Bijlage 2_Natuurtoets.pdf
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets RWZI Denekamp In het kader van de Omgevingswet Klant:
Waterschap Vechtstromen
Referentie: BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046 Status:
S5/P01
Datum:
25 juli 2024
Projectgerelateerd
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Royal HaskoningDHV Nederland B.V. Laan 1914 35 Postbus 1132 3818 EX Amersfoort +31 (0)88 348 20 00 www. royalhaskoningdhv.com KvK 56515154
Titel document: Natuurtoets RWZI Denekamp Ondertitel: In het kader van de Omgevingswet Referentie: BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046 Uw kenmerk Status: S5/P01 Datum: 25 juli 2024 Projectnaam: KRW opgave Waterketen Vechtstromen Projectnummer: BJ2346
Opgesteld door: diversen Gecontroleerd door: Ruud Hendriks Datum: 25 juli 2024 Goedgekeurd door: Bart Zwart Datum: 23 Juni 2025
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. De Ingenieursbureau combinatie HaskoningDHV Nederland B.V. en Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat.
25 juli 2024
SHORT TITEL
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
ii
Projectgerelateerd
Versiegeschiedenis: Versie Concept 1.0
25 juli 2024
Datum 25 juli 2024
SHORT TITEL
Auteur Jens Koumans
Wijzigingen -
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
iii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstellingen
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Beknopt kader natuurwet en regelgeving
2
3
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
5
3.1
Beschrijving plangebied en directe omgeving
5
3.2
Voorgenomen ingreep
6
4
Toetsing wettelijk beschermde gebieden
8
4.1
Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde gebieden
8
4.2
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden
8
4.3
Storingsfactoren en effectenbeoordeling
9
4.4
Conclusie wettelijk beschermde gebieden
10
5
Toetsing wettelijk beschermde soorten
11
5.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
11
5.2
Aanwezige of te verwachten wettelijk beschermde soorten
11
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Ongewervelden
11 12 15 16 19 21 21
5.3
Conclusie soortbescherming
22
6
Toetsing Natuurnetwerk Nederland
24
6.1
Werkwijze toetsing NNN
24
6.2
Ligging plangebied t.o.v. het NNN
24
6.3
Toetsing en conclusie Natuurnetwerk Nederland
25
7
Conclusies en vervolgstappen
26
7.1
Natura 2000-gebieden
26
7.2
Soortenbescherming
26
7.3
Natuurnetwerk Nederland
26
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
iv
Projectgerelateerd
Geraadpleegde literatuur
27
Bijlagen Bijlage 1 Wettelijk & ruimtelijk natuurbeschermingskader
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
v
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Waterschap Vechtstromen is voornemens om haar rioolwaterzuivering (RWZI) in Denekamp aan te passen om te zorgen dat deze zuivering een goede bijdrage levert aan het behalen van de KRW-doelstellingen. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen moeten getoetst worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de Omgevingswet (hierna Ow) beschermd. Onder de Ow is de bescherming geregeld van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd zijn in de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn alsook overige soorten opgenomen in de bijlagen van de Ow. Naast de wettelijke bescherming worden natuurgebieden planologische beschermd via onder andere het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Royal HaskoningDHV (RHDHV) is gevraagd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling te toetsen aan voorgenoemde natuurwet- en regelgeving.
1.2
Doelstellingen
Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Het doel van de natuurtoets betreft de toetsing van het voornemen aan de vigerende natuur- en regelgeving. Specifiek gaat het om de volgende onderdelen: ▪ Voortoets in het kader van Natura 2000, ▪ Quickscan Soortenbescherming, ▪ Beoordeling planologische beschermde Natuurnet Nederland (NNN). Uit de natuurtoets volgt of er in het kader van Natura 2000 een passende beoordeling nodig is, of er in het kader van soortenbescherming vervolgstappen zoals het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. Daarnaast geeft de natuurtoets duidelijkheid over of vervolgstappen ten aanzien van het planologisch beschermde NNN nodig zijn. Het rooien van bomen maakt geen deel uit van de scope van het plan daarom is toetsing aan beschermde houtopstanden niet aan de orde.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het juridisch en beleidskader weergegeven waarin de wet- en regelgeving van de Omgevingswet en het NNN beschreven wordt. Hoofdstuk 3 geeft een algemene beschrijving van het plangebied en beschrijft de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 is de voortoets in het kader van Natura 2000-gebieden beschreven. In hoofdstuk 5 is de quickscan ten aanzien van beschermde soorten opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft effecten op het planologische beschermde NNN. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de conclusies samengevat en worden aanbevelingen gedaan.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
1
Projectgerelateerd
2
Beknopt kader natuurwet en regelgeving
Natuurwaarden en biologische diversiteit zijn per 1 januari 2024 beschermd via de Omgevingswet. In deze wet zijn alle wetten voor de leefomgeving opgenomen, waaronder de Wet natuurbescherming (Wnb) en Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) waarin de planologische bescherming van natuur is geregeld. In de volgende paragrafen worden de wettelijke en planologische natuurbeschermingskaders behandeld. De Wnb (vigerend 2017-2023) en bijbehorende wetsartikelen zijn als algemene rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de omgevingswet (vigerend per 1 januari 2024). De werking van de Wnb ten aanzien van natuur wijzigt hierdoor niet. Het bevoegd gezag, voor het al dan niet verlenen van vergunningen en/of vrijstellingen, is de provincie of de rijksoverheid. Bij wie de bevoegdheid ligt is vastgelegd in het besluit natuurbescherming artikel 1.3. De rijksoverheid blijft het bevoegd gezag voor onder andere de rijks- en spoorwegen, grote wateren en defensieterreinen. Voor dit project is provincie Overijssel het bevoegd gezag. Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden volgt uit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Het realiseren van een project of activiteit, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, moet vanuit de specifieke zorgplicht (Bal art.
11.6) beoordeeld worden in hoeverre deze activiteit significant verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden. Bij de effectbeoordeling van Natura 2000 staat de vraag centraal of de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van diens instandhoudingsdoelen worden aangetast. In geval van de bepaling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden dient rekening te worden gehouden met de zogenoemde externe werking. Hierdoor moet ook worden bekeken of activiteiten buiten een Natura 2000-gebied (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de voor het betreffende gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De reikwijdte is afhankelijk van het milieueffect (bijvoorbeeld geluid, stikstofdepositie) als gevolg van een project. Toetsing aan Natura 2000-gebieden Een voortoets in de oriëntatiefase kan uitsluitsel geven of het project geen negatieve effecten of significant negatieve effecten, in cumulatie1 met andere vergunde activiteiten, heeft (geen vergunningplicht). Indien significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, is een Passende beoordeling vereist.
Aan de hand van de Effectenindicator (Ministerie van LVVN, 2024) wordt nagegaan welke storingsfactoren relevant zijn en zo ja óf negatieve effecten op geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (op voorhand) kunnen worden uitgesloten. Wanneer een activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante effecten heeft (of dit is niet uit te sluiten) voor een Natura 2000-gebied betreft dit een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). Soortenbescherming De bescherming van inheemse soorten was tot 1 januari 2024 in de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) geregeld en is nu geregeld in Bal paragraaf 11.2. Het beschermingsregime van soorten en verbodsbepalingen is hierdoor niet gewijzigd. Voor de inheemse soorten gelden verschillende beschermingsregimes. Deze zijn: ▪ Vogelrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.2 (voorheen Wnb § 3.1 Wnb). ▪ Habitatrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.3 (voorheen Wnb § 3.2 Wnb). ▪ Andere soorten Ow Bal § 11.2.4 (voorheen Wnb § 3.3 Wnb).
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
2
Projectgerelateerd
In Tabel 1 zijn de verschillende verbodsbepaling voor soorten van de Omgevingswet opgenomen. Tabel 1: Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Omgevingswet met Besluit activiteiten leefomgeving (Ow Bal). HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. N.v.t.: Niet van toepassing. Verbodsbepalingen Vogelrichtlijn Ow Bal art.11.37
Verbodsbepalingen Habitatrichtlijn Ow Bal art.11.46
Verbodsbepalingen Andere soorten Ow Bal art. 11.54
Bal art. 11.37 1a. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
Bal art 11.46 1a Het is verboden in het wild levende dieren HR IV soorten (Verdrag Bern en Bonn) in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Bal art. 11.54 1a het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; opzettelijk te doden of te vangen.
Bal art. 11.37 1b Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Bal art 11.46 1d Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
Bal art. 11.54 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a te beschadigen of te vernielen.
Bal art. 11.37 1c Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
Bal art. 11.46 1c Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
N.v.t.
Bal art. 11.37 1d Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Bal art. 11.37 3 Het verbod geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Bal art 11.46 1b Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
N.v.t.
N.v.t.
Bal art. 11.46 1e. Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Bal art. 11.54 1c Het is verboden planten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vrijstellingsmogelijkheden ‘andere soorten’ Voor de ‘andere soorten’ van art. 11.54 Bal kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is doorgaans het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen. Wanneer het ruimtelijke ingrepen betreft waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de Minister van LNV bevoegd gezag en gelden de nationale regels. Het bevoegd gezag voor dit project is provincie Overijssel. In Tabel 2 zijn de vrijgestelde soorten weergegeven.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
3
Projectgerelateerd
Tabel 2: Overzicht van de soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen in provincie Overijssel. Grondgebonden zoogdiersoorten
Amfibieën
Aardmuis
Huisspitsmuis
Vos
Bruine kikker
Bosmuis
Konijn
Woelrat
Gewone pad
Dwergmuis
Ree
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Rosse woelmuis
Meerkikker
Gewone bosspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bastaardkikker (middelste groene kikker)
Haas
Veldmuis
Toelichting: De vrijstelling geldt in voor de soorten hierboven genoemd, mits het gaat om handelingen die worden verricht in verband met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en in het kader van bestendig beheer of onderhoud en/of bestendig gebruik.
Specifieke zorgplicht In tegenstelling tot de Wet Natuurbescherming is in de Omgevingswet de specifieke zorgplicht opgenomen waarbij specifiek beschermde dieren en planten en soorten van de Rode Lijst worden benoemd. In de Omgevingswet is opgenomen dat er op basis van objectieve gegevens vastgesteld moet worden of er nadelige gevolgen kunnen optreden voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren. Indien dit niet het geval is dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen. Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN), is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het “nee, tenzij”-regime. Nieuwe plannen en/of projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.
In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten (bevoegd gezag voor Natuurnetwerk Nederland) vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze inhoudelijke doelen zijn per provincie uitgewerkt in het Natuurbeheerplan (natuurtypen) en aanvullende provinciale documenten. In geval van Natuurnetwerk Nederland hoeft in beginsel geen rekening gehouden te worden met externe werking, zoals wel het geval is voor de Ow. Echter, Gedeputeerde Staten zijn vrij hiervan af te wijken. De provincie kan als bevoegd gezag daar strenger mee omgaan.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
4
Projectgerelateerd
3
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
3.1
Beschrijving plangebied en directe omgeving
Het plangebied is gelegen in de gemeente Dinkelkamp en bevindt zich in het buitengebied van Denekamp. De RWZI ligt aan de Dorpermeienweg. Aan de oostzijde loop het Omleidingskanaal waar tevens het effluent van de RWZI in stroomt. Verder bevinden zich rondom de RWZI agrarische percelen, het betreft graslanden en maïs- en graanakkers.
Figuur 1: De ligging van het plangebied in de omgeving.
Het plangebied betreft een rioolwaterzuiveringsterrein. Ter plaatse van de geplande werkzaamheden zijn diverse constructies/bebouwing en kort gemaaid grasland aanwezig. De begroeiing op de RWZI bestaat vooral uit gemaaid grasland, met uitzondering van bosschages gelegen aan de noordoostkant en westkant van het perceel. Het perceel van de RWZI is verder omringt door bomen.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
5
Projectgerelateerd
Figuur 2: Een impressie van de RWZI. (Foto’s RHDHV 2024).
3.2
Voorgenomen ingreep
Waterschap Vechtstromen is voornemens om op de RWZI meerdere maatregelen te treffen die bij zullen dragen aan het behalen van de KRW-doelstellingen. Het betreft onder andere het amoveren van een indikker aan de oostkant, de bouw van enkele nieuwe gebouwen aan de noordkant en het aanbrengen van een afdekking voor de slibopslagtanken en de bouw van een luchtbehandeling filter aan de westkant van het perceel. Bij de beluchting tanks zullen surplusslib pompen worden aangebracht en over het gehele perceel zullen enkele leidingen worden aangelegd of geamoveerd. Het gereserveerde vlak voor de medicijnrestverwijdering wordt in onderhavige rapportage buiten beschouwing gelaten. In het vlekkenplan 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
6
Projectgerelateerd
staat een overzicht van de geplande werkzaamheden (zie Figuur 3). De werkzaamheden vragen om inzet van groot materieel
Figuur 3: Vlekkenplan KRW RWZI Denekamp.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
7
Projectgerelateerd
4
Toetsing wettelijk beschermde gebieden
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) zijn gelegen en wordt beoordeeld of storingsfactoren kunnen optreden (voortoets). Daarnaast zijn de benodigde vervolgstappen beschreven.
4.1
Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde gebieden
Om na te gaan welke wettelijke beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, is de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid geraadpleegd (Ministerie van LVVN, 2024a). Vervolgens is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de effecten van de geplande ingreep in relatie tot de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit is beoordeeld aan de hand van de storingsfactoren zoals geformuleerd in de zogenoemde Effectenindicator (Ministerie van LVVN, 2024b). Vervolgens is nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de effecten vanuit de voorgenomen ingreep en de onder de Ow geformuleerde instandhoudingsdoelen van in deze omgeving liggende Natura 2000-gebieden.
4.2
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt op 1,4 km afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR). Andere Natura 2000-gebieden ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’, ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’, ‘Landgoederen Oldenzaal’ en ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ liggen respectievelijk op 4,4 km, 5,8 km, 6,3 km en 9,2 km afstand van het plangebied (zie Figuur 4).
Figuur 4: Ligging van het plangebied ten opzichte van beschermd Natura 2000-gebied (Ministerie van LNV, 2024). 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
8
Projectgerelateerd
4.3
Storingsfactoren en effectenbeoordeling
De Effectenindicator zoals aangereikt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit geeft een negentiental mogelijke effecten, de zogenoemde storingsfactoren, waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden ten aanzien van in Natura 2000-gebieden beschermde waarden. Op basis van deze storingsfactoren worden de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving beoordeeld. Analyse van relevante storingsfactoren (scoping) De voorgenomen activiteit leidt niet tot aanvullend ruimtebeslag in en rond Natura 2000-gebieden en grijpt niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Hierdoor is geen sprake van storingsfactoren als verdroging of vernatting. Ook is geen sprake van permanente aanpassingen aan de ruimtelijke inrichting van het plangebied. Er doen zich daarom geen storingsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering voor. Ook storingsfactoren als veranderingen door populatiedynamiek en bewuste soortensamenstelling doen zich niet voor. De afstand van de Natura 2000gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat indirect negatieve effecten door geluid, licht, trillingen en optische verstoring op voorhand uitgesloten kunnen worden.
Dit als gevolg van het gegeven dat emissies van geluid, licht en trillingen, door tussenliggend landgebruik als snelwegen en woonkernen, in combinatie met de afstand, ter plaatse van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Daarmee blijven alleen nog storingsfactoren verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie over, waarvoor geldt dat significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Deze worden in de volgende paragraaf nader beoordeeld. In Tabel 3 is de scoping van de bovengenoemde storingsfactoren samenvattend weergegeven. Met rood is aangegeven of de storingsfactoren mogelijk van toepassing zijn bij de voorgenomen ingreep. Tabel 3: Potentiële storingsfactoren in Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die mogelijk van toepassing zijn met rood gemarkeerd. Storingsfactoren Oppervlakteverlies
Verzilting
Verandering overstromingsfrequentie
Optische verstoring
Versnippering
Verontreiniging
Verandering dynamiek substraat
Verstoring door mechanische effecten
Verzuring door stikstofdepositie uit de lucht
Verdroging
Verstoring door geluid
Verandering door populatiedynamiek
Vermesting door stikstofdepositie uit de lucht
Vernatting
Verstoring door licht
Bewuste verandering soortensamenstelling
Verzoeting
Verandering stroomsnelheid
Verstoring door trilling
Verzuring en vermesting door stikstofdepositie De inzet van werktuigen (met verbrandingsmotoren) tijdens aanlegwerkzaamheden leidt mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het plangebied. Gezien het voornemen is om gebouwen met machines te realiseren, is het daarnaast ook niet uitgesloten dat in de toekomstige situatie (gebruiksfase) een verhoging van stikstofuitstoot ten opzichte van de huidige situatie zal plaatsvinden. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting. Door verzuring kunnen daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen (dier)soorten. Door vermesting
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
9
Projectgerelateerd
kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase en gebruiksfase) zijn niet op voorhand uit te sluiten. Hiervoor dient een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanlegwerkzaamheden en de gebruiksfase. Indien sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer op een habitattype of leefgebied waarop een (naderende) overschrijding is van de kritische depositie waarde (KDW), dan zijn vervolgstappen nodig zoals een ecologische beoordeling of extern salderen.
4.4
Conclusie wettelijk beschermde gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt op ongeveer 1,4 km van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’, ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’, ‘Landgoederen Oldenzaal’ en ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ liggen respectievelijk op 4,4 km, 5,8 km, 6,3 km en 9,2 km afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd. Indien er sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer dan zijn mogelijk vervolgstappen nodig.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
10
Projectgerelateerd
5
Toetsing wettelijk beschermde soorten
In dit hoofdstuk wordt de (mogelijke) aanwezigheid van onder de Omgevingswet beschermde soorten beschreven en wordt voor de aanwezige habitats beoordeeld of ze geschikt zijn voor onder de Omgevingswet beschermde soorten. Tevens is per (mogelijk) voorkomende soort(groep) een effectbeoordeling opgenomen en zijn eventuele vervolgstappen beschreven.
5.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
Bureaustudie Om na te gaan wat het belang is van het onderzoeksgebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het onderzoeksgebied voorkomen, zijn op 18 juni 2024 de verspreidingsgegevens van beschermde soorten en Rode Lijstsoorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het onderzoeksgebied en enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied (NDFF, 2024). Daarnaast zijn verspreidingsatlassen van verschillende soortgroepen geraadpleegd om inzicht te krijgen in de regionale verspreiding van soorten (Verspreidingsatlas, 2024). Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, is inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. Veldbezoek Op 19 juni 2024 is een verkennend veldbezoek uitgevoerd (op een half bewolkte dag bij 19 graden Celsius) door een deskundig ecoloog werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Tijdens het veldbezoek is een habitatgeschiktheidsanalyse gedaan voor beschermde soorten die volgens de bureaustudie mogelijk voorkomen. Effectbeoordeling Door middel van een beknopte analyse van het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde en Rode Lijst-soorten uit het onderzoeksgebied is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende beschermde soorten.
Indien de onderzoeksresultaten onvoldoende zekerheid geven over het voorkomen van beschermde soorten wordt geadviseerd nader soortgericht onderzoek uit te voeren.
5.2
Aanwezige of te verwachten wettelijk beschermde soorten
5.2.1
Planten
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF blijft dat er op en in de ruime omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde planten. Beschermde planten komen vooral voor op extensief beheerde en onbemeste akkers en kalkrijke standplaatsen. Daarnaast komen ze voor in (natuur)gebieden met zeer schrale, zwak zure standplaatsen. Dergelijk habitat ontbreekt geheel in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen beschermde planten aangetroffen. Rode Lijst soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat stijve ogentroost in de nabije omgeving van het plangebied is waargenomen. Deze soort staat op de Rode Lijst en heeft als status gevoelig. Deze soort groeit in grasland, bermen, heide, zeeduinen, kampeerterreinen en langs spoorwegen. Zonnige, iets open plaatsen op matig droge tot matig vochtige, voedselarme, onbemeste, humushoudende, kalkarme tot kalkhoudende grond (bron NDFF). Dergelijk habitat (grasland) is aanwezig in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen stijve ogentroost individuen aangetroffen. De aanwezigheid van enkele individuen valt echter niet uit te sluiten. 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
11
Projectgerelateerd
Effecten beoordeling en vervolgstappen Overtreding van de Ow ten aanzien van planten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is op voorhand uitgesloten. De stijve ogentroost (Rode Lijst soort) zou kunnen voorkomen binnen het plangebied. Als gevolg van de werkzaamheden zouden enkele individuen kunnen worden vergraven. Deze soort is beschermd onder de specifieke zorgplicht binnen de Ow. Het betreft echter een eenjarige plant waarvan in de omgeving genoeg alternatieve groeiplaatsen (grasland en bermen) beschikbaar zijn. Ook binnen het plangebied zullen er in de toekomstige situatie nog steeds groeiplaatsen van de stijve ogentroost aanwezig zijn (grasland). De voorgenomen werkzaamheden zullen daarom geen significant negatief effect hebben op de instandhouding van de lokale populatie stijve ogentroost. Verdere vervolgstappen ten aanzien van planten binnen het plangebied zijn niet noodzakelijk.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat de haas en ree zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. De haas is daarnaast ook tijdens het veldbezoek waargenomen op het plangebied. Deze soorten zijn beide vrijgesteld tijdens de geplande werkzaamheden. In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bosmuis, bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, konijn, otter, rosse woelmuis en steenmarter. Daarnaast ligt het plangebied binnen het globale verspreidingsgebied van boommarter, das, vos en wezel. Bunzing, das, eekhoorn, egel, hermelijn en wezel zijn niet vrijgesteld tijdens de werkzaamheden. Boommarter De boommarter komt in Nederland in allerlei typen loofbos voor. Boommarters kiezen daar hun rustplaatsen in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan (Zoogdiervereniging, 2024). De bosschages op het plangebied zijn gezien de geringe grootte geen geschikt leefgebied voor de boommarter.
Volgens de NDFF zijn dan ook waarnemingen van de boommarter in de verre omgeving (meer dan 2 kilometer) bekend in de bossen ten westen van Denekamp en de bossen bij het Lutterzand ten zuiden van het plangebied. De aanwezigheid van een vaste rust of verblijfplaats van de boommarter binnen het plangebied is uitgesloten. Das De das komt voor in diverse biotopen met een voorkeur voor kleinschalig agrarisch landschap met verspreide bossen, heggen en houtwallen. De das graaft zijn burchten meestal in bossen of houtwallen met voldoende dekking en weinig verstoring (Zoogdiervereniging, 2024). Binnen het plangebied zijn twee bosschages aanwezig, echter tijdens het veldbezoek zijn geen burchten van das aangetroffen. Ook ontbreekt het andere typische dassensporen zoals wissels en snuitputje. De aanwezigheid van vaste rust of verblijfplaatsen van das is daarom uitgesloten. Eekhoorn Eekhoorns leven in aaneengesloten bossen en parken met voldoende hoge bomen. De eekhoorns bouwen nesten in bomen of maken gebruik van boomholten (Zoogdiervereniging, 2024). In het plangebied ontbreekt het aan aaneengesloten bossen er zijn echter wel vele bomen aanwezig. In de aanwezige bomen op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn echter geen geschikte holten of eekhoorn nesten aangetroffen. De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van eekhoorn is dan ook uitgesloten.
Egel De egel komt in vrijwel alle landschappen voor. De soort heeft een voorkeur voor bos, bosranden, struweel, parken en tuinen. De soort verblijft in dicht struweel, onder takkenhopen, onder tegels en in rommelhoekjes 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
12
Projectgerelateerd
(Zoogdiervereniging, 2024). In het plangebied is struweel/ruigte aanwezig die geschikt is voor egel. De aanwezigheid van egel is daarom niet bij voorbaat uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing, hermelijn en wezel komen voornamelijk voor in kleinschalige landschappen. De bunzing komt daarnaast ook voor in en nabij bebouwing. De hermelijn komt in tegenstelling tot bunzing en wezel ook voor in vochtige gebieden. De soorten verblijven in holen, dicht struweel, takkenhopen en in het geval van bunzing ook in schuurtjes, kelders en op zolders (Zoogdiervereniging, 2024). In het plangebied is struweel/ruigte aanwezig die geschikt zijn voor kleine marterachtigen. De oevers langs het Omleidingskanaal en langs de sloot parallel aan de Dorpermeienweg maken vanwege hun uitgestrekte karakter ook mogelijk deel uit van hun migratieroute. De aanwezigheid van kleine marterachtigen is daarom niet bij voorbaat uitgesloten. Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten.
De nesten waar de jongen worden geworpen, liggen vaak in overstromingsvrije oeverholtes in een rustig gebied en worden regelmatig door de moeder verplaatst. De otter houdt geen winterslaap (Zoogdiervereniging, 2024). De otter is waargenomen langs het Omleidingskanaal ongeveer één kilometer ten noorden van het plangebied. Het is niet uitgesloten dat de otter ook ter hoogte van het plangebied gebruikmaakt van het Omleidingskanaal als leefgebied. Echter, tijdens het veldbezoek zijn in de oever van het Omleidingskanaal in de direct omgeving van het plangebied geen oeverholtes aangetroffen. Een voortplantingsplaats van de otter binnen de invloedssferen van de voorgenomen werkzaamheden is dan ook uitgesloten. Steenmarter De steenmarter komt vooral voor in de nabijheid van dorpen, steden en boerderijen. Daarbij is de aanwezigheid van groenstroken zoals bermen en struwelen en voldoende dekking van belang. De soort verblijft in bebouwing, onder takkenhopen, in boomholten en dicht struweel (Zoogdiervereniging, 2024). In het plangebied is een struweel/ruigte aanwezig die geschikt is voor steenmarter. De oevers langs het Omleidingskanaal en langs de sloot parallel aan de Dorpermeienweg maken vanwege hun uitgestrekte karakter ook mogelijk deel uit van de migratieroute van de steenmarter. De aanwezigheid van steenmarter is daarom niet bij voorbaat uitgesloten.
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren Algemene muissoorten kunnen bijna overal verwacht worden, zo ook op de gehele planlocatie. De haas is tijdens het veldbezoek waargenomen op het terrein van de RWZI en daarom ook op de elders binnen het plangebied te verwachten. De vos komt in vele leefgebieden voor, zowel in bos en parken, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden maar ook aan de randen van of in dorpen en steden (Zoogdiervereniging, 2024). Het voorkomen van een vos op de planlocatie is niet uitgesloten. Wegens het ontbreken van grote holtes zijn voortplantingsplaatsen wel uitgesloten. De ree leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, maar ook in heidevelden, rietvelden, duinen en akkerbouwgebieden (Zoogdiervereniging, 2024). De ree komt voor in de directe omgeving van het plangebied, echter aangezien de RWZI is omringt met een relatief hoog hek met prikkeldraad zijn ze niet op het plangebied zelf te verwachten.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
13
Projectgerelateerd
Rode Lijst soorten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn op en in de directe omgeving van het plangebied geen grondgebonden zoogdieren die op de Rode Lijst staan waargenomen. Rode Lijst soorten, anders dan de hierboven genoemde soorten, zijn niet binnen het plangebied te verwachten. Effectbeoordeling en vervolgstappen Binnen het plangebied kunnen algemene muissoorten, haas, egel, kleine marterachtigen en steenmarter voorkomen op basis van de verspreidingsgegevens en habitat in het plangebied. Daarnaast kan otter voorkomen binnen de invloedsferen van de werkzaamheden. Otter De otter kan voorkomen in het Begeleidingskanaal langs de RWZI. Echter, de aanwezigheid van een voortplantingsverblijfplaats in de directe omgeving van het plangebied is gezien het ontbreken van geschikte holtes uitgesloten. Tijdelijke verstoring als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is niet uitgesloten, echter het betreft een mobiele soort welke tijdelijk kunnen vluchten naar nabijgelegen leefgebied. De verstoring richting het Begeleidingskanaal is niet dusdanig dat daarmee het functioneren van het kanaal als potentiële migratieroute afgedaan wordt. Als gevolg van de werkzaamheden zijn overtredingen van verbodsbepalingen ten aanzien van de otter uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Egel, kleine marterachtigen en steenmarter Tijdens de voorgenomen werkzaamheden worden geen bosschages of struwelen verwijderd. Eventuele aanwezige verblijfplaatsen van egel, klein marterachten en steenmarter blijven in de toekomstige situatie dan ook behouden. Ook zal er in de toekomstige situatie nog voldoende foerageergebied overblijven voor deze soorten. Permanente negatieve effecten zijn niet aan de orde. Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de struwelen en bosschages en daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) kunnen egel, kleine marterachtigen en steenmarter worden verstoord. Het betreft echter mobiele soorten die tijdelijk kunnen vluchten naar nabijgelegen leefgebied. Dit leidt niet direct tot het overtreden van een van de verbodsbepalingen voor deze soorten. Echter, indien de verstoring van langere duur is, kan dit leiden tot het (tijdelijk) verlaten van vaste voortplantings- of rustplaatsen. Dit is afhankelijk van de periode waarin werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij werkzaamheden in de kraamperiode van voornoemde zoogdieren (veelal april t/m augustus) kunnen de jonge dieren sterven. In dat geval is alsnog sprake van het aantasten van een verblijfplaats, ondanks het feit dat deze niet direct wordt aangeroerd, hetgeen een overtreding is van artikel 11.54 lid 1a en 1b.
Om negatieve effecten te voorkomen dienen werkzaamheden buiten de actieve periode (april-augustus) te worden uitgevoerd of opgestart (en vervolgens met constante intensiteit doorgewerkt om ingebruikneming van voortplantings- of rustplaatsen te voorkomen). Daarnaast dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd conform een ecologisch werkprotocol om verstoring en negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren Voor deze algemeen voorkomende beschermde soorten bestaat bij de Provincie Overijssel een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de potentiële optredende verstoring als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient invulling gegeven te worden aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 11.27 Bal), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Dit kan onder andere door werkzaamheden vanuit één richting uit te voeren zodat eventueel aanwezige soorten kunnen vluchten.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
14
Projectgerelateerd
5.2.3
Vleermuizen
Voorkomen Uit de gegevens van de NDFF blijft dat er in de omgeving van de planlocatie waarnemingen bekend zijn van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Verder valt het plangebied binnen het (grove) bekende verspreidingsgebied van baardvleermuis, bechsteins vleermuis, bosvleermuis, brandt’s vleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, , ruige dwergvleermuis, twee kleurige vleermuis en vale vleermuis. Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Ze maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen). Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten (zoals rosse vleermuis) en gebouwbewonende soorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Een aantal soorten maken zowel van gebouwen als van bomen gebruik als verblijfplaats (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis). Vleermuizen foerageren over het algemeen op relatief windluwe plaatsen, zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes, die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Deze lijnvormige elementen kunnen tevens dienen als migratieroute van soorten die buiten Nederland overwinteren.
Verblijfplaatsen (zomer-kraam-paar-winter-) De gebouwen op de planlocatie die gesloopt zullen worden zijn wegens het ontbreken van openingen of materiaal waaraan vleermuizen zich kunnen vastklampen niet geschikt als verblijfplaats. Op het perceel van de RWZI in de omgeving van werkzaamheden zijn wel andere gebouwen die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van open stootvoegen. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen binnen de invloedssferen van de voorgenomen werkzaamheden zijn daarom niet uitgesloten. In de bomen op en in de omgeving van de planlocatie geschikte holtes waarin boombewonende vleermuizen kunnen verblijven niet uitgesloten. Daarnaast zijn in het bosschage aan de oostkant bomen aanwezig met dichtbegroeide klimop waarin vleermuizen kunnen verblijven aanwezig. Ook verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen binnen de invloedsferen van de voorgenomen werkzaamheden zijn niet uitgesloten. Vliegroutes De bomenlaan langs de Dorpermeienweg en het Omleidingskanaal betreffen lijnvormige elementen in de directe omgeving van het plangebied. De bomenrijen die de RWZI omringen vormen tussen de eerdergenoemde elementen een verbindende lijn De aanwezigheid van een vaste vliegroute van vleermuizen in de directe omgeving van de RWZI is daarom op voorhand niet uit te sluiten.
Foerageergebied Het plangebied met de open waterzuiveringen, struweel, kruidenrijke braakliggende grond en bomen biedt foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving zijn diverse alternatieve graslanden, struwelen en water aanwezig die geschikt zijn als foerageergebied. Het plangebied betreft daarom geen essentieel foerageergebied wel kan het gebied gebruikt worden door foeragerende individuen. Effectbeoordeling en vervolgstappen Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zullen geen vleermuisverblijfplaatsen fysiek worden vernietigd. Echter, in de omgeving van de werkzaamheden zijn wel potentiële verblijfplaatsen en (essentiële) vliegroutes aanwezig. In het plangebied is geen essentieel foerageergebied aanwezig. Mogelijk komen er wel foeragerende individuen van vleermuizen voor. Het inzetten van (bouw)verlichting leidt
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
15
Projectgerelateerd
mogelijk tot het verstoren van vleermuisverblijfplaatsen en vliegroutes hetgeen een overtreding betreft van artikel 11.46 lid 1d. Tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet in de omgeving Deze maatregel is van toepassing indien gewerkt wordt in de actieve periode van vleermuizen, indien buiten de actieve periode van vleermuizen gewerkt wordt, dus in de winterrustperiode van half november t/m half maart, zijn tijdens de bouwfase geen aanvullende maatregelen nodig en kan regulier licht worden toegepast, met de aantekening dat het voorkomen van verstrooiing naar de omgeving ook in de winterperiode nodig blijft ten aanzien van leefgebieden van bijvoorbeeld zoogdieren en vogels. Permanente negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden voorkomen door in de nieuwe situatie geen additionele verlichting te realiseren richting de omgeving, bomen en gebouwen van de RWZI.
5.2.4
Vogels
Voorkomen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten waargenomen: kleine karekiet, boerenzwaluw, ooievaar, torenvalk, houtduif, buizerd en grote gele kwikstaart. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen. Van de volgende broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief en zwarte specht. Boerenzwaluw, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, steenuil, kerkuil en slechtvalk In het projectgebied is geen geschikte bebouwing aanwezig voor soorten die broeden onder dakpannen, in nissen of kieren van bebouwing.
Ook zijn er in de aanwezige bebouwing geen geschikte toegangen voor uilen en/of nestkommen aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten gekoppeld aan bebouwing zoals nesten van boerenzwaluw, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, steenuil en kerkuil, is uitgesloten. De slechtvalk broedt in Nederland op hoge constructies (torens, kantoorgebouwen en hoogspanningsmasten). Ooievaar De ooievaar is tijdens het veldbezoek in grote getallen (tenminste 36) waargenomen in het grasveld ten zuiden van het plangebied. Deze groep was hier aan het foerageren. De ooievaar broedt op hoge plekken zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform (Vogelbescherming, 2024). Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten waargenomen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De aanwezigheid van broedende ooievaars is uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt langs snelstromend water zoals beken, rivieren en bij RWZI’s. Volgens gegevens van de NDFF zijn waarnemingen van de grote gele kwikstaart bekend bij de stuw in het 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
16
Projectgerelateerd
Omleidingskanaal ten oosten van het plangebied met als Altlascode 2 ‘waarschijnlijk broedend’. Tijdens het veldbezoek is de grote gele kwikstaart ook hier kortstondig waargenomen. De aanwezigheid van een nest van grote gele kwikstaart direct ten oosten van het plangebied bij het Omleidingskanaal kan niet worden uitgesloten. Boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen langs de noordgrens van de RWZI twee nesten aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als broedlocatie voor boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk of wespendief (zie Figuur 5). Tijdens het veldbezoek is daarnaast de torenvalk jagend waargenomen binnen het plangebied en de buizerd overvliegend buiten het plangebied. De bomen waren ten tijde van het onderzoek te veel begroeid om de aanwezigheid van een holte van de zwarte specht uit te kunnen sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn in een boom langs de noordgrens wel sporen van een specht aangetroffen. De aanwezigheid van een broedgeval van een van de hier bovengenoemde soorten in de bomenrij langs de RWZI kan niet worden uitgesloten.
Figuur 5: Locaties waargenomen potentiële jaarrond beschermde nesten langs de noordgrens de RWZI.
Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd wanneer sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Dit zijn voornamelijk soorten die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van onder andere de volgende soorten is het voorkomen in of rondom het zoekgebied bekend op basis van NDFF en het veldbezoek: blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, ijsvogel, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ringmus, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp en zwarte roodstaart. 25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
17
Projectgerelateerd
In het plangebied en in de omgeving hiervan is het voorkomen van nesten van dergelijke vogels niet uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied blijven echter voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig voor deze soorten. Er kan daarom geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een ecologisch zwaarwegende reden waardoor nesten van deze soorten jaarrond beschermd zijn. Vogels zonder jaarrond beschermd nest In het projectgebied en de direct omgeving kunnen algemene broedvogels zoals houtduif, kauw, merel, roodborst, en winterkoning voorkomen. In het projectgebied is geschikt leefgebied aanwezig voor deze vogelsoorten om tot broeden te komen zoals bomen en struweel. De aanwezigheid van algemene broedvogels is daarom in het projectgebied niet uitgesloten. Rodel Lijst soorten In of nabij het plangebied zijn diverse vogels die op de Rode Lijst staan bekend. Deels betreft het soorten die vallen onder de beschermde soorten van de Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten en daarmee in de vorige paragrafen zijn behandeld. De soorten die nog niet zijn behandeld betreffen koekoek, kramsvogel, oeverloper, wielwaal en wulp. De kramsvogel en oeverloper betreffen doortrekkers waarvan niet verwacht wordt dat die broeden binnen het plangebied.
De wulp is een steltloper waarvan ook niet verwacht wordt dat deze broedt binnen het plangebied maar eerder in de graslanden daarbuiten. De wielewaal komt voor in vochtige loofbossen en wordt ook niet verwacht te broeden binnen het plangebied. De koekoek parasiteert op andere vogelsoorten (waaronder witte kwikstaart en heggenmus) in allerlei landschappen. Het voorkomen van de koekoek en nesten van zijn waardvogels langs de randen van het plangebied kan niet worden uitgesloten. In de omgeving is echter voldoende alternatief leefgebied voor de koekoek voorhanden. Hetzelfde geldt voor de eerdergenoemde soorten Negatieve effecten op de staat van instandhouding van de bovenstaande soorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn daarom uitgesloten. Effectbeoordeling en vervolgstappen Grote gele kwikstaart De oever langs het Omleidingskanaal ten oosten van het projectgebied is geschikt als broedlocatie voor de grote gele kwikstaart. Deze soort wordt hier ook tijdens het broedseizoen waargenomen. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden aan de oostkant van het aan perceel (amoveren indikker) kan de grote gele kwikstaart tijdelijk worden verstoord. Het fysiek vernietigen van een nest van de grote gele kwikstaart als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan worden uitgesloten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden zijn niet aan de orde.
Verstoring van een actief nest van de grote gele kwikstaart kan leiden tot een overtreding van artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d, van de Ow. Verstoring van een actief nest van de grote gele kwikstaart kan worden voorkomen door sloopwerkzaamheden aan de oostkant van het perceel buiten het broedseizoen van de grote gele kwikstraat uit te voeren. Het broedseizoen van de grote gele kwikstaart loopt grofweg van begint maart tot en met eind juli. Indien de sloopwerkzaamheden niet buiten deze periode kunnen worden uitgevoerd dient voorafgaande de werkzaamheden aanvullend onderzoek naar de grote gele kwikstaart plaats te vinden. Indien vervolgens de grote gele kwikstaart binnen de invloedssferen van de sloopwerkzaamheden broedend wordt waargenomen is een vergunningsaanvraag aan de orde. Boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht Een broedgeval van Boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht in de bomenrij langs noordgrens van het plangebied is vanwege aangetroffen nesten niet uitgesloten. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zou een potentieel broedgeval van deze
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
18
Projectgerelateerd
soorten tijdelijk kunnen worden verstoord. Het fysiek vernietigen van een nest van deze soorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan worden uitgesloten. Verstoring van een actief nest van de hierboven genoemde soorten kan leiden tot een overtreding van artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d, van de Ow. Verstoring kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen van deze soorten uit te voeren. De uiterste grenzen van het broedseizoen van deze soorten loopt grofweg van begint februari tot en met eind augustus. Indien de werkzaamheden niet buiten deze periode kunnen worden uitgevoerd dient voorafgaande de werkzaamheden aanvullend onderzoek naar de bovenstaande soorten plaats te vinden. Indien vervolgens een broedgeval van een van deze soorten binnen de invloedssferen van de sloopwerkzaamheden wordt waargenomen is een vergunningsaanvraag aan de orde. Algemene broedvogels De inzet van verlichting en mobiele werktuigen en bijbehorende effecten zoals geluid en trillingen kunnen leiden tot het verstoren, verwonden en/of doden van broedvogels. Alsmede tot het verstoren of vernietigen van nesten. Dit betreft een overtreding van artikel 11.37 lid 1 a, 1b en 1d, van de Ow. In de toekomstige situatie blijven voldoende geschikte nestlocaties voor algemene vogels in de omgeving van het plangebied beschikbaar.
Permanente negatieve effecten op algemene broedvogels zijn daarom op voorhand uitgesloten. Een vergunning voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels met zowel jaarrond al niet jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: ▪ Buiten het broedseizoen te werken, of; ▪ Indien gewerkt wordt in het broedseizoen, de werkzaamheden ecologisch te laten begeleiden zodat gewerkt wordt buiten de verstoringsafstand van eventueel aanwezige broedgevallen. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken, zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Ow ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Het broedseizoen loopt grofweg van maart tot augustus, afhankelijk van de weersomstandigheden. Het is echter mogelijk dat buiten deze periode ook broedgevallen aanwezig zijn.
5.2.5
Amfibieën
Voorkomen Op basis van de gegevens van de NDFF komen in de omgeving van het plangebied kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad voor. Verder zijn er in de omgeving ook algemene soorten waargenomen of te verwachten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Kamsalamander Van de kamsalamander is eDNA aangetroffen in het water bij productiebedrijf Rodenmars van Vitens ten oosten van het plangebied aan de overkant van het Omleidingskanaal. Op basis van het eDNA kan worden aangenomen dat de soort voorkomt in de omgeving. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken (RAVON,
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
19
Projectgerelateerd
2024). Geschikt habitat voor de kamsalamander op de planlocatie of in de direct omgeving hiervan ontbreek. De aanwezigheid van kamsalamander is daarom uitgesloten. Knoflookpad De knoflookpad is waargenomen in poeltjes aan de oostkant van het Omleidingskanaal. Het voortplantingsbiotoop van deze soort bestaat voornamelijk uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter (RAVON, 2024). De soort heeft verder een voorkeur voor agrarisch gebied, ruderaal terrein, rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. Een voorwaarde voor knoflookpad is de aanwezigheid van open zandplekken omringt door vegetatie. Het zand moet daarbij vergraafbaar zijn aangezien de soort zich overdag en ’s winters ingraaft. De knoflookpad doet dit meestal op slecht enkele meters van zijn voortplantingswater en is daarmee een standvastige soort. Op of in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen geschikt voortplantingsbiotoop voor de knoflookpad. Het voorkomen van de knoflookpad binnen het plangebied is uitgesloten. Poelkikker Van de poelkikker is eDNA aangetroffen in het water bij productiebedrijf Rodenmars van Vitens ten oosten van het plangebied aan de overkant van het Omleidingskanaal. Op basis van het eDNA kan worden aangenomen dat de soort voorkomt in de omgeving.
De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De soort komt vooral tot voortplanting in vennen en hoogveenputten en in andere kleine wateren als, rivierbegeleidende wateren, veedrinkpoelen en sloten. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn en de wateren mogen niet droogvallen. Buiten de voortplanting zijn poelkikkers minder gebonden aan water en brengen ze de rest van het seizoen door op het land. Overwintering vindt gewoonlijk plaats op het land, soms ook ingegraven in de waterbodem. Op het land worden voor de overwintering vaak bosjes of houtwallen gebruikt die op niet meer dan 400 meter van het water afliggen (RAVON, 2024) Op of in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen geschikt voortplantingsbiotoop voor de poelkikker. Het voorkomen van de poelkikker binnen het plangebied is uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad is waargenomen nabij poeltjes aan de oostkant van het Omleidingskanaal. De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. Dit zijn vaak terreinen met een pioniermilieu of een dynamisch milieu zoals afgravingen, opgespoten terreinen, zandverstuivingen, industrieterreinen, braakliggende terreinen, militaire oefenterreinen, akkers, heideterreinen, duinen, etc.
Voortplanting vindt plaats in ondiepe of droogvallende, niet of weinig begroeide wateren die snel opwarmen. Op het land houden de dieren zich verborgen in zelf gegraven holen holen van knaagdieren, onder stenen en tussen muur- spleten. De pad overwintert vaak in zelf gegraven holen in het zand (. De schuilplaatsen liggen vaak niet meer dan 20 meter van het voortplantingswater verwijderd. Rugstreeppadden kunnen daarnaast grote afstanden af- leggen en goed nieuwe terreinen koloniseren (RAVON, 2024). Op of in de directe omgeving van het plangebied bevindt zich geen geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad. Daarnaast vormt het Omleidingskanaal een barrière tussen het plangebied en de bekende populaties. Het voorkomen van de rugstreeppad binnen het plangebied is uitgesloten. Algemeen voorkomende amfibieën Op basis van verspreidingsgegevens kunnen meer algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander in het plangebied voorkomen. De sloot langs de Dorpermeienweg ten oosten van het plangebied vormt een geschikte voorplantingslocatie voor algemene amfibieën. Daarnaast vormen de aanwezige bosschages op en rondom de RWZI geschikt landhabitat. Aanwezigheid van algemene amfibieën binnen de planlocatie is niet uitgesloten.
25 juli 2024
BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046
20
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling en vervolgstappen Algemeen voorkomende amfibieën Door de inzet van zwaar materieel kunnen, algemeen voorkomende soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander worden verwond of gedood of vaste rust en verblijfplaatsen worden vernield. In de omgeving blijven genoeg alternatieve geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Voor deze beschermde soorten bestaat een algemene vrijstelling voor het vernielen van vaste rust en verblijfplaatsen om deze reden hoeft geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient ten alle tijden de zorgplicht (artikel 11.27 Bal) in acht te worden genomen. Dit kan door de werkzaamheden zoveel mogelijk met klein materieel en bij daglicht uit te voeren. Daarnaast dienen de werkzaamheden altijd vanuit één richting te worden uitgevoerd zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten.