Bijlage - 8 Quickscan natuur.pdf
Tekst van het document
Ecu-terrein (Dronten) Quickscan natuur Gemeente Dronten
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
16 oktober 2025, projectnummer 240225
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Dronten Dhr. Lemnawar
Opsteller:
L.D. van Drongelen
Velbezoek uitgevoerd door:
L.D. van Drongelen
Collegiale toetser:
P.I. Godschalk
Datum oplevering: Projectnummer: Foto voorblad:
16 oktober 2025 240225 Overzichtsfoto besluitgebied
Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen zoals bedoeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zoals is beschreven in artikel 7.197j, lid 2, onder a van de Omgevingsregeling. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Dat neemt niet weg dat ecologisch onderzoek altijd een momentopname is. De bescherming van Rode lijstsoorten en soorten van bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de specifieke zorgplicht Omgevingswet (Ow) is nieuw. De concrete interpretatie van de beschreven onderzoekslast en invulling van te nemen maatregelen, is nu nog niet duidelijk. Dit zal door middel van jurisprudentie op termijn duidelijk(er) worden. Tot die tijd maken wij op basis van wat redelijkerwijs kan worden gevraagd een eigen inschatting van de onderzoekslast en te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Indien dit in de toekomst leidt tot onvolledigheden of onjuistheden in dit rapport, zijn wij hiervoor niet aansprakelijk te stellen.
SAB is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassing van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van SAB. De opdrachtgever vrijwaart SAB voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. SAB is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Besluitgebied
3
1.3
Leeswijzer
9
Beschermde gebieden
10
2.1
Natura 2000-gebieden
10
2.2
Natuurnetwerk Nederland
13
Beschermde soorten
15
3.1
Wettelijk kader
15
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
16
3.3
Vogels
17
3.4
Planten
22
3.5
Grondgebonden zoogdieren
22
3.6
Vleermuizen
24
3.7
Reptielen
26
3.8
Amfibieën
27
3.9
Vissen
27
3.10
Insecten en andere ongewervelden
28
3.11
Specifieke zorgplicht
29
Beschermde houtopstanden
31
4.1
Wettelijk kader
31
4.2
Aanwezigheid
32
4.3
Effectbeoordeling en advies
32
Conclusie
34
5.1
Beschermde gebieden
34
5.2
Beschermde soorten
34
5.3
Vervolgstappen
35
6
Geraadpleegde bronnen
7
Bijlagen
Bijlage: Tabel soorten NDFF
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Ecu te Dronten is de opdrachtgever voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren. Derhalve heeft de gemeente Dronten een quickscan Flora en Fauna uitgevraagd naar de potentiële (negatieve) ecologische effecten van deze activiteit. Het is verboden bij een ruimtelijke ontwikkeling de natuurwet- en regelgeving te overtreden. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden, beschermde soorten en beschermde houtopstanden. Op grond daarvan wordt bepaald of en zo ja welk nader onderzoek noodzakelijk is.
1.2
Besluitgebied
1.2.1
Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich in het noorden van Dronten (gemeente Dronten, provincie Flevoland). In de omgeving van Dronten liggen voornamelijk agrarische gronden en industrie in de vorm van distributiecentra. De directe omgeving van het besluitgebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van een woonwijk, appartementencomplex en volkstuinen. Het besluitgebied grenst in het noorden aan de openbare weg, verder in het oosten ligt een watergang (de Lage vaart). Ten zuiden van het besluitgebieden bevinden zich volkstuinen. Navolgende Afbeelding 1 & Afbeelding 2 geven de globale ligging van het besluitgebied weer.
3
Afbeelding 1. Topografische kaart met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Openstreetmap
Afbeelding 2. Luchtfoto met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd). Bron: Bing Aerial Op woensdag 17 september 2025 heeft een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Het besluitgebied bevindt zich aan de rand van Dronten en grenzend aan een woonwijk. Het besluitgebied betreft een grasveld en bestaat voornamelijk uit een kruidenrijk veld en een sportterrein. Daarnaast is aan de rand van het grasveld in de zuidwestelijke hoek een bomenrij aanwezig (8 gewone esdoorns). Ten oosten 4
vindt men bebouwing. Navolgend is in Afbeelding 3 het besluitgebied weergegeven, met daarin de verschillende elementen weergegeven, zijnde het grasveld en de bebouwing.
Afbeelding 3. Luchtfoto met de verschillende landschapselementen in het besluitgebied. Bron: ESRI In de rest van dit rapport worden de in de bovenstaande genoemde namen ook gebruikt om deze verschillende onderdelen aan te duiden. Hierna worden de verschillende onderdelen kort toegelicht. Het besluitgebied bestaat uit een grasveld dat deels intensief gemaaid wordt en een ander deel minder (zie Afbeelding 4). Dit tweede deel is in lijn met de rest van het grasveld en kan geclassificeerd worden als kruidenrijk grasland (zie Afbeelding 5). Op het kruidenrijke grasland groeit kruidenvegetatie zoals scherpe boterbloem gevlekte klavers, akkerdistel en gewone ooievaarsbek (zie Afbeelding 6). Verder is er geen verlichting aanwezig binnen het besluitgebied, er is wel verlichting aan de kant van de Ecu en de bebouwing. Plassen, poelen of open water zijn niet aanwezig binnen het besluitgebied. Tenslotte, zijn gebouwen, bouwwerken of bomen binnen het besluitgebied afwezig. In het zuidoosten bevindt zich een bomenrij van acht gewone esdoorns, deze bomen zijn geinspecteerd op nesten en/of holtes. Bij geen van de acht bomen is een nest of holte aangetroffen. Verder richting het zuiden bevinden volkstuinen. Ten oosten van het besluitgebied is bebouwing aanwezig, dit zijn nieuwbouw appartementen van drie etages met in de bebouwing afgesloten stootvoegen maar open dilatatievoegen.
Verder richting het oosten bevindt zich een watergang deze maakt deel uit van de verbindingszone van de lage vaart. In het noorden is de 5
doorgangsweg Ecu en verder vindt men een sloot met een rietkraag. Er is een stijle verloop van sloot naar oever. Navolgende afbeeldingen geven een eerste impressie van hoe het besluitgebied eruit ziet. In de bijlage is een groot aantal foto’s opgenomen, daarin ook foto’s van de elementen uit de directe omgeving van het besluitgebied.
Afbeelding 4. Het gemaaide deel van het grasveld wat ook functioneert als een "sportveld".
6
Afbeelding 5. Het "sportveld" liggend aan de Ecu en doorlopend naar een kruidenrijk grasland.
Afbeelding 6. Verschillende planten aangetroffen binnen het besluitgebied.
7
Afbeelding 7. Het gehele grasveld bekeken van het noorden. 1.2.2
Toekomstige situatie De locatie zal worden ingezet als woningbouwlocatie, een exacte beschrijving van de werkzaamheden was ten tijde van het schrijven van dit rapport niet bekend. Daarom wordt er uitgegaan van een worst-case scenario; dit betekend dat het perceel bouwrijp wordt gemaakt, al het aanwezig groen wordt gerooid en vergelijkbare nieuwbouw wordt gerealiseerd als al deels aanwezig is grenzend aan het besluitgebied. Een situatietekening van de nieuwe situatie is weergegeven in Afbeelding 8.
8
Afbeelding 8. Schematische weergave van de nieuwe situatie.
1.3
Leeswijzer Het doel van deze quickscan is het toetsen van de beoogde ontwikkeling aan de wet- en regelgeving die voor natuur en ecologie geldt. De bescherming van natuur en ecologische waarden valt net als andere thema’s in de fysieke leefomgeving per 1 januari 2024 onder de Omgevingswet. In het stelsel van de Omgevingswet worden verschillende ‘activiteiten natuur’ onderscheiden die voor het project “ECU-terrein” van belang kunnen zijn: − Natura 2000-activiteit; − Flora- en fauna-activiteit; − Vellen en beheren van houtopstanden. In hoeverre deze wet- en regelgeving voor het project gevolgen heeft wordt onderzocht in de hoofdstukken beschermde gebieden (hoofdstuk 2) en beschermde soorten (hoofdstuk 3) en de beschermde houtopstanden (hoofdstuk 4).
9
2 Beschermde gebieden Verschillende overheden kunnen beschermde gebieden aanwijzen ten behoeve van het behoud en bescherming van natuur. Dit heeft ook gevolgen voor het type bescherming die deze gebieden genieten. Ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn zijn door de Minister Natura 2000-gebieden aangewezen, zie paragraaf 2.1. Verder kan de minister van LVVN bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). Ieder provinciaal bestuur geeft invulling aan het natuurbeleid voor zijn provincie. Dat betreft regels voor gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland en andere beschermde gebieden (artikel 2.44 Omgevingswet) maar ze zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de uitvoering van het rijksbeleid ten aanzien van Natura 2000gebieden binnen de grenzen van de betreffende provincie.
2.1
Natura 2000-gebieden
2.1.1
Wettelijk kader Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning werkzaamheden of activiteiten uit te voeren die significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor Natura 2000-gebieden is dit uitgewerkt als een specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal). Hiermee worden alle activiteiten verboden die iemand verricht waarvan die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van natuur in het betreffende Natura 2000-gebied. Diegene is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of om die activiteit niet uit te voeren als dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit houdt in dat diegene kennis moet nemen van de aanwezige natuurwaarden in het gebied. Daarna moet diegene nagaan of verslechterende of significant verstorende gevolgen worden uitgesloten. Als deze gevolgen niet zijn uit te sluiten, moeten hiervoor passende preventieve maatregelen getroffen worden. Er moet nagegaan worden of deze maatregelen werken. Als blijkt dat deze niet werken moet de activiteit gestaakt worden en moet de schade hersteld worden.
De gevoeligheid van soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden is voor elk Nederlands Natura 2000-gebied samengevat in de ´Effectenindicator´ (Broekmeyer, M. E. A. et al. 2005). In de Effectenindicator worden 19 mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats onderscheiden (zie onderstaand overzicht).
10
Mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats
Behalve voor activiteiten die effect hebben op het fysieke areaal van een Natura 2000-gebied gaat het ook over activiteiten die in de omgeving van een Natura 2000-gebied plaatsvinden en die elders een effect kunnen hebben, zoals geluid, licht en stikstof; de zogenaamde externe werking. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen door stikstofuitstoot of andere storingsfactoren een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Met name stikstof is berucht omdat in de Nederlandse Natura 2000-gebieden veel natuurwaarden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor en reeds overbelast zijn door uit de lucht neerdalend stikstof. Gegeven het feit dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) kan plaatsvinden bij gemotoriseerd verkeer, inzet van sloopwerktuigen, industrie en ook bij de verwarming van huizen, en/of ammoniak (NH3) bij met name veehouderij, is het wettelijk vereist deze emissies in beeld te brengen. Het Aerius-model dat op grond van deze stikstofuitstoot de depositie bepaalt in de omgeving, hanteert daarvoor een zone met een straal van 25 km rond de emissiebronnen. In het geval mogelijk sprake is van een problematische stikstofdepositie of een andere verstoring in een Natura 2000-gebied ten gevolge van de geplande ruimtelijke ontwikkeling, vindt eerst een globale toetsing plaats: de voortoets.
Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld. Dit wordt door de Provincie beoordeeld of door een omgevingsdienst namens hen. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan kan, conform artikel 16.53c van de Omgevingswet en artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een passende beoordeling worden gemaakt. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: − er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit; − er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; − er vindt natuurcompensatie plaats. 11
2.1.2
Ligging Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie Afbeelding 9). Wel liggen in de wijdere omgeving verschillende Natura 2000-gebieden, zie onderstaande kaart. De drie dichtstbijzijnde zijn: − Ketelmeer & Vossemeer: 6,2 km afstand; − Veluwerandmeren: 9,6 km afstand; − Zwarte meer: 13,5 km afstand. Het dichtstbijzijnde stikstokgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe op een afstand van 18 km.
Afbeelding 9. Globale ligging van het besluitgebied (gele 1 cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving (blauw: vogelrichtlijngebieden, groen: vogel-habitatrichtlijn gebieden, paars: stikstofgevoelige habitat). Bron: Aerius 2.1.3
Effectbeoordeling en advies Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, dus oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Het project heeft geen invloed op watersystemen. Daarmee zijn ook de storingsfactoren verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid of overstromingsfrequentie niet van toepassing. De ontwikkeling gaat niet gepaard met een dusdanige uitstoot van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen in de omgeving (stikstofverbindingen niet beschouwd) dat ze in het Natura 2000-gebied verontreinigingen veroorzaken omdat aangenomen wordt dat bij de realisatiefase aan alle daarvoor geldende milieunormen voldaan wordt. Omstandigheden die leiden tot een mogelijke verandering van dynamiek van substraat in een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Eventuele verandering in geluid, licht, verstoring door trillingen, optische verstoring en mechanische effecten ten gevolge van het voorliggende 12
plan zullen uitdoven, geabsorbeerd worden en/of overstemd worden door het tussenliggend stedelijk gebied, dan wel ten gevolge van de afstand, voordat dit het Natura 2000-gebied kan bereiken. Invloed op de populatiedynamiek en bewuste verandering van soortensamenstelling hoeft niet verder onderzocht te worden omdat ten gevolge van afstand en ongeschiktheid van het besluitgebied voor Natura 2000-soorten, er geen uitwisseling of beïnvloeding van individuen plaatsvindt tussen het besluitgebied en een Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn echter op voorhand niet uit te sluiten aangezien door de realisatie van het project, in de aanlegfase, door de inzet van vrachtwagens en machines stikstofverbindingen uitgestoten worden. Ook in de gebruiksfase kan een stikstofbelasting op omringende Natura 2000-gebieden aan de orde zijn, door de te realiseren woningen. In AERIUS-calculator wordt de stikstofneerslag berekend ten gevolge van de beoogde ontwikkeling, over een gebied met een straal van 25 km. Aangezien binnen 25 km van het besluitgebied een Natura 2000-gebied aanwezig is, is het nodig om deze berekening te laten uitvoeren voor de aanlegfase en gebruiksfase.
Indien significante effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden ten gevolge van de stikstofdepositie niet zijn uit te sluiten, is een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit noodzakelijk.
2.2
Natuurnetwerk Nederland
2.2.1
Wettelijk kader Gedeputeerde Staten zijn verantwoordelijk voor het landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (NNN) (artikel 2.18, lid 1g Ow) in hun provincie en ze kunnen bij omgevingsverordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden aanwijzen, als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen (artikel 2.44, lid 5 Ow). In de Omgevingsverordening van Flevoland staat vastgesteld welke gebieden naast Natura 2000-gebieden en NNN nog meer een beschermde status hebben. Dit is bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Flevoland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorisch of aardkundige waarden aanwezig zijn. Het weidevogelleefgebied valt hier ook onder.
2.2.2
Ligging Het besluitgebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie Afbeelding 10). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op circa 60 meter afstand in de oostelijke richting. Dit betreft de verbindingszone Lage Vaart welke drie Natura 2000-gebieden met elkaar verbindt. Daarnaast dient het als vlieg- en trekroute voor vleermuizen en als gebied voor soorten als de otter, bever en ringslang. Het droge gedeelte van de
13
verbinding dient als verbinding voor bos-, struweel- en moerasvogels, bossoorten, marterachtigen en dagvlinders.
Afbeelding 10. Globale ligging van het besluitgebied (rood kader) ten opzichte van het Natuurnetwerk (donkergroen). Bron: https://www.flevoland.nl/wat-doen-we/natuur/natuurnetwerk-nederland 2.2.3
Effectbeoordeling en advies Aangezien het besluitgebied niet in het NNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingrepen hebben geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
14
3 Beschermde soorten 3.1
Wettelijk kader
3.1.1
Beschermingsregimes Voor alle activiteiten in de leefomgeving is de specifieke zorgplicht aan de orde. In de context van deze quickscan betreft de specifieke zorgplicht alle van nature in Nederland levende wilde planten en dieren en gaat het over negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Ingevolge de specifieke zorgplicht is degene die een activiteit verricht verplicht om: − In de eerste plaats alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. − Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. − Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De specifieke zorgplicht vraagt nadrukkelijk aandacht voor dieren en planten van bijlage II van de Habitatrichtlijn, van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage Bal) en soorten van rode lijsten1. Daarnaast is voor bepaalde activiteiten voor een aantal soorten via verbodsbepalingen een beschermings-regime opgenomen.
Zo gelden er aparte en strengere beschermingsregimes voor ‘vogelrichtlijnsoorten’ (artikel 11.37 t/m 11.40 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), voor ‘habitatrichtlijnsoorten’ (artikel 11.46 t/m 11.48 Bal), zie paragraaf 3.11 en voor andere soorten genoemd in Bijlage IX (artikel 11.54 tot en met 11.58 van het Bal). Voor die activiteiten dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Centraal thema in dit hoofdstuk is het bepalen van de aanwezigheid van beschermde soorten of aanwezigheid van voor deze soorten vitale onderdelen van hun leefgebied. Om na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van beschermde soorten (11.27 sub 2a Bal) wordt in paragrafen 3.3 tot en met 3.10 beoordeeld welke van deze soorten mogelijk in het besluitgebied voor kunnen komen. Ook wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteit gevolgen heeft voor deze soort. Indien aanwezigheid van deze soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden, kunnen negatieve gevolgen niet uitgesloten worden en is mogelijk sprake van een schadelijke handeling. Voor die situaties eist de provincie meestal dat soortgericht nader onderzoek naar deze soorten moet plaatsvinden om aan te tonen dat de soort daadwerkelijk wel of niet aanwezig is.
1
Op de rode lijsten staan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) stelt de lijsten vast. Zie ook Besluit Rode lijsten flora en fauna: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017434/2024-10-03
15
Voor soorten die niet onder de specifieke zorgplicht vallen, zoals uitheemse soorten, geldt wel nog de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet). Daarnaast moet hoe dan ook voor ieder dier voorkomen worden dat het onnodig lijdt (artikel 11.28 Bal). Kortom ten allen tijden moet bij de uitvoering van werkzaamheden rekening worden gehouden met alle aanwezige dieren, ook als dat niet is voorzien. 3.1.2
Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit Schadelijke handelingen die bij ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde kunnen zijn, zijn het doden of verwonden van dieren, het verstoren of vernielen van nest- en verblijfplaatsen, of het verdwijnen van essentieel leefgebied wat lijdt tot aantasting van de functionaliteit van nest- en verblijfplaatsen. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een beschermde soort aanwezig is en een schadelijke handeling niet te voorkomen is, kan de provincie onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. In dat geval kan de voorziene ruimtelijke ontwikkeling uitgevoerd worden indien aan de voorschriften van de vergunning wordt voldaan en voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden (artikel 8.74j t/m l, Bkl). Indien uit de quickscan blijkt dat een schadelijke handeling uitgesloten kan worden dan is de ruimtelijke ontwikkeling geen flora- en fauna activiteit en is voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig.
3.1.3
Vrijstellingen van vergunningplicht Voor het verrichten van een mogelijk schadelijke handeling voor de categorie ‘andere soorten’ is voor een aantal soorten een vrijstelling verleend. Voor deze soorten hoeft geen vergunning aangevraagd te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Onder ‘andere soorten’ vallen ook zeer algemene diersoorten zoals gewone pad, ree en veldmuis. De provincie heeft bepaald voor welke soorten dit geldt. Een overzicht hiervan is opgenomen in de bijlage van dit rapport.
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
3.2.1
Raadplegen verspreidingsgegevens Om een beeld te krijgen van de aanwezige soorten in het besluitgebied is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 8 september 2025, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar zijn opgevraagd. De volgende soorten zijn opgevraagd: − Vogelrichtlijnsoorten; − Habitatrichtlijnsoorten; − Soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage IX Bal), zonder de provinciaal vrijgestelde soorten; − Rode lijstsoorten van de categorieën ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar en gevoelig. Hiervoor is een straal van 1 km om het besluitgebied aangehouden. De soortenlijst hiervan is te vinden in de bijlage. Daarnaast is aanvullend ook verspreidingsatlas.nl geraadpleegd, waarbij wordt bepaald of het besluitgebied binnen het algehele 16
verspreidingsgebied van de betreffende soort ligt. Verspreidingsgegevens van de bovengenoemde soorten zijn niet alomvattend. Derhalve wordt per soortgroep op basis van de aanwezige biotopen (zie ook paragraaf 3.2.2) nog bekeken of aanvullend soorten aanwezig kunnen zijn. 3.2.2
Aanwezige biotopen Naast de bureaustudie is ook een veldbezoek aan het besluitgebied en de directe omgeving gebracht. Dit bezoek vond plaats op 17 september 2025, bij droog, windstil bewolkt weer en een temperatuur van circa 18 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en om de geschiktheid van het besluitgebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie, maar geeft enkel een globaal beeld van aanwezige soorten, habitats en biotopen op basis van een momentopname. In het besluitgebied zijn de volgende biotopen aanwezig: − Kruidenrijk grasland − Open grasveld
3.3
Vogels
3.3.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) Er zijn verschillende vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.
3.3.1.1
Huismus Nesten van huismussen zijn te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing: onder (met name golvende) dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. In schuren, boerderijen en loodsen nestelen huismussen vaak op balkenconstructies in gebouwen. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten. Soms maakt de huismus in holten van bomen of in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor binnen het leefgebied is terwijl er wel voldoende voedsel en schuilmogelijkheden aanwezig zijn. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet meer geschikt. (BIJ12, 2023). Aanwezigheid
17
In het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig waar huismus zich kan nestelen. De bebouwing naast het besluitgebouw is tevens ongeschikt vanwege het ontbreken van geschikte openingen die naar nestruimte kunnen leiden. Verder heeft die bebouwing een plat dak, ontbreekt het aan kieren en eventuele openingen waar de huismus een nest kan vestigen. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soort te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 3.3.1.2
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder nok- en windveerpannen (er is dan vaak een goede aanvliegroute), onder scheefliggende of kapotte dakpannen, in gaten en kieren onder de dakrand, in dakgootbekisting en bij dakkapellen en daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal twee à drie meter boven de grond of ander onderliggend oppervlak te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie midden op het dak geschikt te kunnen zijn. Het is dan voor de gierzwaluw mogelijk om in de vleugels te komen (BIJ12, 2023). Aanwezigheid In het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig waar gierzwaluwen een nest kunnen hebben. De bebouwing naast het besluitgebouw is tevens ongeschikt vanwege het ontbreken van geschikte openingen die naar nestruimte kunnen leiden. Verder heeft die bebouwing een plat dak, ontbreekt het aan kieren en invliegopeningen geschikt voor een gierzwaluw.
Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soort te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
3.3.1.3
Buizerd, havik, ransuil, sperwer, visdief De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste gevallen gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verdedigd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002).
18
De havik komt voornamelijk voor in naald- en loofbos en kan een territorium levenslang bezetten. Ook moerasbos en parken worden gebruikt. Door onderlinge concurrentie en voedselgebrek in bosgebieden worden ook steeds vaker dieren in groengebieden rond de stad aangetroffen. De havik maakt (meestal) zelf een nest hoog in de kroon van een boom welke vaak jarenlang achtereen wordt gebruikt. Soms wordt een nest van een andere roofvogel opgelapt. Meestal worden naaldbomen maar soms ook loofbomen gebruikt. De broedtijd loopt van eind maart tot begin juli (SOVON, 2002; www.vogelbescherming.nl). Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON, 2002; www.sovon.nl; www.vogelbescherming.nl). De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen.
De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen. De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002). De visdief is een algemene soort van open, waterrijke landschappen, zoals kustgebieden, meren, plassen, rivieren en natte polders. De soort broedt bij voorkeur op kale of schaars begroeide ondergrond, vaak op zandige of grindrijke eilanden, slikken, dijken of opgespoten terreinen in de nabijheid van visrijk water. Ook op industrieterreinen, havens en daken komt de soort steeds vaker tot broeden. In Nederland is de visdief een vrij algemene broedvogel, met de grootste concentraties in de kustprovincies. De broedtijd loopt van april tot en met juli, waarbij de vogels in april doorgaans terugkeren uit hun overwinteringsgebieden in West-Afrika. De visdief is afhankelijk van een goede beschikbaarheid van kleine vis en open water voor de voedselvoorziening (SOVON 2020, www.vogelbescherming.nl).
Aanwezigheid Binnen het besluitgebied zijn geen grote bomen aanwezig waarin een nest van een roofvogel zich kan bevinden. Verder zijn er ook in een straal van 100 meter rond het besluitgebied geen grote of verdachte nesten aangetroffen. Het besluitgebied kan deel zijn van het leefgebied van een eventuele roofvogel maar gezien de hoeveelheid grasland dat in de omgeving aanwezig is, kan er nog gesproken over een essentieel leefgebied. Er zijn zodoende voldoende alternatieven aanwezig.
19
Aanwezigheid van essentiële elementen van roofvogels kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op buizerd, havik, ransuil, sperwer of visdief te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 3.3.1.4
Steenuil De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002; BIJ12, 2017). Aanwezigheid Het besluitgebied bestaat uit een open grasveld zonder oude bomen, bebouwing of in de nabijheid van agrarische erven. Dergelijke omstandigheden bieden geen geschikte nest- of foerageerbiotoop voor de steenuil. Daarnaast is de omgeving grotendeels verstedelijkt en is dus onderhavig aan verstoringen terwijl de steenuil gedijt bij rustige omgevingen. Aanwezigheid van de steenuil kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op de steenuil te verwachten, vaste nestplaatsen en/of leefgebied is niet aanwezig binnen het besluitgebied. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
3.3.1.5
Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen in of soms bij gebouwen, of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON, 2002; vogelbescherming.nl; sovon.nl). Aanwezigheid Nesten van deze vogelsoorten zijn niet in het besluitgebied waargenomen, worden niet in het besluitgebied verwacht en vragen daarom geen nadere beoordeling. Ook in een straal van 75 meter rond het besluitgebied zijn deze omstandigheden niet waargenomen. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soorten te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
20
3.3.2
Vogelsoorten met mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5a en categorie 5b) Voor een aantal soorten geldt dat de nesten enkel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een situatie waar de huidige broedlocatie zal worden vernield en broedlocaties in de omgeving zeer schaars zijn. Een categorie 5-soort is dan niet flexibel genoeg om een andere broedlocatie te vinden. Specifiek voor Flevoland geldt een 5a en 5b regime Categorie 5a: In beginsel wel jaarrond beschermd, tenzij uit een ecologische beoordeling blijkt dat aantasting niet van invloed is op de lokale SvI van de soort, bijvoorbeeld omdat er voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn. Categorie 5b: In beginsel niet jaarrond beschermd, tenzij door aantasting de lokale staat van instandhouding van de soort in het geding komt, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn Aanwezigheid Tijdens het veldbezoek zijn er geen categorie 5a of 5b-soorten waargenomen. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op categorie 5a of 5b soorten te verwachten, omdat er voldoende essentiële elementen, zoals broedlocaties, in de omgeving van het besluitgebied aanwezig zijn.
3.3.3
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Aanwezigheid Tijdens het veldbezoek zijn in het besluitgebied geen soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Dergelijke soorten kunnen ook niet besluitgebied tot broeden komen vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties. Weliswaar, kunnen des betreffende vogels wel sporadisch voorkomen aangezien het besluitgebied wel kan functioneren als leefgebied. Effectbeoordeling en advies Er hoeft op voorhand geen rekening gehouden te worden met broedende vogels vanwege het ontbreken van potentiële nestlocaties, afgaand op de huidige situatie ten tijden van het veldbezoek. In paragraaf 3.11 zijn maatregelen opgenomen om deze situaties te handhaven. Indien dit niet wordt gedaan kan de situatie veranderen waardoor het besluitgebied wel geschikt kan worden. Als dit het geval is dient er opnieuw een evaluatie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige.
21
3.4
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Omgevingswet betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Het besluitgebied bestaat uit grasveld dat deels functioneert als sportveld. Beschermde plantsoorten komen hier niet voor. Tijdens het veldbezoek werden verder ook geen aanwijzingen gevonden dat bijzondere groeiplekken voor beschermde plantsoorten aanwezig zijn. Ook komt het biotoop van de soorten die uit de analyse van verspreidingsgegevens in de omgeving voorkomen in zijn geheel niet overeen.
Gezien het ontbreken van geschikte groeiplaatsen en de uniforme, intensief beheerde graslandstructuur, wordt de aanwezigheid van deze beschermde plantensoorten op voorhand uitgesloten.
3.5
Grondgebonden zoogdieren Beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl).
Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de bever en otter in de omgeving van het besluitgebied voor. 3.5.1
Bever De bever bewoont rustige wateren met natuurlijke oevers, zoals rivieren, beken, plassen en moerasgebieden met voldoende loofhout voor voedsel en bouwmateriaal. De soort bouwt dammen en burchten en speelt een belangrijke ecologische rol door het creëren van natte leefgebieden. In Nederland is de bever inmiddels wijdverspreid in 22
geschikte leefgebieden, met zwaartepunten in de rivierengebieden, de Biesbosch, Limburg en Oost-Nederland. De voortplanting vindt plaats van februari tot en met mei, waarna in mei–juni jongen worden geboren. Bevers zijn jaarrond beschermd (Zoogdiervereniging (2023). Bever – Castor fiber). Aanwezigheid De bever is gebonden aan bredere waterstructuren en in het besluitgebied zijn geen open wateren aanwezig. In de omgeving (130 meter ten oosten) is wel een brede waterstructuur aanwezig namelijk de lage vaart. Gegevens van de verspreidingsatlas laten zien dat de bever hier meermaals is waargenomen. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op de bever te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Tevens, vinden de werkzaamheden op dusdanige afstand plaats dat eventuele verstoringen op voorhand zijn uit te sluiten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 3.5.2
Otter De otter is een schuwe zoogdiersoort die leeft in waterrijke gebieden met schoon water, een dichte oevervegetatie en voldoende rust. De soort komt voor in meren, moerassen, rivieren, beken en waterrijke polders met goede verbindingen tussen wateren. Otters gebruiken oeverbegroeiing en holle ruimtes als rust- en voortplantingsplaatsen. In Nederland is de soort sinds 2002 succesvol teruggekeerd dankzij herintroductie en waterkwaliteitsverbetering. De populatie groeit nog steeds, met concentraties in Friesland, Overijssel, Drenthe en Flevoland. De voortplantingsperiode kan het hele jaar door plaatsvinden, met een piek in de winter en het vroege voorjaar (Zoogdiervereniging (2023). Otter – Lutra lutra). Aanwezigheid De otter is gebonden aan bredere waterstructuren en deze zijn in het besluitgebied afwezig. Verder is de otter een schuwe soort dus is deze sneller vindbaar in rustige gebieden buiten de bebouwde kom. Vanwege de ligging van het besluitgebied, in de bebouwde kom, in de nabijheid van een appartementencomplex en een woonwijk, wordt het voorkomen van de otter op voorhand uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op de otter te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
23
3.6
Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen gewone dwergvleermuis, en meervleervuis in de buurt van het besluitgebied voor. Gedurende het veldbezoek is er in een nabij het besluitgebied, een dwergvleermuis spec. aangetroffen. Deze bevond zich in een vleermuistoren op ongeveer 150 meter van het besluitgebied. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Omgevingswet.
3.6.1
Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12, 2024; Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn loofboomsoorten als eik en beuk jonger dan 60 jaar en naaldboomsoorten jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol (waar boombewonende vleermuizen vaak gebruik van maken) nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos, 2012). Aanwezigheid gebouwbewonende vleermuissoorten In het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig, in de directe omgeving van het besluitgebied is er één gebouw aanwezig maar deze valt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Aanwezigheid boombewonende vleermuissoorten In de omgeving van het besluitgebied staan acht esdoorns. Een aantal daarvan zijn groot genoeg om holtes en andere verblijfsmogelijkheden voor boombewonende vleermuissoorten te herbergen. Tijdens het veldbezoek is veel aandacht besteed aan het controleren van de bomen op geschikte holtes of loshangende schors voor vleermuizen. Dit was niet aanwezig. Effectbeoordeling en advies
24
De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor gebouw- en boombewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. Op basis van de aangetroffen situatie en op basis van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten voor vleermuizen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 3.6.2
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Aanwezigheid Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het terrein bestaat voornamelijk uit kort gemaaid grasland met enkele jonge bomen en biedt daardoor weinig insectenaanbod en geen beschutte vliegstructuren. Essentiële foerageergebieden voor vleermuizen bevinden zich doorgaans langs bomenrijen, bosranden, watergangen of andere structuren waar insectenrijkdom en luwte aanwezig zijn. De naburige volkstuinen (ten zuiden van het besluitgebied) zijn qua locatie en functie belangrijker dan het grasveld.
Weliswaar is het voorkomen van vleermuizen niet uit te sluiten, maar gezien de hoeveelheid van alternatief en kwalitatief beter leefgebied maakt dit het besluitgebied niet essentieel. Effectbeoordeling en advies Elementen voor essentieel foerageergebied ontbreken binnen het besluitgebied en de werkzaamheden veroorzaken geen negatieve verstoringen van reeds bestaande foerageermogelijkheden. Kortom, nader onderzoek naar foerageergebied is niet noodzakelijk. Echter, kan er in de directe omgeving van het besluitgebied wel foerageeractiviteit van vleermuizen plaatsvinden er dienen daarom maatregelen te worden opgenomen ten behoeve van de nieuwe situatie. Voor de nieuwe situatie dient er rekening te worden gehouden met lichtvervuiling, specifiek aan de kant van de volkstuinen (zuidkant). In de nieuwe situatie dient er aan de zuidkant geen belichting te worden opgenomen dat kan schijnen op de volkstuinen. Als dit onvermijdelijk is, dient dit licht alleen van een amberkleurige lichtvorm te zijn. Bij twijfel wordt er geadviseerd om een ecologische deskundige te raadplegen, om zo eventuele negatieve effecten in de nieuwe situatie op voorhand uit te sluiten.
25
3.6.3
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Aanwezigheid In het besluitgebied bevinden zich geen doorlopende groenstructuren die potentiele verblijfplaatsen van binnen en buiten het besluitgebied kunnen verbinden met geschikte foerageergebieden voor vleermuizen. Effectbeoordeling en advies Vanwege het ontbreken van geschikte groenstructuren is nader onderzoek naar vliegroutes niet noodzakelijk. De werkzaamheden hebben op voorhand geen negatieve effecten.
3.7
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen er geen reptielen voor die vallen onder Habitatrichtlijn of niet-vrijgestelde ‘andere soorten’ in de omgeving van het besluitgebied. Tevens is er in het besluitgebied in zijn geheel geen geschikt biotoop aanwezig voor dergelijk beschermde soorten. Overige reptielensoorten die vallen onder de (specifieke) zorgplicht worden behandeld in paragraaf 3.11.
26
3.8
Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens de verspreidingsatlas.nl komt alleen de Alpenwatersalamander in de omgeving van het besluitgebied voor.
3.8.1
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander is een amfibie die voorkomt in gebieden met kleinschalige landschappen waar zowel water- als landbiotopen aanwezig zijn. De soort plant zich voort in kleine, visvrije poelen, sloten, greppels en vijvers met helder water en voldoende waterplanten. Buiten de voortplantingsperiode verblijven de dieren op het land, vaak in vochtige bossen, houtwallen, graslanden en tuinen, waar ze schuilen onder stenen, boomstammen of in holle ruimtes. In Nederland komt de Alpenwatersalamander verspreid voor, met concentraties in Zuid- en Oost-Nederland, maar ook in delen van Flevoland. De voortplantingsperiode loopt van maart tot juni. De soort is jaarrond beschermd op grond van de Omgevingswet (voorheen Habitatrichtlijnsoort). Aanwezigheid Aanwezigheid van de Alpenwatersalamander kan op voorhand worden uitgesloten vanwege het ontbreken van open water binnen het besluitgebied. In de omgeving van het plangebied zijn wel wateren aanwezig (ten noorden een sloot en ten oosten de lage vaart), echter bevatten beide watergangen te steile oevers en veel vis, waardoor het ook hier ongeschikt is voor Alpenwatersalamander. Effectbeoordeling en advies Vanwege het ontbreken van geschikt habitat is nader onderzoek naar de Alpenwatersalamander niet noodzakelijk. De werkzaamheden hebben op voorhand geen negatieve effecten.
3.9
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl).
27
Volgens de verspreidingsatlas.nl komen er geen vissen voor die vallen onder Habitatrichtlijn of niet-vrijgestelde ‘andere soorten’ in de omgeving van het besluitgebied. Tevens is er in het besluitgebied geen water aanwezig. Overige soorten die vallen onder de (specifieke) zorgplicht worden behandeld in paragraaf 3.11.
3.10
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen grote vos en teunisbloempijlstaart in de omgeving van het besluitgebied voor.
Effectbeoordeling en advies Vanwege het voorkomen van de waardplant (ooievaarsbek), geschikt habitat en recente waarnemingen is het niet op voorhand mogelijk om negatieve van de werkzaamheden op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk maar het wordt geadviseerd om preventieve beheermaatregelen te treffen zoals beschreven in paragraaf 3.11.
3.10.1
Grote vos De grote vos is een zeldzame vlinder. Hij werd acuut met uitsterven bedreigd maar hij wordt de laatste tijd vaker gezien. Er wordt sinds 2019 ook voortplanting vastgesteld. Het lijkt erop dat ze zich weer vestigen in ons land. Het is een zeer mobiele vlinder die veel zwerft. De exacte afstanden die deze vlinder kan afleggen zijn niet bekend. De waardplanten van deze soort zijn voornamelijk iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Het habitat is vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout (vlinderstichting.nl). Aanwezigheid 28
Tijdens het veldbezoek zijn in het besluitgebied geen geschikte waardbomen waargenomen, zoals zoete kers en brede wilgensoorten. Van een geschikt leefgebied voor deze soort is geen sprake in het besluitgebied. Het gebied is hiervoor te veel gecultiveerd en niet natuurlijk genoeg. De grote vos is dan ook op voorhand uitgesloten in het besluitgebied. Effectbeoordeling en advies Vanwege het ontbreken van geschikt habitat is nader onderzoek naar de grote vos niet noodzakelijk. De werkzaamheden hebben op voorhand geen negatieve effecten. 3.10.2
Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een warmteminnende nachtvlinder die te vinden is op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar de waardplant staat, zoals uiterwaarden en ruderale, braakliggende terreinen. Met het opwarmen van het klimaat wordt de soort steeds algemener in ons land. De rupsen van deze soort leven van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart (vlinderstichting.nl). Aanwezigheid Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte waardplanten als de teunisbloem spec., basterdwederik of harig wilgenroosje in het besluitgebied waargenomen. Het besluitgebied vormt verder ook geen geschikt habitat voor deze waardplanten en/of herbergt bosstructuren waar de teunisbloempijlstaart wordt verwacht. Aanwezigheid van deze soort kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Vanwege het ontbreken van geschikt habitat is nader onderzoek naar de Teunisbloempijlstraat niet noodzakelijk. De werkzaamheden hebben op voorhand geen negatieve effecten.
3.11
Specifieke zorgplicht Volgens de analyse van de verspreidingsgegevens van de NDFF (bijlage 2) komen ook soorten voor die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Het betreft soorten die: − Enkel onder bijlage II van de Habitatrichtlijn vallen (hierna: bijlage II-soorten), − Op een rode lijst staan, maar enkel onder de specifieke zorgplicht zijn beschermd, − Enkel onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallen en niet vrijgesteld zijn van de schadelijke handelingen. Volgens de analyse uit paragraaf 3.2 komen soorten uit de volgende soortgroepen potentieel voor in het besluitgebied: amfibieën, (overige) insecten, grondgebonden zoogdieren en vogels.
29
Om voldoende invulling te geven aan de specifieke zorgplicht adviseren wij de volgende maatregelen uit te voeren: − Voorafgaande aan de werkzaamheden hoog gras kort te maaien zodat het besluitgebied ongeschikt wordt gemaakt voor o.a. vlinders en zoogdieren. Hierbij wordt zorgvuldig en op een laag tempo gewerkt en het maaisel dient uit het besluitgebied afgevoerd te worden. Schakel hiervoor indien nodig een gecertificeerd (Kleurkeur) bermbeheerder in. − Het verwijderen van dieren van de bouwplaats als er gerede kans is dat ze beschadigd zullen raken. − Werkzaamheden in één richting uit te voeren en van binnen naar buiten zodat eventueel en onbedoeld aanwezige dieren niet ingesloten worden en de mogelijkheid hebben om te vluchten. − Vermijd onnodige verstoring van dieren door het gebruik van licht door bij het gebruik van verlichting te kiezen voor armaturen die weinig strooilicht veroorzaken en te voorkomen dat deze uitstralen en/of gericht worden op opgaand groen en/of bebouwing (specifiek richting het zuiden bij de volkstuinen);
30
4 Beschermde houtopstanden 4.1
Wettelijk kader Naast de regels voor houtopstanden van het rijk in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kunnen ook provincies en gemeenten regels opstellen ten aanzien van houtopstanden. Daarbij maken de verschillende overheden ook onderscheid in wat wordt verstaan onder een houtopstand. Rijks- en provinciale regels hebben betrekking op houtopstanden vanaf een oppervlakte van 1.000 m 2, of in het geval van een rijbeplanting die uit minimaal 20 bomen bestaat. In gemeentelijke regels worden onder houtopstanden ook individuele bomen en struiken verstaan, meestal vanaf een bepaalde afmeting. Voor bomen en struiken binnen de bebouwingscontour houtkap en op erven en tuinen stellen rijk en provincie geen regels, de gemeente kan hier wel regels voor opstellen. De bebouwingscontour houtkap wordt door de gemeente vastgesteld en komt meestal overeen met de grens van de bebouwde kom. Ook voor typen houtopstanden waarvoor rijk- en provincie geen regels opstellen kan een gemeente regels opnemen in het omgevingsplan dus ook in het buitengebied, buiten de bebouwingscontour houtkap.
4.1.1
Rijksregels Volgens de regels van het Bal over houtopstanden (afdeling 11.3 van het Bal) is het verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding (artikel 11.126 Bal). De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). Ook geeft het Bal een beschrijving van situaties die niet onder deze bepalingen vallen, het gaat daarbij o.a. om bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld en houtopstanden op erven of in tuinen.