CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsplan Grotestraat 4 Rossum Motivering

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4”20.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Ten behoeve van de beschouwing van de verkeerskundige effecten en de parkeerbehoefte zijn, op basis van de 'Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018' en de CROW-publicaties 317 en 381, de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom; Kengetal voor de verkeersgeneratie: het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte. Verkeerskundigeeffecten ontwikkeling(verkeersgeneratie en -afwikkeling) In de bestaande situatie zijn in het plangebied een horecagelegenheid, onder andere bestaande uit een café en zalencentrum, een bedrijfswoning en de naastgelegen loods toegestaan. Voor de bedrijfswoning is als type 'Koop, huis, vrijstaand' gehanteerd. Voor de loods is 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' gehanteerd. Een zalencentrum is niet opgenomen in de lijst met functies van het CROW. De functie die hier het dichtst bij in de buurt komt is een 'Discotheek'. Omdat in de feitelijke situatie sprake is van leegstand mag verkeersgeneratie van het zalencentrum niet worden meegerekend. Onderstaand wordt de huidige verkeersgeneratie berekend. Tabel 5.1: Huidige verkeersgeneratie Type woning/ bebouwing Café/bar/cafetaria Discotheek

Gem.per eenheid 7 (per 100 m2 bvo) 20,8 (per 100 m2 bvo) Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief 4,8 (per 100 m2 bvo) Koop, huis, vrijstaand 8,2

Aantal eenheden Verkeersgeneratie 2,02 14,04 leegstand 0 3,95 1

18,96 8,2 Totaal 41,2 In de beoogde situatie wordt het zalencentrum gesloopt en worden 14 reguliere woningen gerealiseerd. Onder andere het café, de bedrijfswoning en naastgelegen loods worden behouden. Onderstaand wordt de toekomstige verkeersgeneratie berekend. Tabel 5.2: Toekomstige verkeersgeneratie Type woning/bebouwing Koop, huis, tussen/hoek Koop, appartement, < 75 m2 bvo Café/bar/cafetaria Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Koop, huis, vrijstaand

Gem.per eenheid 7,4 5,6 7 (per 100 m2 bvo) 4,8 (per 100 m2 bvo) 8,2

Aantal eenheden 10 4 3,16 3,95 1

Verkeersgeneratie 74 22,4 22,12 18,96

8,2 Totaal 145,68

Op basis van voorgaande neemt de verkeersgeneratie in de beoogde situatie toe met circa 105 verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Deze verkeergseneratie vindt verspreid over de dag plaats. Het verkeer van en naar het plangebied wordt, net als in de bestaande situatie, ontsloten via de Grotestraat. De 14 nieuwe wooneenheden zijn bereikbaar door de aanleg van een toegangsweg in de zuidwestzijde van het plangebied. De horecagelegenheid, bedrijfswoning en naastgelegen loods zijn te bereiken via de toegangsweg in de noordwestzijde van het plangebied. Ook alle beoogde parkeerplekken in het plangebied zijn via de wegenstructuur goed bereikbaar. Gezien de inrichting van de Grotestraat wordt aangenomen dat er voldoende capaciteit op deze weg is om het verkeer te ontsluiten. Daarnaast wordt de omliggende wegenstructuur, gezien de aanwezigheid van belijning en separate stroken, ook veilig geacht voor fietsers. Ook is op minder dan 100m van het plangebied bushalte 'Rossum, De Weelbaan' gelegen, waardoor het plangebied bereikbaar is met het openbaar vervoer. De toekomstige verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van het planvoornemen hebben hiermee geen onevenredige gevolgen voor de omgeving. De verkeersveiligheid en -afwikkeling komen daardoor niet in het geding.

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

25

en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. In tabel 5.3 wordt de parkeerbehoefte, inclusief bezoekers, behorende bij de beoogde ontwikkeling berekend. Voor de rijwoningen en aaneengebouwde levensloopbestendige woningen is uitgegaan van het type 'vrijstaand' omdat het hoofdgebouw is losgekoppeld. Twee levensloopbestendige woningen zijn met het hoofdgebouw wel aan elkaar verbonden en worden gerekend als 'twee-onder-een-kap'. Tabel 5.3: Toekomstige parkeerbehoefte Type woning/bebouwing Parkeereis Café/bar/cafetaria 7,0 Loods, opslag, bergplaats 1,05 Koop, huis, vrijstaand (bestaande bedrijfswoning) 2,3 Twee-onder-een-kap (levensloopbestendig) 2,2 Koop, huis, tussen/hoek (rijwoningen) 2,0 Koop, huis, vrijstaand (overige 2,3 levensloopbestendig) Koop, appartement, < 75 m2 bvo 1,6

Aantal eenheden 3,16 3,95 1 2 5 3 4

Parkeerbehoefte 22,12 4,15 2,3 4,4 10 6,9

6,4 Totaal 56,27

Zoals volgt uit figuur 5.1, een uitsnede van de verhardingstekening zoals opgenomen in Bijlage 2, is aan de voorzijde van de bedrijfswoning voldoende ruimte om op eigen terrein te voorzien in parkeerbehoefte van de bestaande bedrijfswoning. Dit betreft een bestaande parkeerbehoefte welke niet wijzigt. Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de overige functies en activiteiten in het plangebied bedraagt daarmee 54 parkeerplaatsen (56,27 - 2,3 voor de bestaande bedrijfswoning = 53,97 = 54). Daarnaast verdwijnen ten behoeve van de ontsluiting ten noorden van de horecagelegenheid, parallel aan de Grotestraat, 2 parkeerplaatsen uit de openbare ruimte. Deze dienen te worden gecompenseerd. In de openbare ruimte aan de Grotestraat en ten zuidwesten van het plangebied (links op onderstaande tekening) worden 2 parkeerplaatsen toegevoegd, waarmee wordt voorzien in de compensatie van de verdwenen parkeerplaatsen. Daarmee rest enkel nog de parkeerbehoefte en parkeernorm van de nieuwe functies met een totale parkeervraag van 54 parkeerplaatsen. In figuur 5.1, afkomstig uit Bijlage 2, zijn de beoogde parkeerplaatsen ingetekend. De beoogde ontwikkeling voorziet in 28 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen in de noordzijde van het plangebied (bovenin op onderstaande tekening).

Ten zuidoosten van de horecagelegenheid, voor de rijwoningen en appartementen, wordt voorzien in 15 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Bij de levensloopbestendige woningen kan op eigen terrein worden geparkeerd, hier kunnen in de praktijk twee auto's naast elkaar staan. Voor een dubbele oprit met garage geldt een theoretische parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning, maakt 9 parkeerplaatsen. In totaal worden in het plangebied dus (theoretisch) 52 parkeerplaatsen gerealiseerd. Benadrukt wordt dat bij de levensloopbestendige woningen in de praktijk gewoon 2 auto's per woning kunnen worden geparkeerd. Het is onrealistisch dat het café een daadwerkelijke parkeerbehoefte van 22,12 parkeerplaatsen heeft. Dit komt doordat de meeste bezoekers niet met de auto naar het café zullen afreizen. Een parkeerbehoefte van 10 á 12 parkeerplaatsen wordt aannemelijker geacht. Er zal derhalve naar verwachting sprake zijn van een overschot aan parkeerplaatsen. Voor zover elders in het plan, bijvoorbeeld bij de levensloopbestendige woningen, in theorie sprake zou zijn van een parkeerplaatsentekort wordt dat hiermee gecompenseerd. In totaal worden zodoende theoretisch 52 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Desalniettemin wordt voorzien in de daadwerkelijke parkeerbehoefte.

26

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

Figuur 5.1: Uitsnede verhardingstekening inclusief parkeerplaatsen Een groot gedeelte van de beoogde parkeerplaatsen is dus openbaar toegankelijk. Bovendien kan zowel via de noordelijke ontsluiting als via de zuidelijke ontsluiting nabij de rijwoningen worden geparkeerd, waardoor het verkeer zich kan verdelen over de parkeerplaatsen in het plangebied. Nabij de levensloopbestendige woningen zijn geen openbare parkeerplaatsen gesitueerd. Bezoekers kunnen parkeren op de parkeerplaatsen tegenover de rijwoningen. Hierdoor wordt ook voor de verschillende functies in het plan voorzien in voldoende en toereikende parkeergelegenheid. Op basis van voorgaande wordt in de beoogde situatie aan de geldende parkeerbehoefte voldaan. 5.3.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en beschermde soorten. 5.4.1

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

27

de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plangebied ligt op 1,8 kilometer afstand van Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Op onderstaande figuur wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 5.2: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 10 Stikstofdepositieberekening. Onderstaand de conclusie uit dit rapport. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gecombineerde fase (aanleg & doorgezet gebruik) als in de (beoogde) gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Middels het onderzoek is daarmee aangetoond dat de beoogde ontwikkeling, voor wat betreft stikstofdepositie, geen Natura 2000-activiteit betreft. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het onderhavige project is niet vergunningplichtig. 28

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 5.4.2

NatuurnetwerkNederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied ligt op circa 830 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN.

De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zal geen negatief effect hebben op het NNN. 5.4.3

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd, zie Bijlage 8 Quickscan flora en fauna.

De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd dan wel omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor beschermde plantensoorten en beschermde ongewervelden. Voor de aanwezige vogelsoorten geldt dat het uitvoeren van voorgenomen activiteiten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht. Op basis van de Quickscan konden negatieve gevolgen voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen niet worden uitgesloten. In dat kader is nader soortenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen in het plangebied, zie Bijlage 9 Nader soortenonderzoek. In het nader soortenonderzoek is vastgesteld dat er geen nestplaats van de huismuis en gierzwaluw in de bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

29

onderzochte bebouwing is vastgesteld. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied dan wel leefgebied voor de huismus en gierzwaluw. Uit het nader onderzoek naar vleermuizen is gebleken dat er één verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Dit betreft een deel van het te slopen zalencentrum. De sloop van de bestaande bebouwing is vergunningplichtig voor de flora- en fauna-activiteit. Om werkzaamheden uit te mogen voeren, met nadelige gevolgen voor de vleermuis en de verblijfplaats, dient een vergunning aangevraagd te worden bij de provincie Overijssel. Deze vergunningaanvraag dient een activiteitenplan te bevatten, waarin wordt beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd, de planning van de werkzaamheden, de aanwezige beschermde soorten, welke effecten optreden op de beschermde soorten en welke mitigerende maatregelen worden genomen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan pas plaatsvinden wanneer de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de omgevingsvergunning zijn nageleefd. De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is bij de provincie Overijssel (bevoegd gezag) aangevraagd. Deze vergunning is verleend. Hiermee is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is met betrekking tot soortenbescherming.

Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; 30

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. 5.5.2

Onderzoek

Met dit plan wordt de functie wonen mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen afgerond 146 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op worst-case 200 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Daarbij is uitgegaan van 5% vrachtverkeer. In figuur 5.3 is de worst-case berekening weergegeven met aantal extra bewegingen extra voertuigbewegingen.

Figuur 5.3: Uitsnede NIBM Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geluid 5.6.1

Algemeen

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Hoofdstuk 5 Bkl, paragraaf 5.1.4.2 (geluid door activiteiten): bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

31

Paragraaf 5.1.4.2.1 Bkl bevat specifieke instructieregels voor regels in het omgevingsplan over geluid door activiteiten. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. Het toepassingsbereik van deze instructieregels bestaat uit activiteiten die geluid veroorzaken op legale geluidgevoelige gebouwen. De planologische status is bepalend.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. In artikel 5.59 Bkl is bepaald dat rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dit geluid moet aanvaardbaar zijn. De gemeenteraad moet, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow), de ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen optredende geluidbelasting als gevolg van activiteiten, beoordelen en betrekken in de belangenafweging. Het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn cumulatieve vereisten. Het kan voorkomen dat het geluid door een individuele activiteit aanvaardbaar is (en dus voldaan is aan het tweede lid), maar ter uitvoering van het eerste lid ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van meerdere activiteiten. Ook andersom is dit mogelijk: de aanvaardbaarheidseis, die op zich voor één activiteit geldt, kan betekenis hebben voor de toedeling van functies van meerdere activiteiten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties.

Ook niet wettelijk genormeerde geluidverschijnselen (zoals cumulatie van geluidbronnen, menselijk stemgeluid) en de bescherming van niet-geluidgevoelige objecten (zoals kantoren) dient onderdeel te zijn van de afweging in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Paragraaf 5.1.4.2.2 Bkl is van toepassing op het geluid op een geluid gevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van de specifieke activiteiten uit paragraaf 5.1.4.2.3 (windturbines, windparken, schietbanen). In deze paragraaf zijn standaardwaarden (artikel 5.65 Bkl) en grenswaarden (artikel 5.66 Bkl) voor geluid opgenomen. De activiteit die als BOPA wordt aangevraagd, moet hieraan worden getoetst. Er is flexibiliteit om af te wijken tot aan de grenswaarden. De beleidsruimte om af te wijken tot de grenswaarde wordt ingevuld met het Gebiedsgerichte geluidbeleid, waarin de wenselijk geachte gebiedsgerichte waarden zijn opgenomen. Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.2a (toelaten nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, industrieterreinen): Paragraaf 5.1.4.2a Bkl gaat het om geluid door wegen en industrieterreinen op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw is geregeld in paragraaf 5.1.4.2a.4. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden (zie art. 5.78t).

Onder voorwaarden kan daarvan worden afgeweken tot de grenswaarden (zie art. 5.78u). In drie gevallen waarin sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie kan onder voorwaarden geluid tot maximaal 5 dB boven de grenswaarden toelaatbaar worden geacht. Het gaat om vervangende nieuwbouw (art. 5.78v), functiewijziging (art. 5.78w) en nieuwbouw in het geluidaandachtsgebied van zeehavengebonden activiteiten (art. 5.78x). Is er geen sprake van zo'n bijzondere stedenbouwkundige situatie, dan kan een geluidgevoelig gebouw met geluid boven de grenswaarden worden toegelaten indien de gevel geen te openen delen bevat of bouwkundige maatregelen worden toegepast waardoor het geluid op te openen delen niet hoger is dan de grenswaarden (zie art. 5.78y). Een laatste mogelijkheid om een geluidgevoelig gebouw desondanks toe te laten bestaat als zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen (zie art. 5.78aa). De beleidsruimte om af te wijken tot de grenswaarde wordt ingevuld met de beleidsnota Hogere grenswaarde waarin de gemeentelijke beleidsuitgangspunten met betrekking tot verkeer en bedrijven is vervat.

32

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

5.6.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling ziet toe op de toevoeging van 14 woningen binnen het plangebied. Dit betreffen geluidgevoelige objecten. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een aandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Navolgend worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidaandachstgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen. Railverkeerslawaai behoeft derhalve geen nadere beschouwing. Het plangebied ligt wel binnen het aandachtsgebied van de omliggende gemeentelijke wegen en de Oldenzaalsestraat (N736).

In dat kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting afkomstig van deze wegen. Navolgend wordt de uitkomst van dit onderzoek beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 11. Maatgevend voor de geluidbelasting op het planvoornemen is de provinciale weg, waarvoor nog geen geluidproductieplafondwaarden zijn vastgesteld. Voor deze weg geldt in de overgangssituatie onder de Omgevingswet nog de systematiek uit de Wet geluidhinder. De te toetsten geluidbelasting op de geluidgevoelige gebouwen in het plangebied bedraagt maximaal 52 dB na aftrek ex artikel 110 G. Voor het plan dient een hogere waarde te worden vastgesteld voor de meest oostelijk gelegen woning. Hierbij is reeds voorzien in het afschermen van het plan in het tussengebied, door in het akoestisch onderzoek rekening te houden met het beoogde geluidsscherm. Ook worden gevels op de verdieping van de meest oostelijk gelegen woning aan zijde van de provinciale weg aangemerkt en uitgevoerd als dove gevels. Daarnaast geldt de voorwaarde dat de benodigde gevelisolatie gelijk moet zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB. De geluidwering van de woningen is nog niet onderzocht. In een afzonderlijk akoestisch onderzoek, bij de aanvraag van de technische bouwactiviteit, wordt inzichtelijk dat wordt voldaan aan de vereiste geluidwering.

Hiermee is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd. Bij de betreffende woning(en) waar sprake is van een overschrijding van de geluidbelasting moet worden uitgegaan van een gezamenlijke geluidbelasting van de bronsoort industrielawaai en wegverkeerslawaai van maximaal 59 dB. Vanwege deze lage gezamenlijke geluidbelasting kan worden afgewogen dat de cumulatieve geluidbelasting ook acceptabel is en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Navolgend wordt nader ingegaan op het akoestisch onderzoek naar geluid afkomstig van industrielawaai en bedrijvigheid. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het plangebied zijn geluidsbronnen aanwezig die de beoogde geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen hinderen. Akoestisch onderzoek industrielawaai loonbedrijf Ten eerste is aan de overzijde van de N736 een loonbedrijf gelegen met een oppervlak > 500 m2. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' een indicatieve richtafstand van 50 m voor het onderdeel 'Geluid'.

De dichtstbijzijnde woonfunctie ligt op circa 40 m van de perceelgrens van het loonbedrijf, en daarmee binnen het geluidaandachtsgebied. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het industrielawaai afkomstig van het loonbedrijf. Zoals toegelicht in subparagraaf 4.2.3 zijn de gehanteerde uitgangspunten en gegevens voor het loonbedrijf overeengekomen na bezoek aan, en uitvoerig overleg met de eigenaar hiervan. Navolgend wordt de uitkomst bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

33

van het onderzoek beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 12. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van het planvoornemen de geluidbelasting niet hoger is dan 50 dB(A) etmaalwaarde, nadat maatregelen in het plan zijn getroffen in de vorm van een geluidscherm en dove gevels op de verdieping van de meest oostelijk gelegen woning in combinatie met een bijbehorend bouwwerk met een verhoogde daknok. De geluidbelasting voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Ter plaatse van de toekomstige woonfuncties wordt tevens voldaan aan de standaardregels voor de maximale A-gewogen geluidniveaus in de dag- en avondperiode. In de nachtperiode zijn de piekgeluiden hoger dan 60 dB(A). De piekgeluiden bedragen maximaal 64 dB(A). Deze piekgeluiden treden op ten gevolgde het vertrek van voertuigen in de vroege ochtend. Deze piekgeluiden treden ook op ter plaatse van de bestaande woningen nabij het loonbedrijf. Voor het bedrijf wordt middels een maatwerkbesluit een hogere geluidbelasting op een deel van de woningen toegestaan van 5 dB. De woningen worden langs een provinciale weg gebouwd. Over deze weg zullen meerdere zware voertuigen rijden. De hogere piekgeluiden ten gevolge van het komen en gaan van voertuigen zijn ondergeschikt aan de piekgeluiden van het wegverkeer.

De hogere piekgeluiden ten gevolge het komen en gaan van voertuigen leidt niet tot meer hinder bij de beoogde woningen, gezien de piekgeluiden als gevolg van de provinciale weg. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) kan de vergunning worden verleend, indien de genoemde maatregelen worden geborgd. Akoestisch onderzoek horeca Ten tweede wordt een deel van de bestaande horecagelegenheid in het plangebied in de beoogde situatie voortgezet. Voor horeca van categorie 2 geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' dat, in gemengd gebied, functiemenging is toegestaan. Gezien de aanwezigheid van verschillende functies en activiteiten naast wonen, zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied, wordt gesteld dat in voorliggend geval sprake is van gemengd gebied en daarmee functiemenging is toegestaan. Desondanks is, om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te garanderen, ook voor de horecagelegenheid een akoestisch onderzoek verricht. Onderstaand wordt de uitkomst beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 13. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestaande zalencentrum in het plangebied verwijderd. Het café en een kleine zaal/barruimte blijven behouden.

De activiteiten van de horecagelegenheid worden beperkt tot hetgeen wat mogelijk is om ter plaatse tot de omliggende woningen te voldoen aan de geldende geluidwaarden. De geluidbelasting is zowel bepaald bij de bestaande woningen nabij het plangebied als ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied. De mogelijkheden van de horecagelegenheid zoals dit na het verwijderen van het zalencentrum overblijft, worden beperkt tot de mogelijkheden ten opzichte van de bestaande woningen. Indien op de gevels van de bestaande woningen wordt voldaan aan de geldende geluidwaarden, dan zal de geluidwaarde op de beoogde woningen op basis van het akoestisch onderzoek 2 dB lager zijn. Met de beoogde opbouw van de gevels is, op basis het van het akoestisch onderzoek, het volgende geluidniveau mogelijk voor de horecagelegenheid: Dagperiode tussen 07.00 en 19.00 uur: 90 dB(A); Avondperiode tussen 19.00 en 23.00 uur: 85 dB(A); Nachtperiode tussen 23.00 en 07.00 uur: 80 dB(A). Dit geluidniveau is toereikend voor de gewenste bedrijfsvoering in de beoogde situatie. De aandachtsgebieden voor geluid voor de overige functies en activiteiten in de omgeving overlappen niet met de beoogde woningen. Deze behoeven dan ook geen nadere beschouwing. Figuur 5.4 toont een impressie van de betreffende te verbouwen gevels gezien vanaf de nieuwe woningen (appartementen).

34

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

Figuur 5.4: Impressie verbouwde gevel horeca Gecumuleerden gezamenlijkgeluid Op basis van de rekenresultaten zijn de bovenstaande resultaten samengevat wat betreft het gecumuleerde en gezamenlijk geluid. In het omgevingsplan dient een gezamenlijk geluid van 54 dB voor de woning op kavel 13 en 59 dB voor kavel 14 te worden vastgelegd. Op basis van het gezamenlijk geluid dient de woning op kavel 14 een karakteristieke geluidwering van minimaal 26 dB en kavel 13 van minimaal 21 dB te hebben. Figuur 5.5 toont de verschillende berekende geluidbelastingen per kavel. In figuur 5.6 is kavel 14 aangeduid in blauw en kavel 13 in rood.

Figuur 5.5: Geluidbelastingen woningen kavel 14 en kavel 13.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

35

Figuur 5.6: Kavels toekomstige situatie 5.6.3

Te nemen maatregelen

Als gevolg van de in bovengenoemde onderzoeken geluidbelastingen zijn maatregelen noodzakelijk om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen. Deze worden hier opgesomd. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

het oprichten van een geluidscherm in het oosten van het plangebied; het realiseren van een niet-geluidgevoelige gevel op de eerste verdieping bij woning 14; het vaststellen van een hogere geluidbelasting van 52 dB voor de provinciale weg bij woning 14; het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor een maximaal geluidsniveau vanwege aandrijfgeluid transportmiddelen in de nacht van 64 dB(A) voor het bedrijf Oude Lashof bij woning 14; het vaststellen van een hogere gezamenlijke geluidbelasting van 59 dB bij woning 14; het overleggen van een gevelweringonderzoek bij de aanvraag van de bouwactiviteit waaruit blijkt dat wordt voorzien aan het maximale binnenniveau van 33 dB; het vaststellen van een hogere geluidbelasting van 50 dB voor de provinciale weg bij woning 13; het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor een maximaal geluidsniveau vanwege aandrijfgeluid transportmiddelen in de nacht van 63 dB(A) voor het bedrijf Oude Lashof bij woning 13; het vaststellen van een hogere gezamenlijke geluidbelasting van 54 dB bij woning 13.

In de planregels van dit plan is geborgd dat bovengenoemde maatregelen worden getroffen. De planregel met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden voor het gezamenlijk geluid op gevels bij woning 13 en woning 14 geeft uitvoering aan artikel 5.78ad Bkl door de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan zelf op te nemen. Bij de aanvraag voor de zogenoemde technische bouwactiviteit moet de initiatiefnemer aantonen dat met de te treffen gevelmaatregelen kan worden voldaan aan de binnenwaarde, gebruikmakend van de in deze regel vastgelegde geluidbelasting. Zodoende is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd. 36

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

5.6.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Geur 5.7.1

Algemeen

Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering. 5.7.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet onder andere in de toevoeging van 14 wooneenheden in het plangebied. Dit betreffen geurgevoelige objecten. Aan de overzijde van de N736 is een loonbedrijf gelegen met een oppervlak > dan 500 m2. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' een richtafstand van 30 m voor het onderdeel 'Geur'. De dichtstbijzijnde beoogde woonfunctie in het plangebied ligt op circa 40 m van de perceelsgrens van het loonbedrijf. De beoogde geurgevoelige objecten liggen conform de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' buiten de richtafstand voor geur voor het loonbedrijf aan de overzijde van de Oldenzaalsestraat (N736). Nader onderzoek naar geur afkomstig van bijbehorende activiteiten wordt niet benodigd geacht. Verder zijn geen functies en activiteiten in de directe omgeving van het plangebied gelegen waarvan geurhinder te verwachten is. Buiten de kern Rossum bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Oldenzaalsestraat 4, Rossum. Ter plaatse is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De afstand tussen het bijbehorende agrarische bouwvlak en het plangebied bedraagt circa 250 m.

Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende afstanden met betrekking tot geur zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Dinkelland. Gelet op vorenstaande wordt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1

Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

37

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 5.8.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet onder andere in de toevoeging van 14 wooneenheden. Deze woningen worden in het kader van omgevingsveiligheid aangemerkt als 'kwetsbare objecten'. De bestaande horeca wordt gedeeltelijk gesloopt. Aan de hand van het Register Externe Veiligheid, zoals opgenomen in Atlas Leefomgeving, is een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rondom het plangebied (blauwe druppel).

38

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

Figuur 5.7: Inventarisatie risicobronnen Uit bovenstaande inventarisatie volgt dat het plangebied is gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van het nabij gelegen LPG-tankstation. In dat kader is door AVIV onderzoek verricht naar de omgevingsveiligheid, inclusief groepsrisicoberekening. Onderstaand zijn de conclusies van dit onderzoek opgenomen, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 14. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied. Omdat het gaat om kwetsbare gebouwen is het aanwijzen van voorschriftengebieden niet noodzakelijk. Het bevoegd gezag kan met behulp van de gereedsschapskist van maatregelen bepalen of en welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden ter verbetering van de externe veiligheidssituatie. Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan 0,01 keer de oriëntatiewaarde. Door de beoogde ontwikkeling, onder andere de sloop van het bestaande zalencentrum en het mogelijk maken van 14 wooneenheden, neemt het groepsrisico in geringe mate af. Omgevingsveiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Advies brandweer In het kader van het vooroverleg is door de Brandweer een advies met betrekkeing tot veiligheid afgegeven. Er is geen sprake van een belemmering voor het plan indien: 1.

Geborgd wordt dat het plan voldoet aan de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland (2019); 2. Geborgd wordt dat de aanwezigen geïnformeerd worden over de mogelijke risico's en de mogelijke handelingsperspectieven. Voor het volledige advies wordt verwezen naar Bijlage 15 Advies brandweer. Geconstateerd wordt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor wat betreft omgevingsveiligheid. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

39

5.9 Trilling 5.9.1

Algemeen

Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn.

De omstandigheid dat de instructieregels voor trillingen in een aantal gevallen (zoals omschreven in het tweede lid) niet van toepassing zijn, laat onverlet dat – in verband met de toets aan een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' – bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemotiveerd dient te worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling, dient bij de verlening van BOPA bezien te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. Uit artikel 5.83 Bkl volgt dat bij de vaststelling van het omgevingsplan/verlenen BOPA de aanvaardbaarheid van optredende trillingen die kunnen optreden in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen moet worden beoordeeld. De regels in het omgevingsplan/voorwaarden BOPA moeten vervolgens bewerkstelligen dat de trillingen die een activiteit ter plaatse van trillinggevoelige ruimten die zijn gelegen in trillinggevoelige gebouwen, aanvaardbaar zijn (lid 2). De strekking van art. 5.83 is vergelijkbaar met de in art. 5.59 opgenomen regeling voor het aspect geluid.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven 5.9.2

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd, hiervan zal geen trillinghinder optreden. In het plangebied is in de toekomstige situatie een horecabedrijf gevestigd. Als gevolg hiervan kan trillinghinder optreden door transport en laden en lossen. Gelet op de aard en omvang van de horeca en de goede staat van de infrastructuur (geen slecht wegdek), zal het optreden van trillingen minimaal en incidenteel zijn. Van trillinghinder zal geen sprake zijn. 5.9.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Archeologie

5.10.1 Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze 40

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.10.2 Onderzoek Op basis van het omgevingsplan van rechtswege geldt ter plaatse van het plangebied geen aanduiding met betrekking tot archeologie. Daarnaast is ter beoordeling van het aspect 'Archeologie' de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland geraadpleegd.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Gro testraat 4

41

Figuur 5.8: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart Het plangebied (blauwe ster) ligt in het gebiedstype 'Beekdalen en overige laagten'. De archeologische verwachting is laag voor archeologische resten uit alle perioden. Het beleidsadvies is vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat archeologie geen nadere beschouwing behoeft. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn 42

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4

waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie. 5.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11

Bodem

5.11.1 Algemeen De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art.

IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.11.2 Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek uitgevoerd. De rapportage behorende bij de onderzoeken is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 18 Bodemonderzoek. Resultaten Tijdens het verkennende bodemonderzoek is gebleken dat er een sterke asbest- en koper verontreiniging is ter plaatse van de parkeerplaats in het onderzoeksgebied. Hiernaast zijn lichte verontreinigingen aangetroffen aan minerale olie, PAK 10 VROM, PCB, cadmium, lood, zink en koper. Om een beter beeld te kunnen krijgen van de sterke verontreinigen, is er een nader onderzoek gestart naar asbest en koper. Rondom de eerder gevonden koper verontreiniging ter plekke van boring 15 zijn nieuwe boringen geplaatst welke geanalyseerd zijn op koper. De verontreiniging is hierbij verticaal afgeperkt, doordat er in de boring van 0,60-1,00 geen verhoogd kopergehalte meer is aangetroffen. Hiermee is er uitgesloten dat verontreiniging zich tot het grondwater heeft verspreidt. Doordat er nog wel koperverontreinigingen zijn aangetroffen in de overige boringen, is de verontreiniging horizontaal nog niet afgeperkt. Hierdoor zijn er nieuwe boringen gezet in het verdachte deel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25365