1412059 Was - wordt artikel 3 en 5 Reglement van orde raadscommissies
Tekst van het document
Was – wordt Artikel 3 en 5 Reglement van orde voor de raadscommissies Huidige tekst: Artikel 3 Samenstelling 1. Een raadscommissie bestaat in principe uit twee leden per fractie. Fracties met zes of meer raadszetels kunnen vier leden afvaardigen en fracties met vier of meer raadszetels kunnen drie leden afvaardigen. 2. De in het eerste lid genoemde leden worden door de raad op voordracht van de fracties benoemd. 3. Een lid kan zowel raadslid als niet-raadslid (commissielid) zijn. De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een lid van een raadscommissie. 4. Een commissielid kan zich incidenteel laten vervangen door per vergadering een lid van de raad of een ander commissielid aan te wijzen als woordvoerder. 5. Elke fractie mag zich in de raadscommissie laten vertegenwoordigen door één commissielid. Eenmansfracties mogen ook een tweede commissielid voordragen. Toelichting artikel 3 De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de wet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken schrijft de modelverordening in eerste lid voor dat een raadscommissie bestaat uit een minimum en maximum aantal leden per fractie[, naar evenredigheid van het aantal zetels in de raad].
In Epe is gekozen voor een minimum van 2 en een maximum van 4 zetels. Als een fractie uit 1 persoon bestaat, is een afvaardiging van twee leden in de commissie –uiteraard- niet mogelijk. Daarom is opgenomen dat een raadscommissie ‘in principe’ uit twee leden per fractie bestaat en kan in voorkomende gevallen één lid per fractie volstaan. Voor fracties van meer dan 6 of meer dan 4 leden is het mogelijk om 4, respectievelijk 3, leden af te vaardigen in de commissie. Dit om recht te doen aan het principe van een evenwichtige vertegenwoordiging. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven overigens blijkens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de verhoudingen in de raad. De commissieleden worden door de raad benoemd, op voordracht van de fracties (tweede lid). Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies. Overigens is het mogelijk om een raadslid of commissielid in beide commissies te benoemen. Een benoeming weigeren is enkel mogelijk – en overeenkomstig het derde lid zelfs verplicht – als een voorgedragen lid een commissielid betreft die niet voldoet aan bepaalde vereisten van de wet (zie verder de toelichting op het derde lid). Uit het derde lid volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. Wel zijn het de fracties die de leden voordragen.
Op grond van het derde lid moeten commissieleden evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de wet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet ligt het voor de hand om gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek. Het verdient aanbeveling dit onderzoek uit te laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op basis van artikel V 4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk. Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden benoemd worden. Om te voorkomen dat een fractie zich niet kan laten vertegenwoordigen in een commissievergadering is in lid 4 opgenomen dat een commissielid (incidenteel) ter vervanging een raadslid of commissielid kan aanwijzen als woordvoerder. Deze woordvoerder heeft geen stemrecht. In de raadscommissievergadering kan per agendapunt de vertegenwoordiging worden gewijzigd.
Gewijzigde tekst: Artikel 3 Samenstelling 1. Een raadscommissie bestaat (in principe) uit twee vertegenwoordigers per fractie. Fracties met vier of meer raadszetels kunnen drie vertegenwoordigers afvaardigen, fracties met zes of meer raadszetels kunnen vier vertegenwoordigers afvaardigen. 2. De in het eerste lid genoemde vertegenwoordigers kunnen zowel raadslid als commissielid (niet-raadslid) zijn. 3. Elke fractie mag max. 1 commissielid voordragen, eenmansfracties mogen een tweede voordragen. 4. De commissieleden worden op voordracht van de fractie door de raad benoemd. De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een commissielid. Toelichting artikel 3 De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de wet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken schrijft de modelverordening in eerste lid voor dat een raadscommissie bestaat uit een minimum en maximum aantal leden per fractie[, naar evenredigheid van het aantal zetels in de raad]. In Epe is gekozen voor een minimum van 2 en een maximum van 4 zetels. Als een fractie uit 1 persoon bestaat, is een afvaardiging van twee leden in de commissie –uiteraard- niet mogelijk.
Daarom is opgenomen dat een raadscommissie ‘in principe’ uit twee leden per fractie bestaat en kan in voorkomende gevallen één lid per fractie volstaan. Voor fracties van meer dan 6 of meer dan 4 leden is het mogelijk om 4, respectievelijk 3, leden af te vaardigen in de commissie. Dit om recht te doen aan het principe van een evenwichtige vertegenwoordiging. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven overigens blijkens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de verhoudingen in de raad. De commissieleden (niet zijnde raadsleden) worden door de raad benoemd, op voordracht van de fracties (vierde lid). Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen wie de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies. Uit het tweede lid volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. Wel zijn het de fracties die deze commissieleden, niet zijnde raadsleden, voordragen. Een benoeming weigeren is enkel mogelijk – en overeenkomstig het vierde lid zelfs verplicht – als een voorgedragen lid een commissielid betreft die niet voldoet aan bepaalde vereisten van de wet. Op grond van het vierde lid moeten commissieleden evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de wet.
Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet ligt het voor de hand om gebruik te maken van een geloofsbrievenonderzoek. Het verdient aanbeveling dit onderzoek uit te laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op basis van artikel V 4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk. Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden benoemd worden. In de raadscommissievergadering kan per agendapunt de vertegenwoordiging worden gewijzigd. Huidige tekst: Artikel 5 Zittingsduur en vacatures 1. De zittingsperiode van een raadscommissielid en commissievoorzitter(s) eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2. Een raadscommissielid houdt op lid te zijn van de raadscommissie indien hij ophoudt lid te zijn van de raad. 3. Het lidmaatschap van een commissielid eindigt als niet meer wordt voldaan aan de in artikel 3, vierde lid, gestelde eisen. 4. Een raadscommissielid en de voorzitter van de raadsommissie kunnen te allen tijde ontslag nemen.
Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.
5. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het commissielid van rechtswege. 6. De raad kan een commissielid ontslaan op voorstel van de fractie die het lid voor benoeming heeft voorgedragen. Toelichting artikel 5 Zittingsduur en vacatures De zittingsperiode van de leden is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan. De raad kan een voorzitter van de raadscommissie ontslaan, bijvoorbeeld indien deze voorzitter niet meer het vertrouwen van de meerderheid van de raad bezit. Het vierde en vijfde lid voorzien in de situatie van tussentijdse vacature, hetzij door ontslag het zij door overlijden. De raad kan een lid van een raadscommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft voorgedragen ontslaan (zesde lid). Gewijzigde tekst Artikel 5 Zittingsduur en vacatures 1. De zittingsperiode van een raadscommissielid en commissievoorzitter(s) eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2. Een raadscommissielid houdt op lid te zijn van de raadscommissie indien hij ophoudt lid te zijn van de raad. 3. Het lidmaatschap van een commissielid eindigt als niet meer wordt voldaan aan de in artikel 3, vierde lid, gestelde eisen. 4.
Een raadscommissielid en de voorzitter van de raadsommissie kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 5. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het commissielid van rechtswege. 6. De raad kan een commissielid ontslaan op voorstel van de fractie die het lid voor benoeming heeft voorgedragen. Toelichting artikel 5 De zittingsperiode van de leden is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan. De raad kan een voorzitter van de raadscommissie ontslaan, bijvoorbeeld indien deze voorzitter niet meer het vertrouwen van de meerderheid van de raad bezit. Het vijfde lid voorziet in de situatie van een tussentijdse vacature, door ontslag. De raad kan een commissielid van een raadscommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft voorgedragen ontslaan (zesde lid).