e47b9e91-6ed8-45a9-b420-62e01ab3f66a.pdf
Tekst van het document
APV 2022 Artikelen 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:21, 2:42 , 2:43, 2:45, 2:46, 2:51, 2:52, 2:57, 2:58, 4:1, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:6a, 4:6b, 4:6c, 4:7, 4:9, 4:9a, 4:10, 4:11, 4:12a, 4:13, 4:15, 4:16, 4:17, 4:18, 4:19, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:10, 5:11, 5:12, 5:13, 5:14, 5:15, 5:16 5:17, 5:18, 5:19, 5:20, 5:22, 5:23a, 5:24, 5:25, 5:27, 5:27a, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:32, 5:33, 5:34, 5:35, 5:36, 5:37 en Bijlage 1; Waardevolle particuliere bomen 2022 (als bedoeld in artikel 4:11, eerste lid) Toelichting:
APV 2023 Vervallen
Artikelen en toelichting vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De artikelen hebben allemaal betrekking op de fysieke leefomgeving en worden daarom opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving ter voorbereiding op de ontwikkeling van het Omgevingsplan. Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder e, van de Bouwverordening 2002 van de gemeente Dronten; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j.
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting: Sub b t/m d, f t/m h en k (huidige)
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht, waarvoor geen Omgevingsvergunning activiteit Milieu nodig is; c. college: het college van burgemeester en wethouders; d. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; e. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; f. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; g. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; h. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze begrippen komen terug in de VFL, maar komen niet meer voor in de APV en worden daarom uit de APV verwijderd. Sub b (nieuw) Wordt ingevoegd omdat dit begrip onder de Omgevingswet niet meer voorkomt, maar voor enkele bepalingen in de APV nog wel van belang is. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing/vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vijfde lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. 4. In afwijking van het eerste lid is de beslistermijnen voor een evenementenvergunning, zoals bedoeld in artikel 2:25, 16 weken.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste lid is de beslistermijnen voor een evenementenvergunning, zoals bedoeld in artikel 2:25, 16 weken.
Toelichting: Lid 3 (huidige): De genoemde artikelen in het derde lid worden met de inwerkingtreding van de VFL in deze verordening opgenomen en verwijderd uit de APV. Lid 3 is daarmee niet meer van waarde voor de APV. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en/ of beperkingen worden voorschriften en/ of beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Toelichting: Lid 3 (nieuw) In dit lid wordt opgenomen dat het artikel niet van toepassing is op een omgevingsvergunning.
Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning en ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning en ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze
verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting: In dit lid wordt opgenomen dat het artikel niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. f. [vervallen]
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. f. [vervallen] 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting: In dit lid wordt opgenomen dat het artikel niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op meer dan één kilometer van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld. 3. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 4. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op meer dan één kilometer van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld. 3. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 4. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Toelichting: De grondslag en formele verwijzing worden geactualiseerd als gevolg van de inwerkingtreding van de Ow. Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. De burgemeester weigert de vergunning/ bijschrijving indien de exploitant(en) / leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 6. Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning. 3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 4. De burgemeester weigert de vergunning/ bijschrijving indien de exploitant(en) / leidinggevenden van de openbare inrichting: a. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. onder curatele staan. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften. 6.
Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die
bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfs-, schoolkantine of -restaurant. 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid.
intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Ten behoeve van deze openbare inrichtingen mag geen terras worden geëxploiteerd; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfs-, schoolkantine of -restaurant. 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid.
Toelichting: Lid 3 Onder de Omgevingswet worden bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit opgenomen in het omgevingsplan
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen en de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen en de Speelautomatenhallenverordening gemeente Dronten 1987. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 3 sub b Onder de Omgevingswet wordt bestemmingsplan opgenomen in het omgevingsplan.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Lid 1 aanhef: Met de inwerkingtreding van de Ow vervalt het begrip inrichting in de Wet milieubeheer. Om het artikel in stand te houden is de definitie van een inrichting opgenomen in de APV zoals die gold in de Wet Milieubeheer. Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1, 2:6, 2:10 tot en met 2:12; 2:14, de artikelen 2:1, 2:6, 2:14, 2:16 tot en met 2:18, 2:16 tot en met 2:18, 2:21, 2:23, 2:25, 2:26, 2:28 2:23, 2:25, 2:26, 2:28 tot en met 2:33, 2:36, 2:38, tot en met 2:33, 2:36, 2:38, 2:39, 2:41, tot en met 2:39, 2:41, 2:44, 2:47 tot en met 2:50, 2:59 tot en 2:44, 2:46 tot en met 2:52, 2:57 tot en met 2:60, met 2:60, 2:62, 2:73 tot en met 2:74a, 3:4, 3:6 tot 2:62, 2:73 tot en met 2:74a, 3:4, 3:6 tot en met en met 3:11, 3:14, 3:15, 4:8, 5:23 alsmede de op 3:11, 3:14, 3:15, 4:6 tot en met 4:9a, 4:11, 4:13, grond van artikel 1:4 daarbij gegeven 4:15, 4:18, 5:2 tot en met 5:9, 5:11 tot en met voorschriften en beperkingen wordt gestraft met 5:13, 5:15, 5:18, 5:23, 5:24 tot en met 5:27d, hechtenis van ten hoogste drie maanden of 5:28 tot en met 5:34, 5:36 alsmede de op grond geldboete van de tweede categorie. van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en 2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten de Wet op de economische delicten van hoogste drie maanden of geldboete van de toepassing op overtreding van het bepaalde bij of tweede categorie. krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid. de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid. Toelichting: Uit dit artikel zijn de verwijzing naar artikelen die zijn opgenomen in de VFL verwijderd. Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Dronten.
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Dronten 2023.