Omgevingsplan De Mors 105 Motivering
Tekst van het document
In haar beleid focust de gemeente Dinkelland zich op concentratie: nieuwe ontwikkelingen van bedrijventerreinen werd geconcentreerd in Denekamp, Ootmarsum en Weerselo, zodat versnippering, problemen met ontsluiting en aantasting van het landschap werd beperkt. Figuur 5.1 Uitsnede tabel 7 ruimtebehoefte bedrijventerreinen Dinkelland (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland) Figuur 5.1 geeft de totale behoefte aan netto hectare bedrijventerrein aan. Voor de kern Ootmarsum is de behoefte aan bedrijventerrein tussen de 2,0 en 2,8 hectare. Voorliggend initiatief voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein met ongeveer 0,25 hectare. Het voorziet hierdoor kleinschalig in de behoefte aan bedrijfsruimte in Ootmarsum en hoeven niet elders binnen de gemeente extra grond te worden aangekocht. De gronden zijn namelijk al in eigendom van de intiatiefnemer. Dit bespaarde geld kan worden geïnvesteerd in de nieuwe (duurzame)bedrijfshal. Door op de bestaande locatie uit te breiden kan hierdoor een langdurige vestiging worden gegarandeerd en is dit goed voor het bedrijfsleven in de kern van Ootmarsum. Kwalitatieve behoefte Dinkelland Binnen de behoefteraming van bedrijventerrein in Dinkelland heeft Stec een kwalitatieve behoefte geformuleerd. Hierin heeft Stec gekeken naar locatievoorkeuren, beweegredenen voor de uitbreidings- of verhuisplannen en de beoogde bedrijfsomvang en vastgoedtype.
Voor de kern Ootmarsum geldt dat bedrijven uitgesproken hebben een voorkeur te hebben om op hun bestaande locatie uit te breiden. Ze hebben hierbij geen uitgesproken voorkeur voor nieuwbouw of bestaand vastgoed, maar ook geen uitgesproken voorkeur om bij uitbreiding of verhuizing in de eigen kern te blijven. Stec geeft aan dat het verstandig is om maatwerk te realiseren voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Figuur 5.2 geeft de voorkeuren van ondernemers in Ootmarsum weer. De tabellen gaan in voorkeuren van ondernemers op locatie, beweegredenen en de omvang en vastgoedtype. 32 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Figuur 5.2 Uitsnede voorkeuren ondernemers in Ootmarsum (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland) De initiatiefnemer van het voorliggende plan heeft de behoefte om op zijn eigen terrein uit te breiden. Dit is in lijn met de verwachtingen die Stec heeft gesteld voor de voorkeuren en beweegredenen van de ondernemers. Daarnaast is het voorliggende plan een maatwerkplan, gezien het gaat om een relatieve kleine uitbreiding. Het plangebied wordt daarnaast landschappelijk ingepast middels een landschapsplan. Dit landschapsplan is te zien in Bijlage 1. Voorliggend plan voldoet aan de kwalitatieve behoefte van de gemeente Dinkelland.
Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan voor het bedrijventerrein in Ootmarsum. Het plangebied ligt niet binnen de bebouwde kom van Ootmarsum. Hierdoor valt het plangebied niet binnen bestaand gebied. Echter is er binnen het bestaand bebouwd gebied geen ruimte om de nieuwe bedrijfshal te realiseren. Zoals ook blijkt uit de behoefteraming van bedrijventerreinen in Dinkelland. Als het initiatief voorziet in een behoefte, dan wordt voldaan aan de Ladder. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van het vorenstaande wordt geacht dat voorliggend plan in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 33 5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten.
de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer- (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen.
Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden.
Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voorliggend plan heeft betrekking op het uitbreiden van het bedrijventerrein en de realisatie van één nieuwe bedrijfshal. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J10, 'Industrieterrein'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; 34 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.
Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). Voorliggend plan wordt het bedrijventerrein aan De Mors 155 uitgebreid. Hierbij wordt er een nieuwe bedrijfshal van 450 m2 gerealiseerd. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan gesteld worden dat sprake is van een 'kleine wijziging' op lokaal niveau. Er kunnen echter nog steeds milieugevolgen optreden. Er is hierom een schriftelijke mededeling aan het bevoegd gezag gepresenteerd in de vorm van een aanmeldnotitie, deze is tevens opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. In de bijgevoegde aanmeldnotitie is getoetst aan verschillende omgevingsaspecten zoals archeologie, bodem, natuur en stikstofdepositie, water, geluid, lucht. De algehele conclusie uit de aanmeldnotitie is dat er geen nadelige milieueffecten optreden als gevolg van dit project. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeer Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: Niet stedelijk, rest bebouwde kom, bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief De plan locatie is gelegen aan De Mors. Dit is tevens een belangrijke toegangsweg tot het industrieterrein. Met de realisatie van de nieuwe bedrijfshal neemt de verkeersintensiteit toe. Voorliggend plan voorziet in de volgende verkeersgeneratie: Voor de nieuwe bedrijfshal worden de volgende kengetallen van de CROW gehanteerd: ((3,9 + 5,7)/2) = 4,8 per 100 m2 BVO In totaal zal de verkeersintensiteit met 21,6 (4,8x4,5) verkeersbewegingen toenemen.
Met voorliggend plan neemt de verkeersintensiteit in beperkte mate toe. De Mors (ontsluitingsweg) kan de lichte toename aan verkeerbewegingen gemakkelijk afwikkelen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 35 Situatieplangebied parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Om de parkeerbehoefte te bepalen zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: Niet stedelijk, rest bebouwde kom, loods, opslag, bergplaats Per 100 m2 moet er 1,05 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Bij een bedrijfshal van 450 m2 komt het neer op 4,7 (1,05x4,5) parkeerplaatsen die extra op het erf moeten worden gerealiseerd. Op het erf is voldoene ruimte beschikbaar om de parkeerplaatsen te realiseren. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1 G ebiedsbescherming 5.4.1.1 N atura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden.
Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten).
Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 36 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' ligt op circa 1,1 kilometer afstand. In figuur 5.3 is de globale ligging van het plangebied en de onderlinge afstand met het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven en met andere Natura 2000-gebieden op grotere afstand, zoals 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek' op circa 2,6 kilometer afstand en 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' op circa 6,5 kilometer afstand. Figuur 5.3 Uitsnede Natura 2000-gebieden kaart, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: AERIUS Calculator) Gelet op de onderlinge afstand is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieronder worden kort de belangrijkste conclusies benoemd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 3. De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2025. Voor de doorlooptijd van de aanlegfase is uitgegaan van een zes weken. Ervan uitgaande dat het plan begin 2027 kan starten, kan het in 2027 worden afgerond en zal de bedrijfshal gereed zijn voor gebruik in 2027.
Voor zowel de aanlegfase als ook de gebruiksfase is derhalve gerekend voor het rekenjaar 2027. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 12,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. G ebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in de gebruiksfase in totaal 18,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel stikstof als ammoniak vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit – met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten – niet leidt tot een meetbare depositie van stikstof of ammoniak in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanlegfase en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 37 nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2025 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Het aspect stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van de plannen van de initiatiefnemer. Er hoeft geen omgevingsvergunning worden aangevraagd voor een Natura 2000-activiteit. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 N atuurnetwerk N ederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 354 m van de planlocatie. NNN-gebieden kennen geen externe werking en het plangebied is niet gelegen binnen het NNN-gebied. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.4. Figuur 5.4 Uitsnede natuurnetwerk Nederland kaart, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Het plangebied ligt op 354 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN.
De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 38 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 5.4.2 Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied In de bestaande situatie wordt er al gebruik gemaakt van de agrarische grond als opslag plaats voor motorvoertuigen. Daarnaast is het een braakliggend terrein. Hierdoor is het aannemelijk dat er geen flora of fauna aanwezig zijn op het terrein. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. 5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2.
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 39 kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. Situatie plangebied In de toekomstige situatie wordt er een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd in de kern van Ootmarsum. Als gevolg van de realisatie van deze bedrijfshal neemt de verkeerintensiteit toe met 21,6 per etmaal.
Als er uit wordt gegaan van de worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 22 per etmaal gesteld worden. Hierbij wordt er rekening gehouden met 5,0% aan vrachtverkeer. In figuur 5.5 is de worst-case berekening weergegeven met 22 extra voertuigbewegingen. Figuur 5.5 Worst-case berekening, rekening houdend met het dubbele aantal verkeersbewegingen (Bron: INFOMIL) Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing 40 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: Figuur 5.6 Standaardwaarden (Bron: Art.
5.78T van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Bedrijventerrein'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'onrustig' (53 dB) en de bovengrens 'lawaaiig' (63 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie of bebouwing mogelijk gemaakt. Derhalve TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 41 vormt geluid van weg- en verkeerslawaai geen belemmering voor het voorliggende plan. Situatie plangebied, industrielawaai Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie of bebouwing toegestaan.
Derhalve vormt geluid van de industrie geen belemmering voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Anderzijds geeft deze uitbreiding geen belemmering voor omliggende gevoelige functies. De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 160 meter van het plangebied, zie figuur 5.7 industrielawaai vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. Figuur 5.7 Uitsnede geldend omgevingsplan, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving) Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie toegestaan. Wel kan er geluid ontstaan vanuit het plangebied. De dichtstbijzijnde gevoelige functie (wonen) ligt op een afstand van ca. 160 meter van het plangebied (figuur 5.7). Op het plangebied is bedrijvigheid tot milieucategorie tot 3.2 toegestaan. Deze bedrijfsactiviteit heeft een geluidzone van ca. 100 meter. De meest dichtbijgelegen geluidgevoelige functie ligt ruim buiten de gestelde richtlijnen. Er kan gesteld worden dat de uitbreiding van het bedrijventerrein geen belemmering vormt voor deze woning en andersom. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door 42 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Ootmarsum. Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van een geur belastende activiteit en/of een geurgevoelig gebouw, zoals beschreven is in paragraaf 5.1.4.6.1. Wel is er een bedrijf toegestaan met een milieucategorie tot 3.2. Hierdoor zou zich een bedrijf kunnen vestigen die geuroverlast kan veroorzaken. Echter liggen de dichtbijgelegen geurgevoelige functie(s) op voldoende afstand (circa 160 meter) van het plangebied af. Gesteld kan worden dat geur geen belemmering vormt voor de bestaande woningen en de woningen geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Conclusie Milieuaspect 'geur' vormt geen belemmering voor voorliggend plan. 5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 43 voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen (gevaarlijke buisleidingen en gastransportleidingen, transport van gevaarlijke stoffen en andere externe veiligheidsbronnen) gelegen die invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Eveneens ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied op grond van omgevingsveiligheid. Zoals te zien is in figuur 5.8. Figuur 5.8 Uitsnede omgevingsveiligheidkaart, plangebied onder het blauwe bolletje (Bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Het milieuaspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten.
Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in 44 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl.
In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied Met voorliggend initiatief worden geen trillingsgevoelige ruimten gerealiseerd. Daarnaast wordt met de realisatie van de nieuwe opslaghal geen activiteit toegestaan die trilling veroorzaakt. Wel is het zo dat een toekomstig bedrijf wel trilling kan veroorzaken. Echter ligt de dichtsbijzijnde gevoelige functie op meer dan 100 meter van het plangebied, waardoor deze functies geen last hebben van trillingen afkomstig van het plangebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'trillingen' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.
5.10 Archeologie en cultuurhistorie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Situatie plangebied Cultuurhistorie Op en rondom het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waardevolle monumenten.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. Archeologie Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat het plangebied bedekt is met dekzandhoogten en -ruggen. Dit heeft een hoge archeologische waarde, zie figuur 5.9. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 45 Figuur 5.9 Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland) Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland geldt voor een gebied van groter dan 2500 m2 en bodemingrepen van dieper dan 40 cm verplichting tot archeologisch onderzoek. Voorliggend plan voorziet in het uitbreiden van het bedrijventerrein in Ootmarsum. Hierbij is het totale oppervlakt waarbij bodemingrepen gebeuren kleiner dan 2500 m2. De totale oppervlakte van de uitbreiding is wel groter dan 2500 m2, maar hier worden geen bodemingrepen uitgevoerd die dieper dan 40 cm zijn. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan. Conclusie Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. 5.11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t.
de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Situatie plangebied 46 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe opslaghal. In deze opslaghal bevinden zich doorgaans geen mensen die 2 uur of langer aan één stuk aanwezig zijn in het gebouw. Hierdoor is er geen sprake van een bodemgevoelig gebouw zoals beschreven in artikel 5.89g van het Bkl. Nader onderzoek is niet benodigd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'bodem' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling. 5.12 Waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan.
Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn. Situatie plangebied Met het voorliggende plan neemt het verharde oppervlakte toe. Het verhard oppervlakte neemt toe in de toekomst. Dit bestaat uit circa 2.095 m2 voor de toekomstige opslaghal en verharding. Voor het voornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld door Ad Fontem. Het waterhuishoudkundig plan is toegevoegd als Bijlage 5. Op circa 300 meter afstand van de ontwikkeling bevindt zich een grondwatermeetpunt. Het maaiveld is hier ongeveer 24,3 meter + NAP. Op de grafiek hierboven is de meting gedurende vier jaar weergegeven. Hierbij valt op dat het grondwater fluctueert tussen zomer en winter. Het hoogste winterpeil dat af te lezen is, ligt op ongeveer dezelfde waarde als het maaiveld. Dit betekent dat de drooglegging zeer minimaal is. Dit komt door de aanwezige storende lagen van klei en leem. Hierdoor ontstaan zogenoemde schijngrondwaterstanden. In de zomer is het laagst gemeten peil gemiddeld een kleine meter (ca. 70–80 cm) lager dan het winterpeil. Dit betekent dat de drooglegging minimaal is. De locatie van de ontwikkeling ligt hoger dan de meetlocatie; deze ligt op 27,1 meter + NAP. Dit is een verschil van 2,6 meter. De opbolling van grondwater zal minimaal zijn.
Hoewel er diverse watergangen in de buurt aanwezig zijn, ligt de waterspiegel daar op 26,4 meter + NAP. De drooglegging van het te ontwikkelen gebied zal tussen de 0,7 en 2,6 meter liggen. Dit is ook deels afhankelijk van de storende lagen. Het totaal te verwerken water volgens de gemeentelijke norm van een bui van 40mm in een uur is 84 m3 water. Het water wat van het dak en de verharding vrijkomt kan ondergronds geborgen worden. Het advies is echter om zeer oppervlakkig te blijven, zodat de voorziening niet in het grondwater komt te liggen. Hierdoor zou de werking van het systeem aanzienlijk afnemen. Wanneer er 84 m3 geborgen moet worden in een voorziening van 0,5 meter diep, is er circa 170 m2 voorziening nodig, zoals kratten of Rockflow-elementen. Zie ook onderstaande berekening en tekening van de maatregelen. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 47 Figuur 5.10 Uitsnede maatregelen voorzieningen waterberging (Bron: Ad Fontem) Conclusie De waterbelangen zijn in de planvorming voldoende gewaarborgd. Door het nemen van infiltratie- of bergingsmaatregelen wordt de extra belasting van het watersysteem gecompenseerd. Het plan is daarmee in lijn met het beleid van Waterschap Vechtstromen en draagt bij aan een klimaatbestendige inrichting.
48 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 49 50 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 Hoofdstuk 7 Toelichting planregels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155’ wordt het bedrijventerrein uitgebreid en één nieuwe bedrijfshal gerealiseerd.
Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet. 7.2 Opzet regels Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO.
Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Mors 155 te Ootmarsum, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMGKOOTMDEMORS155-Ow01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 7.2.1 Preambule Dit plan beoogt het uitbreiden van het bedrijventerrein en de realisatie van één bedrijfshal aan De Mors 155 te Ootmarsum. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22w van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22w' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22w bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 51 7.2.2 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer. Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. 7.2.3 Functies en activiteiten In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan.
Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. 7.2.4 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelbepalingen; Planologische gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de aanvullende verboden gebruiksregels beschreven; Regels parkeren: dit artikel bevat bepalingen over parkeren; Overige regels; 7.2.5 N adere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Toelichting op de regels 'Bedrijventerrein' De gronden met de functie 'Bedrijventerrein' mogen worden gebruikt voor bedrijven. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' zijn uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden.