsnormen voor hergebruik van grond met natuurlijk verhoogde arseengehalten niet gebaseerd op de LAC-signaalwaarden, maar op de humane risicowaarden die zijn benoemd in het RIVM rapport 711701023[18] en het eerder vastgestelde beleid van de gemeente (zie tabel 2.1). Het in tabel B6.1 in bijlage 6 genoemde gehalte van 2.600 mg/kg ds als humane risicogrenswaarde voor de bodemgebruiksfuncties ‘Natuur’, ‘Groen met natuurwaarden (voor sport en recreatie, stadsparken)’ en ‘Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ wordt bewust niet gehanteerd. Deze waarde is onderbouwd omdat er bij die bodemgebruiken geen tot weinig, of alleen kortstondig, contact met de bodem (kan) plaatsvinden. De gemeente Epe wil rekening houden met een ieder die in deze gebieden langduriger in contact kunnen komen met de bodem ter plaatse, en hanteert daarom de maximaal toelaatbare risicowaarde voor de mens als bovengrens. Definiëren gemeentelijke toepassingsnormen Zoals in de vorige paragraaf al gesteld worden de gemeentelijke toepassingsnormen gebaseerd op humane risicowaarden. Hierin wordt door de gemeente Epe onderscheid gemaakt in de drie categorieën toepassingslocaties: 1.

Gevoelig bodemgebruik en gebieden met bijzondere omstandigheden waaronder Natura2000-gebieden12. 2. Toepassingslocaties met bodemgebruiksfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’, uitgezonderd de Natura2000-gebieden. 3. Beekeerdgronden, bodemlagen met roestvorming en/of verkitte ijzeroerlagen en watergangoevers (tot maximaal 50 meter uit het hart van de watergang) die buiten de Natura2000-gebieden zijn gelegen. In tabel 2.1 zijn de gedefinieerde gemeentelijke toepassingsnormen voor hergebruik van nature arseenhoudende grond in de gemeente Epe weergegeven. Onder tabel 2.1 wordt een nadere toelichting gegeven.

12

De Natura2000-gebieden worden beschermd vanuit de Vogel- en habitatrichtlijn zodat zoveel mogelijk de biodiversiteit in Nederland (en Europa) wordt behouden. Het is daarom gewenst om de natuurlijke omgeving van deze gebieden zo min mogelijk te veranderen.

20 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Tabel 2.1 Gemeentelijke toepassingsnormen hergebruik van nature arseenhoudende grond. Gemeentelijke toepassingsnormen arseen (in mg/kg ds,

Mogelijke toepassingslocatie

standaardbodem) Gevoelig bodemgebruik, bodemgebruiksfunctie ‘Moestuinen/volkstuinen’, 20

‘onverharde kinderspeelplaatsen’ en gebieden met bijzondere omstandigheden: Natura2000-gebieden.

76

Bodemgebruiksfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’, uitgezonderd percelen in en die worden omsloten door Natura2000-gebieden. Beekeerdgronden, bodemlagen met roestvorming en/of verkitte ijzeroerlagen

576

en wateroevers (tot maximaal 50 meter uit het hart van de watergang), die buiten de Natura2000-gebieden zijn gelegen.

In kaartbijlage 7 zijn de gemeentelijke toepassingsnormen voor van nature arseenhoudende grond geografisch weergegeven. Ad 1. Toepassingsnorm: 20 mg/kg ds Om risico’s uit te sluiten bij het toepassen van nature arseenhoudende grond op locaties met gevoelig bodemgebruik en gebieden met bijzondere omstandigheden waaronder Natura2000gebieden, hanteert de gemeente de landelijke achtergrondwaarde. De uitlopers van het Natura2000-gebied “Veluwe” bevinden zich in het westelijk deel van de gemeente Epe. Dit gedeelte is hoger gelegen en wordt niet beïnvloed door het instromende, met arseen verrijkt, grondwater. In de Natura2000-gebiedsdelen worden hierdoor ook geen verhoogde gehalten aan arseen gemeten (zie kaartbijlage 6). Ad 2. Toepassingsnorm: 76 mg/kg ds Uit tabel B6.1 in bijlage 6 blijkt dat de humane risiconormen bij de bodemgebruiksfuncties ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ (veel) hoger liggen dan de interventiewaarden in de grond voor arseen (Wet bodembescherming). De gemeente Epe vindt het niet wenselijk om bij deze bodemgebruiken toepassingsnormen te hanteren die ruimer zijn dan de Wet bodenbescherming en hanteert daarom de interventiewaarde als gemeentelijke toepassingsnorm. NB. Deze gemeentelijke toepassingsnorm geldt niet voor percelen in en die worden omsloten door Natura2000-gebieden. Ad 3.

Toepassingsnorm: 576 mg/kg ds Vanwege de van nature verhoogde arseengehalten in beekeerdgronden, in bodemlagen met roestvorming en verkitte ijzeroerlagen en ter plaatse van watergangoevers (tot 50 meter uit het hart van de watergang; verspreiden van nature arseenhoudende onderhoudsbaggerspecie op de aangrenzende percelen) stelt de gemeente Epe ruimere gemeentelijke toepassingsnorm vast dan bij de voornoemde toepassingslocaties. Veelvuldig contact met de bodem vindt in deze gebieden niet plaats. In de paragraaf ‘Onderbouwing gemeentelijke toepassingsnormen’ is al aangegeven dat er geen nadelige effecten bekend zijn als gevolg van nature verhoogde arseengehalten en het bodemgebruik in deze gebieden. De gemeente Epe baseert de gemeentelijke toepassingsnorm daarom op de risiconorm die hoort bij maximaal toelaatbare

21 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

humane risiconorm humaan. Het merendeel van alle gehalten in de gemeente Epe voldoet aan deze norm (zie kaartbijlage 6) NB. Deze gemeentelijke toepassingsnorm geldt niet voor Natura2000-gebieden. 2.5.7.5

Voorwaarden hergebruik van nature arseenhoudende grond

Om grondverzet binnen de gemeente Epe niet onnodig te frustreren staat de gemeente Epe toe dat van nature arseenhoudende grond vanaf het gemeentelijke grondgebied, in de gemeente Epe mag worden hergebruikt. Om gebruik te mogen maken van het gemeentelijk beleid gelden de voorwaarden die in de hierna volgende paragrafen worden benoemd. In tabel 2.2 wordt aangegeven op welke onderdelen de voorwaarden van hergebruik van nature arseenhoudende grond worden voortgezet vanuit de eerder vastgestelde nota bodembeheer of nieuw zijn. De voorwaarden voor hergebruik van gelden niet wanneer als gevolg door menselijk handelen de grond arseenhoudend is geworden. Verplicht onderzoek naar arseen bij hergebruik van grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie Als het voornemen bestaat grond te ontgraven en elders in de gemeente Epe te hergebruiken of waterbodem te baggeren waar de kans bestaat dat het materiaal belast is met (sterk) verhoogde arseengehalten moet deze eerst zijn onderzocht (dat onderzoek mag niet ouder zijn dan 10 jaar): • Watergangoever tot maximaal 0,5 meter diepte, binnen 50 meter van het hart van de watergang (sloot/beek) bodemlaag: Vanwege baggerwerkzaamheden in het verleden is er een grote kans op een van nature (sterk) verhoogd gehalte met arseen. De te ontgraven grond moet worden gekeurd volgens de BRL 1000 – protocol 1001[19]. De keuring mag in-situ plaatsvinden.

Als dit om aantoonbare redenen praktisch niet haalbaar is mag de grond apart worden ontgraven, in depot gezet, en vervolgens worden gekeurd. • Beekeerdgronden en/of een bodemlaag met roestvorming dan wel verkitte ijzeroerlagen: o Bij beekeerdgronden is er een grote kans op een van nature (sterk) verhoogd gehalte met arseen. De te ontgraven grond ter plaatse van een beekeerdgrond moet worden gekeurd volgens de BRL 1000 – protocol 1001. De keuring mag in-situ plaatsvinden. Als dit om aantoonbare redenen praktisch niet haalbaar is mag de grond apart worden ontgraven, in depot gezet, en vervolgens worden gekeurd. o Als uit eerder verricht bodemonderzoek is gebleken dat ter plaatse van de ontgravingslocatie een bodemlaag met roestvorming of een bodemlaag met verkitte ijzeroer voorkomt, dan moet deze laag apart worden ontgraven, in depot gezet, en worden gekeurd. • Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen en toepassen baggerspecie: Voorafgaand aan het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen of het toepassen van baggerspecie, moet de baggerspecie op arseen worden onderzocht volgens een passende onderzoekstrategie uit de NEN 5720[20]. Uit informatie bij het Waterschap Vallei en Veluwe blijkt dat standaard op arseen wordt onderzocht.

22 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Verplicht onderzoek naar arseen bij graafwerkzaamheden Tijdens graafwerkzaamheden in beekeerdgronden en als in bodemlagen roestvorming en/of verkitte ijzeroer wordt aangetroffen, moet deze grond apart worden ontgraven en tijdelijk worden opgeslagen. Bij: • • •

Tijdelijke opslag moet deze bodemlaag weer in dezelfde bodemlaag worden teruggebracht; toepassing elders moet de grond worden gekeurd volgens de BRL 1000 – protocol 1001; transport naar een erkend verwerker, moet de grond worden gekeurd of bij aanbieding een melding worden gedaan dat de grond verdacht is op het voorkomen van (sterk) verhoogde arseengehalten.

Hergebruiksmogelijkheden van nature arseenhoudende grond of baggerspecie tot maximaal 2 meter beneden het maaiveld in de gemeente Epe Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond of baggerspecie als volgt worden toegepast: •

•

Het gemiddelde vastgestelde gehalte (gestandaardiseerd) aan arseen voldoet aan de gemeentelijke toepassingsnorm: Als het gemiddelde vastgestelde gehalte (gestandaardiseerd) aan arseen voldoet aan de gemeentelijke toepassingsnormen voor de bodemfunctie van de beoogde toepassingslocatie (zie tabel 2.1), mag de grond/baggerspecie tot op een maximale diepte van 2 meter beneden het maaiveld worden hergebruikt of baggerspecie worden verspreid over de aangrenzende percelen. Het gemiddelde vastgestelde gehalte (gestandaardiseerd) aan arseen voldoet niet aan de gemeentelijke toepassingsnorm: Voldoet de grond daar niet aan de gemeentelijke toepassingsnormen voor de bodemfunctie van de beoogde toepassingslocatie (zie tabel 2.1), dan moet een alternatieve toepassingslocatie worden gevonden of de grond worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond met te sterk verhoogde arseengehalten boven de vastgestelde gemeentelijke toepassingsnormen toch in de gemeente Epe wordt hergebruikt/toegepast. Op kaartbijlage 7 zijn de toepassingsnormen voor arseen geografisch weergegeven.

23 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Tabel 2.2 Vergelijking nieuw beleid hergebruik van nature arseenhoudende grond ten opzichte van het eerder vastgestelde beleid.

Beleidsonderwerp

Voortzetting

Nieuw beleid

beleid (2011)

(2020)

I Verplicht bodemonderzoek naar arseen voorafgaand aan ontgraving of baggeren: a. Vrijkomende bagger

✓ ✓

b. 50 meter zone watergang/beek (tot 0,5 meter diepte)

✓

c. IJzeroerlagen

✓

d. Vrijkomende beekeerdgrond II Hergebruik van gebiedseigen grond en bagger met van nature (sterk) verhoogde arseengehalten: a. 50 meter zone watergang/beek

✓

b. overige gebieden gemeente Epe mits voldaan aan

✓1)

gemeentelijke toepassingsnormen, zie normen tabel 6.1 1)

voortzetting beleid bij norm LMW 20 en 76

2)

verruiming beleid bij norm 576

2.5.8

✓2)

Tijdelijke opslag van grond

In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar), buiten inrichtingen, de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie respectievelijk de tabellen 3.5 en 3.4 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart). Het generiek kader voor tijdelijke opslag van grond geldt in de volgende situaties: • De betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheergebied; • de betreffende partij grond afkomstig is vanaf gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; • het baggerspecie betreft. In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen.

Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimen de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 2.4) mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de toepassingsnorm van het gebied. De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond, buiten inrichtingen, uit de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst (zie § 2.4) is gelijk aan de toepassingsnorm van het gebied. 24 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.5.9

Toepassen van grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

Bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is de Omgevingsverordening Gelderland[21] leidend. Als de Omgevingsverordening wordt aangepast door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid. Waterwingebieden Waterwingebieden moeten optimaal worden beschermd als het gaat om het voor drinkwater bestemde grondwater en de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Uit artikel 3.3.2.5 ‘Regels voor activiteiten buiten inrichtingen’ van de Omgevingsverordening volgt dat in waterwingebieden in Gelderland elke handeling buiten inrichtingen is verboden die ervoor kan zorgen dat stoffen in het grondwater komen en negatieve effecten heeft op de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden mag alleen grond en baggerspecie worden toegepast die aan de kwaliteitsnorm van de ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ voldoen. De PFAS-verbindingen in de toe te passen grond moeten voldoen aan maximaal 0,5 µg/kg ds. De kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied moet zijn aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.26.2). Grondwaterbeschermingsgebieden In grondwaterbeschermingsgebieden moet het grondwater dat is bestemd voor drinkwaterwinning worden beschermd. In deze gebieden moet minimaal het bestaande beschermingsniveau in stand worden gehouden (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau wordt bereikt.

Uit artikel 3.3.3.13 ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening volgt dat grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde-AW2000’ mag worden toegepast. De PFAS-verbindingen in de toe te passen grond moeten voldoen aan maximaal 0,5 µg/kg ds. De kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied moet zijn aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.26.2). Onder 2 voorwaarden mag grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast: 1. De grond of baggerspecie moet afkomstig zijn uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied (standstill op gebiedsniveau). 2. Aangetoond is dat de ontvangende bodem in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ valt. Het is niet toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op een schone bodem toe te passen (standstill op lokaal niveau). De grondwaterbeschermingsgebieden vallen op de bodemfunctiekaart grotendeels onder de functie ‘Overig (landbouw/natuur)’. Hier mag alleen schone grond worden toegepast. NB.

In de gemeente Apeldoorn (wijk Berg en Bos) valt het grondwaterbeschermingsgebied deels in de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ en valt de ontvangende bodem in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. In dit gebied mag grond uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ mag niet worden toegepast, ook al komt de grond uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied.

25 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Grootschalige bodemtoepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden Uit artikel 3.3.3.13 ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening volgt dat het toetsingskader van het Besluit voor grootschalige bodemtoepassingen (artikel 63 van het Besluit; zie ook § 2.12 en § 2.1.1 van bijlage 2) niet geschikt is voor grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor is strenger beleid opgesteld. De grond en baggerspecie die wordt toegepast moet uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig zijn (standstill op gebiedsniveau). In de kern van een grootschalige bodemtoepassing moet grond én baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of schoner. De PFAS-verbindingen in de toe te passen grond moeten voldoen aan maximaal 0,5 µg/kg ds. De kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied moet zijn aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.26.2). De grootschalige bodemtoepassing moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag van het Besluit (zie § 2.28) als bij Gedeputeerde Staten van Gelderland (post@gelderland.nl; zie ook artikel 3.3.6 van de Omgevingsverordening). Deze laatste melding moet drie weken voordat de werkzaamheden beginnen worden gedaan.

Verspreiden onderhoudsbaggerspecie Baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, onderzocht is volgens de NEN 5720 én voldoet aan de toetsnormen voor het verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. De PFAS-verbindingen in de toe te passen grond moeten voldoen aan maximaal 0,5 µg/kg ds.

De toepassingseis in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden is over het algemeen de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’. De PFASverbindingen in de toe te passen grond moeten voldoen aan maximaal 0,5 µg/kg ds. De kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied moet zijn aangetoond met een partijkeuring. Onder voorwaarden mag grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (in grootschalige bodemtoepassingen) worden toegepast. Onderhoudsbaggerspecie die voldoet aan de toetsnormen voor verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. De Omgevingsverordening Gelderland is leidend bij het toepassen van grond en baggerspecie.

2.6

Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal

Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. In de bodem van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal aangetroffen. Ook gaat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet op voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim.

26 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Daarom hanteren de gemeenten het volgende beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: • Bij het aanleveren van historische gegevens (zie § 2.26.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 10 gewichtsprocent voor steenachtige materialen bijvoorbeeld puin, bakstenen, cement, beton. Om het milieu minder met plastics te belasten mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ (maximaal 0,1 volumeprocent) bijmenging aan plastics bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. De gemeenten stellen dezelfde eis voor andere lichte bodemvreemde materialen zoals piepschuim. Bij twijfel of grenssituaties beslist de OVIJ (Toezicht en handhaving voor de gemeente). Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).

Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. • Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouwen sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit[22]), moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met de OVIJ. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage (10 gewichtsprocent) bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de OVIJ en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. In de toe te passen grond mag maximaal 10 gewichtsprocent met steenachtige materialen bevatten én een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volumeprocent) aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim.

27 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.7

Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal

Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst hanteren visueel de nul norm voor asbestverdachte materialen. Aanvullend hierop wordt voor gevoelig bodemgebruik analytisch óók de nulnorm voor asbest (0 mg/kg ds) gehanteerd. De volgende 4 typen gevoelige bodemgebruiken worden onderscheiden: 1. Wonen met tuin. 2. Recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen13. 3. Intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen). 4. Moes-/volkstuin(complex)en. Voor de toepassing van grond in de kern van een Grootschalige Bodem Toepassing (GBT) geldt dat deze grond maximaal 10 gewichtsprocent zintuiglijk asbestverdachte materialen en maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen).

Toe te passen grond hanteren de gemeenten visueel de nulnorm voor asbestverdachte materialen. Aanvullend hierop wordt voor gevoelig bodemgebruik analytisch óók de nulnorm voor asbest (0 mg/kg ds) gehanteerd. Voor de toepassing van grond in de kern van een Grootschalige Bodem Toepassing (GBT) geldt dat deze grond maximaal 10 gewichtsprocent zintuiglijk asbestverdachte materialen en maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen) mag bevatten.

In tabel 2.3 is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Onderzoek door TNO[23] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: • Hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn. 13

Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

28 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Tabel 2.3 Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725 [24])

Kans op Periode

aantreffen

Soort asbest

asbest

Indicatief gehalte (mg/kg)

Asbestverdacht?

Puin Vóór 1945

Gering

1945-1980

Groot

Hechtgebonden

<10

Nee

>100

Ja

10-100

Ja

Hechtgebonden en niethechtgebonden 1980-1993/1995

Tamelijk groot

1993/1995-1998

Gering

1998-2005 Na 2005

Meestal hechtgebonden Meestal

Vaak <10,

hechtgebonden

incidenteel >10

Incidenteel

Hechtgebonden

< 10

Nee

Nihil

Hechtgebonden

<<10

Nee

In principe ja

(Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 (niet

Groot

Ja

Tamelijk groot

Ja

Nihil

Nee

Onder Certiva certificaat

Nee

gecertificeerd) 1998-2005 (gecertificeerd) Na 2005 (gecertificeerd)

(Gecertificeerd) recyclinggranulaat Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het

Nee

betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het

Nee

betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-

Nee

007/BRL9999. Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999.

Nee

Voor grondverzet in gebieden waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn wordt voor de wijze van het uit te voeren bodemonderzoek verwezen naar de handreiking asbest en bodem [25] die is opgesteld in opdracht van het Gelders Ondergrond Overleg. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeente Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt (daarna de betreffende

29 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

gemeente) het bevoegd gezag is voor de Wet bodembescherming. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering [26]). De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds gewogen) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld, én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond onder een asbestdak, zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer, te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. 2.8 2.8.1

Toepassen PFAS-houdende grond Definiëren Toepassingseisen PFAS-verbindingen in de grond

Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFASverbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, hebben de gemeenten toepassingseisen voor PFAS-verbindingen in de grond gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie[27] biedt (zie tabel 2.4). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeenten, vinden de gemeenten de gedefinieerde toepassingeisen een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS in de gemeenten toe te staan.

30 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Tabel 2.4 Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen in de grond van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst Stof

Toepasingseisen PFAS-verbindingen (in µg/kg ds)

Toepassen grond vanuit de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen14 ‘Wonen’ en ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau15 tot maximaal 2,0 m-mv) PFOA (som, lineair, vertakt)

7,00*

PFOS (som, lineair, vertakt)

3,00*

Elke andere PFAS-verbinding

3,00*

Toepassen grond vanuit de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ én toepassen grond van buiten de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst (boven grondwaterniveau9) PFOA (som, lineair, vertakt)

1,90**

PFOS (som, lineair, vertakt)

1,40**

Elke andere PFAS-verbinding** Toepassen grond onder grondwaterniveau16 en/of dieper dan 2,0 m-mv

1,40**

PFOA (som, lineair, vertakt)

1,90**

PFOS (som, lineair, vertakt)

1,40**

Elke andere PFAS-verbinding Toepassen grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

1,40**

PFOA (som, lineair, vertakt)

0,5***

PFOS (som, lineair, vertakt)

0,5***

Elke andere PFAS-verbinding

0,5***

*

Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem.

**

Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen.

*** Deze waarde is gebaseerd op de omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

14

Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen

(PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 16 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 15

31 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.8.2

Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en (gerijpte) baggerspecie

Er wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijke veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAShoudende grond worden gewijzigd, evalueren de gemeenten deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde Lokale Maximale Waarden en regionale toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond. Indien van toepassing worden de regionale toepassingswaarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. 2.9

Hergebruik en toepassen van grond in wegen en (spoor)wegbermen

In de gemeenten vindt onderhoud aan wegen en onverharde (spoor)wegbermen plaats. Met wegen wordt bedoeld openbare verharde en onverharde gemeentelijke, provinciale en rijkswegen en spoorwegen. Met (spoor)wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (klinker- en asfalt)weg of spoorweg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 2,0 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1 in bijlage 1): • De erfgrens of • de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of • de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of • als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor bermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De wegen en (spoor)wegbermen zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart o.a. vanwege depositie van uitlaatgassen (PAK, lood), de kwaliteit van het asfalt en funderingsmateriaal. De ongeroerde grond onder de wegen en (spoor)wegbermen is niet uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.

32 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

Om hergebruik van grond te optimaliseren gelden voor wegen en bermen volgende regels: 1. Grond uit wegen en bermen mag zonder aanvullend onderzoek uitsluitend worden toegepast in wegen en bermen. 2. Grond die toegepast wordt op andere locaties dan wegen en bermen moet worden gekeurd (zie § 2.26.2). 3. Grond afkomstig van andere locaties mag toegepast worden tot en met kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Hergebruik van grond in de ongeroerde bodem onder deze wegen en in de bermen onder voorwaarden van de volgende regels: 1. Grond uit wegen en bermen mag zonder aanvullend onderzoek uitsluitend worden toegepast in wegen en bermen. 2. Grond die toegepast wordt op andere locaties dan wegen en bermen moet te worden gekeurd (zie § 2.26.2). 3. Grond afkomstig van andere locaties mag toegepast worden tot en met kwaliteitsklasse ‘Industrie’

2.10 Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld Zoals in de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd. Omdat het de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat grond vrijkomend uit deze bodemlaag op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag (0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte) (zie kaartbijlage 3B). Voorwaarden hierbij zijn: • De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. • De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. • De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.

33 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond nietverdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte. Voorwaarden hierbij zijn: • De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. • De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. • De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFASverbindingen.

2.11 Toepassen van grond afkomstig van gebieden buiten de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst Grond van buiten de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe of Voorst en waarvan de betreffende gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel bij grondverzet (zie § 2.4), moet altijd zijn gekeurd (zie § 2.26.2) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (zie de kaartbijlagen 4A en 4B) én moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 2.8.1, tabel 2.4, blz. 31/66). De in § 2.5 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten de gemeenten. Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 2.5.2 voor kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en en § 2.5.9 en § 2.8.1 voor waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). 2.12 Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de OVIJ. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de OVIJ vastgelegd.

De initiatiefnemer moet aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, of een betere kwaliteitsklasse (bijvoorbeeld in waterwingebieden), en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling. Hierdoor wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt

34 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 2.5). Ook gelden regels voor de bijmenging van asbestverdacht materiaal (zie § 2.7). Toepassen PFAS-houdende grond De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond zijn hetzelfde als die voor de overige stoffen. Grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau17 moet voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau18 moet voldoen aan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. 2.13 Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 2.26.2). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 2.6 voor bijmenging met bodemvreemd materiaal en § 2.7 voor bijmenging met asbestverdachte materialen) mag de grond worden toegepast.

De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst staan toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 2.4), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: 1. Afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek; zie § 2.26.1); én 2. afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 2.4); én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond) 19. Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, hoeft alleen aan de derde voorwaarde te worden voldaan. 2.14 Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden Bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke 17

Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 18 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 19 Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).

35 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: 1. Er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; 2. er geen tussentijdse bewerking20 plaatsvindt; 3. de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer wordt toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan.

Vanwege het voornoemde knelpunt bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst de regels voor graafwerkzaamheden bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op nietverdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[28]. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 2.26 en § 2.28.

Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur of voor groenvoorzieningen op voor bodemverontreiniging niet-verdachte verdachte locaties, hoeft de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst.

20

Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).

36 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.15 Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering Voor hergebruik van grond binnen de saneringslocatie (herschikken) gelden de regels van de Wet bodembescherming (beschikking of Besluit uniforme saneringen[29] (BUS)). Voor toepassing van grond van buiten de saneringslocatie gelden de gebiedspecifieke toepasssingseisen van de bodemkwaliteitszone waarin de saneringslocatie is gelegen. Aanvullend hierop geldt dat voor grond, afkomstig van buiten bodembeheergebied, de generieke toepassingseisen gelden. Toepassing van grond van buiten de saneringslocatie, valt onder het Besluit bodemkwaliteit en moet worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 2.28). 2.16 Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 2.16.1 Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden In de gemeenten Apeldoorn, Brummen Epe en Voorst is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in § 2.1 gespecificeerd. Voor deze gebieden geldt het volgende: • Het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (zie § 2.26.2).

Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: ̵ Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond op worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. ̵ Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. ̵ Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan de OVIJ. • Als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, moet de ontvangende bodem onderzocht worden met een verkennend bodemonderzoek. Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht(zie § 2.26.3). Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (zie § 2.18). 2.16.2 Grond vanuit oude categorie-1 werken Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (zie § 2.26.2). Op basis van de keuringsresultaten worden de hergebruiksmogelijkheden van de grond bepaald.

37 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003

2.16.3 Toepassen van grond in beschermde gebieden 2.16.3.1 Provinciale beschermingsgebieden Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn voor het toepassen van grond. In de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst liggen provinciale beschermingsgebieden. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorbeelden hiervan zijn gebieden met waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 2.5.9 en § 2.8.1), archeologische, cultuurhistorische, of aardkundige waarden, Natura2000-gebieden of gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS): https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers. 2.16.3.2 Gemeentelijke beschermingsgebieden Door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst is cultuurhistorisch beleid [30] en bijbehorende kaarten vastgesteld. Het beoogde doel hiervan is dat er een algemeen bewustzijn is van het archeologisch- en cultuurhistorisch erfgoed in de gemeenten.

In het beleid is aangegeven dat als een plangebied met grondroerende werkzaamheden is gelegen binnen een locatie waar is aangegeven dat deze archeologische waarden geeft (zie de cultuurhistorische beleidskaarten), bij bepaalde oppervlakten en grondroerderdiepten een archeologisch bureauonderzoek en mogelijk een verkennend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. 2.17 Uitgevoerd (in situ) partijkeuring in relatie tot de ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 574021 [31] of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 2.26.2) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Dit onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 2.18 Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) kan blijken dat dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de toepassingseis van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10799386/2