CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2_Natuurtoets.pdf

Gemeenteraad 20 januari 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake bindend adviesrecht Dorpermeienweg 13 Denekamp15.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “opening”: 305

5.2.6

Reptielen

Voorkomen Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de levendbarende hagedis voor in de omgeving van het plangebied. In de laatste vijf jaar is op ongeveer twee kilometer ten zuiden van het plangebied hiervan één waarnemingen bekend. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis komt voor in heide, schraal graslanden, open plekken in bos, bosranden en houtwallen. Voor het opwarmen klimt de soort vaak op boomstronken, dode takken en palen grenzend aan het bos (RAVON, 2024). Geschikt habitat voor de levendbarende hagedis op de planlocatie of in de direct omgeving hiervan ontbreek. De aanwezigheid van levendbarende hagedis is daarom uitgesloten.

5.2.7

Ongewervelden

Voorkomen Op basis van de gegevens van de NDFF komen in de omgeving van het plangebied beekrombout, grote vos en kleine ijsvogelvlinder voor. Beekrombout De beekrombout wordt in uiteenlopende typen stromende wateren aangetroffen. Belangrijk is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten en niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. De eieren worden op het wateroppervlak afgezet. De larven leven ingegraven in de beek- of rivierbodem, op ondiepe, traag stromende plaatsen waar veel slib of fijn zand is afgezet (Vlinderstichting, 2024). Dergelijk habitat is in het plangebied en in de directe omgeving hiervan niet aanwezig. Het voorkomen van de beekrombout binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Grote vos De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaand bomen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. De waardplant is vooral iep maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. De ei-afzet vindt gebruikelijk plaats op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen (Vlinderstichting, 2024). Tijdens de werkzaamheden vinden geen werkzaamheden plaats rondom waardplanten van de grote vos. Negatieve effecten op de grote vos zijn bij de voorgenomen werkzaamheden is dan ook uitgesloten.

Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Waardplantsoorten zijn: wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelie en sneeuwbes. Geschikte waardplanten groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

21

Projectgerelateerd

vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden (Vlinderstichting, 2024). Tijdens de werkzaamheden vinden geen werkzaamheden plaats rondom waardplanten van de kleine ijsvogelvlinder. Negatieve effecten op kleine ijsvogelvlinder zijn bij de voorgenomen werkzaamheden is dan ook uitgesloten. Rode Lijst soorten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn op en in de directe omgeving van het plangebied geen ongewervelden die op de Rode Lijst staan waargenomen. Rode Lijst soorten zijn niet binnen het plangebied te verwachten.

5.3

Conclusie soortbescherming

Het onderstaande overzicht (Tabel 4) geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de hierboven beschreven effecten. In deze samenvatting is ook beschreven of nader vervolgonderzoek noodzakelijk is en eventuele vergunning noodzakelijk is. Tabel 4: Voorkomen beschermde soorten, mogelijke overtredingen en benodigde vervolgstappen Soortgroep

Soort(en)

Tijdelijke en/of permanente effecten?

Ow verbod artikel

Vervolgstappen/voorzorgsmaatregelen noodzakelijk?

Grondgebonden zoogdieren

Bunzing, egel, hermelijn, steenmarter en wezel.

Beschadigen en/of vernietigen van verblijfplaatsen en het doden van individuen

Artikel 11.54, lid 1a en b

Uitvoering of opstart (met vervolgens constante intensiteit van uitvoering werkzaamheden) buiten de kraamperiode (veelal april t/m augustus). Werken volgens ecologisch werkprotocol.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren zoals haas, konijn, (spits)muizen en vos

Beschadigen en/of vernietigen van verblijfplaatsen en het doden van individuen

Artikel 11.54, lid 1a en b

Nemen van voorzorgsmaatregelen en/of mitigerende maatregelen, het aanvragen van een vergunning is niet aan de orde, omdat deze soorten op de vrijstelde soortenlijst van de provincie zijn vermeld. Er dient te worden voldaan aan de specifieke zorgplicht (Bal 11.27).

Vleermuizen

Diverse soorten

Verstoring van vliegroutes en foerageergebied

Artikel 11.46 lid 1a, 1b en 1d

Werkzaamheden dienen buiten de actieve periode van vleermuizen te worden uitgevoerd. Indien niet mogelijk dan dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden of dient er gewerkt te worden zonder kunstmatige verlichting richting de omgeving. In de toekomstige situatie mag er tevens geen additionele verlichting gerealiseerd worden richting de omgeving

Vogels

Grote gele kwikstaart

Verstoren broedende vogels, doden van individuen en vernietigen van nesten

Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d

Uitvoeren van de verstorende sloopwerkzaamheden aan de oostkant van het perceel buiten broedseizoen van grote gele kwikstaart (begin maart tot eind juli). Indien niet mogelijk dan voorafgaand aan de sloop aanvullend onderzoek noodzakelijk.

Boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, sperwer, torenvalk, wespendief en zwarte specht

Verstoren broedende vogels, doden van individuen en vernietigen van nest

Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d

Uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen (begin februari tot eind augustus). Indien niet mogelijk dan voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend onderzoek noodzakelijk.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

22

Projectgerelateerd

Soortgroep

Amfibieën

25 juli 2024

Soort(en)

Tijdelijke en/of permanente effecten?

Ow verbod artikel

Vervolgstappen/voorzorgsmaatregelen noodzakelijk?

Algemene broedvogels

Verstoren broedende vogels, doden van individuen en vernietigen van nesten

Artikel 11.37 lid 1a, 1b en 1d

Werken buiten het broedseizoen of andere voorzorgsmaatregelen nemen en werken volgens een ecologisch werkprotocol.

Algemeen voorkomende amfibieën zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander

Verwonden en/of doden van individuen en beschadigen en/of vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen

Artikel 11.54, lid 1a en b

Nemen van voorzorgsmaatregelen en/of mitigerende maatregelen, het aanvragen van een vergunning is niet aan de orde, omdat deze soorten op de vrijstelde soortenlijst van de provincie zijn vermeld. Er dient te worden voldaan aan de specifieke zorgplicht (Bal 11.27).

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

23

Projectgerelateerd

6

Toetsing Natuurnetwerk Nederland

In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied planologisch beschermde NNN- zijn gelegen en wordt beoordeeld of er vervolgstappennodig zijn.

6.1

Werkwijze toetsing NNN

Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van webviewer van de Provincie Overijssel. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn.

6.2

Ligging plangebied t.o.v. het NNN

Het plangebied bevindt zich niet in het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde delen van het Natuurnetwerk Nederland liggen circa 1 kilometer ten zuiden en oosten van het plangebied. Het betreft beheertype N16.03 Droog bos met productie en N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos (zie Figuur 6).

Figuur 6: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN) (Bron Provincie Overijssel).

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

24

Projectgerelateerd

6.3

Toetsing en conclusie Natuurnetwerk Nederland

Omdat het plangebied niet binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland ligt zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde van het NNN op voorhand uitgesloten. Er is daarom ook geen sprake van compensatieplicht of eventuele andere vervolgstappen ten aanzien van het NNN.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

25

Projectgerelateerd

7

Conclusies en vervolgstappen

7.1

Natura 2000-gebieden

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Dinkelland en ligt op 1,4 km afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR). Andere Natura 2000-gebieden ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’, ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’, ‘Landgoederen Oldenzaal’ en ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ liggen respectievelijk op 4,4 km, 5,8 km, 6,3 km en 9,2 km afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd. Indien er sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer dan zijn mogelijk vervolgstappen nodig.

7.2

Soortenbescherming

Voor onder de Ow beschermde soorten komt het volgende naar voren (zie ook Tabel 4: Voorkomen beschermde soorten, mogelijke overtredingen en benodigde vervolgstappen): ▪ In het plangebied of omgeving ontbreekt het aan geschikt habitat voor onder de Ow beschermde planten, reptielen en ongewervelden. ▪ In het plangebied of omgeving komen potentieel marterachtigen, egels, vleermuizen, grote gele kwikstaart, boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief, zwarte specht en algemene grondgebonde zoogdieren, vogels en amfibieën voor. Negatieve effecten zijn te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Indien niet kan worden voldaan aan een de benodigde voorzorgsmaatregelen is het noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden nader onderzoek uit te voeren. Indien vervolgens een beschermde soort wordt aangetroffen is een vergunningsaanvraag mogelijk aan de orde.

7.3

Natuurnetwerk Nederland

Omdat het plangebied niet binnen of nabij het Natuurnetwerk Nederland ligt zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde van het NNN op voorhand uitgesloten. Er is daarom ook geen sprake van compensatieplicht of eventuele andere vervolgstappen ten aanzien van het NNN.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

26

Projectgerelateerd

Geraadpleegde literatuur Alterra (2005), Effectenindicator Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1375, ISSN 1566-7197 FLORON (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende plantensoorten, via FLORON Verspreidingsatlas, via: https://www.verspreidingsatlas.nl. Provincie Overijssel (2024) Omgevingsverordening Overijssel via: http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706717/1 Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (2024a), informatie over de ligging en begrenzing van verschillende Natura 2000-gebieden via: https://www.natura2000.nl/ Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (2024b), informatie mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden via: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 Nationale Databank Flora en Fauna, verspreidingsgegevens van de afgelopen 5 jaar opgehaald op 8 juli 2024, via: https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal. RAVON (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende soorten amfibieën en reptielen, via: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie. STOWA (2024), algemene informatie over ongewervelden en verspreidingsgegevens, via http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenflora-enfaunawet.pdf Verspreidingsatlas (2024), via: https://www.verspreidingsatlas.nl/.

Vleermuiswerkgroep Nederland (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende soorten vleermuizen, via: www.vleermuis.net. Vlinderstichting (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende soorten ongewervelden, via: https://www.vlinderstichting.nl/l. Vogelbescherming (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende soorten vogels, via: https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels. Zoogdiervereniging (2024), informatie over de verspreiding en ecologie van verschillende zoogdiersoorten, via: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

27

Projectgerelateerd

Bijlage 1 Wettelijk & ruimtelijk natuurbeschermingskader In Nederland wordt voor behoud en herstel van biodiversiteit de natuur via twee sporen beschermd, namelijk via soortenbescherming en gebiedsbescherming. Een belangrijke rol is weggelegd voor de Europese Vogelen Habitatlijn, die in de Nederlandse wetgeving via de Omgevingswet zijn geïmplementeerd. Dit omvat de soortenbescherming van inheemse flora en fauna en specifiek gebiedsbescherming van Natura 2000gebieden. Daarnaast is daarin de bescherming van overige nationaal beschermde soorten en houtopstanden in het buitengebied wettelijk geregeld. Bescherming van natuurgebieden en andere specifieke gebieden met bijzondere natuurwaarden zoals weidevogelleefgebieden in agrarisch gebied is daarnaast planologisch vastgelegd op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau in algemene regels, omgevingsverordeningen en/of omgevingsplannen. De planologische bescherming van gebieden heeft ruimtelijk gezien overlap met de hiervoor genoemde gebieds- en soortenbescherming. Natuurwaarden en biodiversiteit zijn per 1 januari 2024 beschermd via de Omgevingswet. In deze wet zijn alle wetten voor de leefomgeving opgenomen, waaronder de Wet natuurbescherming (Wnb) en Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Soorten- en gebiedsbescherming Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht, waarin de soorten- en gebiedsbescherming zijn geregeld. Voorheen waren deze onderwerpen in de Wet natuurbescherming geregeld. De Omgevingswet bevat een beleidsneutrale omzetting van die wet. Een bestuursorgaan oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op de doelen van de wet. Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. Deze taakuitoefening wordt in de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels uitgewerkt en begrensd, wat betrekking kan hebben op de natuurbescherming en het beheer van natuurgebieden. Hieruit vloeit een actieve soortenbescherming voort, naast de passieve soortenbescherming die via verbodsbepalingen gericht is op een nalaten. De opdracht aan bestuursorganen is om actief beleid te voeren teneinde een gunstige staat van instandhouding van de soorten te bereiken. Deze verplichting om aan actieve soortenbescherming te doen, vloeit voort uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet die inhoudt dat eenieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving draagt, uitgewerkt (art. 11.6 Bal, voor Natura 2000 en art.

11.27 Bal voor inheemse soorten). Specifieke zorgplicht (art. 1.6 Natura 2000-activiteit; art 11.27 Flora en fauna activiteit) 1) Degene die een Natura 2000 of flora en fauna activiteit verricht (als bedoeld in…) en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, (bedoeld in ……) is verplicht: a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

De Omgevingswet, het Bal en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelen activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

1

Projectgerelateerd

Het aangrijpingspunt voor de regels uit de Omgevingswet vormen de daarin gedefinieerde activiteiten (voor zover hier relevant): In het Bal zijn drie beschermingstypen met een eigen toetsingskader te onderscheiden: ▪ Natura 2000-gebieden ▪ Flora en fauna (inheems) ▪ Houtopstanden (buiten de bebouwde kom) Het bevoegd gezag, voor het al dan niet verlenen van vergunningen en/of vrijstellingen, is het college van gedeputeerde staten van de provincie of in sommige gevallen de Minister van N&S. Bij wie de bevoegdheid ligt, is vastgelegd in het Omgevingsbesluit (art. 4.6 en 4.12 Ob). De minister van N&S blijft bijvoorbeeld bevoegd gezag voor onder andere de rijks- en spoorwegen, grote wateren en defensieterreinen. Voor dit project is provincie Overijssel bevoegd gezag. In de volgende paragrafen worden de relevante wettelijke kaders behandeld.

Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit aangewezen Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden die een grote bijdrage leveren voor de instandhouding van het type of soort. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen die onderdeel vormen van een Europees Natura 2000-netwerk. Voor elk Natura 2000-gebied zijn in een aanwijzingsbesluit de begrenzing van habitat- en/of vogelrichtlijngebieden en de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel kwaliteitsverbetering nodig is. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan opgesteld (om de 6 jaar actualisatie) waarin de instandhoudingsdoelstellingen in tijd en ruimte worden uitgewerkt en in hoeverre er aanvullende maatregelen nodig zijn. De aanwijzingsbesluiten en beheerplannen gelden als toetsingskader. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn mag geen verslechtering optreden ten opzichte van de aanwezige waarden in de referentiesituatie.

Voor Vogelrichtlijngebieden is dat de datum waarop het gebied is aangewezen. De referentiedata verschilt per gebied (varieert van 1994 tot en met 2016). Voor de Habitatrichtlijngebieden geldt de datum van de plaatsing van het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang als referentie. Voor de meeste Habitatrichtlijngebieden is dat 7 december 2014, voor enkele gebieden geldt een latere datum. Voor verbeterings- en uitbreidingsopgave ten opzichte van de referentiesituatie is geen termijn gegeven. Nationaal programma landelijk gebied (NPLG) De 162 Natura 2000-gebieden in Nederland vormt de belangrijkste basis voor de landelijke doelen. Aanvullend wordt via het Nationaal programma landelijk gebied (NPLG) nog extra invulling gegeven aan de gunstige staat van instandhouding van vogel- en habitatrichtlijn. Het NPLG heeft het doel om 30% van de opgave voor natuurherstel te realiseren. De doelen zijn richtinggevend voor de gebiedsplannen en zijn niet afrekenbaar.

Rijksregels Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden volgt uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De bescherming van Natura 2000 is per 1 januari 2024 in de Omgevingswet en Bal geregeld. Het realiseren van een project of activiteit, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, moet vanuit de specifieke zorgplicht (Bal art. 11.6) beoordeeld worden in hoeverre deze activiteit significant verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden. Bij de effectbeoordeling van Natura 2000 staat de vraag centraal of de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden in het licht van diens instandhoudingsdoelen worden aangetast.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

2

Projectgerelateerd

In geval van de bepaling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden dient rekening te worden gehouden met de zogenoemde externe werking. Hierdoor moet ook worden bekeken of activiteiten buiten een Natura 2000-gebied (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de voor het betreffende gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De reikwijdte is afhankelijk van het milieueffect (bijvoorbeeld geluid, stikstofdepositie) als gevolg van een project. Toetsing aan Natura 2000-gebieden Een voortoets in de oriëntatiefase kan uitsluitsel geven of het project geen negatieve gevolgen of significant negatieve gevolgen, in cumulatie1 met andere vergunde activiteiten, heeft (geen vergunningplicht). Indien significant negatieve gevolgen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, is een nadere ecologische beoordeling nodig in de vorm van een Passende beoordeling (artikel 16.53c, Omgevingswet). Aan de hand van de Effectenindicator (Ministerie van LVVN, 2024) wordt nagegaan welke storingsfactoren relevant zijn (aan de orde zijn) en zo ja óf negatieve gevolgen voor geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen (op voorhand) kunnen worden uitgesloten. In de Passende beoordeling wordt de best beschikbare wetenschappelijke kennis gebruikt om in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen na te gaan welke effecten aan de orde zijn.

In de Passende beoordeling wordt ten eerste het projecteffect beoordeeld. Wanneer er sprake is van negatieve effecten, die niet significant zijn, moet het projecteffect ook beoordeeld worden in cumulatie met andere plannen of projecten die vergund zijn maar nog niet zijn (volledig) uitgevoerd zijn (cumulatietoets). Wanneer uit de Passende beoordeling blijkt dat significant negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, dient eerst gekeken te worden of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten op te heffen. Dit betreft ten aanzien van stikstof bijvoorbeeld interne of externe saldering. Zijn na toepassing van mitigerende maatregelen nog steeds significant negatieve effecten niet uit te sluiten die kunnen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, dan volgt de ADC-toets. In de ADC-toets (die formeel geen onderdeel is van de Passende Beoordeling) moeten de volgende stappen allemaal succesvol worden doorlopen: ▪ Er zijn geen reële Alternatieven voor de activiteit met minder gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van het Natura -gebied. ▪ Het project is nodig om Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Overigens gelden als Dwingende redenen van groot openbaar belang alleen die gronden, die zijn vastgelegd in de Europese Habitat- of Vogelrichtlijn.

▪ De nodige Compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Significantie bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden Er is sprake van significante gevolgen als de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast in het licht van de bijbehorende instandhoudingsdoelen. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen door menselijk handelen of een project (mogelijk) niet gehaald worden, is mogelijk sprake van significant negatieve gevolgen. Aantasting van instandhoudingsdoelen kan, bijvoorbeeld, door direct verlies aan areaal of van populatieomvang alsook via afname in kwaliteit. In hoeverre dit significant is, is afhankelijke van verschillende factoren (zie Leidraad bepaling significantie, 2010). Dit betreft bijvoorbeeld ▪ de afname in areaal van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat, ▪ de afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie 1 De cumulatietoets is van toepassing wanneer een plan of project leidt tot negatieve gevolgen, die niet significant zijn, maar mogelijk

in cumulatie van andere plannen en/of projecten alsnog wel significant kan zijn. Het betreffen natuurvergunde projecten/plannen die nog niet of deels uitgevoerd zijn ten tijde van de beoordeling/te nemen besluiten

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

3

Projectgerelateerd

▪

de verslechtering van algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten.

Bij de beoordeling van verslechtering spelen factoren als kwaliteit, abiotische randvoorwaarden en overige kenmerken van functies en structuren een rol. Hierbij speelt ook de veerkracht van het gebied een rol, waarbij het effect kan worden opgevangen in de natuurlijke fluctuaties. Deze effectbeoordeling vergt maatwerk op grond van ecologische inzichten. Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Wanneer een activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft (of dit niet is uit te sluiten) voor een Natura 2000-gebied betreft dit een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). Voor de omgevingsvergunning geldt de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Vergunningvrije Natura 2000activiteiten zijn onder meer opgenomen in het Bal zoals de activiteiten ten behoeve het behalen van instandhoudingsdoelen. Daarnaast kunnen vergunningvrije activiteiten geregeld worden via bepaalde soortprogramma’s, in een omgevingsregeling en/of in een omgevingsverordening. Vergunningverlening is mogelijk (artikel 8.74b, Bkl) wanneer geen aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied in het licht van de instandhoudingsdoelen, mogelijk op basis van mitigerende maatregelen en/of een goed doorlopen ADC-toets met voldoende compensatie.

Flora en fauna De kern van de bescherming van inheemse soorten is dat de gunstige ‘staat van instandhouding’ (SvI) van in het wild levende planten- en diersoorten wordt beschermd en behouden. Deze bescherming volgt ook direct uit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn die verder met soorten is aangevuld met voor Nederland bijzondere en bedreigde soorten. Een activiteit mag geen blijvende negatieve invloed hebben op de staat van instandhouding van soorten (SvI). Dat houdt in dat de soort ook op langere termijn kan blijven bestaan. Afhankelijk van de omvang van het project moet het effect beoordeeld worden op lokaal, regionale en/of landelijk niveau. Anders dan bij de gebiedsbescherming is bij inheemse flora en fauna het leefgebied beschermd. Dat kan overal zijn en is niet strikt verbonden aan een natuurgebied. Zo komen in het stedelijk gebied meerdere beschermde soorten voor zoals vleermuizen, huismussen, amfibieën en ringslang. Rijksregels De bescherming van inheemse soorten was tot 1 januari 2024 in de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) geregeld en is nu geregeld in Bal paragraaf 11.2. Het beschermingsregime van soorten en verbodsbepalingen is hierdoor niet gewijzigd. Voor de inheemse soorten gelden verschillende beschermingsregimes.

Deze zijn: ▪ Vogelrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.2 (voorheen Wnb § 3.1 Wnb) ▪ Habitatrichtlijnsoorten Ow Bal § 11.2.3 (voorheen Wnb § 3.2 Wnb) ▪ Andere soorten Ow Bal § 11.2.4 (voorheen Wnb § 3.3 Wnb) De bescherming van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten kent een zwaardere bescherming dan de ‘andere soorten’ die van nationaal belang zijn. De ‘andere soorten’ betreffen soorten die van nationaal belang zijn en onder druk staan (o.a. Rode Lijst). Voor de inheemse soorten die niet in de bijlagen van de Omgevingswet zijn opgenomen geldt de specifieke zorgplicht (Ow Bal § 11.27).

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

4

Projectgerelateerd

Tabel 5: Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Wet natuurbescherming (Wnb), wordt vervangen door Omgevingswet met Besluit activiteiten leefomgeving (Ow Bal). HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. Nvt: Niet van toepassing. Verbodsbepalingen Vogelrichtlijn Ow Bal art.11.37

Verbodsbepalingen Habitatrichtlijn Ow Bal art.11.46

Verbodsbepalingen Andere soorten Ow Bal art. 11.54

Bal art. 11.37 1a. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Bal art 11.46 1a Het is verboden in het wild levende dieren HR IV soorten (Verdrag Bern en Bonn) in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Bal art. 11.54 1a Het is verboden in het wild levende dieren, genoemd in Wnb bijlage A/Bal bijlage IX onder A, opzettelijk te doden of te vangen;

Bal art. 11.37 1b Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Bal art 11.46 1d Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Bal art. 11.54 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Bal art. 11.37 1c Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

Bal art. 11.46 1c Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Nvt.

Bal art. 11.37 1d Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Bal art. 11.37 3 Het verbod geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Bal art 11.46 1b Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Nvt.

N.v.t.

Bal art. 11.46 1e. Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Bal art. 11.54 1c Het is verboden vaatplanten genoemd in Wnb bijlage B/ Bal bijlage IX onder B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting bescherming broedvogels en jaarrond beschermde vogels (11.37 lid 1b Bal) Via de Europese vogelrichtlijn zijn alle Europese wilde vogels door de wet zelfs uitdrukkelijk als beschermde diersoort aangewezen. Strenge bescherming geldt voor ▪ Broedvogels ▪ Jaarrond beschermde vogels Het verstoren van broedende vogels en hun nesten tijdens de broedtijd is verboden, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Nesten of holten die ieder jaar opnieuw gebruikt worden of ook buiten het seizoen van belang zijn voor de instandhouding van de soort, vallen ook buiten het broedseizoen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’. Deze nesten zijn jaarrond beschermd tenzij ze permanent verlaten zijn. In 2009 heeft Dienst Regelingen een aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten gepubliceerd met onderverdeling in vijf categorieën. Deze categorieën zijn in onderstaand kader toegelicht.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

5

Projectgerelateerd

Vogelnesten die het gehele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11.37 lid 1b Bal het gehele jaar: ▪ Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).. ▪ Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). ▪ Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). ▪ Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten die het hele jaar door beschermd zijn. Op de volgende categorie gelden in principe de verbodsbepalingen van 11.37 lid 1b Bal.

▪ Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Wij adviseren u een ecologisch deskundige op het gebied van vogels in te schakelen om te onderzoeken of er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden, die jaarronde bescherming van de nesten eisen. U gebruikt de lijst als hulpmiddel om te bepalen of ontheffing nodig is voor met name de jaarrond beschermde nesten. U kijkt of er maatregelen mogelijk zijn die maken dat de functionaliteit van het nest behouden blijft.

Provincies kunnen deze lijst in de provinciale verordening aanvullen of wijzigen op basis van de provinciale staat van instandhouding van de soorten. In de provincie Overijssel, waarin de activiteit plaats vindt, heeft wel een provinciale lijst met vogelnesten die jaarrond beschermd zijn vastgelegd in beleidsregel natuur Overijssel 2024. Dit betreft de lijst in Error! Reference source not found. Tabel 6: Vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de Provincie Overijssel Soort

Categorie

Boerenzwaluw

3

Raaf

4

Boomvalk

4

Ransuil

4

Bosuil

3

Roek

2

Buizerd

4

Slechtvalk

3

Gierzwaluw

2

Sperwer

4

Grote gele kwikstaart

3

Steenuil

2

Havik

4

Torenvalk

4

Huismus

2

Wespendief

4

Huiszwaluw

2

Zeearend

4

Kerkuil

3

Zwarte specht

3

Oehoe

3

Zwarte wouw

4

Ooievaar

3

Vrijstellingsmogelijkheden ‘andere soorten’ Voor de ‘andere soorten’ van art. 11.54 Bal kunnen provincies en het ministerie van LVVN een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is doorgaans het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen. Wanneer het ruimtelijke ingrepen betreft waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de Minister van LVVN bevoegd gezag2 en gelden de nationale regels. Het bevoegd gezag voor dit project is provincie Limburg In Tabel 2 2 zijn de vrijgestelde soorten weergegeven.

2

Besluit Wnb 11 oktober 2016, https://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2018-01-01

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

6

Projectgerelateerd

Tabel 7: Overzicht van de soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen in provincie Overijssel Grondgebonden zoogdiersoorten

Amfibieën

Aardmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Bosmuis

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis Gewone pad

Dwergmuis

Konijn

Veldmuis

Kleine watersalamander

Dwergspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Vos

Meerkikker

Gewone bosspitsmuis

Ree

Woelrat

Bastaardkikker kikker)

(middelste

groene

Toelichting: De vrijstelling geldt bij het ministerie van LVVN voor de soorten hierboven genoemd, mits het gaat om handelingen die worden verricht in verband met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en in het kader van bestendig beheer of onderhoud en/of bestendig gebruik.

Toetsing van een activiteit aan flora en fauna-verbodsbepalingen Om te kunnen beoordelen of een activiteit leidt tot overtreding van een verbodsbepaling, moet enerzijds de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten worden bepaald en anderzijds of de activiteit leidt tot overtreding van verbodsbepalingen en of hierdoor de staat van instandhouding (SvI) van de soort in gevaar wordt gebracht (zie kader). Dit is eerst in de vorm van een Quickscan. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en soorten niet worden verwond of gedood. Lukt dat niet, dan moeten mitigerende en/of compenserende maatregelen genomen worden en is een omgevingsvergunning nodig. Uit de quickscan flora en fauna kan naar voren komen dat de activiteit leidt tot overtreding van verbodsbepalingen en/of onvoldoende gegevens zijn en dat nader gericht veldonderzoek op basis van onderzoeksprotocollen nodig is. Vervolgens vindt opnieuw een effectbeoordeling plaats van de activiteit op basis van deze onderzoeksgegevens.

De Staat van Instandhouding van een soort wordt niet in gevaar gebracht wanneer, ▪ uit onderzoek blijkt dat de soort op de locatie kan blijven bestaan, ook op de lange termijn; ▪ het natuurlijk verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of snel kleiner gaat worden; ▪ het leefgebied groot genoeg is en zal blijven bestaan. Of als het op een alternatieve plek wordt ingericht. Zo blijven de populaties van de soort op lange termijn bestaan. De beoordeling van de SvI van Europees beschermde soorten (VR en HR) vindt op plaatselijk en regionaal populatieniveau plaats. Voor de andere soorten gebeurt dit op landelijk niveau.

Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, gebiedsontheffing, gedragscodes en belang Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning worden de benodigde gegevens veelal vastgelegd in een projectplan (voorheen activiteitenplan). Het projectplan omvat onder meer de beschrijving en het belang van de activiteit, de soorten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, de onderzochte alternatieven, de mitigerende en/of compenserende maatregelen en conclusies omtrent de gevolgen voor de staat van instandhouding. Voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang) en dat de staat van instandhouding van de soort niet in gevaar wordt gebracht. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen, beheer en onderhoudswerkzaamheden en bestendig beheer uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode. De specifieke zorgplicht (Ow Bal art. 11.27) blijft wel te allen tijde van toepassing. Voor grotere gebieden en terugkerende activiteiten over een langere periode kan een gebiedsontheffing aangevraagd worden.

Dit gebeurt onder meer op basis van een Soorten Management Plan (SMP) op basis waarvan de staat van instandhouding van soorten door het treffen van maatregelen minimaal behouden blijft alsook verbetert.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

7

Projectgerelateerd

Soorten van de Rode lijst & Provinciale aandachtsoorten (bedreigd -gevoelig- kwetsbaar) In Nederland zijn nog diverse soorten en soortgroepen die bedreigd worden, en op de zogenaamde Rode Lijst3 staan, die niet actief beschermd worden door de natuurwet- en regelgeving. Een voorbeeld zijn de verschillende insectengroepen zoals dagvlinders, bijen, sprinkhanen en krekels, haften en steenvliegen waarvan een groot deel bedreigd wordt. Deze groepen zijn voor bestuiving van planten en als voedselvoorziening voor soorten hoger in de voedselpiramide van essentieel belang Om de negatieve trend in biodiversiteit te keren volgt uit de Omgevingswet dat er voor alle inheemse soorten waaronder soorten van de Rode Lijst of lokale aandachtsoorten een nadrukkelijke zorgplicht geldt. Provincies besteden extra aandacht voor regionale soorten (zoals aandachtsoorten) en gebieden en stellen subsidies beschikbaar. Vanuit de Europese Unie gewerkt aan een Europese strategie voor biodiversiteit met een wetsvoorstel met bindende hersteldoelen De opgave voor biodiversiteitsherstel gaat verder dan de huidige wet- en regelgeving en is een actieve oproep om gezamenlijk het tij van daling in biodiversiteit te keren. Dit is in onderstaande kader toegelicht.

Biodiversiteitsherstel Op nationaal en provinciaal niveau wordt in de Nationale omgevingsvisie (2020) ingestoken op bescherming en versterking van biodiversiteit en duurzaam benutten van het natuurlijk kapitaal. Biodiversiteit en natuurlijk kapitaal moeten een integraal onderdeel zijn van visies op stedelijke en infrastructurele ontwikkelingen, klimaatadaptatie, waterbeheerplannen, omgevingsvisies (Natuurambitie NL/Natuurpositief 2019). Natuur moet niet alleen binnen natuurgebieden versterkt worden, maar overal. Dit betreft in steden, op het platteland en in de grote wateren (Nationale agenda natuurbeleid). Diverse partijen onderschrijven de urgentie voor biodiversiteitsherstel en zijn partner van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel (https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/). Royal HaskoningDHV is partner van het Deltaplan.

Planologische natuurbeschermingskader Bescherming van natuurgebieden en eventueel andere specifieke gebieden met bijzondere natuurwaarden zoals weidevogelleefgebieden in agrarisch gebied is planologisch vastgelegd met regels in nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau in omgevingsverordeningen en/of omgevingsplan. De meeste ruimtelijke plannen zijn vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet dat per 1 januari 2024 opgesteld. De planologische bescherming van natuur is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De planologische bescherming van gebieden heeft overlap met de wettelijk beschermde natuurwaarden. Nationaal en provinciaal Natuurnetwerk Het Natuur Netwerk Nederland (hierna NNN) is betreft een samenhangend Nationaal Natuurnetwerk natuurgebieden en verbindingszones waar planten en dieren duurzaam kunnen verblijven en/of door kunnen migreren. Het NNN bestaat uit bestaande natuur, nieuwe natuur, landgoederen en ecologische verbindingen. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. De provincies zijn verantwoordelijk voor het NNN op het land en legt dat vast in de Provinciale verordening.

Het Rijk is systeemverantwoordelijk voor de natuur in de grote wateren binnen de rijkswateren: de Noordzee, de Waddenzee, de Eems-Dollard, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta en de grote rivieren. Voor de NNN-gebieden zijn minimaal de wezenlijke kenmerken en waarden uitgewerkt die bestaan uit aanwezige en potentiële waarden. Dit betreft

3 Een Rode Lijst is een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen op basis van zeldzaamheid

en/of negatieve trend. De lijst wordt periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken: zie https://minez.nederlandsesoorten.nl/soorten. De indeling is verdwenen, ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar, gevoelig.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

8

Projectgerelateerd

onder meer de beheertypen en ambitietypen die vastgelegd zijn in Natuurbeheerplannen 4 en mogelijk aanvullende provinciale documenten. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Echter, de wezenlijke kenmerken en waarden voor het NNN zijn breder dan de specifieke instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Beschermingsregime NNN “spelregels EHS” Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het “nee, tenzij”-regime. Conform het NNN-toetsingskader dienen in beginsel alleen ingrepen die binnen het NNN plaatsvinden getoetst te worden op effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Het NNN kent, in tegenstelling tot Natura 2000-gebieden, geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt. Provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN en kunnen daar strenger mee om gaan. Provincie Overijssel hanteert geen aanvullende strengere toetsingseisen waardoor niet gekeken hoeft te worden naar externe effecten.

Nieuwe plannen en/of projecten zijn niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Dit moet volgens de regels die zijn opgenomen in de provinciale verordening. Goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) is nodig van het bevoegd gezag voor het Natuurnetwerk Nederland, dit is in dit geval de Provincie Overijssel

4

Natuurbeheerplannen worden jaarlijks geactualiseerd.

25 juli 2024

BJ2346-RHD-DEN-VO-RP-EO-0046

9

BIJLAGE A1 Bijlage Wettelijke & Ruimtelijk Natuurbeschermingskader

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1029/documents/24708