CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 1 BOPA Motivering Ecu Woonzorgcomplex Dronten.pdf

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente DrontenBij agendapunt: 11: Raadsvoorstel Ontwikkeling 45 woon-zorgstudio's Ecu-terrein17.006 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6

SAB (2026). Quick scan omgevingsveiligheid, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 9 maart 2026

31

Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding ontwikkellocatie (blauwe cirkel) bron: Atlas Leefomgeving

[1]

Transportroute risicovolle stoffen, spoorroute 40 (Zwolle-Weesp);

[2]

Hogedruk aardgastransportleiding A-570-01;

[3]

Risicovolle activiteit, gas regel- en meetstation;

[4]

Risicovolle activiteit, SEVESO Broekhof vuurwerk;

[5]

Risicovolle activiteit, LPG-tankstation BP station De Noord;

[6]

Risicovolle activiteit, LPG-tankstation Supertank (De Noord);

[7]

Risicovolle activiteit, opslagtank propaan/propeen, FlevoTrade Grading & Packaging;

[8]

Risicovolle activiteit, opslagtank propaan/propeen, Bol Handelsonderneming;

[9]

Risicovolle activiteit, LPG-tankstation Avenu Volkswagen

[10]

Hogedruk aardgastransportleiding A-570-05;

[11]

transportroute risicovolle stoffen, provinciale weg N307.

Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen een PR 10 -6-contour of het brand/explosie/gifwolkaandachtsgebied van risicovolle activiteiten, buisleidingen, watertrajecten, wegvakken, luchtvaart en windturbines;

32

− De ontwikkellocatie bevindt zich in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van spoorroute 40 (Zwolle-Weesp). Hierbinnen moet conform Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.15 rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Risicoanalyse Uit de risicoanalyse van de quick scan blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van spoorroute 40 ligt. Aangezien de ontwikkeling een zeer kwetsbaar gebouw betreft met mogelijk minder zelfredzame aanwezigen dient het besluitgebied te worden aangewezen als explosievoorschriftengebied. Hierbinnen gelden bouwkundige voorschriften ter bescherming van de veiligheid van aanwezigen conform artikel 4.96 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) of gelijkwaardige maatregelen. Verder dienen er voldoende (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron af te zijn, voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig te zijn en moeten er voldoende Bhv’ers zijn. Bij de ingebruikname dient een ontruimingsplan, afgestemd op de bewoners en interne organisatie, te zijn opgesteld. Hierin dient ook een hoofdstuk te worden opgenomen voor een calamiteit van buitenaf (incident op het spoor). Advies is om het ontruimingsplan met de brandweer af te stemmen.

Blusvoorzieningen en bereikbaarheid voor de brandweer dienen te voldoen aan artikelen 22.13, 22.14 en 22.15 van het omgevingsplan. De genoemde maatregelen dienen in de omgevingsvergunning te worden geborgd. Er zijn bouwkundige maatregelen nodig om letsel door scherfwerking als gevolg van een explosie in geval van een exploderende spoorwegwagon te voorkomen. Een deskundig adviesbureau heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van de drukbelasting op de beglazing van het gebouw. Dit advies wordt bij de omgevingsvergunning bouwactiviteit afgestemd met de brandweer/veiligheidsregie. Mits dit gebeurt bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Advies Veiligheidsregio Er is overleg gevoerd met de veiligheidsregio. Op 23 januari 2026 heeft de veiligheidsregio Flevoland een advies uitgebracht. Er is in deze quickscan rekening gehouden met het voornoemde advies. Er wordt bij de oriëntatie van het gebouw en de inrichting rekening gehouden met de omgevingsveiligheid bij het ontwerp van de gebouwen. Dit wordt nader uitgewerkt bij het indienen van de vergunning voor bouwactiviteit. 4.9.3

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

33

4.10

Veiligheid

4.10.1

Algemeen Het maken van een gezonde en veilige leefomgeving maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet. Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevingsveiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zijn verplicht de risico’s van rampen, crises en branden te adresseren door normen ervoor op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers.

4.10.2

Toetsing De gemeente Dronten heeft in samenwerking met de gemeenten Noordoostpolder en Urk een specifiek beleid ontwikkeld voor het thema veiligheid; het ‘Integraal veiligheidsbeleid’ vastgesteld op 4 december 2023. Uit dit beleid komen drie hoofdthema’s naar voren: Ondermijning Bij ondermijning is sprake van een vermenging van de onder- en bovenwereld. Criminelen maken misbruik van (legale) bedrijven, diensten of locaties bij het uitvoeren van criminele activiteiten of het witwassen van geld. De gemeenten willen zich inzetten tegen het werven van jonge aanwas dor zowel repressie als preventie. Verder willen de gemeenten zich inzetten op het vergroten van het zicht op de aard en omvang van de problematiek rondom criminele-, seksuele- en arbeidsuitbuiting. Cybercrime en digitale veiligheid De gemeenten zetten zich in voor voorlichting en preventie om de weerbaarheid van bewoners, ondernemers en de gemeenten zelf te vergroten. Dit wordt gedaan door het vergroten van lokale netwerken van publieke en private (veiligheids)partners waarbij kennis wordt ingezet. Verder hebben de gemeenten als doel daders aan te pakken. Maatschappelijke onrust De gemeenten hechten belang aan vrijheid van meningsuiting, maar achten het daarbij noodzakelijk dat de maatschappelijke rust daarbij niet verstoord wordt, bijvoorbeeld door vernielingen of gewelddadige demonstraties.

De gemeenten hebben als doel handelingskaders te ontwikkelen voor (online aangejaagde) ordeverstoringen. Verder achten de gemeenten het noodzakelijk hun informatiepositie en signaleringsfunctie te versterken, waarbij we nauw samenwerken met partners uit het sociaal- en veiligheidsdomein. In het beleidsdocument zijn specifiek voor de gemeente Dronten lokale speerpunten opgenomen. Hierin staat het thema zorg en veiligheid op nummer 1. Door de toenemende druk op de zorg, beperkte capaciteit bij zorgpartners, toenemende armoede, migratie en polarisatie ontstaan er in de gemeente Dronten problemen

34

rondom kwetsbare mensen en mensen met onbegrepen gedrag. De wachtlijsten zijn lang en de opvangplekken in instellingen zijn schaars, waardoor mensen vaak lang moeten wachten op professionele hulp. Voorliggend projectgebied betreft een locatie waar een veilige leefomgeving kan worden geboden aan toekomstige bewoners met een zorgbehoefte. De voorgenomen ontwikkeling staat het veiligheidsbeleid van de gemeente niet in de weg en draagt bij aan het verder uitbreiden van de zorgmogelijkheden binnen de gemeente. Tot slot worden er met deze ontwikkeling geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. 4.10.3

Conclusie Het aspect veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.11

Gezondheid

4.11.1

Algemeen De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. In de bruidsschat worden regels gesteld voor bouw en gebruik die het beschermen van de gezondheid tot doel hebben. Het betreft hier de verplichting tot aansluiting op het drinkwaterleidingnet (paragraaf 22.2.3 artikel 22.11) , de aansluiting op het riool (paragraaf 22.2.3 artikel 22.12), het aantal inwoners per vierkante meter (paragraaf 22.2.4. artikel 22.16), de constructieve staat van gebouwen (paragraaf 22.2.4. artikel 22.18), de gevaren voor de gezondheid op open erven (paragraaf 22.2.5. artikel 22.20), de omgang met milieubelastende activiteiten (paragraaf 22.3.1. artikel 22.42) en de omgang met de milieukundige staat van de bodem gebouwen (paragraaf 22.3.7.2. artikel 22.129). Dit zijn regels voor gezondheidsbescherming. Het aspect gezondheid wordt in deze paragraaf getoetst aan het gemeentelijk gezondheidsbeleid en aan de bruidsschat. De gemeente Dronten heeft geen specifiek opgesteld gezondheidsbeleid. Er wordt aandacht besteed aan dit aspect in de omgevingsvisie. Het is een van de vijf grote ambities van de gemeente om een gezonde, sociale en veilige leefomgeving te creëren.

Deze gezondheid wil ze creëren door mensen aandacht voor elkaar te laten hebben, door groen te realiseren, door aandacht te hebben voor geestelijke gezondheid, door te streven naar positieve gezondheid en door een goed omgevingskwaliteit te nastreven.

35

4.11.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, veiligheid en geluid is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied is omgevingsveiligheid geen belemmerende factor; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport- en bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en verscheidene sportaccommodaties. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit gezondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling. Vanuit de GGD zijn verschillende gezondheidsaspecten getoetst. Er zijn een aantal aandachtspunten waar rekening mee gehouden moet worden bij de realisatie. Dit is uitgewerkt in de adviesbrief7 welke door de GGD is opgesteld. Dit zal worden meegenomen in de technische bouwaanvraag.

4.11.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect gezondheid.

4.12

Water

4.12.1

Algemeen Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. Op basis van artikel 2.2 houden bestuursorganen rekening met elkaars taken en bevoegdheden en zorgen voor afstemming en samenwerking hierover. De wettelijke basis van de weging van het waterbelang ligt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Artikel 5.37 regelt dat bevoegd gezag bij ruimtelijke ontwikkelingen waterbelangen meewegen bij besluitvorming. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.

7

GGD Flevoland (2025) GGD Advies Bopa woonzorgcomplex Dronten. 31 oktober 2025

36

Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 11 augustus 2025 een digitaal Wateradvies8 uitgevoerd. Zie bijlage 6. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing. De relevante nieuwe en bestaande waterhuishoudkundige werken, zoals waterkeringen en oppervlaktewater, zijn opgenomen in Regels op Kaart en/of gereguleerd in de regels van het omgevingsplan. Wet- en regelgeving en beleid KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratieen kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakteen grondwater terug te dringen.

Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met deaanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: − vasthouden, bergen en afvoeren; − schoonhouden, scheiden en zuiveren. Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omgevingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, 8

Watertoets (2026). Resultaten. Hetwateradvies.nl, datum 6 maart 2026.

37

beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het beheer is gericht op: − het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; − het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en; − de vervulling van de aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies’. Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal.

De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet. Programma’s Water en Ruimte In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatregelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onderwerp ‘ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water’ is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma’s zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma’s zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen.

38

Er zijn een aantal verplichte programma’s waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water kunnen staan: − Nationaal waterprogramma (Rijk) – gericht op het beheer van rijkswateren − Regionaal waterprogramma (provincie) – gericht op regionale oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties − Waterbeheerprogramma (waterschap) – gericht op de watersystemen in beheer bij het waterschap Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. 4.12.2

Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is de Legger Wateren van Waterschap Zuiderzeeland geraadpleegd (zie navolgende uitsnede). Hieruit blijkt dat in de directe omgeving het projectgebied geen waterstaatkundige werken aanwezig zijn. Ook ligt het projectgebied niet in een risicogebied. Geconcludeerd kan worden er op basis van de Legger geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

Uitsnede Legger Wateren 2023 van het Waterschap Zuiderzeeland (Bron: Waterschap Zuiderzeeland)

39

Waterveiligheid Waterschap Zuiderzeeland onderhoudt en beheert 251 kilometer dijken die rondom de polders liggen en ons beschermen tegen het buitenwater, zoals het IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en de randmeren. Regelmatig worden de dijken geïnspecteerd op schade als gevolg van storm of hoge waterstanden. Doorlopend vindt onderhoud plaats aan dijken en oevers. Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema waterveiligheid van toepassing. Voldoende water Water in sloten, vaarten en tochten moet op peil worden gehouden. Bij de vaststelling van het peil, houdt het waterschap rekening met de verschillende belangen, zoals de belangen van agrariërs, natuurgebieden (bossen) en de scheepvaart. Het teveel aan water, veroorzaakt door regenwater en kwel, wordt met behulp van zeven gemalen van het waterschap uit de polders gepompt. Maar soms wordt er ook water vanuit het IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en randmeren ingelaten ten behoeve van irrigatie en nachtvorstbestrijding. Om het water af- en aan te voeren moeten de watergangen aan bepaalde afmetingen voldoen en vrijgehouden worden van onderwaterbegroeiing.

Goed functioneel watersysteem Streefbeeld: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Het waterschap wil een watersysteem met grote peilvakken. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar watergangen met een minimum aantal duikers of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed beheerbaar is. In het plangebied wordt nieuw water gegraven. Er wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De

40

planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie. Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling in 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario’s en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht wordt initiatiefnemers nadrukkelijk geadviseerd uit te gaan van de toekomstige advies-bergingsnorm.

Deze is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario’s van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling toe. Deze toename is groter of gelijk aan 750 m² en is compensatie noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Deze bergingsnorm geldt op grond van de Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer (2012). Bij de hantering van de bergingsnorm gaat het om het benodigde oppervlak open water op streefpeil. Voor onderhavig plan is een compensatieplan 9 opgesteld. De watergang aan de noordzijde wordt uitgebreid. In navolgende afbeeldingen is de watercompensatie weergegeven. De contouren van het gebouw welke opgenomen is in navolgende afbeelding kunnen bij de technische uitwerking mogelijk nog wat afwijken.

9

Lindeloof Tuin- en Landschapsarchitecten BV (2026) Watercompensatie, ECU terrein Sonneborgh Dronten. 224901, 2 februari 2026

41

Beoogde situatie met hemelwatercompensatie.

Doorsnede hemelwatercompensatie

De gehele ontwikkeling zorgt voor een toename van 1.934,5 m2 verhard oppervlak. Met een compensatieplicht van 10,2 m3 per 100 m2 is er (10,2 x 19,345) = 197 m3 aan compensatie benodigd. Met onderhavige ontwikkeling wordt 211 m3 aan compensatie gerealiseerd. Dit alles is in navolgende tabel weergegeven. Waterbalans

42

Schoon water Met zijn allen produceren we veel afvalwater. Dit vervuilde water komt meestal via de gemeentelijke riolering bij een van de vijf afvalwaterzuiveringsinstallaties van Waterschap Zuiderzeeland terecht. Deze installaties halen de vervuilende stoffen zoveel mogelijk uit het afvalwater. Het gezuiverde water wordt weer teruggepompt op het oppervlaktewater. Met behulp van vergunningverlening probeert het waterschap het verontreinigen van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken. Bedrijven zijn namelijk verplicht voor het lozen van afvalwatervergunning aan te vragen. In deze vergunning worden strenge eisen gesteld aan de samenstelling en de hoeveelheid van het te lozen afvalwater. Goede structuurdiversiteit Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Bij de inrichting van een nieuw watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan.

Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxideerbaar zijn. Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe ‘schoon houden, scheiden, zuiveren’. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Dit om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen.

43

Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Het afstromend hemelwater van onderhavig plan valt onder de randvoorwaarden van schoon hemelwater. Matige tot slechte kwaliteit kwelwater Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd op de DWA riolering en het hemelwater wordt aangesloten op de hemelwaterriolering gelegen in de straat ECU. Het hemelwater dat van de parkeerplaats afkomstig is wordt aangemerkt als schoon doordat het minder dan 50 parkeerplaatsen betreft. Daarnaast worden er geen uitlogende materialen gebruikt die het hemelwater kunnen verontreinigen. 4.12.3

Conclusie Het project dient te worden voorgelegd aan het waterschap. Het aspect water vormt met inachtneming van de aanbevelingen in het bovenstaande waarschijnlijk geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.13

Klimaatadaptatie

4.13.1

Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS).

44

Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris.

Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.

Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid.

45

Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Regionale Adaptatiestrategie Flevoland De Regionale Adaptatiestrategie Flevoland is een document opgesteld door het Samenwerkingsverband Klimaatadaptatie Flevoland (KAF). Dit samenwerkingsverband bestaat uit de Provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland, GGD Flevoland, Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de zes gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde. Het hoofddoel van de RAS Flevoland is om Flevoland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Dit betekent dat de samenleving en leefomgeving zodanig worden ingericht dat de gevolgen van klimaatverandering, zoals hitte, droogte, hevige neerslag en overstromingsrisico's, niet leiden tot grote gezondheidsrisico's en (structurele) schade. Ook bevat het document een doorkijk tot 2100. Belangrijke aspecten uit de Regionale Adaptatie Strategie Flevoland zijn: − Gezonde en veilige leefomgeving: Beperken van schaderisico's, zoals gezondheidsschade en oversterfte door hitte.

− Groen, tenzij: Voorkeur voor groene oplossingen en het beperken van verharding. Klimaatadaptieve maatregelen en het versterken van biodiversiteit gaan hand in hand. − Samenwerken: De gemeente kan een adaptieve omgeving niet alleen realiseren. Inwoners, ondernemers en andere stakeholders worden gestimuleerd en ondersteund met voorlichting en subsidies. − Maximale effectiviteit: Klimaatadaptieve maatregelen worden geïntegreerd bij logische momenten zoals nieuwbouw, renovatie, herontwikkeling en groot onderhoud. − Focus op kwetsbaarheden: De klimaatstresstesten laten zien dat Flevoland vooral kwetsbaar is bij hitte, droogte en hevige neerslag, en voor overstromingsrisico's. − Klimaatbestendig buitengebied: Aandacht voor de risico's voor landbouw en natuur door droogte, wateroverlast, bodemdaling en verzilting. Dit vraagt om duurzame verandering van het gebruik en de inrichting van het buitengebied. − Groenblauwe structuren in de bebouwde omgeving: Ruimte voor een netwerk van water en openbaar groen dat aansluit op het regionale netwerk. − Regionale en lokale aanpak: Het document dient als leidraad voor overheden en andere betrokkenen om zich daadwerkelijk aan te passen aan de klimaatverandering. Klimaatbeleidsplan Dronten en uitvoeringsprogramma Het Klimaatbeleidsplan Dronten is op 26 november 2020 door de gemeenteraad van Dronten vastgesteld.

Dit plan beschrijft de ambitieuze koers van de gemeente

46

om voorop te lopen in de energietransitie en klimaatneutraliteit, met als doel om in 2030 de grootste CO2-reductie van alle gemeenten in Nederland te realiseren. Speerpunten zijn de verdere inzet op grootschalige duurzame energieopwekking, het aardgasvrij maken van wijken, energiebesparing, het stimuleren van een circulaire economie, aandacht voor klimaatadaptatie en actieve participatie van inwoners en bedrijven. Het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Klimaatbeleidsplan Dronten is op 21 april 2022 door het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Dronten vastgesteld. Dit document is de concrete uitwerking van het Klimaatbeleidsplan en vertaalt de ambities naar specifieke acties, projecten en maatregelen voor de periode 2022-2026. Het beschrijft gedetailleerd wie wat gaat doen, wanneer, met welk budget en met welke verwachte resultaten, en dient als een werkplan om de doelen daadwerkelijk te bereiken. Toekomstvisie Dronten 2050 De Toekomstvisie Dronten 2050 is tot stand gekomen via een uitgebreid participatietraject. Hierin heeft het 'Dronter Toekomstberaad', een groep van 100 inwoners, een langetermijnvisie voor Dronten opgesteld na meerdere bijeenkomsten en brainstormsessies. De gemeenteraad heeft deze visie vastgesteld in het najaar van 2024. De visie beschrijft Dronten als een gemeente die in 2050 vooruitloopt en pioniert op het gebied van energie en duurzaamheid.

Het streven is om een positief rendement te behalen dat het welzijn van de inwoners bevordert. De gemeente wil de vruchtbare landbouwgrond behouden, maar tegelijkertijd een gezonde balans creëren tussen landbouw en biodiversiteit. Verder focust de visie op het behouden van het dorpse karakter en het versterken van de sociale cohesie. Een belangrijk onderdeel is het zorgen voor een ruim aanbod van betaalbare woningen voor alle generaties. Daarnaast wordt er ingezet op een groenere leefomgeving, met meer groen in woonwijken, op bedrijventerreinen en langs wegen, en een goede aansluiting van de bebouwde omgeving op de natuur. Tot slot is er aandacht voor gezondheid en welzijn, met het doel dat er voldoende bereikbare en betaalbare zorg is, waarin de mens centraal staat en technologie ondersteunend werkt. Deze visie dient als een belangrijk stuurdocument voor toekomstige ontwikkelingen en zal verder worden uitgewerkt in onder andere de Omgevingsvisie van de gemeente. 4.13.2

Toetsing In voorliggende situatie wordt een woon-zorgcomplex gerealiseerd met maximaal 45 woonzorgappartementen. Hoewel het verhard oppervlak als gevolg van voorliggend project toeneemt, zal het perceel waar mogelijk groen worden ingericht zodat er mogelijkheden blijven voor hemelwaterinfiltratie. Met een T = 100 bui van ca. 60

47

mm in 1 uur moet er (0,06 x 1.934,5) = 116,07 m3 opgevangen worden. Met onderhavige ontwikkeling wordt 211 m3 aan hemelwateropvang gerealiseerd. Zodoende kan de piekbui worden verwerkt.

Verder geldt dat bij de nieuwbouw van het woon-zorgcomplex wordt voldaan aan de BENG-eisen die gesteld worden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, zie artikel 4.148 en 4.149). De buitenruimte wordt groen aangeplant met een aantal bomen en struiken. Vooral de bomen zullen zorgen voor enige schaduwwerking dat hittestress tegengaat. Verder wordt de buitenruimte zo min mogelijk verhard om hitte absorptie te voorkomen en de gevel van de bebouwing wordt voorzien van lichte bakstenen. 4.13.3

Conclusie Bij de planvorming is voor zo ver als mogelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie

4.14

Natuur

4.14.1

Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: − er soorten aanwezig zijn; − welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.

Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor

48

schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. 4.14.2

Toetsing In het kader van de sloop en nieuwbouw in het projectgebied is een quick scan natuur10 uitgevoerd. De conclusies uit het onderzoek worden navolgend uiteengezet. Gebiedsbescherming Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland en er is geen ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Natura 2000-gebied Ketelmeer & Vossemeer, Veluwerandmeer en Zwarte meer liggen in de omgeving van het besluitgebied en ondervinden geen negatieve effecten van de werkzaamheden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied is vanwege een mogelijke toename (door de nieuwbouw) in stikstofdepositie

10

SAB (2025). Quick scan natuur, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 16-10-2025

49

door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. In navolgende paragraaf is het aspect stikstof onderbouwd. Soortenbescherming Verblijfplaatsen of andere essentiële elementen van habitatrichtlijnsoorten en niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’, en jaarrond beschermde nesten van vogelrichtlijnsoorten zijn niet aanwezig in het besluitgebied of de directe omgeving ervan. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. Uit de quickscan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Tref derhalve de preventieve maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quickscan om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Uit de quickscan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: Amfibieën; (overige) insecten; grondgebonden zoogdieren; vogels. Tref hiervoor de maatregelen zoals opgesomd in paragraaf 3.11 van de quickscan. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog.

4.14.3

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.15

Stikstof

4.15.1

Algemeen Op grond van de Omgevingsweg worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de

50

stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. 4.15.2

Toetsing In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is de stikstofuitstoot11 door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.

4.15.3

Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.16

Archeologie

4.16.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te 11

SAB (2026). Onderzoek stikstofdepositie, Woon-zorgcomplex Ecu te Dronten, projectnummer: 240225. Datum: 26 februari 2026

51

worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied, moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.16.2

Toetsing Op basis van het bestemmingsplan heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Dit betekent dat voor deze gronden geldt dat bodemingrepen van groter dan 1,7 hectare en dieper dan 40 centimeter alleen zijn toegestaan indien een archeologisch rapport wordt overlegd. Deze drempelwaarden worden niet overschreden met voorliggend project. Nader onderzoek naar archeologie is daarom niet benodigd.

4.16.3

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.17

Cultuurhistorie

4.17.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat, voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar zoveel mogelijk rekening mee houden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.17.2

Toetsing Op 17 juni 2025 heeft de gemeenteraad van Dronten de ‘Verordening Fysieke Leefomgeving Dronten 2025’ vastgesteld. Hierin zijn naast regels over bomen, markten, ligplaatsen voor boten en andere regels aangaande de fysieke leefomgeving ook regels over erfgoed opgenomen. In de regels over erfgoed ligt vast hoe de gemeente wil omgaan met haar verantwoordelijkheid voor het cultuurhistorisch erfgoed binnen haar grenzen. De regels helpen bij het zoeken naar kansen om samen dit erfgoed te behouden, uit te dragen en bij nieuwe ontwikkelingen te betrekken.

52

Binnen en in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect cultuurhistorie geeft verder geen kaders voor de ontwikkeling. 4.17.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.18

Verkeer en parkeren

4.18.1

Algemeen Verkeer In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV). Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Dronten een Parkeernomennota vastgesteld.

4.18.2

Toetsing Parkeren Het projectgebied ligt op basis van de publicatie van het CROW in een 'weinig stedelijk gebied' met het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De gemeente Dronten heeft een eigen parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Dronten 2016’ (vastgesteld op 29 september 2016) en uitgebreid met ‘Addendum bij Nota Parkeernormen Dronten 2016, afwijkingsbevoegdheid parkeernormen’ (vastgesteld op 12 november 2024). Hieruit volgt dat het kencijfer voor een verpleeg en verzorgingstehuis 0,6 parkeerplaatsen per wooneenheid betreft. Berekening parkeerbehoefte kenmerk Verpleeg- en verzorgingstehuis

aantal

kencijfer

per

Parkeerbehoefte

45

0,6

wooneenheid

27

totaal afgerond

27

De benodigde 27 parkeerplekken worden op eigen terrein gerealiseerd. Verkeer De gemeente Dronten kent een eigen ‘Gemeentelijk verkeer en vervoer plan’. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, volgt de gemeente de kencijfers van het

53

CROW12 voor verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het projectgebied worden de kencijfers voor het gebied ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Dronten wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van een woon-zorgcomplex met maximaal 45 woonzorgappartementen geldt daarbij de categorie ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’. Aan deze categorie is geen verkeersgeneratie gekoppeld. Als er uitgegaan wordt van 4 bewegingen per parkeerplaats per etmaal, komt dat neer op 4 x 27 = 108 verkeersbewegingen per etmaal. De CROW hanteert de vuistregel dat op het drukste moment in de spits 10% van de verkeersbewegingen per etmaal op dat moment plaats vinden. In onderhavige situatie zijn dat 11 verkeersbewegingen. De verwachting is dat de bestaande uitvalswegen in ruimte en plaats voor deze zeer beperkte nieuw gegenereerde verkeersbewegingen kunnen voorzien. 4.18.3

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

4.19

Kabels en leidingen

4.19.1

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de bescherming van planologisch relevante kabels en leidingen.

4.19.2

Toetsing In en nabij het projectgebied bevinden zich geen relevante kabels en leidingen die de ontwikkeling in de weg zouden kunnen staan.

4.19.3

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

12

CROW, publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’

54

5 Uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Voorliggend project wordt gerealiseerd op initiatief van een ontwikkelaar. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een koop- en realisatieovereenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

5.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.2.1

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Sonneborgh heeft een inloopavond georganiseerd om alle belanghebbenden de mogelijkheid te bieden mee te praten over de plannen. De inloopavond vond plaats bij Bij Broers (Koning Willen-Alexanderplein 1) in Dronten. De resultaten zijn vastgelegd in een participatieverslag13. In totaal waren er circa 25 belangstellenden aanwezig op de inloopavond. Sonneborgh heeft de aanwezigen een presentielijst laten invullen. Vanwege de AVG-wetgeving is deze presentielijst niet aan dit participatieverslag toegevoegd. Aanwezig waren met name omwonenden die aan de Beiersgulden wonen, maar ook mensen van de J.P. van den Bent stichting en de volkstuinvereniging waren aanwezig.

13

Sonneborgh (2025) Participatieverslag fase1, Ecu Dronten. BSZ/135872, 8 december 2025

55

Sonneborgh kijkt zeer tevreden over de participatiebijeenkomst die als heel positief is ervaren door de aanwezigen. Veel bezoekers waren enthousiast over het voorgesteld plan, dat door middel van posters aan de bezoekers is getoond. Deze getoonde posters zijn in bijlage A van dit participatieverslag te zien. De bezoekers is gevraagd om feedback formulieren in te vullen. Alternatief was om de eventuele voorstellen of vragen op geeltjes te noteren en deze te plakken op het feedbackbord. De ingevulde formulieren en de achtergelaten geeltjes zijn toegevoegd als bijlage B. Conclusie en vervolg Gezien de positieve reacties die zijn gegeven op het plan is besloten geen wijzigingen door te voeren. Er wordt voldaan aan de gewenste bouwhoogte van 3 bouwlagen en er wordt voldoende parkeergelegenheid gecreëerd. De overige vragen die zijn gesteld, zoals hiervoor beschreven, zullen in het kader van haar publieke taak worden beantwoord door de gemeente. Daarmee is de BOPA gereed voor indiening.

56

6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; − Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In voorliggende motivering is de beoogde wijziging van een in onbruik zijnde perceel naar een woon-zorgcomplex getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voornemen bestaat om ter plaatse van de ontwikkellocatie een woon-zorgcomplex met ruimte voor maximaal 45 woonzorgappartementen te realiseren. In het gebouw zal ook ruimte zijn voor zorgvoorzieningen. Voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en speelt in op de lokale woningbehoefte. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

De nieuwe woonfunctie zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

57

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1406/documents/21942