Bijlage 1 Gecombineerde plan- en project-mer-beoordeling.pdf
Tekst van het document
Gecombineerde project- en plan-m.e.r.beoordeling Rossum, Rossum Noord 2 Status: Definitief
Mei 2026
NOTITIE
Onderwerp: Auteur: Datum: Status:
1.
Project- en plan-m.e.r.-beoordeling Rossum Noord 2 BJZ.nu Mei 2026 Definitief
INLEIDING
Op gronden grenzend aan de bestaande woonwijk Rossum Noord in Rossum heeft de gemeente Dinkelland het voornemen dat een woongebied wordt gerealiseerd, inclusief daarbij behorend groen en ontsluiting. Specifiek gaat het om de onbebouwde gronden direct ten noorden van de al gerealiseerde woningen/woonwijk aan de Reuvenkamp en Hooimaat (hierna: ‘plangebied’) in Rossum. Het voornemen is om in het plangebied 28 nieuwe woningen te realiseren en een deel over te laten aan de markt. Er zullen 4 vrijstaande woningen, 10 tweekappers en 14 rijwoningen gerealiseerd worden. Ter plaatse van het deel wat aan de markt wordt overgelaten is het aannemelijk dat er maximaal 8 boven-beneden woningen gerealiseerd kunnen worden. Het totaal komt hiermee op maximaal 36 woningen. Daarnaast is er ruimte voor water (wadi’s) en parkeren en wordt het geheel landschappelijk ingepast. Het voornemen speelt in op de plaatselijke kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen en draagt bij aan de leefbaarheid van de kern Rossum. De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt door een wijziging van het omgevingsplan. Het betreft het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2’ (hierna: ‘TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2’). Dit omgevingsplan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject. Reden waarom het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 project-m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Voor het omgevingsplan is ook een passende beoordeling opgesteld, nu in dat rapport (als interne salderingsmaatregel) rekening is gehouden met de beëindiging van bemesting van agrarische gronden waar ter plaatse de woningbouwontwikkeling wordt gerealiseerd. Nu een passende beoordeling is opgesteld en omdat vanwege de omvang van het plangebied sprake is van een klein gebied, is het plan tevens een plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig. In zowel de project-m.e.r.-beoordeling als de plan-m.e.r.-beoordeling moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten optreden. Wanneer aanzienlijke milieueffecten optreden, moet de raad besluiten dat een project- respectievelijk planmilieueffectrapport moet worden opgesteld. Omdat het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 zowel project-m.e.r.-beoordelingsplichtig als plan-m.e.r.beoordelingsplichtig is, zijn beide beoordelingen gecombineerd in voorliggende notitie ‘Gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling Rossum, Rossum Noord 2’. Op basis van dit document kan de raad in de vorm een gecombineerd project- en plan-m.e.r.-beoordelingsbesluit beslissen of aanzienlijke milieueffecten optreden en daarmee of voor het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 een project- of planmilieueffectrapport moet worden opgesteld.
In het vervolg van deze notitie wordt eerst in paragraaf 2 een nadere toelichting gegeven op het wettelijk kader met betrekking tot de m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt ook ingegaan op de benodigde inhoudelijke toetsing waaraan de project- en plan-m.e.r.-beoordeling moet voldoen gelet op de Omgevingswet en rechtspraak. Vervolgens bevat paragraaf 3 t/m 5 van deze notitie de inhoudelijke beoordeling of aanzienlijke milieueffecten optreden. Paragraaf 6 sluit met af de conclusie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
2.
JURIDISCH KADER GECOMBINEERD PROJECT- EN PLAN-M.E.R.-BEOORDELING
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten gekoppeld aan een plan of besluit, zoals een omgevingsplan of omgevingsvergunning. De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig in de plan- of besluitvorming mee te nemen en mee te laten wegen. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (hierna: ‘Ow’) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: ‘Ob’). Paragraaf 16.4.2 van de Ow en Afdeling 11.2 van het Ob gaan over de project-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Paragraaf 16.4.1 van de Ow en Afdeling 11.1 van het Ob gaan over de plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Een omgevingsplan kan zowel project-m.e.r.(beoordelings)plichtig als plan-m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn
2.1
Het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 is project-m.e.r.-beoordelingsplichtig
De m.e.r.-verplichtingen voor projecten zijn uitgewerkt in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling is projectnummer J11 relevant: "Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen." Onderstaand is een uitsnede uit bijlage V van het Omgevingsbesluit opgenomen.
Het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ moet ruim worden opgevat. Hieronder valt onder meer woningbouw. Ook alle voorzieningen die in dat kader moeten worden getroffen, zoals de aanleg van infrastructuur (maar denk ook aan parkeerplaatsen, groen of parkeergarages), valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.1 De voorgenomen woningbouwontwikkeling, inclusief de daarbij behorende infrastructuur en groenvoorzieningen is dan ook aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V bij het Ob. In kolom 2 staan geen drempelwaarden. Dit betekent dat er geen gevallen zijn waarbij een stedelijk ontwikkelingsproject gelet op het lijstenstelsel direct project-m.e.r.-plichtig is. Uit kolom 3 volgt vervolgens dat wanneer sprake is van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, het besluit dat is opgenomen in kolom 4, project-m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Nu het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2
1 Stb. 2018, 290, p. 403.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
(gedeeltelijk) bij recht voorziet in het stedelijk ontwikkelingsproject is dit omgevingsplan project-m.e.r.beoordelingsplichtig.2 Tussenconclusie: het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 is project-m.e.r.-beoordelingsplichtig.
2.2
Het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 is plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig
Er bestaan twee afzonderlijke wettelijke grondslagen op grond waarvan een omgevingsplan plan-m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn. Deze zijn opgenomen in artikel 16.36, lid 1 en lid 2, van de Ow. Op grond van lid 1 is sprake van een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht als het omgevingsplan het kader vormt voor projectm.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten als bedoeld in artikel 16.43 lid 1 van de Ow. Dit betreft de plan-m.e.r.(beoordelings)plicht vanwege kaderstelling. Daarnaast geldt op grond van lid 2 van artikel 16.36 van de Ow een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht als voor het omgevingsplan op grond van artikel 16.53c van de Ow een passende beoordeling moet worden gemaakt. Zoals volgt uit paragraaf 2.1 is voor wat betreft het stedelijk ontwikkelingsproject het omgevingsplan al project-m.e.r.-beoordelingsplichtig, nu het plan deels bij recht voorziet in het stedelijk ontwikkelingsproject. Uit rechtspraak (zie voetnoot 2) volgt dat er dan voor wat betreft kaderstelling geen plan-m.e.r.(beoordelings)plicht aan de orde is. In dit geval is voor het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 echter wel een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 16.53c van de Ow vastgesteld. In het rapport waarin de effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld, is namelijk rekening gehouden met een interne salderingsmaatregel. Meer concreet de beëindiging van de bemesting op ca.
1,57 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied. Dit betreft een mitigerende maatregel, waardoor het onderzoek naar de effecten van stikstofdepositie een passende beoordeling is.3 In zoverre geldt er een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Dit betekent echter niet dat altijd een plan-mer moet worden vervaardigd en een uitgebreide plan-m.e.r.procedure moet worden doorlopen. Van een directe plan-m.e.r.-plicht is namelijk géén sprake wanneer een (succesvol) beroep kan worden gedaan op een van de uitzonderingen zoals neergelegd in artikel 16.36 lid 3 van de Ow. In dit geval kan een beroep worden gedaan op de uitzondering dat sprake is een plan ‘dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau’ (artikel 16.36 lid 3 Ow). Om te kunnen spreken van een plan ‘dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau’ moet het gaan om een gebied dat qua omvang in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is (artikel 11.6 lid 3 Ob). De uitspraak van de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, maakt duidelijk dat volgens de Afdeling in ieder geval sprake is van een 'klein gebied', indien het plan betrekking heeft op een grondgebied van 1% van het grondgebied van de betrokken gemeente. Zie ook AbRS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183 (Hattem).
Het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 heeft betrekking op een gebied dat een omvang kent van veel minder dan 1% van het gemeentelijke grondgebied. De oppervlakte van de gemeente Dinkelland is 176.810.000 m2. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 31.671 m2. Dit is ongeveer 0,018% van de oppervlakte van de gemeente Dinkelland. Dus ruim minder dan 1%. Daarmee is de voorziene wijziging van het omgevingsplan een plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau. Tussenconclusie: het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 is plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig.
2
Uit rechtspraak volgt dat als het plan als eerste bij recht voorziet (in een deel van) het betreffende stedelijk ontwikkelingsproject, het plan voor wat betreft de categorie stedelijk ontwikkelingsproject uitsluitend projectm.e.r.-beoordelingsplichtig is en niet ook plan-m.e.r.-(beoordelings)plichtig vanwege kaderstelling. Zie AbRS 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2641, r.o. 2.4.2.1 t/m 2.4.2.4 (Bangert en Oosterpolder), AbRS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1208, r.o. 9.3 en AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1763, r.o. 70.5. Relevant, nu het TAMomgevingsplan Rossum Noord 2 een zogenaamd gemengd plan betreft, ook gelet op artikel 11.6 lid 3 jo. artikel 11.8 lid 3 van het Ob. Uit deze artikelen volgt dat de omgevingsvergunning onder voorwaarden het projectmer-beoordelingsplichtige besluit kan zijn in het geval in kolom 4 verwezen wordt naar het ‘omgevingsplan’. 3 AbRS 16 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
2.3
Inhoud en doel van de project- en plan-m.e.r.-beoordeling
In de project-m.e.r.-beoordeling moet getoetst worden aan de relevante criteria uit bijlage III van de merrichtlijn.4 Dat volgt uit artikel 16.43 lid 3 Omgevingswet. In de plan-m.e.r.-beoordeling moet voor het oordeel of het omgevingsplan aanzienlijke milieueffecten heeft, rekening gehouden worden met de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn.5 Dit volgt uit artikel 16.36 lid 5 Omgevingswet. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn bij een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden vergelijkbaar zijn met de criteria uit bijlage III bij de mer-richtlijn. Zie expliciet ABRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054 (Texel), r.o. 15.11 en ABRS 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9187. Qua inhoud is een plan-m.e.r.-beoordeling dan ook niets anders dan de uit te voeren project-m.e.r.-beoordeling. Dit betekent dat wanneer uit een toetsing aan en na een integrale afweging van de criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden, er ook in de toetsing aan bijlage II van de smb-richtlijn geconcludeerd kan worden, dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Er hoeft dan geen project-milieueffectrapport, maar ook geen planmilieueffectrapport te worden opgesteld.
Inhoudelijk wordt voor de vraag of aanzienlijke milieueffecten optreden, in het vervolg van deze m.e.r.beoordeling dan ook getoetst aan en vindt er een integrale afweging plaats aan de hand van de relevante criteria uit bijlage III bij de mer-richtlijn. Die benoemt drie hoofdthema’s met bijbehorende selectiecriteria die in een m.e.r.-beoordeling opgenomen moeten worden: • • •
Kenmerken van het project; Locatie van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); Soort en kenmerken van de potentiële nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben.
4 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de
milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26). 5 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de
beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG 2001, L 197).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
3.
KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT
Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt ten noorden van de uitbreidingswijk Rossum Noord aan de noordzijde van de kern van Rossum. Op dit moment is het plangebied agrarisch in gebruik. Het voornemen is om 28 nieuwe woningen te realiseren en een deel over te laten aan de markt. In onderstaande afbeelding is een situatietekening opgenomen van de gewenste situatie ter plaatse van het plangebied. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het volgende woningbouwprogramma: • • • •
4 vrijstaande woningen; 10 twee-aaneen-gebouwde woningen; 14 rijwoningen; ter plaatse van het deel wat aan de markt wordt overgelaten is het aannemelijk dat er maximaal 8 boven-beneden woningen gerealiseerd kunnen worden.
Afbeelding 1
Stedenbouwkundig plan (Bron: Gemeente Dinkelland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
De woningen worden door middel van twee aan te leggen ontsluitingswegen ontsloten op de Reuvenkamp en de Hooimaat. Langs de randen en centraal in het plangebied is ruimte voor groen in combinatie met voorzieningen voor de waterberging. Aan de west- en noordzijde is tevens een watergang voorzien. Op diverse plekken in het openbaar gebied zijn parkeerplaatsen voorzien. Het geheel wordt landschappelijk ingepast zoals weergegeven in het groenplan in afbeelding 2.
Afbeelding 2
Uitsnede groenplan (Bron: Gemeente Dinkelland)
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zullen elektriciteit en water nodig zijn. De productie van afvalstoffen betreffen de ‘huishoudelijke’ afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. De afvalstoffen zullen conform de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd.
Verontreiniging en hinder Tijdens de aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het plangebied. Vanwege de ligging is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Zoals in hoofdstuk 3 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
4.
LOCATIE VAN HET VOORGENOMEN PROJECT
Dit hoofdstuk gaat in op de locatie van voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied ligt in het noordwesten van de kern Rossum, ten noorden van de woonwijk Rossum-Noord. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, WSL02, sectie Q, nummer 1087 (deels). In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied (rode contour) binnen de kern Rossum en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied). Ook ligt het plangebied niet in een Natura 2000-gebied, maar op enige afstand daarvan. De afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek bedraagt ca. 1,2 kilometer. Overige Natura 2000-gebieden, zoals het Natura 2000-gebied Lemselermaten en het Natura 2000gebied Landgoederen Oldenzaal zijn gelegen op een veel grotere afstand (ca. 2,5 km respectievelijk 3,2 km). Ten slotte ligt het plangebied niet in een waterbeschermingsgebied of anderszins beschermd gebied.
Afbeelding 3
Ligging van het plangebied binnen de kern Rossum en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: plattekaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
5.
BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN
Voor de gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen project relevant. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per functie. Functie/activiteit
Verkeersgeneratie per woning
Aantal woningen
Totaal
Vrijstaand
8,2
4
32,8
Twee-onder-één-kap
7,8
10
78
Tussenwoning of rijwoning
7,4
14
103,6
Appartement <100m2
5,6
8
44,8
Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal
259,2
Op basis van de genoemde uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie voor de beoogde woningen 260 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Voor de woningen worden twee ontsluitingswegen aangelegd. Deze zullen op de Hooimaat en de Reuvenkamp worden ontsloten. Gesteld wordt dat de nieuwe ontsluitingswegen en de direct omliggende infrastructuur de extra verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier kunnen opvangen en verwerken. Conclusie Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘verkeer’ wordt op ‘neutraal’ ingeschaald.
Geluid In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen, gezoneerd industrieterrein of solitaire bedrijvigheid die de geluidgevoelige woningen kunnen hinderen. Het plangebied ligt op circa 150 meter van de Reimerweg. De Reimerweg is deels een 30 km/u weg en gaat over in een 60 km/u weg. Het plangebied valt hiermee binnen een geluidaandachtsgebied. De overige in de nabije omgeving aanwezige wegen betreffen 30 km/uur wegen. Ten aanzien van de Reimerweg wordt opgemerkt dat deze weg primair worden gebruikt door bestemmingsverkeer van de aan deze weg gelegen erven. Er is sprake van een beperkte verkeersintensiteit. Gelet op het vorenstaande en de afstand tot het plangebied kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
geluidsbelasting afkomstig van de voorgenoemde weg dermate beperkt is dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden op de gevels van de beoogde woningen. Ten aanzien van de 30 km/uur wegen geldt dat uit jurisprudentie blijkt dat 30 km/uur wegen in de beoordeling moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze wegen een geluidbelasting veroorzaken die hoger ligt dan de standaardwaarde (53 Lden). Ook ten aanzien van de omliggende 30 km/uur wegen geldt dat deze wegen primair worden gebruikt door bestemmingsverkeer (hoofdzakelijk personenauto's). Er is sprake van een beperkte verkeersintensiteit. Gelet op het vorenstaande kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de geluidsbelasting afkomstig van de 30 km/uur wegen dermate beperkt is dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden op basis van het Bkl op de gevels van de beoogde woningen. Ook kan worden aangenomen dat er voldaan kan worden aan de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) uit het gemeentelijk geluidbeleid. Ten aanzien van de bestaande woningen is een onderzoek uitgevoerd naar de indirecte akoestische effecten als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling 6. In dit onderzoek is het heersende geluid door wegen vanwege het wegverkeer in beeld gebracht en vergeleken met het toekomstige geluid door wegen na realisatie van de woningen.
De uitkomsten zijn getoetst aan de normen van de Omgevingswet. Deze Wet hanteert een standaardwaarde van 53 dB en een criterium van 1,5 dB om te bepalen of een geluidsverandering significant is of niet. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen langs de aan- en afvoerwegen in de huidige situatie varieert tussen de 36 en 46 dB in L den. Het geluid door wegen verschilt per woning en is onder andere afhankelijk van de ligging/afstand ten opzichte van de weg en de verkeersintensiteit op het nabijgelegen wegvak. Op iedere woning wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting na realisatie van de woningen maar beperkt stijgt. Op geen van de woningen wordt in de toekomstige situatie de standaardwaarde van 53 dB L den overschreden. Conclusie Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘geluid’ wordt op ‘neutraal’ ingeschaald.
Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
6 BJZ.nu, Onderzoek indirecte akoestische effecten Rossum Noord 2, Rossum, maart 2026
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Beoordeling Gelet op de aard en de omvang van de voorgenomen ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit is neutraal.
Geur In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. De afstand tussen de agrarische bedrijven aan de Haarstraat en de woningen van Rossum Noord 2 bedraagt meer dan 100 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Omliggende agrarische bedrijven worden niet door de woningbouwontwikkeling beperkt in hun bedrijfsvoering. Daarnaast is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘geur’ wordt op ‘neutraal’ ingeschaald.
Water In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld 7. In het waterhuishoudkundig plan is de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart gebracht. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar verschillende wadi’s binnen het plangebied. Een deel van de straten wordt hiervoor voorzien van molgoten. In combinatie met de plantontwikkeling van fase 3 worden de wadi’s welke bij de eerdere ontwikkeling van Rossum noord (fase 1) zijn aangelegd, aangepast en uitgebreid. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 9.750 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (37 mm) is binnen het plangebied 360 m 3 bergingscapaciteit benodigd. In verband met de slechte doorlatendheid van de (onverzadigde) bodem en de kleilagen aan de oostzijde van het plangebied, wordt aanbevolen drainage aan te leggen onder de infiltratiemiddelen en kleilagen te doorbreken.
7 Geofoxx, Waterhuishoudkundig plan (incl. geohydrologisch onderzoek), projectgebied Rossum Noord 2, november 2024
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Centraal in het plangebied is een afwateringsloot gelegen. Deze sloot wordt omgeleid langs de west- en noordzijde van het plangebied. Er zijn voldoende mogelijkheden om de sloot onder vrij verval te laten afstromen op de Rossumerbeek. Vanuit de wadi’s wordt eveneens een overstort gerealiseerd op de Rossumerbeek, welke in werking treedt op moment dat de wadi’s gevuld zijn. Conclusie Het effect van het voorgenomen project op het aspect ‘water’ wordt op ‘neutraal’ ingeschaald.
Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld als speciale beschermingszone op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek bedraagt ca. 1,2 kilometer. Overige Natura 2000-gebieden, zoals het Natura 2000-gebied Lemselermaten en het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal zijn gelegen op een veel grotere afstand (ca. 2,5 km respectievelijk 3,2 km). Een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan (daargelaten de ADC-toets) alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Voor het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 is een passende beoordeling opgesteld. Beoordeling Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’ en ligt op circa 1,2 kilometer afstand. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen zijn AERIUS berekeningen uitgevoerd door BJZ.nu8. Daarnaast is door Tuitert Natuuronderzoek een Passende beoordeling opgesteld. 9 Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies uit de Passende beoordeling ingegaan. Voor het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek is geconcludeerd dat reeds gelet op de afstand op voorhand kan worden uitgesloten dat het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 (significante) gevolgen kan hebben vanwege alle andere verstoringsaspecten, dan stikstof. Gelet op de afstand en de resultaten uit het Stikstofrapport kunnen significante effecten op voorhand ook worden uitgesloten op alle andere Natura 2000-gebieden. Reden waarom uitsluitend op het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek het aspect stikstof in de passende beoordeling nog nader is beoordeeld.
Uit de stikstofberekeningen volgt dat het plan op zichzelf beschouwd, zonder rekening te houden met interne saldering als mitigerende maatregel, een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar tot gevolg heeft op enkele hexagonen (maximaal 3,66 ha stikstofgevoelige habitats) aan de rand van het Natura 2000gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Uit de ecologische beoordeling opgenomen in paragraaf 5.2 van de Passende beoordeling volgt (onder meer) dat een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op alleen de rand van het Natura 2000-gebied (maximaal 3,66 ha kwalificerende habitats) niet zal leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende kwalificerende habitats. 8 BJZ.nu, AERIUS-berekening Rossum Noord 2, Rossum, mei 2026 9 Tuitert Natuuronderzoek, Passende beoordeling Rossum Noord 2, mei 2026
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Evenmin leidt deze zeer geringe toename tot wijzigingen in de beheeropgave en het uitvoeren van herstelmaatregelen. De berekende stikstofdepositie is te gering om enig effect te hebben op de overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebied van) soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. De maximaal berekende toename van 0,01 mol N/ha/jaar, ook gelet op het zeer beperkte effectgebied, is dan ook dermate gering dat significante gevolgen op voorhand niet op kunnen treden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Hoewel daarmee ook verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek door het TAM-omgevingsplan niet worden aangetast, is zekerheidshalve (nu sprake is van een zeer gering berekend planeffect) in dit rapport aanvullend nog rekening gehouden met de beëindiging van de bemesting van ca. 1,57 ha agrarische gronden in het plangebied. De beëindiging van de bemesting is als interne salderingsmaatregel (dus als mitigerende maatregel) betrokken in deze passende beoordeling. Uit de stikstof-verschilberekeningen van het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 ten opzichte van het gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie (intern salderen met beëindiging bemesting) volgt, dat per saldo nergens sprake is van een toename van stikstofdepositie.
Op geen enkel stikstofgevoelig habitattype wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat geldt voor zowel de aanlegfase, als voor de gebruiksfase. Verder is in hoofdstuk 7 geconcludeerd en onderbouwd dat het additionaliteitsvereiste (gelet op de uitgevoerde vergewisplicht) niet in de weg staat aan de inzet van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel in de passende beoordeling. Daarom kan de interne saldering ook als mitigerende maatregel in deze gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling worden betrokken. Conclusie: gelet op een ecologische beoordeling van het planeffect als gelet op interne saldering worden de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek door het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 met zekerheid niet aangetast. Dit betekent ook dat er ook in zoverre geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Het plangebied ligt verder niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Dit betekent dat er ook in zoverre geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.
De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling Om de effecten van voorliggende ontwikkeling in kaart te brengen, is een quickscan flora en fauna10 uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren.
10 Natuurbank Overijssel, Quickscan natuurwaardenonderzoek Rossum-Noord 2, Rossum, februari 2026
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Met uitzondering van steenuil en veldspitsmuis, kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden overeenkomstig wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het effect op de nestplaats van steenuilen en veldspitsmuizen niet bepaald worden. Om de wettelijke consequenties voor beschermde soorten volledig in beeld te brengen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de betekenis van het plangebied voor steenuilen en veldspitsmuizen. Conclusies van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • • •
Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor steenuil; Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor veldspitsmuis.
Conclusie Omdat niet uitgesloten kan worden dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot aantasting van het functionele leefgebied van steenuil en veldspitsmuis, is nader onderzoek nodig. Omdat het hier om diersoorten gaat waarvoor in de regel een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit kan worden verkregen, staat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van ecologie is licht negatief.
Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In dit geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die (belangrijke) milieueffecten met zich meebrengen, waarbij sprake is van een overlap van effectgebieden. In zoverre zijn cumulatieve effecten niet aan de orde. Bovendien treden er door het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 – gelet op te treffen mitigerende maatregelen – geen stikstofdepositie effecten op, zodat ook in zoverre van cumulatieve effecten geen sprake kan zijn. Daarbij zij gewezen op de passende beoordeling, waarin als mitigerende maatregel rekening is gehouden met de beëindiging van de bemesting op ca. 1,57 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied. Per saldo is op geen enkel Natura 2000-gebied sprake van een stikstofdepositietoename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
6.
CONCLUSIE
Het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2, dat voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject en waarvoor een passende beoordeling is opgesteld, is project- en plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig. Uit een integrale beoordeling van de milieueffecten gelet op het voorliggende plan en de selectiecriteria uit bijlage III m.e.r.-richtlijn (in onderlinge samenhang beschouwd) concluderen wij dat het voorgenomen TAMOmgevingsplan Rossum Noord 2 niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Het opstellen van een projectmilieueffectrapportage is daarom niet noodzakelijk. Uit deze inhoudelijk beoordeling volgt tevens, nu sprake is van een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden, dat gelet op de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn er eveneens geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Ook een plan-milieueffectrapportage is daarom niet aan de orde. In deze beoordeling is rekening gehouden met de volgende mitigerende maatregelen: -
de beëindiging van de bemesting op ca. 1,57 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15