CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 1 BOPA Motivering Ecu Woonzorgcomplex Dronten.pdf

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente DrontenBij agendapunt: 11: Raadsvoorstel Ontwikkeling 45 woon-zorgstudio's Ecu-terrein17.006 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

ECU Woonzorgcomplex, Dronten Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit Gemeente Dronten

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

9 april 2026, projectnummer 240225

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding

3

1.1

Aanleiding en doel

3

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied

3

1.3

Leeswijzer

5

Projectbeschrijving

6

2.1

Huidige ruimtelijke situatie

6

2.2

Huidige juridisch-planologische situatie

8

2.3

Toekomstige situatie

8

2.4

Strijdigheden met het tijdelijke omgevingsplan

10

Beleidskader

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

16

Milieu- en omgevingsaspecten

20

4.1

Milieueffectrapportage

20

4.2

Bodem

22

4.3

Ontplofbare oorlogsresten

23

4.4

Geluid door wegverkeerslawaai

24

4.5

Milieubelastende activiteiten

25

4.6

Trillinghinder

26

4.7

Luchtkwaliteit

27

4.8

Geur

28

4.9

Omgevingsveiligheid

30

4.10

Veiligheid

34

4.11

Gezondheid

35

4.12

Water

36

4.13

Klimaatadaptatie

44

4.14

Natuur

48

4.15

Stikstof

50

4.16

Archeologie

51

4.17

Cultuurhistorie

52

4.18

Verkeer en parkeren

53

4.19

Kabels en leidingen

54

5

6

Uitvoerbaarheid

55

5.1

Economische uitvoerbaarheid

55

5.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

55

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Bijlagen Bijlage 1:

Ladder voor duurzame verstedelijking

Bijlage 2:

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3:

M.e.r.-beoordeling

Bijlage 4:

Akoestisch onderzoek (spoor)wegverkeer

Bijlage 5:

Quick scan omgevingsveiligheid

Bijlage 6:

Digitale watertoets

Bijlage 7:

Quick scan natuur

Bijlage 8:

Onderzoek stikstofdepositie

Bijlage 9:

Verbeelding besluitgebied

Bijlage 10:

Participatieverslag

Bijlage 11:

GGD Advies

Bijlage 12:

Watercompensatie

57

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel Met de komst van de spoorverbinding en een station in Dronten is vanuit de gemeente Dronten de ambitie ontstaan om rond het stationsgebied een grootschalige gebiedsontwikkeling te starten. De nieuwe spoorverbinding met het station Dronten - geopend eind 2012 - vormde een impuls voor de gemeente Dronten om het Hanzekwartier (een verouderd werkgebied) te herontwikkelen. Van deze impuls kan het Hanzekwartier in zijn geheel profiteren en daar wil de gemeente optimaal gebruik van maken. Om de herontwikkeling van het Hanzekwartier richting te geven, is er een structuurvisie voor het gebied opgesteld. De essentie van deze structuurvisie Hanzekwartier is de transformatie van het huidige verouderde werkgebied naar een aantrekkelijk woon- en werkgebied met een hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit. Om de herontwikkeling van het Hanzekwartier juridisch-planologisch mogelijk te maken, is het bestemmingsplan 'Hanzekwartier (2040)' opgesteld, dat op 25 juni 2015 is vastgesteld. Het Ecu-terrein is onderdeel van het meest westelijk deel van het Hanzekwartier in Dronten. In de huidige situatie zijn de meeste percelen van het Ecu-terrein onbebouwd. In de gemeente Dronten bestaat het doel te groeien naar een substantieel groter inwoneraantal.

Daar in de gemeente Dronten tevens sprake is van een zorgbehoefte, bestaat het voornemen één van de onbebouwde percelen op het Ecu-terrein in gebruik te nemen ten behoeve van de nieuwbouw van een woon-zorgcomplex met ruimte voor maximaal 45 woonzorgappartementen. Onderdeel van het voornemen is het realiseren van voorzieningen binnen het gebouw die de woonzorgfunctie dienen. Verder zullen de omliggende gronden ingericht worden met parkeerplaatsen en groen. Het betreffende perceel kent in het bestemmingsplan ‘Hanzekwartier’ de functie ‘gemengd - 3’. Het voornemen om op het Ecu-terrein een nieuw woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappartementen te realiseren past niet binnen de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken door middel van een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de BOPA.

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied Het projectgebied ligt in het noorden van de kern Dronten. Het perceel wordt in het noorden en oosten begrensd door de Ecu, en in het zuiden door volkstuinen. Aan de overzijde van de Ecu, aan de oostzijde, bevindt zich een eerder gebouwd woonzorgcomplex. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het projectgebied weer. 3

Globale ligging projectgebied ten opzichte van Dronten (bron: PDOK Viewer).

Begrenzing projectgebied, aangeduid met een rood kader (bron: PDOK Viewer).

4

1.3

Leeswijzer De motivering is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het projectgebied en komt de projectbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het project aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 geconcludeerd of het project voldoet aan het criterium van een ’evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

5

2 Projectbeschrijving 2.1

Huidige ruimtelijke situatie Omgeving De projectlocatie ligt in het noorden van Dronten, aan de straat de Ecu. De directe omgeving wordt beheerst door grondgebonden woningen, volkstuinen, wegen en industrie. Het perceel grenst in het zuiden aan een groter gebied van volkstuinen van de volkstuinvereniging “De Pionier”. Direct ten oosten van het projectgebied bevindt zich een woon-zorgcomplex van de JP van den Bent stichting. Verder zijn er verschillende uitvalswegen in de omgeving, en is het perceel via de Ecu en de Ottodreef goed verbonden met het openbare wegennetwerk. Onderstaande foto geeft de globale ligging weer van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving.

Ligging projectgebied in de directe omgeving (bron: PDOK Viewer).

Projectgebied Het projectgebied zelf bestaat uit de gronden die kadastraal bekend staan als gemeente Dronten, sectie K, perceelnummer 3536. De gronden zijn in zijn geheel ongebouwd en in de huidige situatie slechts in hobbymatig gebruik als voetbalveldje. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie ter plaatse van het projectgebied.

6

Huidige situatie van het projectgebied, vanuit het noordwesten (bron: Google Streetview, 2024).

Huidige situatie met zicht op het reeds bestaande woon-zorgcomplex (bron: Google Streetview, 2024).

Huidige situatie met zicht op de volkstuinen aan de zuidgrens van het projectgebied (bron: Google Streetview, 2015).

7

2.2

Huidige juridisch-planologische situatie Ter plaatste van het projectgebied geldt het bestemmingsplan ‘Hanzekwartier’ (vastgesteld op 25 juni 2015) dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Gemengd - 3’. De gronden met de bestemming ‘Gemengd -3’ zijn bestemd voor bedrijven, productiegebonden detailhandel en bedrijfswoningen. Ter plaatse van het projectgebied ligt een bouwvlak met een maximum goothoogte van 10 meter en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Verder kent het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Hanzekwartier’ van de gemeente Dronten ter plaatse van het projectgebied.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Hanzekwartier’ in Dronten, projectgebied aangeduid met rode cursor (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

Naast het bestemmingsplan ‘Hanzekwartier’ geldt ook het thematische ‘Paraplubestemmingsplan bijzondere woonvormen gemeente Dronten’ ter plaatse (vastgesteld op 16 februari 2017). Dit bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van lokale problematiek rondom het gebruik van reguliere woningen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het doel van het plan is ongewenste huisvestingsvormen in woningen voorkomen dan wel te reguleren. Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op de beoogde ontwikkeling.

2.3

Toekomstige situatie In de nieuwe situatie worden de gronden van het perceel op het Ecu-terrein in gebruik genomen ten behoeve van de nieuwbouw van een woonzorgcomplex (footprint 1.030 m2). Het beoogde woon-zorgcomplex zal bestaan uit drie woonlagen met een maximale goothoogte van 10 meter conform de maximaal toegestane goothoogte. In het complex zal ruimte zijn voor maximaal 45 woonzorgappartementen, evenals voor bijbehorende voorzieningen zoals een eetkamer en een lounge. De oostzijde van het perceel zal ingericht worden ten behoeve van parkeerplaatsen, 27 in totaal. Rondom het gebouw is ruimte gereserveerd voor de aanleg 8

van groen. In totaal neemt het verhard oppervlak van bebouwing met ruim 1.000 m2 toe. Hiertoe zullen nodige waterbergingsmaatregelen getroffen worden. Navolgende afbeeldingen geven de beoogde toekomstige situatie weer. De contouren van het gebouw kunnen bij de technische uitwerking hier mogelijk nog wat van afwijken.

Toekomstige situatie indeling perceel (bron: Faam Architects).

Navolgende afbeelding, welke ook opgenomen is in de bijlage 1, geeft de kaders weer waarbinnen het woonzorg-complex gebouwd mag worden.

Verbeelding met bouwvlak en bouwhoogte.

1

SAB (2026) Verbeelding ECU Woonzorgcomplex, Dronten. 240225, 09-04-2026

9

2.4

Strijdigheden met het tijdelijke omgevingsplan De beoogde nieuwbouw van een woon-zorgcomplex is op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Dronten niet toegestaan. Het bouwplan voldoet aan de geldende bouwregels. Het beoogde gebruik, wonen in combinatie met zorg in een woonzorgcomplex, sluit echter niet volledig aan bij de huidige bestemmingsomschrijving en is niet expliciet opgenomen in de bedrijvenlijst zoals opgenomen in bijlage 1 van de huidige regels. Het voornemen is daarom in strijd met het tijdelijke omgevingsplan. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunningprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit doorlopen.

10

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij twee prioriteiten uit de NOVI. Het nieuwe woon-zorgcomplex draagt bij aan de uitbreiding van de woningvoorraad in Dronten en vergroot daarmee het duurzaam economisch groeipotentieel van Dronten. Het te bouwen woon-zorgcomplex biedt een gezonde woonplaats aan toekomstige bewoners met een zorgbehoefte. Dit draagt bij aan de prioriteiten ‘duurzaam economisch groeipotentieel’ en ‘sterke en gezonde steden en regio’s’. Het project past wat betreft afwegingsprincipes vooral bij het tweede en derde principe. Het bouwen van een nieuw woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappartementen op deze locatie is gepast, daar het bijdraagt aan de bredere ontwikkeling van het Hanzekwartier. Verder komt het project de behoefte van extra woningen voor de huidige en toekomstige generatie bewoners van Dronten tegemoet. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het project derhalve aansluit bij de NOVI.

11

3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: − instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. − omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. − regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning.

− monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van het Omgevingsloket toont aan dat er in het projectgebied op basis van het Bkl twee gebiedsaanwijzingen van toepassing zijn: − Gebieden waar windturbines het civiele radarbeeld kunnen verstoren; − Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra. In het project wordt géén windturbine gebouwd en géén hyperscale datacentrum ontwikkeld. De beschreven regels zijn daarmee niet relevant voor het project. Het voornemen is daarmee niet in strijd met het gestelde in het Bkl.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk

12

gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen moet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing Gelet op het voorgaande zijn de woonzorgappartemten aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking2 uitgevoerd. Verzorgingsgebied Het verzorgingsgebied richt zich primair op de gemeente Dronten en in mindere mate (hoewel deze gemeente niet aangrenzend is) gemeente Westerwolde. Dit kan verklaard worden vanwege AZC Ter Apel (gemeente Westerwolde) en de noodopvang en AZC in Dronten waar tussen verhuisbewegingen plaats vinden, deze verhuisbewegingen hebben zodoende niet erg veel betrekking op onderhavig initiatief.

Het voorliggende project ziet niet toe op de toevoeging van bijzondere woningtypes, waarvan een dusdanige aantrekkingskracht uit gaat, dat dit een substantiële hoeveelheid kopers en huurders van buiten de regio zal trekken. Mede op basis van de kenmerken van het project is daarom met betrekking tot het verzorgingsgebied ook geen grotere reikwijdte te verwachten dan de gemeente Dronten. Kwantitatieve behoefte Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeenten Dronten, het feit dat de harde plancapaciteit niet voldoet aan de kwantitatieve eisen vanuit de regionale woondeal en de hoge druk op de woningmarkt in zowel de gemeente Dronten als de regio, wordt geconcludeerd dat het toevoegen van woningen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. Kwalitatieve behoefte Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling, met bijbehorende woonwensen, kan gesteld worden dat het project aansluit bij de demografische ontwikkelingen en wensen in de gemeente Dronten, alsook de regio/provincie. Uit de prognoses blijkt dat er over het algemeen een stijging te zien is in bijna alle type huishoudens, zowel qua samenstelling als leeftijd. Daarnaast geeft het woonzorgbeleid van de gemeente aan dat er ook een duidelijke behoefte is aan verschillende typen zorgwoningen. Het programma uit voorliggend project bestaat volledig uit 2

SAB (2025). Ladder voor duurzame verstedelijking, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 12 september 2025

13

woonzorgappartementen en sluit hier dus op aan. Dit maakt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied. Bestaand stedelijk gebied Het projectgebied ligt in de bebouwde kom van Dronten. Op basis van het bestemmingsplan “Hanzekwartier (2040)” waarin het projectgebied gelegen is, hebben de gronden een gemengde bestemming en zijn ze momenteel nog onbebouwd. De omgeving van het projectgebied wordt grotendeels gevormd door woningen, bedrijven en recreatieve functies en bebouwing. Gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het projectgebied wordt geconcludeerd dat het projectgebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4

Conclusie rijksbeleid Het nationaal beleid vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Flevoland De Omgevingsvisie FlevolandStraks, vastgesteld op 8 november 2017, geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities Flevoland heeft voor de toekomst. Er zijn drie kernopgaven: − Het verhaal van Flevoland (fysieke omgeving); − Krachtige samenleving (sociaal-economische omgeving); − Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is, zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. Het onderdeel ‘Krachtige Samenleving’ in de Omgevingsvisie FlevolandStraks richt zich op het sociaal-economische welzijn en de veerkracht van de Flevolandse bevolking. Het benadrukt dat een gezonde en vitale samenleving de basis vormt voor alle andere ontwikkelingen. De provincie is voornemens het werken aan een gezonde leefstijl te motiveren en goede gezondheidszorg toegankelijk te maken.

14

In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: − Duurzame energie; − Regionale kracht; − Circulaire economie; − Landbouw: meerdere smaken. Wat betreft de tweede opgave (regionale kracht) heeft de provincie als ambitie om in 2030 en daarna over excellente voorzieningen beschikt die een aantrekkingskracht hebben die provinciegrenzen overstijgt. Momenteel werkt de provincie aan het opstellen van een nieuwe Omgevingsvisie, ‘Flevoland, blik op de Toekomst’, de opvolger van het de huidige omgevingsvisie ‘FlevolandStraks’. Provinciale Staten zullen de Omgevingsvisie, na periode van tervisielegging, naar verwachting in de tweede helft van 2025 vaststellen. In de nieuwe omgevingsvisie zullen drukkende maatschappelijke vraagstukken zoals de woningbouwopgave, de energietransitie en klimaatadaptatie verder geïntegreerd worden. Toetsing Met voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in het regionaal versterken van de kern Dronten. Door te zorgen voor passende woonvormen wordt de mogelijkheid gecreëerd, vanwege de doorstroming naar deze passende woonvormgen, het inwoneraantal in Dronten te doen stijgen en te voorzien in een maatschappelijke behoefte.

Met name wordt door middel van de realisatie van maximaal 45 woonzorgappartementen bijgedragen aan een krachtige samenleving waar passende woningen met ondersteuning toegang bieden aan goede gezondheidszorg. Verder worden bij de realisatie van het woonzorgcomplex de BENG-normen in acht genomen en worden deze gasloos ontwikkeld. Voorliggend project is daarmee in lijn met de omgevingsvisie ‘FlevolandStraks’. 3.2.2

Omgevingsverordening Flevoland De Omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 27 februari 2019 en omvat grotendeels alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving en sluit aan op, en ondersteund, hetgeen dat in de omgevingsvisie wordt beschreven. De verordening stelt directe en indirecte aanwijzingen. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsverordening Flevoland heeft uitgewezen dat er in het projectgebied vier (relevante) gebiedsaanwijzingen zijn. − Buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de kwaliteit van het grondwater. Het aspect bodem komt verder aan de orde in paragraaf 4.2. − Buiten windgebied: In voorliggend project is geen sprake van windenergieontwikkeling.

15

− Gebied binnen de bebouwde kom: Deze aanwijzing maakt dat wonen in combinatie met zorg een geschikte functie is voor de betreffende locatie. − Gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen: In voorliggend project worden geen bodemenergiesystemen gerealiseerd, daarmee is deze gebiedsaanwijzing voor voorliggend project niet relevant. − Luchthaven gelegen in de provincie Flevoland: Deze aanwijzing doelt specifiek op regels aangaande het vliegveld Lelystad airport. Voorliggend project maakt geen onderdeel uit van de luchthaven. Met onderhavige ontwikkeling worden zorgwoningen gerealiseerd in de categorieën middenhuur en of vrije sector huur. Het gaat om zorggeschikte woningen. Ten aanzien van het convenant toekomstbestendig bouwen zal het gebouw voldoen aan de geldende BENG-eisen. Op het buitenterrein wordt gezorgd voor voldoende auto- en fietsparkeergelegenheid. Aangezien de doelgroep ouderen betreft, is er ook veel aandacht voor warmte en koeling in het gebouw. Op het buitenterrein wordt de tuin groen ingericht met bomen en is er aandacht voor aanleg van voldoende schaduwplekken. 3.2.3

Conclusie Het provinciaal beleid en de regelgeving uit de omgevingsverordening vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Dronten 2030 Op 29 november 2012 heeft de gemeenteraad van Dronten de Structuurvisie Dronten 2030 vastgesteld. In de periode tot 2030 groeit Dronten door als stedelijke hoofdkern, met een regionale verzorgingsfunctie. Die centrumfunctie wordt mede versterkt door de verbeterde bereikbaarheid via de N307 en de Hanzelijn. Transformatie van het Hanzekwartier in combinatie met de nieuwe stationsomgeving en het aantrekkelijker maken van het centrum draagt daaraan bij. De gemeente groeit, met een vooralsnog getemporiseerd woningbouwprogramma, door naar 50.000 inwoners in 2030. In de komende jaren worden de meeste woningen gebouwd in de plaats Dronten zelf. Daar wordt voorzien in het grootste aanbod aan bedrijventerreinen en werkgelegenheid. Gezien de huidige economische situatie wordt de woningbouwprognose in Dronten getemporiseerd. Dat houdt in dat de gewenste woningbouwproductie over een grotere tijd wordt uitgesmeerd. Dit leidt ertoe dat de groeiprognose van Dronten pas later wordt gehaald. Het temporiseren van de woningbouwproductie gebeurt in drie stappen: 1. het afbouwen van woningbouwaantallen waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden;

16

2. realisering van woningbouw op locaties die al in voorbereiding zijn. Het Hanzekwartier is hierbij aangegeven als een locatie met prioriteit. De locaties worden daarbij zoveel mogelijk in kleine deelgebieden opgeknipt; 3. eventueel na 2020 woningbouw op nieuwe locaties. Tegenover de lagere groei op de korte termijn staat een verwachte sterke groei op de middellange termijn. Hierdoor kan een tekort aan plancapaciteit optreden in Dronten. In Dronten en Biddinghuizen heeft de gemeente echter voldoende plannen in de pijplijn om dit tekort op te vangen. In Dronten gaat het daarbij onder andere om het Hanzekwartier. In de Structuurvisie Dronten 2030 geeft de gemeente ruimte aan MKB-vriendelijk beleid, flexibel wonen met werk aan huis en revitalisering van verouderde bedrijventerreinen. Bedrijfsruimten worden bij voorkeur gesitueerd aan de rand van woonwijken met centra voor ZZP'ers om een wijk aanzicht te geven. Op het moment van schrijven wordt er gewerkt aan een nieuwe visie voor Dronten: een omgevingsvisie met een doorkijk tot 2050. Deze zal waarschijnlijk in het najaar van 2025 als ontwerp ter inzage komen te liggen. Toetsing Voorliggend project betreft een klein deelgebied van het Hanzekwartier, waar het voornemen bestaat om een woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappartementen te realiseren.

Het project draagt daarmee bij aan de transformatie van het Hanzekwartier, en is zodoende in lijn met de Structuurvisie Dronten 2030. 3.3.2

Structuurvisie Hanzekwartier Dronten De Structuurvisie Hanzekwartier Dronten is vastgesteld op 26 april 2012. De structuurvisie Hanzekwartier is niet opgezet als een stedenbouwkundig eindbeeld en moet daarom niet gelezen worden als een afgerond plan. De tijdsspanne waarover de herontwikkeling plaatsvindt, maakt dat alleen al onmogelijk. Hoe het Hanzekwartier er uiteindelijk precies uit komt te zien hangt af van de invulling en uitwerking in de komende decennia. De structuurvisie Hanzekwartier kan wel gezien worden als een strategie voor het herontwikkelen van dit gebied: een strategie die sturing en flexibiliteit combineert. Met het formuleren van de ambities legt de gemeente als initiërende overheidspartij nu vast welke kwaliteiten zij nastreeft. De structurering van het gebied vormt de onderlegger. Bij de herontwikkeling bouwt iedere fase hierop voort. De structuurvisie vormt als het ware de 'kapstok' waarop de herontwikkelingen worden opgehangen. De kapstok zorgt dat het geheel niet onsamenhangend wordt en dat ruimtelijke deelontwikkelingen meer zijn dan de som der delen. Sturing vindt verder plaats doordat de gemeente een aantal belangrijke onderdelen zelf ter hand neemt. Daarmee laat de gemeente zien dat zij de herontwikkeling op gang wil brengen. Ook laat de gemeente met deze “eigen” uitvoeringen de

17

kwaliteitsambitie zien die zij nastreeft. Met deze stappen wil de gemeente de markt stimuleren mee te doen en herontwikkelingen te starten. Toetsing Met voorliggend project wordt inhoud gegeven aan de inrichting van een stukje van het Hanzekwartier te Dronten. Het project is hiermee in lijn met de Structuurvisie Hanzekwartier Dronten. 3.3.3

Strategische groeiopgave gemeente Dronten: Richting aan Groei ‘Richting aan Groei: Een visie op de woningbouwopgave en locatiestudie voor de gemeente Dronten tot 2050’ is de titel van de strategische groeiopgave van de gemeente Dronten, vastgesteld in maart 2023. De kern van de groeiopgave is het vinden van een balans tussen groei en het behoud van de unieke identiteit en kwaliteiten van de poldergemeente. De groeiopgave dient vier doelen: − Het geeft richting aan de groeiopgave en biedt daarmee handelingsperspectief voor de planontwikkeling; − Het geeft duidelijkheid aan inwoners en belanghebbenden over de ontwikkeling van Dronten op de lange termijn; − Het laat zien welke bijdrage Dronten kan leveren aan de regionale woningbouwopgave van regio Flevoland; − Het vormt een richtinggevende aanzet voor de Integrale visie op de leefomgeving en de gemeentelijke woonvisie waarin woningbouwambities preciezer zullen worden uitgewerkt. Om richting te geven aan groei is een integrale benadering noodzakelijk. Want woningbouw is één van de opgaven: natuur- en bodemkwaliteit, klimaatadaptatie, zorg en welzijn, economische ontwikkeling en werkgelegenheid, voorzieningen, onderwijs en mobiliteit moeten tevens meegroeien met het aantal inwoners.

Toetsing De bouw van een nieuwe woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappartementen aan de Ecu in Dronten is passend binnen de ambities die de gemeente uiteenzet in de groeiopgave. De woonvoorraad van de gemeente en de provincie wordt namelijk uitgebreid en dient daarbij de opgave van de regio. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke groeiopgave.

3.3.4

Uitgangspunten Woonagenda 2024 De ‘Uitgangspunten Woonagenda 2024’, vastgesteld door de gemeenteraad op 24 oktober 2024, biedt een woonperspectief voor Dronten. De uitgangspunten vormen de basis voor de nog vast te stellen woonagenda 2025-2028. Uit de uitgangspunten zijn onderverdeeld in drie strategieën: − Strategie A: Behoud dorps karakter door gedoseerde groei met kleinschalige groene buurten waarin mensen elkaar ontmoeten; − Strategie B: Gemengde bevolkingsopbouw door wijken met een gevarieerd woningaanbod naar prijs, type en uitstraling, zowel in de koop als huursector; 18

− Strategie C: Zorgen dat starters en ouderen die in Dronten willen blijven wonen dat kunnen door een passend aanbod van woningen, woonomgeving en voorzieningen.

Praatplaat Woonperspectief 2050 (bron: Gemeente Dronten).

Toetsing Voorliggende ontwikkeling sluit in het bijzonder aan bij strategie C van het woonperspectief 2050 voor Dronten. Met voorliggende ontwikkeling wordt een nieuw woon-zorgcomplex gerealiseerd met ruimte voor maximaal 45 woonzorgappartementen. Dit biedt ruimte voor ouderen met een zorgbehoefte in Dronten. Het project is daarmee in lijn met de uitgangspunten van de woonagenda 2024. 3.3.5

Conclusie gemeentelijk beleid Het project is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

19

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.1.2

Toetsing In een m.e.r.-beoordeling3 is beoordeeld of als gevolg van de ontwikkeling van woonzorg aan de ECU nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in de m.e.r.-beoordeling aan bod zijn gekomen.

3

SAB (2026). M.e.r.-beoordeling, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 9 april 2026

20

Aspect

Beoordeling milieueffecten

Natuur (gebiedsbescherming)

Nabij het besluitgebied zijn Natura 2000-gebieden aanwezig. Uit het stikstofonderzoek is gebleken dat er geen toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats wordt verwacht. Andere milieueffecten op Natura 2000-gebieden worden eveneens niet verwacht. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.

Natuur (soortenbescherming)

Op grond van de huidige inrichting van het besluitgebied kunnen er beschermde soorten aanwezig zijn, zodoende is een quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat er geen soorten aanwezig zijn waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd is. Wel dienen preventieve maatregelen genomen te worden om schadelijke handelingen onder de Omgevingswet te voorkomen. Belangrijke negatieve milieueffecten kunnen in ieder geval worden uitgesloten.

Verkeer

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeersaantrekkende werking. De beperkte toename kan eenvoudig opgenomen worden in het heersende verkeersbeeld. Zodoende is er geen aanleiding om aan te nemen dat wat betreft verkeer sprake is van te verwachten negatieve milieueffecten.

Geluid

Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Aangezien de ECU momenteel zeer beperkt verkeer zal voeren, betreft de toename ten gevolge van het project theoretisch gezien een significante toename welke merkbaar zou kunnen zijn. Echter, gezien de zeer lage verkeersgeneratie in de huidige situatie en de in absolute zin beperkte toename, wordt hier geen belangrijk negatief milieueffect van verwacht op de omgeving. De ontwikkeling ligt verder op voldoende afstand van geluidgevoelige gebouwen dat andere activiteiten naar verwachting geen effect zullen hebben op de omgeving omdat alleen het oostelijk deel van de kavel aan de ECU wordt bebouwd. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect geluid geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht worden.

Luchtkwaliteit

Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Significant negatieve milieueffecten worden dan ook niet verwacht ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

Water

Door de ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen binnen het besluitgebied. Vanwege de toename van circa

21

1.950 m2 aan verharding wordt hemelwatercompensatie 211 m3 gerealiseerd. Met de realisatie van de hemelwatercompensatie worden geen significant negatieve milieueffecten verwacht ten aanzien van het aspect water.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig. 4.1.3

Conclusie Er hoeft geen MER opgesteld te worden.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. In het tijdelijke omgevingsplan zijn de waarden gelijk aan het door het Bkl vastgestelde.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Het uitvoeren van asbest in het kader van ruimtelijke procedure niet noodzakelijk maar wel verplicht in het kader van de omgevingsvergunning bouwen.

4.2.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd4. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en 4

TAUW (2024). “Verkennend bodemonderzoek ECU terrein te Dronten”. Kenmerk: R0011295495VMA-V01-prr-NL, 15 maart 2024.

22

nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Dit is gebeurd door vaststelling van de milieu-hygiënische samenstelling van bodemmonsters. In de grond zijn plaatselijk zware metalen boven de landbouw/natuurwaarde gemeten (licht verontreinigd). Het grondwater is niet verontreinigd. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en vormen geen belemmering voor de verkoop van de kavels. Op basis van indicatieve toetsing varieert de kwaliteitsklasse van landbouw/natuur tot en met industrie. Bij eventueel toekomstig grondverzet vormt dit onderzoek geen geldig bewijsmiddel, maar geldt het als indicatie voor de kwaliteit van de af te voeren grond. Bij grondverzet en afvoer van grond vanaf de locatie kan het in sommige situaties noodzakelijk zijn een partijkeuring volgens de richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit uit te voeren. Tijdens het bodemonderzoek is de grond niet onderzocht op het gehalte aan PFAS. Voor afvoer van vrijkomende grond kunnen extra analyses op het PFAS-gehalte noodzakelijk zijn. 4.2.3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van het woon-zorgcomplex.

4.3

Ontplofbare oorlogsresten

4.3.1

Algemeen Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven. Een ‘verdacht gebied’ is een gebied met een verhoogde kans op nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden in kaart te worden gebracht waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het geval van grondroerende werkzaamheden dient het opsporingsgebied te worden onderzocht volgens de in het CS-OOO gestelde eisen om eventuele risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van de ontplofbare oorlogsresten zoveel mogelijk uit te sluiten.

4.3.2

Toetsing Het projectgebied bestaat uit een locatie waar de gronden pas na de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld zijn. Voor 1960 was dit poldergebied nog het IJsselmeer. Het is daarom niet aannemelijk dat er zich ontplofbare oorlogsresten bevinden in de gronden van het projectgebied. Aangenomen wordt dat dit aspect daarom niet nader onderzocht hoeft te worden.

4.3.3

Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect ontplofbare oorlogsresten.

23

4.4

Geluid door wegverkeerslawaai

4.4.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn regels vastgelegd die de toegestane geluidsbelasting begrenzen.

4.4.2

Toetsing Vanwege de toevoeging van een geluidgevoelige functie is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege weg- en spoorverkeer5. Navolgende afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.

Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwplan, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Spoorwegen (Zwolle - Lelystad) Als gevolg van alle relevante spoorwegen tezamen wordt de standaardwaarde van 55 dB Lden niet overschreden. Er wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl.

5

SAB (2026). Akoestisch onderzoek (spoor)wegverkeer, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 3 maart 2026

24

Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden in totaliteit niet overschreden. Er wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl. Gecumuleerd geluid Het gecumuleerd geluid varieert van 42 tot 52 dB en is conform de methode Miedema daarmee te kwalificeren van zeer goed tot redelijk. Gezamenlijk geluid De gezamenlijke geluidsbelasting wordt gebruikt voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. De hoogste gezamenlijke geluidbelasting bedraagt 56 dB en is waarneembaar aan de noordzijde op de 3de bouwlaag. Volgens het Bbl artikel 4.103 moet ter indicatie een akoestische binnenwaarde van 33 dB Lden bij weg- en spoorwegverkeersgeluid worden gegarandeerd. Volgens Bbl Artikel 4.102 heeft een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied volgens NEN 5077 een geluidwering van ten minste 20 dB. Voor de maatgevende gezamenlijke geluidbelasting is de minimaal benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel 56 – 33 = 23 dB. Dit is doorgaans goed haalbaar en kan worden aangetoond bij de technische aanvraag. 4.4.3

Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.

4.5

Milieubelastende activiteiten

4.5.1

Algemeen Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: - activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; - geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:

25

− Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). − Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie; − Indirecte geluidhinder; dit is de geluidhinder afkomstig van het wegverkeer van en naar de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5.2

Toetsing Vanwege de toevoeging van de activiteit wonen en zorg is er sprake van een toevoeging van een hindergevoelig gebouw. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen milieubelastende activiteiten die mogelijk hinder veroorzakend kunnen zijn voor de beoogde woonfunctie. Ten oosten is eveneens een woonzorggebouw en kantoorfunctie toegestaan, hiervoor wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Ten zuiden zijn volkstuinen gelegen, daar zijn geen richtafstanden aan gekoppeld maar hier wordt in ieder 10 meter afstand tot gehouden. Een nader onderzoek naar milieubelastende activiteiten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.5.3

Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect milieubelastende activiteiten.

4.6

Trillinghinder Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

26

4.6.1

Toetsing Met voorliggend project worden geen functies mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Wel is de projectlocatie op relatief korte afstand van het spoor gelegen, waarbij de kortste afstand circa 85 meter bedraagt. Wat betreft de bodemgesteldheid geldt dat in Dronten sprake is van kleigrond, waarin de overdracht van trillingen minder goed is in vergelijking met bijvoorbeeld veen en zand (gunstig). De Hanzelijn is een relatief nieuwe spoorlijn, ter hoogte van het besluitgebied gelegen op een zwaar dijklichaam. Dit dijklichaam zorgt ervoor dat de opgewekte trillingen voor een groot deel worden geabsorbeerd in het dijklichaam. Voor het treinbeeld geldt dat op basis van het Geluidregister Spoor er per etmaal circa 800 rekeneenheden over het spoor rijden, waarvan circa 50% goederentreinen. Een toename van het treinverkeer op deze spoorlijn wordt niet verwacht. Wel wordt rekening gehouden met de instroom van nieuw NS-materieel. Vanwege de ligging nabij het station Dronten is de rijsnelheid voor stoptreinen laag wat een gunstig effect heeft op het opwekken van bodemtrillingen. Hoewel het besluitgebied op relatief korte afstand van het spoor is gesitueerd, is het op grond van bovenstaande niet aannemelijk dat hinder vanwege spoortrillingen zal optreden.

Tenslotte dient te worden opgemerkt dat op andere locaties langs de spoorlijn in Dronten bestaande woningen binnen het invloedsgebied van de Hanzelijn zijn gelegen. Er zijn geen klachten bekend ten aanzien van trillinghinder afkomstig van bewoners uit Dronten.

4.6.2

Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect trillinghinder.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de Rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een Rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

4.7.2

Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de

27

concentraties luchtverontreinigende stoffen. Bestaande Luchtkwaliteit In het kader van voorliggende ontwikkeling is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2.5 en PM10) in het projectgebied voor 2023 (meetpunt: Overijsselseweg). De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2023 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In de navolgende tabel is dit weergegeven. Zichtjaar

Hoogst gemeten concentraties vervuiling stikstofdioxide (NO2),

fijn stof (PM10),

fijn stof (PM2.5),

jaargem. concentratie

jaargem. concentratie

jaargem. concentratie

2023

10,7 μg/m3

13,5 μg/m3

6,8 μg/m3

Grenswaarden

40,0 μg/m3

40 μg/m3

25 μg/m3

Uit bovenstaande tabel wordt geconcludeerd dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen in 2022 ruim onder de grenswaarden liggen. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Er is dus geen sprake van een slechte luchtkwaliteit ter plaatse. 4.7.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.8

Geur

4.8.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).

28

Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder Dronten Inmiddels is het in opdracht van de gemeente Dronten opgestelde geurverspreidingsmodel beschikbaar voor de OFGV. Met dit model is de geurbelasting op het plan bepaald en getoetst aan het geurbeleid van de gemeente Dronten. De ‘Beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder Dronten’ is bedoeld om de belasting van bedrijfsactiviteiten te beoordelen en is niet direct van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen. Indirect kan de beleidsregel wel gebruikt worden om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 Bkl) ter plaatse van nieuw te realiseren geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt uitgegaan van de toetswaarden voor nieuwe situaties inclusief het zekerheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 5 van de beleidsregel. 4.8.2

Toetsing Voorliggend project betreft het toevoegen van een hindergevoelige functie (wonen). Er is geen sprake van een activiteit welke zelf geurhinder veroorzaakt. In de omgeving zijn enkele installaties gelegen welke geurhinder veroorzaken. Dit is de AWZI aan de Installatieweg en de vetsmelterijen aan de Pioniersweg en Staalwijk, allen in noordoostelijke richting gelegen vanuit de projectlocatie. Locatie

Werkelijke afstand

AWZI - Installatieweg

300 m

Vetsmelterij - Pioniersweg

590 m

Vetsmelterij - Staalwijk

1.650 m

De hedonische waarde is van belang voor het bepalen van de geurnorm. Voor de hedonische waarde van de vetsmelterijen kan worden uitgegaan van een waarde van 1,8 odourunits bij H = -1 zoals deze is vastgelegd in een vergunning voor een van de vetsmelterijen. Voor de AWZI geldt (als bestaande situatie) dat de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten in de bebouwde kom 1,5 odourunits als 98 percentielwaarde mag bedragen. Voor nieuwe situaties geldt volgens het Bkl artikel 5.100 lid 1 een grenswaarde van 0,5 odourunit als 98 percentielwaarde (P). De hedonische waarde voor AWZI’s is 1,0 bij H = - 1.

29

Volgens artikel 6 van de beleidsregel wordt de gecumuleerde geurbelasting getoetst, dus in dit geval van de twee vetsmelterijen en de AWZI. Als meerdere geurbronnen in hetzelfde gebied zijn gelegen, worden deze bronnen gecumuleerd door afzonderlijke bijdragen op te tellen met een weging van de hinderlijkheid van de geur. Als worst casebenadering zijn de hedonische waarden geometrisch gemiddeld; de toetswaarde is daarmee 1,5 ou als 99,5 percentielwaarde. Toets aan vergunning AWZI

Toets aan geurbeleid Dronten; nieuwe situatie

Uit de geurberekeningen blijkt dat er wordt voldaan aan de toetswaarden uit het geurbeleid van de gemeente Dronten. Het is daarmee voldoende aannemelijk dat er voor het aspect geur sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau voor deze woonfunctie. Uit de berekeningen blijkt bovendien dat er wordt voldaan aan de milieuvergunningvoorwaarden van de AWZI en de vetsmelterijen. Deze bedrijven worden dus niet in hun belangen geschaad. Voor geur wordt er voldaan aan de ETFALnorm. 4.8.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.9

Omgevingsveiligheid

4.9.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in 30

de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.9.2

Toetsing Vanwege onderhavige ontwikkeling is een Quick scan omgevingsveiligheid6 uitgevoerd. Uitgaande van de voorgaande wettelijke kaders is de beleidsmatige afkapgrens van 1,5 kilometer voor het gifwolkaandachtsgebied van stationaire risicobronnen bij ruimtelijke ontwikkelingen de maximale zone waarbinnen risicobronnen dienen te worden meegenomen in de omgeving van een ontwikkellocatie. In dit onderzoek wordt derhalve stilgestaan bij alle risicobronnen in een straal van 1,5 kilometer vanaf de ontwikkellocatie. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. De globale ligging van de ontwikkellocatie is globaal groen aangeduid, de 1,5 kilometer grens is in donkerblauw aangeduid. De afstand is gemeten vanuit het centrum van de ontwikkellocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1406/documents/21942