CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp.pdf

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp”19.515 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Bestemmingsplan

Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPGRVENALL8EN10VG01

Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 9 10

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

11 11 14

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

17 17 18 24

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem

31 31 32 34 34

4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

35 36 37 38 40 40 42

Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

43 43 43

Hoofdstuk 6

47

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

49 49 49

bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Watertoets

51 52

Regels

57

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

59 59 63

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

65

2

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Artikel 3

Wonen

65

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

69 69 70 71 72 73

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

75 75 76

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

3

4

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

5

6

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de percelen aan de Gravenallee 8 en 10 in Denekamp is een plan ontwikkeld. De bestaande woningen zijn zodanig bestemd dat deze enkel bewoond mogen worden door iemand die een relatie heeft met het Klooster Sint Nicolaas. De initiatiefnemer wenst de woningen echter te laten bewonen, zonder dat er een binding is met het klooster. Tevens is initiatiefnemer voornemens om een bed & breakfast te vestigen op het perceel, in een vrijstaand bijgebouw op het perceel. Middels voorliggende herziening van het bestemmingsplan worden de percelen voorzien van een passende juridische-planologische regeling, zodat reguliere bewoning van de woningen (zonder binding met het klooster) mogelijk wordt.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied ligt aan de Gravenallee 8 en 10 op het kloosterterrein van Sint Nicolaas in Denekamp. De afstand tot de kern Denekamp bedraagt circa 500 meter. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie M perceelsnummers 1493, 1546 en 1547. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven met rode cirkel.

Figuur 1.1: ligging plangebied (bron: PDOK) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In deze figuur is een luchtfoto weergegeven waarop het plangebied te zien is. Het plangebied bevindt zich op het kloosterterrein Sint Nicolaas. Aan de voorzijde wordt het plangebied begrensd door de weg Gravenallee en aan de andere zijden wordt het plangebied begrensd door maatschappelijke functies (zorg en religie (klooster). Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de toegangsweg naar de bebouwing van Gravenallee 12. Buiten het kloosterterrein zijn er met name agrarische gronden aanwezig (zuidzijde plangebied). Zie de verbeelding behorende bij het voorliggende bestemmingsplan voor de exacte begrenzing van het plangebied.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

7

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOK)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de percelen aan de Gravenallee 8 en 10 te Denekamp is het bestemmingsplan 'Klooster St. Nicolaas' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 16 september 2010 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld en is onherroepelijk in werking. Figuur 1.3 toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

8

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan 'St. Nicolaas' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend met de functieaanduiding 'wonen'. De functieaanduiding komt overeen met het bouwvlak. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor': - gezondheidszorg, indien de gronden zijn aangeduid met 'gezondheidszorg'; met de daarbijbehorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en bos, waterlopen en waterpartijen, retentie- en infiltratievoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, nutsvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De aanduiding 'wonen' geeft aan dat op de percelen een woning behorend bij het klooster zijn toegestaan. De percelen Gravenallee 8 en 10 hebben beide deze aanduiding. De aanduiding houdt in dat de woningen enkel bewoond mogen worden door mensen die een binding hebben met het klooster. Het voornemen van initiatiefnemer is de woningen te kunnen laten bewonen zonder dat er sprake is van binding met het klooster. Daarnaast is ook het voornemen om een bed & breakfast uit te oefenen op het perceel, evenals een beroep aan huis. Het geldende bestemmingsplan biedt hiervoor echter geen mogelijkheden. Om dit mogelijk te maken is een herziening van een bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPGRVENALL8EN10-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

9

Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

10

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen binnen het terrein van de St. Nicolaasstichting in Denekamp, het terrein van de Zusters Franciscanessen. Het terrein is grofweg in drie gebieden op te delen: het kloostergebied, het zorggebied en het multifunctionele/ondersteunende gebied. In figuur 2.1 is dit weergegeven.

Figuur 2.1: deelgebieden terrein klooster (bron: pdok.nl) Het plangebied van de percelen aan de Gravenallee 8 en 10 maakt onderdeel uit van het kloostergebied. In de huidige situatie zijn er twee vrijstaande woningen, met bijgebouwen en tuinen aanwezig. Eerstgenoemde woning is gebouwd in 1955. Laatstgenoemde woning is van oudere datum en is gebouwd in 1916. De percelen hebben een oppervlakte van 1020 m2 (Gravenallee 8) en 1530 m2 (Gravenallee 10) en hebben, net zoals het gehele gebied rondom de woningen, een groene uitstraling. De inhoud van de woning Gravenallee 10 is circa 1095 m3. Gravenallee 10 betreft een monument. Het woonhuis is in het begin van de 20e eeuw gebouwd als rectoraat onder de architect Rigter. Het woonhuis is een goed voorbeeld van een villa die met name vanwege de oorspronkelijke functie ook van cultuurhistorisch belang is. Het pand is beeldbepalend gesitueerd tegenover de ingang van het kloostercomplex/het Gravenhuis. Het Gravenhuis betreft eveneens een monument. Parkeren geschiedt op eigen terrein van de woningen. Beide woningen worden door middel van een eigen in- en uitrit ontsloten op de Gravenallee, een rechte laan die door bomen wordt begeleid. De Gravenallee betreft een doodlopende weg met een lengte van circa 700 meter en een maximumsnelheidsregime van 30 km/u. De weg is alleen toegestaan voor bestemmingsverkeer en aanwonenden.

De Gravenallee sluit aan op de Lattropperstraat. Direct ten oosten van de woonpercelen is het perceel en de bebouwing van verpleeghuis Gravenstate (onderdeel van zorggroep Sint Maarten) gelegen. In figuur 2.2 is een luchtfoto van het terrein opgenomen waarin de verschillende functies op het terrein zijn weergegeven. In figuur 2.3, 2.4 en 2.5 is een vooraanzicht van de twee woningen opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

11

Figuur 2.2: huidig aanzicht vanuit de lucht plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Figuur 2.3: zicht op de woningen en het Gravenhuis vanaf de Gravenallee (bron: Google Maps)

12

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Figuur 2.4: vooraanzicht woning Gravenallee 8 Denekamp (bron: Streetview, Google Maps)

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

13

Figuur 2.5: vooraanzicht woning Gravenallee 10 Denekamp (bron: Streetview, Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie Het plan heeft betrekking op de omzetting van de woningen in reguliere woningen, zonder binding aan het klooster. De maatschappelijke bestemming met aanduiding 'wonen' wordt daarvoor gewijzigd in een reguliere woonbestemming. Zoals reeds beschreven in hoofdstuk 1 wordt met deze wijziging mogelijk gemaakt dat de huidige woningen aan de Gravenallee 8 en 10 door derden, die geen binding met het achterliggende klooster hebben, is toegestaan. Daarnaast is het gewenst om een beroep aan huis of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit te kunnen oefenen. Conform de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Dinkelland zijn deze activiteiten toegestaan en als zodanig in de regels opgenomen. Tevens is er de wens om een bed en breakfast te vestigen op het perceel Gravenallee 10. Dit zal plaatsvinden in een bestaand vrijstaand bijgebouw op het perceel (omgevingsvergunning verleend). Het betreft een bijgebouw van 100 m2, met een maximale hoogte van circa 6,8 meter en een goothoogte van 3,5 meter. Het nieuwe bijgebouw is weergegeven in figuur 2.6 en 2.7.

Figuur 2.6: situering nieuw bijgebouw (bron: Bouwblok)

Figuur 2.7: impressie nieuw bijgebouw (bron: Bouwblok) In paragraaf 3.3 wordt de vestiging van de bed en breakfast nader getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid. De vestiging van een bed en breakfast in het vrijstaande bijgebouw is in dit bestemmingsplan 14

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

15

16

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling mogelijk. Het plan heeft betrekking op een functiewijziging; een maatschappelijke functie waarbij wonen is toegestaan wordt in het kader van deze functie omgezet naar een reguliere woonbestemming. Hoewel wonen al een toegestane functie is volgens het geldende planologische regime, kunnen de huidige woningen alleen door personen worden bewoond die een binding hebben met het klooster.

Met de beoogde bestemmingswijziging kunnen de woningen ook bewoond worden door derden, die geen binding hebben met het klooster. Omdat er sprake is van een functiewijziging en gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing in een bestaande bebouwde omgeving, is er sprake van een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Voorliggende ontwikkeling ontwikkeling past derhalve binnen de prioriteiten van de NOVI/is daarmee niet in strijd. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

17

door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Beoordeeld is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavig bestemmingsplan maakt een functiewijziging mogelijk, waarbij slechts beperkt extra bebouwing mogelijk wordt gemaakt (middels wijzigingsbevoegdheid). Op basis van vaste jurisprudentie is er onder meer sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als: er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd (ABRvS 16 september 2015 / ABRvS 25 maart 2015); bij bedrijvigheid/kantoor uitbreidingen groter dan 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016). Geacht wordt dat de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling - gezien zijn aard en de kleinschalige toename van bebouwing binnen een bestaande concentratie van bebouwing- niet aangemerkt wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het toetsen van de ontwikkeling aan de ladder voor duuzame verstedelijking kan hierdoor achterwege blijven. Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, dient gemotiveerd te worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Dit wordt in de navolgende hoofdstukken nader gemotiveerd.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. 18

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

19

instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een functiewijziging van bebouwing op bestaande erven, waarbij wonen ten behoeve van het klooster wordt omgezet in regulier wonen. Er wordt geen extra beslag gelegd op de Groene Omgeving.

Hiermee voldoet het plan aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, zoals bepaald in artikel 2.1.3 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting van bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: De in dit bestemmingsplan besproken ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, aangezien in het plangebied nagenoeg feitelijk geen wijzigingen zullen plaatsvinden. De functiewijziging van wonen ten behoeve van het klooster in regulier wonen geeft zorgt niet voor wijzigingen op het erf of de omgeving. Verderop in deze paragraaf wordt nader ingegaan op de gebiedskenmerken. Daaruit blijkt ook dat het plan geen afbreuk doet aan de gebiedskenmerken. Geacht wordt hiermee dat voorliggend plan voldoet aan artikel 2.1.5 van de omgevingsverordening van provincie Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Hoewel het plangebied zich binnen bevindt, ligt het plangebied volgens de ontwikkelingsperspectievenkaart in de Omgevingsvisie Overijssel binnen de groene omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

20

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) In het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' staat de ambitie 'voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop'. Hiernaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel continu en beleefbaar watersysteem Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaant de provincie hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier; bijdrage aan de energietransitie; natuuropgaven; klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie; en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.

Het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). In de huidige situatie is wonen reeds mogelijk en betreffen het milieugevoelige functies ten opzichte van de omgeving. Omliggende agrarische bedrijven dienen voor zover nodig al rekening te houden met de woonfuncties. De plannen van de initiatiefnemers doen derhalve geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen (extra) belemmeringen op voor agrarische bedrijven in de omgeving. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

21

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Doorwerking voor voorliggend plan: het plangebied is gelegen in een gebied waar reeds een concentratie van verschillende bebouwing aanwezig is. Aangezien het plan alleen een wijziging van het gebruik van bestaande bebouwing en bijbehorende gronden te wijzigen naar regulier wonen inhoudt, heeft dit geen invloed op de gebiedskenmerken. Het plan doet geen afbreuk aan de kenmerken van de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Essenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 22

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, vormalige heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Doorwerking voor voorliggend plan: Voor de laag van het agrarische cultuurlandschap zijn er vanwege dezelfde motivatie als bij de natuurlijke laag geen belemmeringen. Stedelijke laag Volgens de kaart van de Omgevingsvisie Overijssel zijn er voor de Stedelijke laag geen kenmerken zichtbaar. Laag van de beleving De laag van de beleving kent het kenmerk 'Donkerte' aan het gebied toe. In figuur 3.5 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

Figuur 3.5: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Doorwerking voor voorliggend plan: Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen grootschalige lichtbronnen gerealiseerd, met uitzondering van de noodzakelijke lichtbronnen. Het plan doet geen afbreuk aan de kenmerken van deze laag. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

23

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. Toets

Figuur 3.6: uitsnede Waardenkaart gemeente Dinkelland (bron: waardenkaartdinkelland) Volgens de waardenkaart van de gemeente Dinkelland bevindt het plangebied (zie rode ster) zich binnen het lichtgroene gebied. Dit zijn landschappelijk minder waardevolle landschappen, waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. In het lichtgroene landschap dient volgens de Waardenkaart ingespeeld te worden op: de schaal van het landschap; het agrarische karakter; gemengde functies; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; opgeruimd landschap; geclusterde bebouwing; heldere structuren; verbeteren van de biodiversiteit; vasthouden van water. Voorliggend plan voor wijziging van het gebruik van de percelen in regulier wonen en het mogelijk maken van extra bijbehorende bouwwerken middels een wijzigingsbevoegdheid doet geen afbreuk aan de waarden zoals genoemd in de Omgevingsvisie. Bij de uitwerking van het bouwplan voor het bijgebouw wordt rekening gehouden met de bestaande bebouwing, de structuur zoals deze nu aanwezig is binnen het gebied en met de monumentale waarde van de woning Gravenallee 10.

24

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Conclusie Gelet op het vorenstaande zijn er vanuit de Omgevingsvisie geen belemmeringen voor uitvoering van het bestemmingsplan. 3.3.2

Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland

Wonen is een belangrijk thema voor de inwoners van de gemeente Dinkelland. Om ervoor te zorgen dat er ook op termijn voldoende woningen in alle segmenten én in alle kernen blijft, wordt om de 4 jaar de gemeentelijke Woonvisie opgesteld. Eind 2020 liep de Woonvisie 2016+ ten einde. De Woonvisie 2021+ is de opvolger van de in 2016 door de raad vastgestelde Woonvisie 2016+ en is gebaseerd op de nieuwe cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. De Woonvisie 2021+ is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. De nieuwe woonvisie biedt een goed kwantitatief en kwalitatief kader voor de woningbouwontwikkeling in de gemeente Dinkelland en dient als basis voor de prestatieafspraken met de corporatie. De trends en behoeften op het gebied van wonen zijn in diverse bijeenkomsten besproken met woningmarktpartners: ondernemers, belangenorganisatites, zorginstellingen en inhoudelijk deskundigen zoals makelaars, projectontwikkelaars, woningcorporaties en kernraden.

De woonvisie gaat over: woningbouw om te voorzien in de vraag; zowel kwantitatief als kwalitatief en op de juiste plaats; voldoende en passende huurwoningen in de zin van betaalbaarheid en kwaliteit; het verbeteren van de bestaande voorraad zowel qua duurzaamheid als levensloopgeschiktheid; voorzien in de toenemende vraag naar wonen met zorg in de verschillende gradaties; voorzien in de verschillende woonbehoeftes als huisvesting van arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. De provincie heeft in de Regionale Woonagenda Twente aangegeven meer te sturen op kwaliteit, waarbij aangegeven wordt dat onderbouwd moet worden dat dit past binnen de onderbouwde lokale behoefte. In het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (bouwen voor concrete behoefte) is het noodzakelijk ook te sturen op kwantiteit. Er is een bandbreedte van de toekomstige woningbehoefte tot 2030 berekend op basis van diverse prognosemodellen. Voor de komende jaren wordt uitgegaan van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie wordt uitgegaan van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar er wordt tevens rekening gehouden met instroom van vestigers.

Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Dinkelland kan worden gebouwd. Derhalve zal het woningbouwprogrammer per kern in meerdere en kleinere plannen worden weggezet, waardoor goed kan worden bijgestuurd als dat nodig blijkt. In kwalitatieve zin ligt de nadruk op woningen voor starters en ouderen, zowel in het betaalbare als middensegment. Op basis van in de woonvisie onderbouwde toekomstige woonbehoefte is een verdeling gemaakt. Om flexibel in te kunnen spelen op de vraag is de verdeling zoals ook reeds in het uitvoeringsprogramma opgenomen gehandhaafd - grote kernen, kleine kernen, buitengebied, en knelpunten transformatie. Tot slot bevat de Woonvisie 2021+ een Kwaliteitskader om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern. Toets Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe/extra woningen gerealiseerd. De bestaande woningen worden herbestemd tot reguliere woningen.

Er wordt geen aanspraak gedaan op de wooncontingenten van de gemeente Dinkelland. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit plan in lijn is met het verwoorde beleid in de Woonvisie 2021+.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

25

3.3.3

Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'

De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.7) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Figuur 3.7: Fragment casco-kaart (bron: gemeente Dinkelland/Cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Daaruit volgen drie mogelijkheden op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Volgens bovenstaande cascokaart behoren de groenstructuren (laan met bomen) aan de voorzijde van plangebied tot het casco. Dit gedeelte casco behoort niet tot het plangebied. Daarnaast is in het zuidelijk gedeelte van het plangebied een gedeelte casco gelegen. Op dit gedeelte van het perceel (Gravenallee 8) vinden geen wijzigingen plaats in het kader van het bestemmingsplan die gevolgen hebben voor het casco. De bestaande structuur en elementen blijven gehandhaafd. Het bestaande casco blijft gehandhaafd en er worden geen elementen verwijderd in het kader van uitvoering van het plan.

Conclusie Gelet op het vorenstaande doet voorliggend plan geen afbreuk aan het casco.

26

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

3.3.4

Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor:

Toets In figuur 3.8 is een uitsnede opgenomen van de kaart Omgevingskwaliteit gemeente Dinkelland en Tubbergen. Het plangebied is indicatief middels een rode ster aangegeven. Het plangebied ligt net buiten de kern Denekamp, tussen Denekamp en Noord-Deurningen. Volgens de kaart Omgevingskwaliteit kent het gebied waarin het plangebied is gelegen, een midden niveau. Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

27

Figuur 3.8: Fragment Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 3.3.5

Nota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018

De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben in 2014 een gezamenlijke beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente” opgesteld. Met de gezamenlijke nota voor Noordoost Twente in 2014 zijn de ruimtelijke kaders in heel Noordoost Twente grotendeels gelijk getrokken en is het beleid in de vier gemeenten op elkaar afgestemd. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. De vier Noordoost Twentse gemeenten hebben samen met de sector (Koninklijke Horeca Nederland en de Recron) een verdiepingsslag gemaakt met het onderzoek ‘Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente. Onderzoek naar de vitaliteit van de sector’ (juni 2015). De uitkomsten van deze verdiepingsslag zijn verwerkt in deze nota. Met de beleidsnota beschikken de vier NOT-gemeenten over een actueel beleidskader, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. Doel van de nota is kaders weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen.

Het gaat dan om verschillende vormen van kamperen, bed & breakfast, plattelandskamers, vakantieparken en recreatiewoningen, hotel etc. Er zijn richtlijnen per vorm van verblijfsrecreatie opgesteld. Voor bed & breakfast zijn de volgende richtlijnen opgenomen: - Het gehele jaar toegestaan. - Het moet gaan om recreatief nachtverblijf. - De bed & breakfast is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie. - Alleen in bestaande bebouwing met een maximum aantal slaapplaatsen van 8.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

- Bed & breakfast is gekoppeld aan de woonfunctie, dat betekent dat mede gebruik wordt gemaakt van keuken en sanitair van de woning. Bij gebruik van een vrijstaand bijgebouw kan sanitair in het gebouw wel worden toegestaan. Eigen kookgelegenheid is niet toegestaan. - Kamers bij voorkeur in het hoofdgebouw of daarmee verbonden aan/uitbouwen. Realisatie in een vrijstaand bijgebouw is eveneens mogelijk indien er sprake is van een bestaand bijgebouw. - Parkeerdruk in de openbare ruimte mag niet toenemen door realisatie van een B&B. Toets Initiatiefnemer is voornemens om een kleinschalige bed & breakfast uit te oefenen op het perceel Gravenallee 10, in een bestaand vrijstaand bijgebouw op het perceel. Er worden enkele kamers (maximaal 2 is het plan) hiervoor gerealiseerd in een bestaand vrijstaand bijgebouw. Er wordt derhalve voldaan aan het maximum van 8 slaapplaatsen en de bed en breakfast betreft een kleinschalige en ondergeschikte functie. De ruimten in de woning worden in het geheel gebruikt ten behoeve van de woonfunctie. Er is geen ruimte om op passende wijze een bed & breakfast in de woning te realiseren. Uitbreiding van de woning door middel van een aan- of uitbouw is stedenbouwkundig gezien en uit het oogpunt van het beschermen van de monumentale waarden van de woning niet gewenst.

Daarnaast is het bundelen van de functies bed & breakfast en kantoorruimte voor het beroep aan huis gewenst, dat beide dan plaatsvindt in het vrijstaande bijgebouw. Er wordt geen kookgelegenheid in het bijgebouw gerealiseerd. Wel wordt sanitaire ruimte in het vrijstaande bijgebouw gerealiseerd ten behoeve van de bed en breakfast. Het parkeren ten behoeve van de bed & breakfast vindt plaats op het erf, waar voldoende ruimte is voor parkeren. Vastgesteld wordt dat het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Nota verblijfsrecreatie.

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

29

30

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets/conclusie Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de functiewijziging van maatschappelijk naar wonen mogelijk gemaakt. Daarbij worden de bouwmogelijkheden voor de woning aan de Gravenallee 10 uitgebreid aangevuld, waarmee de bouw van grotere schuur van maximaal 200 m² mogelijk wordt.

Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is. De beoogde functiewijziging met de combinatie van de verruiming van de bouwmogelijkheden kan als activiteit het beste worden geschaard bij "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". Er geldt dan een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Voorliggend bestemmingsplan maakt mogelijk dat de huidige bestemming 'Maatschappelijk' en bijbehorende

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

31

aanduiding 'wonen' wordt gewijzigd naar 'Wonen', waarbij een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk wordt gemaakt (middels wijzigingsbevoegdheid). Gelet op de beoogde ontwikkeling kan deze qua aard en omvang aangemerkt worden als een kleinschalige ontwikkeling, waarbij geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefklimaat van omliggende functies. Daarbij wordt opgemerkt dat voorliggend plan geen extra beslag legt op ruimte, aangezien de beoogde schuur binnen bestaand bebouwd gebied gebouwd zal worden. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879).

In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan heeft betrekking op een functiewijziging van bebouwing waar wonen reeds is toegestaan. Gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 kan worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene extra bebouwing beperkt is. Al met al kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen binnen het type 'rustige woonwijk/buitengebied'. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In het voorliggende geval wordt de huidige bestemming 'Maatschappelijk' en bijbehorende functie wonen gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. Wonen vindt ook al in de huidige situatie plaats en de woningen blijven gehandhaafd op de bestaande locatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat wonen geen milieubelastende activiteit voor de omgeving betreft, waardoor geen sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Onder het geldende bestemmingsplan is wonen al toegestaan. Deze functie is gevoelig ten opzichte van de omgeving.

Ten opzichte van het klooster zijn de woningen in de huidige situatie niet gevoelig, omdat de woningen bij het klooster behoren. Wel dienen de woningen getoetst te worden ten opzichte van andere bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Dit geldt overigens ook reeds in de bestaande situatie. Volledigheidshalve wordt hieronder nader ingegaan op de verschillende functies in de omgeving in relatie tot de activiteiten. Terrein klooster Op de gronden waar het klooster gelegen is (Gravenhuis e.o.) is een klooster toegestaan. Voor het klooster kan een richtafstand van 30 meter worden aangehouden (overeenkomstig de categorie kerkgebouwen uit de VNG-publicatie). De afstand bedraagt circa 30 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Ondersteunende voorzieningen Huize Elisabeth (Gravenallee 11) en de bebouwing op Gravenallee 7 betreffen maatschappelijke voorzieningen. Hieronder wordt verstaan in het bestemmingsplan St. Nicolaas: het aanbod van ondersteunende faciliteiten ten behoeve van het klooster St. Nicolaas, Zorggroep St. Maarten en AveleijnSDT. Deze kunnen worden aangemerkt als vallend onder categorie 1, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. De afstand tussen de woningen en de percelen waar de maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan bedraagt circa 30 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan.

Agrarisch bedrijf (Gravenallee 23) Aan de Gravenallee 23 is een grondgebonden agrarisch bedrijf gelegen (met een bijbehorende bestemming). De afstand tot het plangebied bedraagt circa 180 meter. In de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering zijn richtafstanden ten aanzien van verschillende soorten dieren opgenomen. Aan de indicatieve afstanden voor stof, geluid en gevaar wordt in ieder geval voldaan, aangezien deze indicatieve afstanden nooit meer dan 50 meter bedragen. Wat betreft geur is specifieke wetgeving van kracht, de Wet geurhinder en veehouderij. Hierop wordt hierop nader ingegaan in paragraaf 4.3. Verzorgingshuis (Gravenallee 12) bestemmingsplan Buitengebied, Gravenallee 8-10 Denekamp

33

De perceelsgrenzen van de woonpercelen grenzen direct aan het ten oosten gelegen perceel van het verzorgingshuis. Op basis van de bestemming zijn de gronden bestemd voor gezondheidszorg. Gronden met deze functie kennen op grond van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' een milieucategorie van maximaal 2. Hierbij hoort een indicatieve afstand van 30 meter voor het aspect geluid. De fietsenstalling van het verzorgingshuis ligt tegen de perceelsgrens van Gravenallee 10 aan. De fietsenstalling betreft een ondergeschikte functie ten behoeve van het verpleeghuis die niet zorgt voor onevenredige hinder ten opzichte van de omgeving. De afstand tussen de grenzen van het perceel van het verpleeghuis en de gevels van de (bestaande) woning bedraagt minimaal 10 meter. De overige bebouwing (hoofdgebouw verzorgingshuis) ligt op minimaal 25 meter afstand van de gevels van de woningen. Ter plaatse van deze bebouwing zijn de activiteiten van het verpleeghuis geconcentreerd. In de huidige situatie zijn de bestaande woningen reeds als gevoelig object aan te merken ten opzichte van het verzorgingshuis. De afstanden worden door uitvoering van onderhavig bestemmingsplan niet kleiner. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/723/documents/20175