1411999 Was Wordt - Verordening rechtspositiebesluit gemeente Epe 2026
Tekst van het document
‘Was – wordt’ tabel Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Epe 2026 Algemeen
Was
Wordt
Fractievolger
Commissielid
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Epe 2019
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Epe 2026
Artikel 2 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
Toegevoegd aan lid 1: De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Toegevoegd aan lid 2: van maximaal het bedrag zoals genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Toegevoegd lid 3 luidende: Een raadslid dat voorzitter is van een commissie als bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, ontvangt een maandelijkse toelage van maximaal het bedrag zoals genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 4 Reis- en verblijfkosten raadsen commissieleden voor reizen buiten de gemeente
Lid 1 onder b: bij gebruik van een eigen auto het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt.
Lid 1 onder b: bij gebruik van een eigen vervoermiddel het maximumbedrag dat door een werkgever aaneen werknemer per afgelegde kilometer
onbelast kan worden verstrekt. Lid 2: Voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente, ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, worden aan een raadslid of commissielid bij gebruik van eigen auto tevens de parkeer-, veer- en tolkosten vergoed; Artikel 5 Nadere regels nietpartijpolitiek georiënteerde scholing raadsleden en commissieleden
Artikel 9 Betaling en declaratie van onkosten
Artikel 10 Intrekking oude regeling
Lid 2: Voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente, ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur, worden aan een raadslid of commissielid bij gebruik van eigen vervoermiddel tevens de parkeer-, veer- en tolkosten vergoed; Toegevoegd aan lid 2: Uit de kostenspecificatie moet blijken dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.
Lid 1 onder b: Betaling vooruit uit eigen middelen, zoals reiskosten met eigen auto. Deze kosten kunnen worden gedeclareerd door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.
De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Epe 2018 wordt ingetrokken, gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening.
Lid 1 onder b: Betaling vooruit uit eigen middelen, zoals reiskosten met eigen vervoermiddel. Deze kosten kunnen worden gedeclareerd door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. Lid 2 toegevoegd, overige nummering gewijzigd: Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Epe 2019 wordt ingetrokken, gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 11 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2019.
Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026.
Artikel 12 Overgangsbepaling
De verplichte vergadervergoeding voor commissieleden treedt vanaf 1 januari 2020 in werking.
Vervallen
Toelichting Wettelijke regelingen
In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raadsen commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Regeling rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden die bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of Regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen voor: 1. de raadsvergoeding voor raadsleden en de commissievergoeding voor commissieleden 2. de vaste maandelijkse netto onkostenvergoedingen voor raadsleden; 3. de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61
In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven. Motivatie: een bondiger, minder aan wijzigingen onderhevige toelichting.
De loon- en inkomstenbelasting
Gemeentewet, leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa Gemeentewet, dan wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid Gemeentewet; 4. de toelage van het fractievoorzitterschap; 5. de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA / WAO) hebben; 6. de gevolgen bij overgang naar een lagere klasse in verband met vermindering van aantal inwoners; 7. de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval; 8. de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de gemeenteraad; 9. de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte; 10. de tegemoetkoming in de ziektekosten; 11. de voorzieningen voor raads- en commissieleden met een fysieke beperking; 12. de fiscale gevolgen inkomstenbelasting voortvloeiend uit het gebruik van de dienstauto; 13. de voorzieningen in verband met bewaken en beveiligen; de contributie voor beroepsverenigingen. Opting-in-regeling Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de ‘opting-inregeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen.
In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de
Vervallen Motivatie: Dit is geen toelichting op hetgeen in de verordening is opgenomen. Deze informatie wordt met de raads- en commissieleden gedeeld bij de ingang van hun lidmaatschap en wordt opgenomen in de brochure ‘Over uw rechtspositie: Voor raadsleden van gemeente Epe’
gemeente de ingehouden loonheffing van de raadsvergoeding af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van de opting-in-regeling. Fiscale standaardpositie Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raadslid of fractievolger dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet (standaardregeling). In dat geval is het (gedeeltelijke) winstregime van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling dienen de netto-onkostenvergoeding wel te verantwoorden in de inkomstenbelasting, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.
Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). Het bruteren van vergoedingen is niet langer van toepassing op raads- en commissieleden die hebben gekozen voor de standaardregeling.
Voor raadsleden die hebben gekozen voor de standaardregeling is de werkkostenregeling immers niet van toepassing. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. Eenmalige keuze per zittingsperiode De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid financieel ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode. Toelichting Artikel 2 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissies
Deze artikelen betreffen de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De vaststelling dat
Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Let op: de rekenkamerfunctie kan op basis van de Gemeentewet niet meer worden gecombineerd met het raadslidmaatschap. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet
er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en anderzijds de onderzoekscommissie. Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie geldt een vast (belast) bedrag van € 120 per maand. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie. Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage. Het gaat dus niet om hoe lang iemand lid is, maar om hoe lang de commissie echt aan het werk is. Motivatie: Aangepast op de wijziging in relatie tot de rekenkamer(commissie). Daarnaast in plaats van een vast bedrag te noemen verwijzen naar de wettelijke regeling waarin dit bedrag staat in verband met wijzigingen in deze regeling.
Toelichting Artikel 5 Nadere regels nietpartijpolitiek georiënteerde scholing
Toegevoegd: Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en
raads- en commissieleden
kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.