CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01_Regels.pdf

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassings Plan (PIP) “Springendal en Dal van de Mosbeek”13.142 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

11.3.4

Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits: a. is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord.

11.3.5

Voorwaarden omgevingsvergunning

Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

31

11.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘Waarde Archeologie 2‘ wordt verwijderd, indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 32

Artikel 12

Waarde - Archeologie 3

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

12.2 Bouwregels

12.2.1

Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat: a. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel b. dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel c. dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.

12.2.2

Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Als blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

12.3.1

Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 2.500 m², behalve Als deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen wordt uitgevoerd; b. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 2.500 m²; c. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 2500 m²; d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 2.500 m²;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

33

e.

12.3.2

het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 2.500 m², behalve Als deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd.

Advies provinciaal archeoloog

Als de genoemde werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van 0,1 m tot en met 0,4 m op gronden die samenvallen met de bestemming 'Natuur' en deze gronden aantoonbaar nog nooit verstoord zijn geweest, moet provinciaal archeoloog moet worden gehoord voordat wordt begonnen met de uitvoering.

12.3.3

Uitzonderingen

Het bepaalde in 12.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie.

12.3.4

Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, als: a. is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord.

12.3.5

Voorwaarden omgevingsvergunning

Als blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

12.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, als op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 34

Artikel 13

Waarde - Archeologie 4

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

13.2 Bouwregels

13.2.1

Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat: a. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel b. dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel c. dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.

13.2.2

Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Als blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

13.3.1

Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 5.000 m², behalve Als deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen wordt uitgevoerd; b. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 5.000 m²; c. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 5000 m²; d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 5.000 m²;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

35

e.

13.3.2

het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm en over een oppervlakte groter dan 5.000 m², behalve Als deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd.

Advies provinciaal archeoloog

Als de genoemde werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van 0,1 m tot en met 0,4 m op gronden die samenvallen met de bestemming 'Natuur' en deze gronden aantoonbaar nog nooit verstoord zijn geweest, moet provinciaal archeoloog moet worden gehoord voordat wordt begonnen met de uitvoering.

13.3.3

Uitzonderingen

Het bepaalde in 13.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie.

13.3.4

Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits: a. is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord.

13.3.5

Voorwaarden omgevingsvergunning

Als blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.

13.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie 4' geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, Als op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 36

Artikel 14

Waarde - Essen

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Essen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle essen en steilranden met bijbehorende beplanting.

14.2 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

14.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze gronden mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd: a. erfafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 1,00 m; b. perceelafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 2,00 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder duikers, knijpconstructies), nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als Bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd.

14.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in 19.1 in ieder geval gerekend: a. b.

c.

het gebruik van gronden en bouwwerken voor het plaatsen van kampeermiddelen; het aanbrengen en/of veroorzaken van veranderingen in de hoogte van een es, zoals die bestond ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan, als gevolg van het gebruik van de gronden; het gebruik van gronden voor boom- en sierteelt;

14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

14.5.1

Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. b.

het afgraven, mengwoelen, diepploegen of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 30 cm; het dempen, vergraven en/of graven van sloten, poelen en/of andere watergangen en/of -partijen;

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

37

c. d. e.

14.5.2

het aanleggen dan wel wijzigen van drainagesystemen; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 30 cm zal worden geroerd.

Uitzonderingen

Het bepaalde in 14.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het toegestane onderhoud dan wel het toegestane agrarische gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

14.5.3

Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 38

Artikel 15

Waarde - Landschap

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Landschap’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waardevolle landschapselementen.

15.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) mogen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behalve voor zover bestaand, worden gebouwd.

15.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: het verwijderen, vernielen en/of aantasten van waardevolle landschapselementen anders dan ten behoeve van het toegestane onderhoud.

15.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’ deels wordt verwijderd, mits: a.

b.

deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter realisering van een doorbraak van perceel naar perceel en die noodzakelijk is voor een goed landbouwkundig gebruik van de gronden, met een maximale breedte van 10,00 m. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het waardevolle landschapselement.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

39

Artikel 16

Waterstaat - Waterberging

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waterstaat - Waterberging aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de retentie van water. Daar waar de dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging samenvalt met een enkelbestemming prevaleert de dubbelbestemming.

16.2 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor activiteiten die effecten op de natuurlijke waarden zullen of kunnen hebben en de retentie van water hinderen;

16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Als en voor zover deze gronden samenvallen met gronden, waarvoor in een andere bestemming een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig is, geldt dat de daarin genoemde werken en werkzaamheden, voor zover deze niet worden uitgevoerd ter realisering of instandhouding van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging, uitsluitend toelaatbaar zijn als door die werken of werkzaamheden ook geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de geschiktheid van de gronden voor waterretentie.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 40

Hoofdstuk 3

Artikel 17

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

41

Artikel 18

Algemene bouwregels

18.1 Verbod ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is niet toegestaan, met uitzondering van de ondergeschikte bouwwerken (waaronder duikers, knijpconstructies) nodig voor de uitvoering van het inrichtingsplan dat als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 42

Artikel 19

Algemene gebruiksregels

19.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik en laten gebruiken van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, tenzij het gronden betreft waar een kampeerterrein voor kleinschalig kamperen is toegestaan; b. het gebruik en laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik en laten gebruiken van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouw- en gebruiksactiviteiten en werken en werkzaamheden; d. het gebruik en laten gebruiken van gronden ten behoeve van weekmarkten, jaarmarkten, evenementen, festiviteiten, manifestaties, en/of standplaatsen voor detailhandel, tenzij hiervoor ingevolge een wettelijk voorschrift een vergunning, en/of afwijking is verleend; e. het storten van puin en afvalstoffen; f. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; g. het gebruik en laten gebruiken van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame of daarmee gelijk te stellen weilandborden, anders dan tijdelijke borden overeenkomstig de redelijke eisen van welstand; h. het gebruik van gronden voor het beoefenen van gemotoriseerde snelheids- en of behendigheidssporten en de (model)vliegsport.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

43

Artikel 20

Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de regels van dit Provinciaal inpassingsplan ten aanzien van het strijdig gebruik en het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, onder de voorwaarde dat door middel van een deskundigenrapport is aangetoond dat: a. de beoogde effecten die beschreven zijn in het inrichtingsplan dat als bijlage 1 en 2 bij deze regels is gevoegd, ook door de voorgestelde afwijkende maatregel(en) worden gerealiseerd; b. de in het inrichtingsplan opgenomen maatregelen geen effect (meer) hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek"; c. de milieueffecten van de aangevraagde activiteit/maatregel vallen binnen de bandbreedte van de effecten zoals onderzocht in de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 3 bij de toelichting.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 44

Artikel 21

Algemene aanduidingsregels

21.1 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

21.1.1

Aanduidingsbeschrijving

De voor 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de grondwaterkwaliteit als onderdeel van de drinkwatervoorziening en -winning van een grondwaterbeschermingsgebied.

21.1.2

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in 19.1 in ieder geval gerekend: a.

b.

een gebruik voor een binnen deze gebiedsaanduiding voorkomende bestemming of functie, waardoor verslechtering van de grondwaterkwaliteit wordt veroorzaakt en/of risico’s op verontreiniging van het grondwater wordt vergroot; het gebruik als opslag-, stort-, lozings-, of bergplaats van afvalstoffen.

21.2 Milieuzone - intrekgebied

21.2.1

Aanduidingsomschrijving

De voor 'Milieuzone - intrekgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening.

21.2.2

Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. b.

21.2.3

gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is maximaal 3,00 m.

Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 21.2.2 voor het bouwen overeenkomstig de ter plaatse voorkomende bestemmingen, mits advies is gevraagd aan het waterleidingbedrijf.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

45

21.2.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze aanduiding wordt in aanvulling op het gestelde in 19.1 in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt. Deze bepaling is niet van toepassing op akkerbouw.

21.2.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk

zijnde en van werkzaamheden

a Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

b

het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen en ophogen van gronden; het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond en/of schadelijke stoffen; het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling. Uitzonderingen

Het bepaalde in 21.2.5 onder a, vergunningplicht, is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: 1. 2.

c

het toegestane onderhoud en beheer betreffen; in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning. Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunningen kan slechts worden verleend nadat advies is gevraagd aan het waterleidingbedrijf.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 46

Artikel 22

Overige regels

22.1 Gemeentelijke bevoegdheid

De gemeenteraden van Tubbergen en Dinkelland zijn bevoegd bestemmingsplannen vast te stellen voor gronden of delen van gronden van dit plan onder de voorwaarden dat: a. De uitvoering van maatregelen zoals beschreven in het inrichtingsplan (bijlage 1 en 2 van de regels) zijn gerealiseerd dan wel op een andere wijze publiekrechtelijk, dan wel privaatrechtelijk, wordt gewaarborgd dat zicht bestaat op de realisatie van de genoemde maatregelen; b. De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Springendal en Dal van de Mosbeek" in het nieuwe bestemmingsplan gerespecteerd blijven.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

47

Hoofdstuk 4 slotregels

Artikel 23

Overgangs- en

Overgangsrecht

23.1 Overgangsrecht bouwwerken

a.

b. c.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10% zijn. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

23.2 Overgangsrecht gebruik

a. b.

c.

d.

e.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; Als het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.; het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; het onder a, b en c toegelaten gebruik is vanaf 2 jaar na inwerkingtreding van het plan ingeperkt vanwege de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, respectievelijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

P I P Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek 48

Artikel 24

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Provinciaal Inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek.

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

49

NL.IMRO.9923.ipSdalDvdM-on01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/490/documents/16012