CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Z2025-03-0036 - D2025-07-000704 - Onderzoek flora en fauna_OS F_F P251028 Heldair II te Den-Helder.pdf.pdf

Raadscommissie Stadsontwikkeling en Beheer 26 januari 2026, gemeente Den HelderBij agendapunt: 4: Voorstel tot advies voor omgevingsvergunning energieopslagsysteem vlakbij Luchthavenweg 28T (Heldair II).7.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Heldair 2 te Den-Helder

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Heldair 2 te Den-Helder

Adres Telefoonnummer E-Mail Website

Harmenkaag 11 1741 LA Schagen 0224 75 12 75 natuur@smitgroenadvies.nl www.smitgroenadvies.nl

Opdrachtgever

Ecorus

Contactpersoon

Dhr. R Houtwipper

Postadres

Meeuwenlaan 100

Adres

1021 JL Amsterdam

Document

P251028

Status

Concept

Versie

1

Datum

6 juni 2025

Geldigheidsduur

Auteur Gecontroleerd door

3 jaar A.

Stubenitsky

J. Larooi

Disclaimer * Natuur is onvoorspelbaar. Het is mogelijk dat ondanks zorgvuldig onderzoek toch (zwaar) beschermde soorten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden. In dat geval heeft de uitvoerder een zorgplicht en is verantwoordelijk voor de verdere gang van zaken. In de wet is namelijk vastgelegd dat de wettelijke zorgplicht voor de aanwezige natuur gedurende het gehele plan-, uitvoerings- en beheertraject de verantwoordelijkheid is van de opdrachtgever. Bij twijfel of er (zwaar) beschermde soorten en/of vaste rust-, verblijf- en voortplantingsplaatsen voorkomen in het plangebied moet altijd nader onderzoek worden uitgevoerd. ** Voor het uitvoeren van het onderzoek gebruiken wij onder andere gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). NDFF ontwikkelt zich naar open data, met consequenties voor de invoer en het gebruik van NDFF-data. De data die wij verkrijgen met het uitvoeren van het onderzoek moeten wij op termijn delen met de NDFF. Deze data worden dan (deels) publiekelijk toegankelijk. U heeft met het accepteren van de offerte akkoord gegeven voor het delen van de verkregen onderzoeksgegevens.

Pagina 2 van 24

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

1 Samenvatting .......................................................................................................... 4 1.1

Conclusie.....................................................................................................................................................................................5

1.2

Advies ............................................................................................................................................................................................ 5

2 Aanleiding................................................................................................................. 7 2.1

Natuur onder de Omgevingswet ...............................................................................................................................7

2.2

Bevoegd gezag .......................................................................................................................................................................7

2.3

Plangebied en omgeving ................................................................................................................................................7

2.4

Leeswijzer .................................................................................................................................................................................. 8

3 Onderzoeksmethodiek ........................................................................................9 3.1

Bureaustudie........................................................................................................................................................................... 9

3.2

Veldbezoek ............................................................................................................................................................................... 9

3.3

Effectenanalyse ..................................................................................................................................................................... 9

4 Gebiedsbescherming ......................................................................................... 10 4.1

Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.............................................................. 10

4.2

Overige beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied ........................................... 13

5 Soortenbescherming .......................................................................................... 15 5.1

Vleermuizen ............................................................................................................................................................................ 15

5.2

Vogels .......................................................................................................................................................................................... 16

5.3

Amfibieën, vissen en reptielen ................................................................................................................................... 17

5.4

Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................................................18

5.5

Overige diersoorten ...........................................................................................................................................................18

5.6

Flora..............................................................................................................................................................................................18

5.7

Overige soorten .................................................................................................................................................................... 19

5.8

Houtopstanden .................................................................................................................................................................... 19

6 Literatuur ............................................................................................................... 20 Bijlage .......................................................................................................................... 21 Bijlage I | Wettelijk kader ..................................................................................................................................................................... 21 Bijlage II | Opbouw ecologische omgevingsscan .............................................................................................................. 23

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Hier staat beschreven welke gebieden met beschermingsstatus onder (mogelijke) invloed van de werkzaamheden kunnen liggen en welk advies hierover gegeven wordt. Ook worden de (mogelijke) soorten, die aanwezig zijn in of nabij het plangebied, benoemd met het bijbehorende advies (Tabel 1). Tabel 1 | Overzicht van de adviezen voortvloeiend uit de bevindingen tijdens deze omgevingsscan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de gebiedsbescherming en de soortenbescherming.

Zwaar beschermde, niet vrijgestelde soorten

Potentieel aanwezig binnen (of nabij) het plangebied

Biotoop

Advies

N2000-gebieden

Ja

Waddenzee.

Geen vervolgstappen.

Andere beschermde gebieden (NNN, bijzonder beschermd landschap en dergelijke). Vleermuizen verblijfplaats

Nee

N.v.t.

Geen vervolgstappen.

Nee

N.v.t.

Geen vervolgstappen.

foerageergebied

Ja

Watergangen.

Geen vervolgstappen.

vliegroute

Ja

Watergangen.

Geen vervolgstappen.

met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Rode Lijst-soorten

Ja

Agrarisch gebied (jachtgebied).

Ecologisch werkprotocol.

Ja

Agrarisch gebied (jachtgebied).

Ecologisch werkprotocol.

Ja

Algemene soorten

Ja

Agrarisch gebied (jachtgebied). Agrarisch gebied.

Beschermde soorten

Ja

Agrarisch gebied met watergang.

Rode Lijst-soorten Algemene soorten

Nee Ja

Beschermde soorten

Ja

N.v.t. Agrarisch gebied met watergang. Agrarisch gebied.

Ecologisch werkprotocol . Werken buiten het broedseizoen. Geen vervolgstappen i.v.m. vrijstelling soorten in de provincie Noord-Holland. Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen.

Rode Lijst-soorten Algemene soorten

Nee Ja

Beschermde soorten Rode Lijst-soorten Algemene soorten

Nee

N.v.t. Agrarisch gebied met watergang. N.v.t.

Nee Ja

N.v.t. N.v.t.

Vogels

Amfibieën, reptielen en vissen

Grondgebond en zoogdieren

Overige diersoorten

4

Geen vervolgstappen i.v.m. vrijstelling soorten in de provincie Noord-Holland. Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen.

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Flora

Overige soorten Houtopstanden

Zwaar beschermde soorten Rode Lijst-soorten Rode Lijst-soorten

Invasieve exoten

1.1

Nee

N.v.t.

Geen vervolgstappen.

Nee Nee

N.v.t. N.v.t.

Geen vervolgstappen. Geen vervolgstappen.

Nee

N.v.t.

Geen vervolgstappen.

Nee

N.v.t.

Geen vervolgstappen.

Conclusie

Negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op N2000-gebied Waddenzee niet uit te sluiten. De voorgenomen werkzaamheden zijn mogelijk in strijd met de Omgevingswet. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor zowel kleine als grote boom- en gebouwbewonende vleermuissoorten, waaronder de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis. Voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4), zoals de buizerd, ooievaar, sperwer en kerkuil, is het gebied geschikt als jachtgebied. Dit geldt tevens voor de blauwe reiger (categorie 5) en voor Rode lijstsoorten zoals de grauwe kiekendief en torenvalk, welke ook tot categorie 5 behoort. Voor soorten zonder jaarrond beschermd nest, zoals de grutto, kievit, tureluur, scholekster, wulp, slobeend, krakeend, wilde eend, gele kwikstaart, patrijs, kolgans, grauwe gans, brandgans, koperwiek, kramsvogel, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw kunnen het gebied gebruiken om te foerageren. Amfibieën, zoals de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, kunnen in het plangebied verblijven dankzij de nabijgelegen watergangen. Tot slot biedt het gebied ook nestel- en foerageermogelijkheden voor grondgebonden zoogdieren zoals de veldmuis, aardmuis, konijn, haas en huisspitsmuis.

Een overtreding op de Omgevingswet is niet uit te sluiten.

1.2

Advies

Voor de soortgroepen waar de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect op hebben, is een advies uitgebracht over de te nemen vervolgstappen. Eerst is gekeken naar alternatieve bevredigende oplossingen. Hier worden alternatieven voor de werkzaamheden aangeboden waardoor het negatieve effect op de soortgroepen wordt voorkomen. Indien alternatieve oplossing niet mogelijk is voor de voorgenomen werkzaamheden, zijn de te nemen vervolgstappen geadviseerd. 1.2.1 Alternatieve bevredigende oplossingen Een alternatieve bevredigende oplossing is niet mogelijk. De batterij wordt nabij het zonnepark geplaatst om directe koppeling met de opwekvoorziening mogelijk te maken. Dit minimaliseert energieverlies, voorkomt de noodzaak van extra infrastructuur en beperkt de ruimtelijke impact. Een alternatieve locatie zou leiden tot hogere kosten en mogelijk netcapaciteitsproblemen, waardoor de uitvoerbaarheid van het project wordt bemoeilijkt. 1.2.2 Vervolgstappen Om deze reden worden vervolgstappen geadviseerd. Er wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te laten stellen voor de volgende soorten: • Vogels: buizerd, ooievaar, sperwer, kerkuil, torenvalk en blauwe reiger. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden volgens dit ecologisch werkprotocol.

Het ecologisch werkprotocol dient opgesteld te worden door een ecologisch adviesbureau met voldoende vakinhoudelijke kennis van bovengenoemde soorten. Ten aanzien van vogelsoorten die mogelijk nesten hebben op het plangebied, zoals grutto, kievit, tureluur, scholekster, wulp, slobeend, krakeend, wilde eend, gele kwikstaart en patrijs geldt dat, op het moment dat er sprake is van een broedgeval, dat verstorende werkzaamheden dienen te worden uitgesteld totdat de jongen zijn uitgevlogen en het nest niet meer in gebruik is. Voor deze en andere algemeen beschermde broedvogelsoorten wordt er aangeraden om werkzaamheden waarbij broedplaatsen verstoord kunnen worden, zoals het snoeien van groen, buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. Voor het broedseizoen staat in de wet geen vaste periode. De looptijd verschilt per soort en varieert per jaar. Vogelsoorten zoals de blauwe reiger en de bosuil beginnen al in februari te broeden en bepaalde (zang)vogels broeden nog in augustus. Veel vogelsoorten broeden ongeveer 5

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

tussen 15 maart en 15 juli. Moerasvogels en andere watervogels broeden meestal tussen 1 april en 15 augustus. Nesten en eieren zijn gedurende de hele broedperiode wettelijk beschermd, vanaf het eerste takje, tot het uitvliegen van het laatste jong. In dit geval is een ecologische inspectie voorafgaand aan de werkzaamheden in plaats van werken buiten het broedseizoen niet uitvoerbaar, aangezien de batterij met zwaar materieel naar de beoogde locatie moet worden vervoerd. Het is niet mogelijk om de volledige transportroute voorafgaand aan de uitvoering grondig op ecologische aspecten te inspecteren zonder daarbij potentieel broedende faunasoorten te storen. Te allen tijde geldt de zorgplicht (Bijlage I). Wanneer gedurende het uitvoeren van de werkzaamheden een in het wild levende soort wordt aangetroffen in het plangebied, dienen de werkzaamheden onderbroken te worden en een ecologisch deskundige te worden ingeschakeld. Vervolgens kan de ecologisch deskundige de situatie beoordelen en gepaste vervolgstappen adviseren. Dit rapport is uitsluitend van toepassing op de in Hoofdstuk 2 beschreven werkzaamheden. Indien andere of aanvullende werkzaamheden worden uitgevoerd, kan niet worden gegarandeerd dat de conclusies en adviezen in dit rapport volledig en accuraat blijven. In dergelijke gevallen kan aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

De opstellers van dit rapport aanvaarden geen aansprakelijkheid voor gevolgen voortvloeiend uit werkzaamheden die buiten de reikwijdte van dit onderzoek vallen.

6

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Ecorus is voornemens verduurzamingswerkzaamheden uit te laten voeren aan Heldair II te DenHelder. De werkzaamheden bestaan uit: •

Het plaatsen van een batterij voor een zonnepark.

In opdracht van Ecorus is een Omgevingsscan Flora en Fauna uitgevoerd door Smit Ecologie. Hierbij zijn de werkzaamheden getoetst aan de Omgevingswet. Het doel van de Omgevingsscan is om te bepalen of soorten in het plangebied te verwachten zijn op basis van de huidige omstandigheden en eerdere waarnemingen. Ook wordt geëvalueerd of geplande werkzaamheden schade kunnen toebrengen aan (beschermde) planten- en diersoorten. Daarnaast worden de mogelijke negatieve effecten van de werkzaamheden op de omgeving getoetst aan de Omgevingswet, met speciale aandacht voor de impact op Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en BPL.

2.1

Natuur onder de Omgevingswet

Onder de Omgevingswet maakt natuur een deel uit van het bredere begrip fysieke leefomgeving. De wet is gericht op het in onderlinge samenhang: • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en; • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Deze doelen zijn leidend voor de uitvoering van de wet.

2.2

Bevoegd gezag

2.3

Plangebied en omgeving

Taken en bevoegdheden voor natuur liggen bij de Omgevingswet primair bij de provincies en soms bij het Rijk. De wet vereist dat provincies actieve maatregelen treffen voor de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle in Nederland van nature in het wild levende vogelsoorten. Gemeenten kunnen niet afwijken van de landelijke en provinciale natuurregels, maar spelen wel een aanvullende rol voor natuur.

Het plangebied betreft een agrarisch terrein gelegen aan de Kortevliet te Den Helder (Figuur 1). Langs en op het terrein lopen verschillende smalle watergangen. De omgeving bestaat uit agrarisch gebied met boerderijen. Het plangebied zelf wordt omringd door verschillende barrières zoals bebouwing van het bedrijventerrein Kooypunt en Airport Den Helder. Oostelijk van het plangebied op ongeveer 700 meter ligt de Rijksweg N250, oostelijk hiervan ligt het Noordhollandsch Kanaal en binnen 1,5 kilometer ten oosten ligt de Waddenzee. Direct ten westen loopt het spoor van NS. Het plangebied is niet opgenomen in het monumentenregister en behoort niet tot het beschermd stadsgezicht. 2.3.1 Toegankelijkheid Het gebied is vrij toegankelijk vanaf de openbare weg.

7

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Figuur 1 | Situering van het plangebied te Den-Helder.

Situering van het plangebied Legenda Toekomstig zonnepark Locatie batterij Locatie waar batterij komt

2.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 wordt een samenvatting van de aanbevelingen en conclusies behandeld. Op basis van welke (zwaar) beschermde soorten er mogelijk aanwezig zijn en de mogelijke effecten als gevolg van de werkzaamheden, volgt het advies. Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader en de projectomgeving. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksmethodiek beschreven. Er wordt ingegaan op het doel van het onderzoek en de gevolgde methode voor de bureaustudie en het veldonderzoek. In hoofdstuk 4 wordt de gebiedsbescherming behandeld. In hoofdstuk 5 wordt de soortenbescherming behandeld. Dit bestaat uit een verkennende bureaustudie en de resultaten uit een veldbezoek. Hier is gekeken naar de aanwezigheid van (zwaar) beschermde soorten en potentiële functies van het plangebied voor deze soorten. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken over de effecten van de werkzaamheden op de gebiedsbescherming en de soortenbescherming.

8

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Om eventuele strijdigheden met de Omgevingswet te kunnen aantonen, is een verkennende scan uitgevoerd van het plangebied en de directe omgeving (<1km). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het doel van het onderzoek en de gevolgde methode voor de bureaustudie en het veldonderzoek. Beschreven wordt welke middelen gebruikt zijn om te komen tot een advies ten aanzien van de geplande werkzaamheden. In bijlage II wordt de opbouw van een omgevingsscan flora en fauna nader behandeld.

3.1

Bureaustudie

Tijdens de bureaustudie is voor de gebiedsbescherming gekeken naar de omgeving van het plangebied en voor de soortbescherming naar de reeds bekende waarnemingen van flora en fauna. Voor gebiedsbescherming zijn natuurgebieden binnen een straal van 3 kilometer rondom het plangebied geanalyseerd. De afstand van deze gebieden tot het plangebied is vastgesteld om de mogelijke effecten van de werkzaamheden te kunnen inschatten. De gegevens voor de soortbescherming zijn afkomstig van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en Waarneming.nl. Voor de meeste soorten zijn waarnemingen uit de afgelopen vijf jaar (2020-2025) binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied meegenomen. Omdat kleine marterachtigen vanwege de verborgen leefwijze sporadisch worden waargenomen en zich over grote afstanden kunnen verspreiden, zijn voor deze soortgroep waarnemingen uit de afgelopen tien jaar (2015-2025) binnen een straal van 10 kilometer verzameld. Deze informatie dient als basis om tijdens het veldbezoek gerichter te kunnen beoordelen wat de potentie van het plangebied is.

3.2

Veldbezoek

Aanvullend op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd. Tijdens dit veldbezoek is de potentie van het plangebied voor soorten flora en fauna ingeschat. Om de potentie te bepalen is gekeken naar de verschillende gebruiksfuncties van het gebied voor flora en fauna. Per soort verschilt of de potentiële gebruiksfunctie essentieel is, dit wordt ingeschat tijdens het veldbezoek. Alle soorten die zijn waargenomen tijdens het veldbezoek, zijn genoteerd. Deze waarnemingen zijn niet volledig maar gebaseerd op een momentopname. Waarnemingen zijn gedaan met behulp van een verrekijker en foto’s zijn gemaakt met behulp van een mobiele telefoon. In tabel 2 staan de weersomstandigheden van het veldbezoek. Tabel 2 | Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek.

Datum

Uitgevoerd door

Tijdstip

Weersomstandigheden

23-05-2025

F. Goevaers

13:45 uur

12°C, bewolking 80%, droog, windrichting ZW, windkracht 3 Bft

3.3

Effectenanalyse

De effecten van de voorgenomen werkzaamheden zijn getoetst op de potentieel aanwezige gebruiksfuncties voor soorten en beschermde gebieden. Bij deze toetsing wordt gekeken of de werkzaamheden effect hebben op de gebruiksfuncties. De verstoring en/of vernietiging van de gebruiksfuncties vallen onder negatieve effecten. Deze effectenanalyse vormt de basis voor de adviezen over eventuele vervolgstappen.

9

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Tijdens de bureaustudie is gekeken naar de vraag of natuurgebieden in de omgeving van het plangebied voorkomen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de Natura 2000-gebieden en de overige beschermde gebieden. Hierbij wordt gekeken naar de afstand van deze gebieden tot het plangebied. Zo kan bepaald worden of de geplande werkzaamheden mogelijk invloed hebben op de natuurwaarden van de beide gebieden.

4.1

Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied

Het plangebied ligt op 1,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied Waddenzee, die onder de bescherming van de Omgevingswet valt (Figuur 2). Vanwege deze afstand is een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van doelsoorten en habitattypen, die in het kader van de Omgevingswet aangewezen zijn als gevolg van verstoring door geluid, licht en andere verstoringsfactoren, niet uit te sluiten. Door de voorgenomen werkzaamheden wordt geen mogelijk negatief effect verwacht op beschermde Natura-2000 gebieden door een (tijdelijke) toename van stikstofemissie, daarom hoeft er geen AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Figuur 2 | Natura 2000-gebieden nabij het plangebied te Den-Helder

Natura2000 nabij het plangebied Legenda Plangebied Natura2000

10

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

4.1.1 Habitattypen Het N2000-gebied Waddenzee is aangewezen voor vijftien habitattypen; • • • • • • • • • • • • • • •

H1110A - Permanent overstroomde zandbanken; H1130 – Estuaria; H1140A - Slik- en zandplaten; H1310A - Zilte pionierbegroeiingen; H1310B - Zilte pionierbegroeiingen; H1320 – Slijkgrasvelden; H1330A - Schorren en zilte graslanden; H1330B - Schorren en zilte graslanden; H2110 - Embryonale duinen; H2120 - Witte duinen; H2130A* - Grijze duinen kalkrijk; H2130B* - Grijze duinen kalkarm; H2160 – Duindoornstruwelen; H2170 – Kruipwilgstruwelen; H2190B - Vochtige duinvalleien.

Gezien de afstand van het plangebied tot het N2000-gebied en de aard van de werkzaamheden is een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen uit te sluiten. 4.1.2 Habitatrichtlijnsoorten Het N2000-gebied is aangewezen voor negen habitatrichtlijnsoorten: • • • • • • • • •

H1014 – Nauwe korfslak (Vertigo angustior); H1095 – Zeeprik (Petromyzon marinus); H1099 – Rivierprik (Lampetra fluviatilis); H1103 – Fint (Alosa fallax); H1340 – Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola); H1351 – Bruinvis (Phocoena phocoena); H1364 – Grijze zeehond (Halichoerus grypus); H1365 – Gewone zeehond (Phoca vitulina); H1903 – Groenknolorchis (Spiranthes aestivalis).

De nauwe korfslak (Vertigo angustior) komt niet voor in agrarische gebieden, omdat deze soortafhankelijk is van vochtige duingraslanden met een ongestoorde strooisellaag, die in landbouwgebieden ontbreken. Zeeprik (Petromyzon marinus), rivierprik (Lampetra fluviatilis) en fint (Alosa fallax) hebben schone, stromende rivieren of riviermondingen nodig voor voortplanting, terwijl landbouw vaak leidt tot watervervuiling en barrières zoals dammen. De noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola) leeft in natte moerasachtige gebieden met hoge vegetatie, die verdwijnen door ontwatering voor landbouw. Bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond leven in zee of aan de kust en komen logischerwijs niet voor op landbouwgrond. De groenknolorchis (Spiranthes aestivalis) is afhankelijk van natte, voedselarme graslanden, die in agrarische gebieden door bemesting te voedselrijk worden. Het plangebied is niet geschikt voor de habitatrichtlijnsoorten, want het plangebied bestaat uit agrarische grond. Het plangebied staat ook niet in verbinding staat met het N2000-gebied. 4.1.3 Broedvogels en niet-broedvogels Het N2000-gebied Waddenzee is aangewezen voor dertien vogelsoorten die het N2000-gebied als broedplaats gebruiken: • • • • • • • • • • 11

A034 - Lepelaar; A063 – Eider; A081 - Bruine kiekendief; A082 - Blauwe kiekendief; A132 – Kluut; A137 – Bontbekplevier; A138 – Strandplevier; A183 - Kleine mantelmeeuw; A191 - Grote stern; A193 – Visdief;

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

• • •

A194 - Noordse stern; A195 – Dwergstern; A222 – Velduil:

Veel van de genoemde vogelsoorten, zoals de grote stern, visdief, dwergstern, bontbekplevier en strandplevier, zijn kust- of oeverbroeders die afhankelijk zijn van open, zandige of slikkige gebieden met weinig verstoring. Lepelaar, bruine kiekendief, blauwe kiekendief en velduil leven in uitgestrekte moeras-, riet- of graslanden waar voldoende dekking en voedsel is. Eider en noordse stern zijn zeevogels die broeden op afgelegen eilanden of rustige kusten en jagen op vis in zee. Kluut en kleine mantelmeeuw gebruiken vooral waddengebieden en brakwaterzones met kale bodem voor broeden en foerageren. Deze soorten vermijden agrarische gebieden omdat die intensief worden beheerd, weinig rust bieden, te voedselrijk of te droog zijn, en geen geschikte nestplekken of voedselvoorziening bieden. Hierdoor is het plangebied niet geschikt bevonden voor broedvogels, want het plangebied bestaat uit agrarische grond. Het plangebied staat ook niet in verbinding staat met het N2000-gebied. Verder is het gebied voor 39 andere vogelsoorten aangewezen, voor deze soorten biedt het gebied andere gebruiksfuncties: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

12

A005 – Fuut: Foerageergebied; A017 – Aalscholver: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A034 – Lepelaar: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A037 - Kleine zwaan: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A043 - Grauwe gans: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A045 – Brandgans: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A046 - Rotgans : Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A048 – Bergeend: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A050 – Smient: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A051 – Krakeend: Foerageergebied; A052 – Wintertaling: Foerageergebied; A053 - Wilde eend: Foerageergebied; A054 – Pijlstaart: Foerageergebied; A056 – Slobeend: Foerageergebied; A062 – Toppereend: Foerageergebied; A063 – Eider: Foerageergebied; A067 – Brilduiker: Foerageergebied; A069 - Middelste zaagbek: Foerageergebied; A070 - Grote zaagbek: Foerageergebied; A103 – Slechtvalk: Foerageergebied; A130 – Scholekster: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A132 – Kluut: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A137 – Bontbekplevier: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A140 – Goudplevier: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A141 – Zilverplevier: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A142 – Kievit: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A143 – Kanoetstrandloper: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A144 – Drieteenstrandloper: Slaap- en rustplaats en foerageergebied;

A147 – Krombekstrandloper: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A149 - Bonte strandloper: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A156 – Grutto: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A157 - Rosse grutto: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A160 – Wulp: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A161 - Zwarte ruiter: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A162 – Tureluur: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A164 – Groenpootruiter: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A169 – Steenloper: Slaap- en rustplaats en foerageergebied; A197 - Zwarte stern: Slaap- en rustplaats: A702 – Toendrarietgans: Slaap- en rustplaats.

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

De bovengenoemde vogelsoorten zijn voornamelijk te clusteren in drie grote habitatgroepen: watervogels van meren en plassen, kust- en wadvogels, en weide- en graslandvogels. Soorten als de fuut, aalscholver, smient, krakeend, slobeend, toppereend, brilduiker, middelste zaagbek en grote zaagbek foerageren vooral op open wateren zoals meren, rivieren en plassen, naar vis, waterplanten of ongewervelden. Zwanen, ganzen en eenden zoals de kleine zwaan, grauwe gans, brandgans, rotgans, bergeend en wilde eend maken gebruik van ondiepe waterrijke gebieden én omliggende graslanden als slaap- en foerageergebied, vaak tijdens de winter. Aan de kust en op de Wadden zijn soorten als de scholekster, kluut, bontbekplevier, goudplevier, zilverplevier, kanoetstrandloper, drieteenstrandloper, krombekstrandloper, bonte strandloper, steenloper en rosse grutto afhankelijk van zandplaten, slikken en kwelders, waar zij foerageren op schelpdieren, wormen en kreeftachtigen. Deze soorten rusten vaak op onbegroeide plekken of in groepen op hogere delen van het getijdengebied. De grutto, wulp, kievit, tureluur, groenpootruiter en zwarte ruiter zijn weidevogels die broeden of rusten in extensieve graslanden en natte weiden en zoeken daar naar insecten en wormen. De zwarte stern is gebonden aan moerassen en natte rietlanden met open water, waar hij vis en insecten vangt.

Trekvogels zoals de toendrarietgans en roofvogels zoals de slechtvalk, maken gebruik van open landbouw- of natuurgebieden als rust- en foerageergebied, mits deze voldoende rust en prooiaanbod bieden. Al deze soorten zijn gevoelig voor verstoring, verandering van waterstanden en verlies van geschikte rust- en foerageergebieden. Daarom is behoud en herstel van dynamische, natte landschappen cruciaal voor de bescherming van deze soorten. Het plangebied is geschikt bevonden voor niet-broedvogelsoorten, want enkele weidevogels kunnen het plangebied gebruiken om te foerageren. Echter, bevindt het plangebied zich op een afstand van 1,5 kilometer van het Natura2000-gebied. De maximale verstoringsafstand van de aanwezige vogelsoorten in dit gebied bedraagt 300 meter. Gezien de ruime afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied is het onwaarschijnlijk dat de geplande werkzaamheden leiden tot verstoring binnen het beschermde natuurgebied. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen significant effect van de werkzaamheden op de flora en fauna binnen het Natura 2000-gebied zal optreden. Hiermee blijft de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied behouden. Het plangebied staat ook niet in verbinding staat met het N2000-gebied. Voor het bepalen van de externe effecten op de vogelsoorten wordt gebruik gemaakt van het rapport van K. L. Krijgsveld ‘Verstoring van vogels door recreatie’.

In dit rapport wordt de verstoringsafstand van verschillende vogelsoorten weergeven. Wanneer het plangebied binnen deze verstoringsafstand ligt, hebben de werkzaamheden mogelijk een negatief effect op de soort.

4.2

Overige beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied

Natuurnetwerk Nederland (NNN) en BPL gebieden zijn aangewezen gebieden waarin de natuur voorrang heeft, ook grote wateren met natuurwaarden zijn meegenomen. De provincie werkt aan het behoud en de ontwikkeling van deze gebieden. Dit wordt gedaan in samenwerking met natuurbeherende organisaties, boeren, gemeenten en waterschappen. Het doel is een betere verbinding tussen natuurgebieden en het omringende agrarisch gebied ter vervolmaking van de biodiversiteit. Het ruimtelijke beleid voor het NNN en BPL is, naast behoud van oppervlakte en samenhang, altijd gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van deze NNN-gebieden en BPL, waarbij ook rekening wordt gehouden met andere gebiedsbelangen. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ongeveer 900 meter afstand van het plangebied (Figuur 3). Bij de werkzaamheden binnen het plangebied gaat geen oppervlakte verloren van de NNN-gebieden en BPL. Ook wordt de samenhang tussen NNN-gebieden en/of BPL niet aangetast. Vanwege de afstand en gezien de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op NNN-gebieden en BPL uit te sluiten.

13

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Figuur 3 | Overige beschermde gebieden nabij het plangebied te Den-Helder.

14

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

In dit hoofdstuk worden de resultaten die verkregen zijn uit het veldbezoek gecombineerd met gegevens uit de bureaustudie naar beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar sporen en indicaties die de aanwezigheid van gebruiksfuncties van beschermde soorten aantonen. Voorbeelden van deze sporen zijn poot/klauwafdrukken en ontlasting. Voorbeelden van indicaties zijn holtes in bomen, spleten en gaten in bebouwing en lijnvormige structuren. Per soort kunnen de gebruiksfuncties verschillend zijn, maar bestaan voornamelijk uit verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes. Per soortgroep is de potentie en de mogelijk voorkomende soorten binnen het plangebied besproken.

5.1

Vleermuizen

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis en tweekleurige vleermuis zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis zijn gebouwbewonend. De gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis zijn boombewonend. De ruige dwergvleermuis is zowel gebouw- als boombewonend. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen elementen waargenomen die als potentiële vaste verblijfplaats kunnen dienen voor kleine en grote vleermuissoorten. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van kleine en grote vleermuissoorten uit te sluiten van het plangebied. Binnen het plangebied zijn elementen waargenomen die als potentieel foerageergebied of vliegroute kunnen dienen voor vleermuizen. Deze elementen bestaan uit watergangen (Figuur 4 en 5). In de directe omgeving staan nauwelijks bomen of struiken. De watergangen nabij het plangebied kunnen daardoor essentieel zijn voor vleermuizen om te kunnen foerageren. De watergangen bieden tevens lijnvormige structuren die geschikt zijn als vliegroutes voor vleermuizen. Binnen het plangebied zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes niet uit te sluiten.

5.1.1 Conclusie en advies Binnen het plangebied zijn geen potentiële vaste verblijfplaatsen voor kleine en grote gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen vastgesteld. Wel zijn potentiële essentiële foerageergebieden en vliegroutes waargenomen. De voorgenomen werkzaamheden hebben echter geen mogelijk negatief effect op de aangetroffen gebruiksfuncties van deze soortgroep, doordat de werkzaamheden overdag zullen plaatsvinden. Vleermuizen foerageren en vliegen tijdens schemering en in de nacht. Hierdoor is een overtreding op de Omgevingswet uit te sluiten en hoeven er geen vervolgstappen genomen te worden.

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Figuur 4 | Potentieel foerageergebied en

Figuur 5 | Potentieel foerageergebied en

vliegroute vleermuis.

vliegroute vleermuis.

5.2

Vogels

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat 268 vogelsoorten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied, zoals bijvoorbeeld de aalscholver, appelvink, heggenmus en gaai. 41 van de 268 vogelsoorten hebben een jaarrond beschermd nest, zoals bijvoorbeeld de blauwe reiger, buizerd, ijsvogel, ooievaar en sperwer. Het plangebied kan worden gebruikt als jachtgebied voor vogels met een jaarrond beschermd nest zoals de buizerd, ooievaar, sperwer en kerkuil (categorie 1 t/m 4) en de blauwe reiger (categorie 5). Dit geldt eveneens voor Rode lijstsoorten zoals de grauwe kiekendief en torenvalk, welke ook tot categorie 5 behoort. Voor soorten zonder jaarrond beschermd nest, zoals de grutto, kievit, tureluur, scholekster, wulp, slobeend, krakeend, wilde eend, gele kwikstaart, patrijs, kolgans, grauwe gans, brandgans, koperwiek, kramsvogel, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw kunnen het gebied ook gebruiken om te foerageren. 5.2.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen elementen waargenomen die als potentiële vaste verblijfplaats kunnen dienen voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten uit te sluiten van het plangebied. Wel kan het gebied gebruikt worden als jachtgebied voor de buizerd, ooievaar, sperwer en kerkuil (Figuur 6 en 7).

5.2.2 Vogelsoorten op de Rode Lijst Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen elementen waargenomen die als potentiële vaste verblijfplaats kunnen dienen voor vogelsoorten van de Rode Lijst. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van vogelsoorten van de Rode Lijst uit te sluiten van het plangebied. Wel kan het gebied gebruikt worden als jachtgebied voor de grauwe kiekendief en torenvalk (Figuur 6 en 7). 5.2.3 Algemene beschermde vogelsoorten Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied elementen waargenomen die als potentiële vaste verblijfplaats kunnen dienen voor algemene vogelsoorten, zoals de grutto, kievit, tureluur, scholekster, wulp, slobeend, krakeend, wilde eend, gele kwikstaart, patrijs, kolgans, grauwe gans, brandgans, koperwiek, kramsvogel, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw kunnen het gebied gebruiken om te foerageren (Figuur 4 t/m 7). Hierdoor zijn verblijfplaatsen van algemene vogelsoorten niet uit te sluiten van het plangebied. 16

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

5.2.4 Conclusie en advies Binnen het plangebied zijn potentiële vaste verblijfplaatsen voor algemene soorten vastgesteld en foerageergebieden voor vogels met jaarrond beschermd nest, Rode lijstsoorten en vogels zonder jaarrond beschermd nest. De voorgenomen werkzaamheden hebben een mogelijk negatief effect op de aangetroffen gebruiksfuncties van deze soortgroep. Hierdoor is een overtreding op de Omgevingswet niet uit te sluiten en dient gewerkt te worden met een ecologisch werkprotocol voor de volgende soorten: buizerd, ooievaar, sperwer, kerkuil, torenvalk en blauwe reiger. Voor vogels zonder jaarrond beschermd nest dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Figuur 6 | Potentieel jachtgebied en/of vaste verblijfplaats. Figuur 7 | Potentieel jachtgebied en/of vaste verblijfplaats.

5.3

Amfibieën, vissen en reptielen

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat de geelbuikschildpad, geelwangschildpad, roodwangschildpad, zaagrugschildpad, zandhagedis, bastaardkikker, bruine kikker, rugstreeppad, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, aal, ansjovis, baars, bittervoorn, blankvoorn, blonde rog, brakwatergrondel, brasem, dikkopje, diklipharder, driedoornige stekelbaars, druipzakpijp, gevlekte rog, gewone slijmvis, golfrog, grootoogrog, haring, hondshaai, horsmakreel, karper, kaukasische dwerggrondel, kleine modderkruiper, kleine zeenaald, kleine trompetterzeenaald, kleinoogrog, kortsnuitzeepaardje, lichtend sprotje, marmergrondel, pos, rietvoorn, schar, schubkarper, snoek, snotolf, stekelrog, tiendoornige stekelbaars, vetje, vijfdradige meun, zandspiering en zeelt zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De zandhagedis, bastaardkikker, bruine kikker, rugstreeppad, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker zijn zwaar beschermd onder de Omgevingswet. De gevlekte rog en stekelrog staan op de Rode Lijst. De bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker zijn vrijgesteld in de provincie Noord-Holland. Hierdoor hoeft voor deze soorten geen vergunning aangevraagd te worden en geldt voor deze soorten enkel de zorgplicht.

Voor geelbuikschildpad, geelwangschildpad, roodwangschildpad, zaagrugschildpad, aal, ansjovis, baars, bittervoorn, blankvoorn, blonde rog, brakwatergrondel, brasem, dikkopje, diklipharder, driedoornige stekelbaars, druipzakpijp, gevlekte rog, gewone slijmvis, golfrog, grootoogrog, haring, hondshaai, horsmakreel, karper, kaukasische dwerggrondel, kleine modderkruiper, kleine zeenaald, kleine trompetterzeenaald, kleinoogrog, kortsnuitzeepaardje, lichtend sprotje, marmergrondel, pos, rietvoorn, schar, schubkarper, snoek, snotolf, stekelrog, tiendoornige stekelbaars, vetje, vijfdradige meun, zandspiering en zeelt geldt ook enkel de zorgplicht. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig, die als habitat kunnen dienen voor verschillende amfibieënsoorten, zoals de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Hierdoor is het mogelijk dat sommige amfibieën in het plangebied voorkomen. Echter zijn deze soorten binnen de provincie Noord-Holland vrijgesteld, waardoor de aanwezigheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden. Wel geldt hier de Zorgplicht. Het 17

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

habitat van een reptiel bestaat vaak uit zandgrond, droge gebieden, rotsachtige plekken of warme, zonnige omgevingen waar ze zich kunnen verschuilen en opwarmen. Voor reptielen is het plangebied minder geschikt. Vissen zullen alleen in de watergangen voorkomen en geen hinder ondervinden van de geplande werkzaamheden.

5.4

Grondgebonden zoogdieren

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, rosse woelmuis, spitsmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, woelrat zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De boommarter, bosmuis, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, woelrat zijn zwaar beschermd onder de Omgevingswet. De bunzing, haas, konijn en wezel staan op de Rode Lijst. De, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat zijn vrijgesteld in de provincie Noord-Holland. Hierdoor hoeft voor deze soorten geen vergunning aangevraagd te worden en geldt voor deze soorten enkel de zorgplicht. Voor bruine rat, huismuis, mol en muskusrat geldt ook enkel de zorgplicht. Het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarisch gebied met open velden en relatief beperkte structuren, wat geschikt is voor soorten zoals de veldmuis, aardmuis, konijn, haas en huisspitsmuis die zich goed kunnen handhaven in dergelijke omgevingen. Deze soorten zijn in staat zich aan te passen aan de open landschappen en vinden hier voldoende voedsel en schuilplaatsen.

Voor deze algemene soorten geldt de Zorgplicht. Andere grondgebonden zoogdieren daarentegen vereisen doorgaans meer gevarieerde habitatstructuren, zoals bosranden of struikgewas, wat in het plangebied ontbreekt. Hierdoor is het gebied minder geschikt voor deze overige soorten.

5.5

Overige diersoorten

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat ongeveer 1100 soorten libellen, dagvlinders, nachtvlinders, sprinkhanen en krekels, wespen, bijen en mieren, kevers, geleedpotigen excl. insecten en weekdieren zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De duinparelmoervlinder is zwaar beschermd onder de Omgevingswet. De duinparelmoervlinder, kustbehangersbij, ruige behangersbij en zilveren zandbij staan op de Rode Lijst. Voor de overige soorten geldt enkel de zorgplicht. Tijdens het veldbezoek is binnen het plangebied geen potentie waard- en nectarplanten voor zwaar beschermde dagvlinders en water met geschikte oeverbegroeiing voor zwaar beschermde libellen waargenomen. Wel is nabij het plangebied een watergang met geschikte oevers, maar deze zullen vanwege de afstand en de aard van de werkzaamheden geen hinder ondervinden. Daarnaast is tijdens het veldbezoek geen geschikt habitat voor andere zwaar beschermde insectensoorten waargenomen. Het plangebied bestaat uit intensief gebruikte agrarische grond, waar door regelmatige bewerking en beperkte vegetatievariatie weinig geschikte leefen voortplantingsmogelijkheden zijn voor zwaar beschermde insecten. Daarnaast ontbreken in het gebied essentiële elementen zoals bloemrijke graslanden, ruige vegetatie en dode houtstructuren die deze insecten vaak nodig hebben.

Het intensieve gebruik leidt bovendien tot verstoring en habitatverlies, wat de vestiging van beschermde insectensoorten verder belemmert. Daarom is het plangebied niet geschikt als habitat voor zwaar beschermde insecten. Hierdoor zijn zwaar beschermde overige soorten uit te sluiten van het plangebied.

5.6

Flora

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat 901 vaatplantsoorten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. Glad biggenkruid en groot spiegelklokje zijn zwaar beschermd onder de Omgevingswet. De driedistel, dwergbloem, dwergvlas, glad biggenkruid, groenknolorchis, groot spiegelklokje, klein wintergroen, knolsteenbreek, onderaardse klaver, stijve moerasweegbree, verfbrem, welriekende nachtorchis staan op de Rode Lijst. Tijdens het veldbezoek is binnen het plangebied geen zwaar beschermde flora waargenomen. Zwaar beschermde flora komt niet voor in agrarisch gebied, omdat intensief beheer en bewerking de natuurlijke bodem en biodiversiteit verstoren. Specifieke habitats die deze planten nodig hebben ontbreken vaak, en het gebruik van bestrijdingsmiddelen maakt vestiging moeilijk. Daardoor is agrarisch gebied ongeschikt voor zwaar beschermde flora. Hierdoor is zwaar beschermde flora uit te sluiten van het plangebied. 18

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

5.7

Overige soorten

Uit de gegevens afkomstig van de NDFF blijkt dat ongeveer 700 soorten mossen, korstmossen, wieren en schimmels zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De bleke dennenschotelkorst en roomkleurig dikhoed staan op de Rode Lijst. Tijdens het veldbezoek is binnen het plangebied geen geschikt biotoop waargenomen voor overige soorten van de Rode Lijst. Agrarisch gebied is ongeschikt voor mossen, korstmossen, wieren en schimmels doordat intensieve landbouwpraktijken de bodem en vegetatie verstoren. Het frequente ploegen, gebruik van bestrijdingsmiddelen en gebrek aan stabiele, vochtige en voedselrijke microhabitats beletten de groei en vestiging van deze organismen. Hierdoor vinden deze soorten in agrarisch gebied weinig geschikte leefomstandigheden. Hierdoor zijn overige soorten van de Rode Lijst uit te sluiten van het plangebied.

5.8

Houtopstanden

Binnen het plangebied zijn geen beschermde houtopstanden waargenomen. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op deze groep. Hierdoor is een overtreding op de Omgevingswet uit te sluiten en hoeven hier geen vervolgstappen genomen te worden.

19

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Besluit activiteiten leefomgeving (2024). Geraadpleegd https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2024-01-01/#Hoofdstuk11

op

26-05-2025,

van

BIJ12. (2017). Kennisdocument buizerd. Utrecht: BIJ12. BIJ12. (2017). Kennisdocument kerkuil. Utrecht: BIJ12. Habitus. (2024). Vrijgestelde soorten https://habitus.nl/vrijgesteldesoorten

per

provincie.

Geraadpleegd

op

26-05-2025,

van

IPLO. Soorten beschermd onder Omgevingswet. IPLO. Geraadpleegd op 26-05-2025, van https://iplo.nl/thema/natuur/bescherming-soorten/soorten-dieren-planten-nationaal-belang/ Krijgsveld, K.L., Klaassen, B. & van der Winden, J. (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist NDFF. Nationale Databank ecogrid.nl/uitvoerportaal

Flora

en

Fauna.

Geraadpleegd

op

26-05-2025,

van

NDFF-

Nederlands Soortenregister. Rode Lijsten. Nederlands Soortenregister. Geraadpleegd op 26-05-2025, van https://www.nederlandsesoorten.nl/rode-lijsten Waarneming.nl. Waarneming.nl. Geraadpleegd op 26-05-2025, van www.waarneming.nl

20

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Bijlage I | Wettelijk kader

De Omgevingswet werkt volgens het 'nee, tenzij' principe ten aanzien van beschermde soorten (waaronder alle van nature in het wild levende soorten vallen): schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Specifieke zorgplicht De wet bevat een specifieke zorgplicht voor een ieder die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbelangen. Die zorgplicht vereist: • kennis verzamelen (aanwezige soorten); • effecten analyseren (vogels, nesten, eieren, gebiedsfuncties); • uitsluiten nadelige gevolgen; • preventieve maatregelen om deze gevolgen te voorkomen; • stoppen van de activiteit of herstellen van de schade als die niet kan worden voorkomen. De specifieke zorgplicht en de verboden zijn bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar. Vergunningsplicht Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. De soorten kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bonn en Bern (artikel 11.46, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving.

Schadelijk handelen De bedoelde diersoorten zijn in het wilde levende soorten van: • de Vogelrichtlijn; • bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn; • bijlage II bij het Verdrag van Bern; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Schadelijke handelingen bij die dieren zijn de volgende handelingen in de natuurlijke verspreidingsgebied: • opzettelijk doden of opzettelijk vangen; • opzettelijk de eieren vernielen of rapen in de natuur; • opzettelijk verstoren: De mate van ‘verstoren’ hangt per soort af van de intensiteit, duur en frequentie van de verstoring. Verder is het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort van belang; • de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’. De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van: • bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn; • bijlage I bij het Verdrag van Bern. Schadelijke handelingen bij die planten zijn het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van groeiplaatsen in het natuurlijke verspreidingsgebied. Onder 'opzettelijk' valt ook 'voorwaardelijke opzet'. Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant.

Zoals de vangst of de dood van dieren of het vertrappen of ontwortelen van planten. Uitzonderingen op deze verboden (door het verlenen van een omgevingsvergunning of een vrijstelling) zijn onder strikte voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of wetenschappelijk onderzoek. De wet regelt ook de jacht, schadebestrijding, populatiebeheer, handel, exoten, en verboden en toegestane vangstmiddelen en -methoden. Als schade niet te voorkomen is, moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteiten en/of Natura2000-activiteit aanvragen.

21

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Bescherming van gebieden Natura 2000 In heel Europa is een netwerk van beschermde gebieden aangewezen, de Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet zwaar beschermd. Volgens de Omgevingswet is het verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geld ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking), bijvoorbeeld door stikstofdepositie. De wet bevat daarnaast een specifieke zorgplicht voor een ieder die weet of redelijkerwijs kan weten dat zijn activiteit verslechterende of significant verstorende gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Die zorgplicht vereist: • kennis verzamelen (over betrokken Natura 2000-gebied); • effecten analyseren; • uitsluiten nadelige gevolgen; • preventieve maatregelen om deze gevolgen te voorkomen; • stoppen van de activiteit of herstellen van de schade als die niet kan worden voorkomen; • de vergunningplicht en specifieke zorgplicht zijn bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar.

Andere beschermde gebieden De wet bevat landelijke regels voor het natuurnetwerk Nederland (NNN) en het aanwijzen van bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Provincies zijn verantwoordelijk voor de aanwijzing en bescherming van deze gebieden. Het beschermingsregime voor het NNN is niet meer in detail op landelijk niveau geregeld, maar is vastgelegd in provinciale omgevingsverordeningen. Dat kan dus verschillen per provincie. Het Rijk kan daarnaast nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. Houtopstanden De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Zo kan er een meldingsplicht of gedragscode gelden voor het vellen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. Er zijn uitzonderingen.

De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (opgenomen in artikel 11.111, Bal): • houtopstanden binnen stedelijk gebied; • houtopstanden op erven of in tuinen; • bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld; • houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; • naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar; • kweekgoed; • populieren of wilgen van wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, of éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen; • beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa; • houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are; • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Invasieve soorten Onder de taak van de provincie valt het nemen van de volgende maatregelen tegen invasieve soorten in bijlage VC van het Bkl: • • • 22

het uitroeien van invasieve exoten die nog maar net in Nederland voorkomen; het treffen van beheersmaatregelen tegen soorten die al wijdverspreid zijn in Nederland; het nemen van herstelmaatregelen zoals;

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

o o o

versterken van de veerkracht van ecosystemen tegen invasieve exoten; herstellen van veroorzaakte schade; bevorderen van een betere staat van instandhouding van inheemse soorten en de habitats.

Rode Lijst-soorten De Rode Lijst-soorten hebben geen juridische status. Dat wil zeggen dat Rode Lijst-soorten niet automatisch onder specifieke beschermingsregels vallen. Denk bij specifieke beschermingsregels bijvoorbeeld aan een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Zo is het bijvoorbeeld niet zo dat als er een soort bijkomt op de Rode Lijst-soorten, er dan meteen een vergunningplicht geldt. Het neemt overigens niet weg dat Rode Lijst-soorten van belang zijn voor: • iedereen bij het verrichten van activiteiten. Soms kan het verrichten van activiteiten namelijk nadelig zijn voor een Rode Lijstsoort. De activiteit is dan een flora- en fauna-activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt; • overheden bij beleidsontwikkeling en besluitvorming over de fysieke leefomgeving; • natuurbeheerders bij de invulling van het beheer; • provincies. Zij zijn verantwoordelijk voor het nemen van de nodige maatregelen voor het behoud of het herstel van Rode Lijstsoorten (artikel 3.57, lid 1 onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Bijlage II | Opbouw ecologische omgevingsscan Een omgevingsscan bestaat uit verschillende onderdelen: •

•

•

bronnenonderzoek: in verschillende databases (waaronder de NDFF) en verspreidingsatlassen wordt gekeken of er gegevens bekend zijn van de locatie en de directe omgeving. Zo wordt er gekeken naar waargenomen soorten, beschermde natuurgebieden en eventuele rapportages van ecologische onderzoeken die nabij zijn uitgevoerd; veldbezoek: overdag wordt het plangebied, over het algemeen eenmalig, bezocht; o Tijdens dit onderzoek wordt er gekeken of er beschermde soorten voorkomen of kunnen komen. Veel dieren zijn ’s nachts actief (vleermuizen, steenmarter, das en dergelijke soorten) of zijn niet het gehele jaar aanwezig (gierzwaluw bijvoorbeeld) of zichtbaar; o Ook planten zijn niet het gehele jaar zichtbaar. Daarom wordt er ook een sporenonderzoek gedaan (braakballen, uitwerpselen, veren en dergelijke) en wordt er een potentie-inschatting gemaakt op basis van expert-judgement en de vigerende ecologische kennis van soorten om te bepalen of een soort kan voorkomen; rapportage: De vergaarde gegevens worden grondig en duidelijk in een rapportage verwerkt. De rapportage is zo opgezet dat het een zo sluitend mogelijk verhaal is, waarin duidelijk wordt vermeld wat nu daadwerkelijk de vervolgstappen zijn.

Vaak is een omgevingsscan afdoende en zijn er geen vervolgstappen nodig. Soms is het echter nodig om een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. In de rapportage wordt vermeld wat de gevolgen kunnen zijn en of er eventueel al maatregelen te nemen zijn waardoor voortgang van het project niet of zo min mogelijk wordt vertraagd.

23

P251028

Omgevingsscan Flora en Fauna Heldair 2 te Den-Helder

Harmenkaag 11 1741 LA Schagen 24

0224 751 275 natuur@smitgroenadvies.nl www.smitgroenadvies.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/2373/documents/26222