CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30.pdf

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 14: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Rossum, Grotestraat 30”27.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Bestemmingsplan

Rossum, Grotestraat 30

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld november 2023 NL.IMRO.1774.ROSBPGROTESTR30-VG01

Rossum, Grotestraat 30

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 10 11 11

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 15

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

19 19 20 27

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering

31 31 32

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

33 34 34 36 37 38 40 41 42

Geur Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

45 45 45

Hoofdstuk 6

49

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

51 51 51

Bijlagen bij toelichting

53

Bijlage 1

Bodemonderzoek

54

Bijlage 2

Quickscan natuurwaarden

109

Bijlage 3

Digitale watertoets

142

2

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Regels

149

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

151 151 158

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Wonen

159 159

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

163 163 164 165 166 168

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

169 169 170

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

3

4

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

5

RAADSBESLUIT

Toelichting

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

7

8

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de locatie Grotestraat 30 in Rossum is een woningbouwplan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen een woningbouwplan van 5 woningen realiseren. Het betreffen twee vrijstaande woningen en 3 senioren/levensloopbestendige woningen. Het plangebied bevindt in de bebouwde kom van de kern Rossum en is onderdeel van het perceel van een bestaande woning. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit het perceel van de woonperceel van de bestaande woning Grotestraat 30 in Rossum. Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de kern. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie F, perceelsnummer 2294. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven (rode ster).

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Topotijdreis.nl) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied te zien is. Het plangebied is nog onderdeel van het woonperceel van de woning Grotestraat 30 in Rossum. Deze woning blijft behouden, heeft een woonbestemming en wordt meegenomen in het plangebied voor een logische begrenzing van het plan. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied. bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

9

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOKviewer)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Grotestraat 30 in Rossum geldt het bestemmingsplan 'Rossum' (vastgesteld op 18-9-2012). Daarnaast geldt voor het plangebied het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland" en "Paraplubestemmignsplan kernen gemeente Dinkelland". In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Rossum' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt uitoefening van aan huis verbonden beroeps-of bedrijfsactiviteit, speelvoorzieningen, wegen en paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare 10

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen. In de regels is bepaald dat het bestaande aantal woningen niet mag worden vermeerderd, uitgezonderd het genoemde aantal dat ter plaatse is opgenomen. Een hoofdgebouw mag uitsluiten binnen een bouwvlak worden gebouwd. Het perceel kent één bouwvlak waarbinnen de bestaande woning is gerealiseerd en op de verbeelding is geen aanduiding opgenomen voor een maximum aantal wooneenheden. Dat betekent dat er maximaal één woning op het perceel is toegestaan. Het Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland regelt dat er in voldoende parkeergelegenheid op eigen moet worden voorzien voor de ontwikkeling. Het paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland is een plan die herziet op onder andere het opnemen van begrip 'wonen', deregulering van de planregels, uitsluiten kamerverhuur, vastleggen aantallen woningen in centrum en gemengde bestemmingen, opnemen algemene gebruiksregels, regeling lichtmasten op sportvelden, parkeerregeling. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om 5 extra woningen te realiseren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Rossum, Grotestraat 30' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.ROSBPGROTESTR30-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

11

12

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is er aan de Grotestraat 30 in Rossum een woonperceel waarop een vrijstaande woning staat. De woning bevindt zich op de hoek van de Grotestraat en het Pierikspad. Het perceel heeft een oppervlakte van 3.135 m². Op het perceel bevinden zich een woning met enkele kleinere bijgbouwen, de rest van het perceel is ingericht als tuin bij de woning. In de nabije omgeving bevinden zich woningen, detailhandel (winkelpand, doehetzelfzaak) langs de Grotestraat en aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich eveneens enkele woningen. Tot slot liggen ten noordoosten van het plangebied meerdere bedrijfspercelen. De Grotestraat is één van de ontsluitingswegen van Rossum. Het Pierikspad is een doodlopende weg voor motorvoertuigen die enkle bedrijfspercelen en enkele aanliggende woningen ontsluit. Beide wegen vallen binnen het regime waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. In figuur 2.1 is een luchtfoto waarop de bestaande situatie is te zien en het plangebied rood omkaderd is weergegeven.

Figuur 2.1: huidige situatie Grotestraat 30 Rossum (bron: GoogleMaps) In figuur 2.2 zijn foto's opgenomen van het straatbeeld vanaf de Grotestraat in de richting van het plangebied. De woning links op de foto is de bestaande woning op perceel Grotestraat 30. Deze blijft behouden.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

13

Figuur 2.2: Straatbeeld Grotestraat (bron: GoogleStreetView)

In figuur 2.3 zijn foto's van het straatbeeld vanaf het Pierikspad te zien. Op de foto aan de rechterzijde zijn nog bijgebouwen van de te behouden woning te zien en links een garagebox die aangebouwd is aan de supermarkt. Op de onderste foto is een foto te zien vanaf het Pierikspad richting de Grotestraat. Het plangebied ligt achter de bomenrij en de watergang.

14

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Figuur 2.3: Straatbeeld vanaf Pierikspad (bron: GoogleStreetView)

2.2 Toekomstige situatie Het perceel heeft een oppervlakte van 3.135 m². De bestaande vrijstaande woning blijft behouden. Tussen deze woning en de doehetzelfzaak aan de Grotestraat is voldoende ruimte voor het realiseren van een vrijstaande woning. Aan de achterzijde van de bestaande woning langs het Pierikspad is ruimte voor 3 levensloopbestendige woningen. Woningen die alle functies op de begane grond hebben en daarmee geschikt zijn voor senioren. Aan de zuidoostzijde van het perceel is er ruimte voor een tweede vrijstaande woning die een eigen ontsluitingsweggetje krijgt. Alle vijf nieuwe woningen zijn levensloopgeschikt te realiseren. In figuur 2.4 is een schets te zien van de toekomstige situatie.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

15

Figuur 2.3: Toekomstige situatie (bron: Building Design Architectuur) In figuur 2.4 is een impressie gegeven van de te realiseren vrijstaande woning aan de Grotestraat. De bestaande woningen aan de Grotestraat in de directe omgeving, bestaan uit vrijstaande woningen. De nieuwe woning past qua structuur en korrelgrootte daarmee in het bestaande straatbeeld. Aan de zijde van de doehetzelfzaak krijgt de woning een hogere goot. Deze sluit aan bij naastgelegen hoogte van de bedrijfswoning. Aan de zijde van de bestaande woning krijgt de nieuwe woning een lagere goot, hetgeen aansluit bij de goothoogte aan de voorzijde van deze bestaande woning.

16

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Figuur 2.4: Impressie vrijstaande woning Grotestraat (bron Building Design Architectuur) Van de vrijstaande woning aan de zuidoostzijde van het perceel zijn nog geen impressies beschikbaar, echter wel referentiebeelden waarmee een globaal beeld kan worden geschetst van hoe deze woning er uit gaat zien. De woning kan levensloopgeschikt worden gerealiseerd en zal een lage goot krijgen, zodat er stedenbouwkundig gezien aansluiting is bij de omliggende woningen.

Figuur 2.5: Referentiebeelden vrijstaande woning (bron: Building Design Architectuur) Langs het Pierikpad zijn, zoals aangegeven, drie levensloopbestendige rijwoningen beoogd, die geschikt zijn voor senioren. Deze woningen bestaan uit één bouwlaag met een volledig woonprogramma op de begane grond. De verdieping is geen volledige bouwlaag, maar biedt ruimte als bergingszolder. In figuur 2.6 is een impressie te zien van de voorgevel van deze drie woningen. bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

17

Figuur 2.6: Impressie voorgevel drie levensloopbestendige woningen (bron: Building Design Architectuur) De gevels van de vijf woningen zullen bestaan uit baksteen in aardekleuren en/of houten delen in naturel of zwart. De kozijnen, ramen en deuren zijn gemaakt van hout en variëren van gebroken wit tot antraciet. Dit geldt eveneens voor de boeien en windveren. Als dakbedekking wordt gekozen voor een keramische dakpan bij de hellende daken in antraciet/zwart. De goten worden getimmerd en bestaan uit de kleuren gebroken wit tot antraciet. Deze kleuren zijn voor de woning aan de zuidoostzijde nog niet bepaald.

18

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot.

De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van vijf nieuwe woningen. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de paragrafen 3.2.3 en 3.3.2 wordt de realisatie van de nieuwe woningen getoetst aan het provinciale beleid en aan de woonvisie van de gemeente Dinkelland. Daarin wordt aangetoond dat het past binnen het provinciale en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

19

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan Dit bestemmingsplan maakt het realiseren van 5 extra woningen (levensloopbestendig) mogelijk, op het perceel Grotestraat 5 in Rossum, binnen de bebouwde kom. Uit jurisprudentie is voor woningbouw duidelijk geworden welke aantallen wel en welke aantallen woningen niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gezien. Uit jurisprudentie blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid, aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Daarom is artikel 3.1.6 tweede lid Bro ook niet van toepasing. Wel geldt op grond van deze uitspraak dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan goede ruimtelijke ordening en dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. In de toelichting wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze ontwikkeling, waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening en eveneens wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

20

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

21

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 2.1.2 Principe van concentratie lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Doorwerking voor voorliggend plan: De bouw van de woningen voorziet in de lokale behoefte en wordt gebouwd voor de juiste doelgroep. Het betreft 3 levensloopbestendige woningen die geschikt zijn voor ouderen en daarnaast twee vrijstaande woningen, die eveneens levensloopgeschikt kunnen worden gerealiseerd. Op de lokale behoefte wordt in paragraaf 3.3 nader ingegaan.

Het betreft hier de bouw van woningen op een inbreidingslocatie, die reeds een woonbestemming heeft. Gelet op de vorenstaande wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het provinciale beleidsprincipe van concentratie. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Het planvoornemen past in de structuur en het straatbeeld rondom de locatie. Het gemeentelijk kwaliteitsteam 22

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

heeft aangegeven dat de stedenbouwkunidge inrichting passend is. artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen Lid 1 Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo) voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. lid 4 De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming Doorwerking voor voorliggend plan: Er worden in deze ontwikkeling 5 extra woningen gerealiseerd. Deze woningen passen binnen de aantallen die op basis van de lokale behoefte voor Rossum beschikbaar zijn. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.

Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied behoort binnen de Omgevingsvisie Overijssel tot het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken': Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

23

Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Toets Voorliggende ontwikkeling betreft het mogelijk maken van vijf (levensloopbestendige) woningen binnen bestaand stedelijk gebied. De plannen van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor andere functies in de omgeving. Het initiatief is passend in het ontwikkelperspectief

Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag kent aan het gebied de kenmerken 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes' aan het gebied toe ' (zie figuur 3.3).

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Een kenmerk van de 'Dekzandvlakte en ruggen' is dat ze een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie beslaan. In grote delen bleef er een reliëfrijk zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschilllen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Ontwikkelingen dienen bij te dragen aan beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogtverschillen en watersysteem. De kenmerken van de 'Beekdalen en natte laagtes' is dat het een dynamisch landschap betreft, open karakter met hogere randen. Bij ontwikkelingen in of directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water.

24

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Toets In het gedeelte van het plangebied dat zich bevindt binnen het kenmerk van de "Dekzandvlakte en ruggen" is het reliëf niet meer zichtbaar. De gronden zijn in gebruik als onderdeel van het woonperceel Grotestraat 30. Nabij het plangebied bevindt zich een watergang. De ontwikkeling van de woningen raakt deze watergang niet, deze blijft behouden. Voor de woningen geldt dat het hemelwater zal worden opgevangen op eigen terrein en waar mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Het plan heeft dan ook geen negatieve invloed op de kenmerken uit de 'natuurlijke laag'. Een beschermde regeling opnemen in het bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent aan het plangebied het kenmerk 'Essenlandschap' toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, -voormalige- heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest- heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen steeds de lange ‘luie’ lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Toets Het plangebied ligt in het bestaand bebouwd gebied en is onderdeel van een woonperceel. De kenmerken van het essenlandschap zijn ter plaatse niet meer herkenbaar. De bouw van de vijf woningen zal geen afbreuk doen aan de kenmerken die bij dit type landschap behoren.

Het plan heeft dan ook geen negatieve invloed op de kenmerken uit de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap'. Een beschermde regeling opnemen in het bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk. bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

25

Stedelijke laag In de stedelijke laag ligt het plangebied binnen het kenmerk 'Woonwijken 1955-nu', dit is weergegeven in figuur 3.5.

Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De "Woonwijken 1955 - nu" kenmerken zich als planmatig opgezette uitbreidingswijken. Er is sprake van tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. De tijdsgeest van de bouwperiode is af te lezen in de stedenbouwkundige structuur en architectuur. Ontwikkelingen moeten zich voegen in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. Toets Bij de opzet van de stedenbouwkundige verkaveling is aangesloten bij de bestaande bebouwing. De woning aan de Grotestraat is een vrijstaande woning, zoals de meete woningen in de straat. De drie levensloopbestendige woningen bevinden zich aan een doodlopende weg waar aan zich aan de overzijde een groter volume bevindt, waardoor deze aan elkaar gebouwde woningen daar bij passen. De lage bebouwing is passend ten opzichte van de nabij gelegen bebouwing. De andere vrijstaande woning wordt gerealiseerd op een kavel waar voldoende ruimte is voor een vrijstaande woning en krijgt een eigen toegangsweggetje. Dat geeft ook ruimte naast de bestaande bomenrij en passend ten opzichte van de oostelijk gelegen woningen. Laag van de beleving In de laag van de beleving bevindt het plangebied zich in het gebied met het kenmerk 'donkerte'.

In figuur 3.6 is een fragment van de kaart te zien.

26

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Figuur 3.6: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Toets De donkere gebieden zijn de gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Bij ontwikkelingen dient er aandacht te zijn voor vermindering van lichthinder en onnodige uitstraling naar boven. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bebouwde kom, op een deel van woonperceel van een bestaande woning. De nieuwe woningen zullen meer licht met zich meebrengen, maar niet meer dan noodzakelijk is en gezien het feit dat ze omgeven zijn door bestaande (woon)bebouwing zal deze ontwikkeling geen lichthinder opleven en passend zijn in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkere gebieden. Het plangebied ligt aan de Grotestraat binnen de bebouwde kom van Rossum. Deze straat heeft is voorzien van straatverlichting, waardoor van echte donkerte geen sprake is. Daarnaast worden voor het realiseren van, per saldo, vijf nieuwe woningen geen grote lichtbronnen in het plangebied gerealiseerd die kunnen leiden tot negatieve effecten voor de 'donkerte'.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

MijnOmgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van Dinkelland heeft MijnOmgevingsvisie Dinkelland vastgesteld op Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en de samenleving willen sturen. Wat er behouden moet worden, wat er versterkt moet worden en wat er ontwikkeld moet worden. bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

27

MijnOmgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. De kernprincipes zijn manieren van werken, werkwijzen die altijd gelden. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; de gemeente met haar inwoners, instellingen en ondernemers; We geven het goede voorbeeld; wat we belangrijk vinden, laten we zien in de praktijk; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt; We wentelen geen problemen af op volgende generaties. In figuur 3.7 is een fragment van de Waardenkaart weergegeven met daarop de planlocatie met een zwarte cirkel aangeduid.

Figuur 3.7: Fragment Waardenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Uit figuur 3.7 is af te leiden dat het plangebied valt binnen de landschapsstructuur 'Landelijke kernen'. De waarden hiervoor zijn: kernen met kleinschalige bebouwing verbonden met het buitengebied; rafelige, afwisselende dorpsranden; een groene omgeving; aanwezigheid van ontmoetingsplekken; in veel kernenmet een kerk als belangrijkste gebouw in het dorpssilhouet; tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig. Bij ontwikkelingen wordt ingespeeld op het kleinschalige bebouwings-beeld, aanwezigheid van en zicht op groen, behoud van (zicht op) de kerk, ontmoetingsmogelijkheden, verbinding en toegankelijkheid van het buitengebied en omliggende landschap en de afwisselende dorpsrand. In de Omgevingsvisie zijn verschillende thema's en speerpunten opgenomen. Voor deze ontwikkeling is 'leefbare kernen' van belang met daarin het speerpunt 'aantrekkelijk wonen'. Bij dit speerpunt geeft de gemeente aan dat ze willen dat het aantal en het soort woningen in de kern past bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Het is belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.

Tevens willen ze graag binnen de grenzen van een kern bouwen, in de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of waarvan de bestaande functie vervalt. Daarbij moet het soort woningen passen binnen de woonvisie. Huidige knelpunten zijn betaalbare woningen voor starters en woningen voor senioren. Deze planontwikkeling betreft het realiseren van 5 woningen binnen de bebouwde kom van Rossum. Het gaat om woningen die levensloopbestendig kunnen worden uitgevoerd. De rij van drie woningen betreffen kleinere kavels en daarnaast twee kavels voor vrijstaande woningen. De woningen passen in het straatbeeld en in de 28

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

karakteristiek van Rossum. De woningen sluiten aan bij de de behoefte aan woningen in Rossum. In paragraaf 3.3.3. is hierop een uitgebreidere toelichting gegeven. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet in strijd is met de uitgangspunten uit de gemeentelijke omgevingsvisie. 3.3.2

Nota Inbreidingslocatie 2020

De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 19 januari 2021 de beleidsnota Inbreidingslocaties 2020 vastgesteld. Deze Nota inbreidingslocatie 2020 biedt een kader voor beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Hierin zijn de uitgangspunten aangegeven en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. Het moet gaan om locaties binnen de bebouwde kom en gebouwd worden op structuurversterkende plekken. Onder structuurversterkende plekken wordt verstaan: Plekken die: a. binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en b. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en c. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: 1. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of 2. het oplossen van leegstand; of 3. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of 4. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of 5. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; of 6.

het (her)ontwikkelen van een lege plek die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies in paragraaf 3.2 van deze beleidsnota. Locaties met beeldbepalend groen/bos zijn uitgesloten. Daarnaast gelden er nog overige stedenbouwkundige voorwaarden: aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; kavel(s) moeten grenzen aan de openbare weg; samenhang met de omgeving; woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast. Toets De beoogde woningbouw vindt plaats binnen de bebouwde kom en binnen bestaand bebouwd gebied. De gronden zijn onderdeel van een woonperceel en hebben reeds een woonbestemming. De percelen worden rechtstreeks ontsloten op bestaande wegen en zijn daarmee goed bereikbaar. Het kwaliteitsteam is betrokken bij de totstandkoming van voorliggend ontwerp om onder andere de stedenbouwkundige inpassing te beoordelen. Het kwaliteitsteam heeft een positief advies gegeven. Aangegeven is dat er sprake is van aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur en samenhang met de omgeving, aansluiting van de kavels op de openbare weg. De omliggende woonmilieus worden niet aangetast door het toevoegen van de 5 woningen. 3.3.3

Woonvisie 2021+

De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 5 juli 2021 de Woonvisie Dinkelland 2021+ vastgesteld. Deze visie is de opvolger van de Woonvisie 2016+ en vormt een actueel beleidskader om goed wonen in de gemeente te bevorderen. Onderdeel van de Woonvisie is een kwaliteitskader die richting geeft aan de woningbehoefte per doelgroep en per kern. In de visie wordt ingezet om de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom te realiseren. Dit is ook vastgelegd in de Nota Inbreidingslocaties (2020). Zoals gezegd is er in het Kwaliteitskader per kern en per doelgroep de woningbehoefte weergegeven. In de kern bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

29

Rossum is er behoefte aan betaalbare grondgebonden woningen, zowel huur als koop. Voor gezinnen/doorstromers ligt er kwantitatief een beperkte opgave, wel een kwalitatieve opgave omdat een deel van de voorraad verouderd is. De doelgroep senioren groeit het sterkt de komende jaren. Er is behoefte aan levensloopgeschikte woningen, in beperkte mate naar appartementen. Toets In de woningbouwopgave is voor de grotere kernen (Denekamp, Ootmarsum, Weerselo) een gezamenljke behoefte van 275 woningen tot 2025 en 120 woningen voor de overige kernen. Het geplande aantal woningen past binnen de behoefte. Gelet op het ontwerp worden verschillende doelgroepen bediend. Alle vijf woningen kunnen levensloopgeschikt worden gebouwd. De kleinere kavels met geschakelde woningen zijn met name geschikt voor de seniorendoelgroep en vallen in de betaalbare categorie (tot € 275.000). De twee kavels voor vrijstaande woningen bieden de aansluiting bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van de omgeving. Deze zijn geschikt voor doorstromers. 3.3.4

Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving; 2. Midden omgeving; 3. Bijzondere omgeving. Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst.

Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Toets Bij toetsing aan het welsstandsbeleid valt de planlocatie in de 'middenomgeving' in de bebouwde kom. Omdat het grotere bouwwerken betreft, zal de toetsing plaatsvinden door de stadsbouwmeester. In de nota zijn de criteria aangegeven. Voor de situatie/algemeen geldt dat de verschijningsvorm de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing in de directe omgeving dient te ondersteunen. Een gebouw dient bij te dragen aan de specifieke kwaliteit (identiteit) van het gebied. Voor de hoofdmassa geldt dat deze helder moet zijn vormgegeven en passend (qua maat en schaal) moet zijn bij de bebouwing in de omgeving. Tevens zijn er criteria voor architectuurstijl en gevelcompositie, detaillering en materiaal en kleurgebruik opgenomen in deze Nota. De nieuwe woning aan de Grotestraat is qua korrelgrootte passend is in de directe omgeving. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de hoogtes van de naastliggende bebouwing. De drie rijwoningen bestaan uit één bouwlaag met een bergingszolder die langs het Pierikspad passend zijn, een meer open en groene ontsluiting, waarbij geen massale bebouwing past.

Bij de (verdere) uitwerking van de bouwplannen zal daarmee rekening worden gehouden. Geconcludeerd kan worden dat deze woningbouwontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.

30

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.

Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Het plan betreft het realiseren van 5 woningen in bestaand bebouwd gebied. De oppervlakte van het plangebied is 3.135 m³, dat is inclusief het perceel van de woning Grotestraat 30 die behouden blijft. De planontwikkeling is beschreven in hoofdstuk 2. Het plangebied mag op basis van het geldende bestemmingsplan reeds worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken (niet zijnde hoofdgebouwen). Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 11 maart 2020 (ECL:NL:RVS:2020:729) over een project van 12 woningen, gezien dat het in bestaand bebouwd gebied ligt en het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is, kan dit plan niet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Kijkend naar de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879).

In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van 5 woningen op gronden die reeds bestemd zijn voor de functie wonen, kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Bij deze conclusie is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing relatief beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een relatief beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel, op gronden die reeds bestemd zijn voor wonen. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

31

een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven. Deze worden gemeten vanaf de bedrijfsbestemming tot de woning.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt in de kern van Rossum en is omgeven door woningen, detailhandel aan de noord- en de zuidzijde en bedrijven aan de noordoostzijde. Deze mengeling van functies, maakt dat het gebied kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. Bij de toetsing is rekening gehouden met de afstanden die horen bij 'gemengd gebied'. In het kader van dit bestemmingsplan is gekeken naar de functies in de omgeving van het plangebied. Daarbij worden twee vragen gesteld: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste woonfunctie betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, als gevolg van dit plan, is dan ook geen sprake. 32

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

Interne werking Bij de interne werking gaat het er met name om of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een doe-het-zelf zaak (detailhandel). Binnen de VNG-brochure is er een categorie 'bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten' waarvoor een richtafstand geldt 10 m van de grens van de detailhandelsbestemming tot de gevel van de woning. De betreffende doe-het-zelf-zaak betreft een kleinschalige zaak, geen grote bouwmarkt met bijbehorende parkeervoorzieningen. In het ontwerp is rekening gehouden met deze richtafstand en zijn de beide vrijstaande woningen gepland op 10 m afstand. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich aan de andere zijde van het Pierikspad detailhandel. Voor detailhandel geldt een richtafstand van minimaal 0 meter. De daadwerkelijke afstand is circa 14 meter tussen de grens van de bestemming en de gevel van de woningen. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Daar hoort een richtafstand bij van minimaal 10 meter. Op dit bedrijventerrein is momenteel een aannemersbedrijf (Pierikspad 3a) gevestigd die valt onder categorie 3.1, waar een richtafstand bij hoort van 30 meter in 'gemengd gebied'.

Het bedrijventerrein bevindt zich op een afstand van minimaal 50 meter (gemeten vanaf de grens van de bedrijfsbestemming tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning ) en dus op voldoende afstand. Ten westen van het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijf, Reimersweg 2, dat betreft een rundveebedrijf. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Onder paragraaf 4.3 wordt hierop ingegaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor dit plan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets Buiten de kern Rossum bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied enkele agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gevestigd aan de Reimerweg 2. Ter plaatse is een grondgebonden veehouderij toegestaan. De afstand tussen het bijbehorende agrarische bouwvlak en het plangebied bedraagt circa 140 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de afstand van 100 meter op basis van de Wgv, zoals hierboven weergegeven. Gelet op vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Omliggende veehouderijen worden daarnaast ten gevolge van dit bestemmingsplan niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

bestemmingsplan Rossum, Grotestraat 30

33

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek (d.d. 25 oktober 2022, projectcode 22054510) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie Bijlage 1 Bodemonderzoek).

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er in een schuur een bovengrondse vat met huisbrandolie (HBO) heeft gestaan. Deze voormalige bovengrondse HBO-opslag wordt als verdachte deellocatie (deellocatie A) beschouwd. Het overige deel van het te onderzoeken terrein wordt als onverdacht beschouwd. In totaal zijn er 15 boringen verricht, waarvan er 5 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese “verdachte locatie” ter plekke van de voormalige bovengrondse dieselolietank kan worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- en de streefwaarden zijn aangetoond Conclusies en aanbevelingen uit de rapportage In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele licht verhoogde gehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek. In de ondergrond (OG I) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. De voormalige bovengrondse HBO-opslag heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen verkoop, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen). Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/830/documents/21878