CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321541 Bijlage 1 Motivering BOPA

Gemeenteraad 3 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning onderstation Den Haag Noord (RIS321541)28.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Movares samen werkt het

RAPPORT

Motivering BOPA, M.O.S. Den Haag Noord

W

(

/w

‘1

0

g

2

3

-

ë ƒ

pjP. è.

9

-

f

Datum: 11-12-2024

fëie

Kenmerk: A30-HS-RAP-24007088

AE

3, *

$

r,07

7

■

ƒ

Status: Vrijgegeven

'i'

H

■fz/- 8

VNA 3 Versie: 2.0

/

Rgf

/

%)

1

' -48

ƒ

*

2 —

dn w

Autorisatieblad Motivering BOPA Den Haag Noord

Naam Opgesteld door Gecontroleerd door Vrijgegeven door

Akkoord

Datum

V V V

11-12-2024 11-12-2024 11-12-2024

Vers ie historie Versie Naam

Datum

Korte toelichting

0.1 1.0

26-09-2024 03-10-2024

2.0

11-12-2024

Concept versie ter review. Definitieve versie waarin opmerkingen ProRail zijn verwerkt. Aanpassing van Watersleutel

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0 /11-12-2024

Movares

2/54

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1.1 1.1 1.2 1.3

6

Aanleiding Plangebied Juridisch-planologisch kader Leeswijzer

6 6 7 8

2

Beschrijving bestaande situatie

9

3

Beschrijving voorgenomen ontwikkeling

11

Ruimtelijke inpassing Woon en leefklimaat

12 13

Relatie met het omgevingsplan

15

3.1 3.2 4

4.1 4.2

Toets

4.2.1 4.2.2 4.2.3

4.3 5

Enkelbestemming Verkeer - Railverkeer Gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - Molenbiotoop Beschrijving strijdigheid

17 17 18

Procedure

18

Beleidskaders

19

5.1

Verhouding tot Rijksbeleid

19

5.1.1

19 19 19

5.1.2 5.1.3

5.2 5.3

5.4 6

15 15

Strijdigheid met het omgevingsplan

De Nationale Omgevingsvisie Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder duurzame verstedelijking Verhouding tot provinciaal beleid

20 21

5.3.1

21

Omgevingsvisie / Omgevingsverordening Zuid Holland

Verhouding tot gemeentelijk beleid

22

5.4.1

22

Omgevingsvisie Den Haag 2050

Omgevingsaspecten

23

6.1

23

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

23 23 23

Milieueffectrapportage

23

Toetsingskader Conclusie

23 24

6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.2

6.2.1 6.2.2

6.3

24

Omgevingsveiligheid

6.3.1 6.3.2

Toetsingskader Onderzoek

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0 /11-12-2024

24 25

Movares

3/54

Conclusie

25

Activiteiten en milieuzonering

26

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

26 27 27

6.3.3

6.4

6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.5

Geluid

6.5.1 6.5.2 6.5.3 6.6

28

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

28 28 28 28

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

28 29 31

Natuur en landschap

6.8.1 6.8.2 6.8.3 6.8.4 6.8.5 6.8.6 6.9

27 28 28

Water

6.7.1 6.7.2 6.7.3 6.8

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

Bodem

6.6.1 6.6.2 6.6.3 6.7

27

31

Toetsingskader Onderzoek Gebieden Soorten Houtopstanden Conclusie

31 32 32 34 36 36

Luchtkwaliteit

6.9.1 6.9.2 6.9.3

36

Toetsingskader Onderzoek Conclusie

36 37 37

6.10 Geur

6.11

37

6.10.1 Toetsingskader 6.10.2 Onderzoek 6.10.3 Conclusie

37 37 38

Cultuurhistorie

38

6.11.1 Toetsingskader

38 38 38

6.11.2 Onderzoek 6.11.3 Conclusie 6.12 Archeologie

38

6.12.1 Toetsingskader

39 39 39

6.12.2 Onderzoek 6.12.3 Conclusie 6.13 Trillingen

39

6.13.1 Toetsingskader 6.13.2 Onderzoek

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0 /11-12-2024

39 40

Movares

4/54

6.13.3 Conclusie

40

6.14 Ontplofbare oorlogsresten

40 40 40 40

6.14.1 Toetsingskader 6.14.2 Onderzoek 6.14.3 Conclusie

7

6.15 Kabels en leidingen

40

Financiële en maatschappelijke verantwoording

42

7.1 7.2

Financieel-economische haalbaarheid Maatschappelijke verantwoording

42 42

7.2.1 7.2.2

42 42

Advies en instemming Resultaten proces met derden

Participatie

42

Bijlage 1 - Ontwerptekeningen

44

Bijlage 2 - Watertoets

45

Bijlage 3 - Watersleutel

46

Bijlage 4 - Aerius-berekening

47

Bijlage 5 - Kabels en leidingen

48

Bijlage 6 - Quickscan ecologie

49

Bijlage 7 - Verkennend bodemonderzoek

50

Bijlage 8 - Situatietekening huidige situatie

51

Bijlage 9 - Situatietekening toekomstige situatie

52

Colofon

53

7.3

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0 /11-12-2024

Movares

5/54

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

ProRail is verantwoordelijk voor het spoorwegennet van Nederland. Het tractie energievoorzieningsnet, oftewel TEV, bereikt zijn grenzen. Hierom is het noodzakelijk onderstations toe te voegen of te vervangen langs het spoor. Deze motivering betreft het plaatsen van een onderstation op locatie Den Haag Noord. Het nieuwbouw onderstation is ter vervanging van het bestaande onderstation Den Haag Noord. Zowel het bestaande gebouw als bestaande installaties zijn einde technische levensduur en dienen vervangen te worden voor nieuwbouw. Het doel van het project is de energievoorziening van het spoorwegennet toekomstbestendig te maken, waarvoor vervanging van onderstation Den Haag Noord noodzakelijk is. Het plaatsen van het modulair onderstation (M.O.S.) is op grond van art. 2.29 Bbl en art. 22.27 van het Omgevingsplan Den Haag niet vergunningsvrij. Om deze activiteit mogelijk te maken dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit betreft een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan. Voor een reguliere omgevingsvergunningprocedure dient een ruimtelijke motivering te worden opgesteld die aan dient te tonen dat het ruimtelijk initiatief bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Voorliggende rapportage betreft deze ruimtelijke motivering. In paragraaf 1.3 wordt verder ingegaan op het juridisch-planologisch kader van de BOPA.

1.1

Plangebied

Onderstation Den Haag Noord is gelegen tussen stations Den Haag Laan van NOI en Den Haag Mariahoeve ter hoogte van de boog van de splitsing van de lijn Schiphol-Den Haag en Rotterdam-Den Haag. Het onderstation is gelegen tussen spoorwegkilometerring 57.800 en 58.800. De locatie wordt aangeduid met geocode 561. De omgeving gelegen naast het onderstation is bebouwd gebied, er is recent nieuwbouw ontwikkeld aan de Maiskamp en de Rijstkamp tussen het water de Schenk en het spoor. Aan drie zijden grenst het onderstation aan de straten van deze woningbouw, aan de zuidzijde grenst het onderstation aan de spoorzone.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

6/54

4

-

.30

3 5• gged.

9

a

e

Figuur 1-1: Luchtfoto locatie onderstation Den Haag Noord (bron: ESRI, maps.prorail.nl)

1.2

Juridisch-planologisch kader

Het plaatsen van het M.O.S. is op grond van art. 2.29 Bbl en art. 22.27 van het Omgevingsplan Den Haag niet vergunningsvrij. Daarbij geldt dat op grond van art. 22.26 Omgevingsplan Den Haag een (algemeen) verbod om zonder omgevingsvergunning een ruimtelijke bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Door de ligging van het te plaatsen M.O.S. buiten het bestaande bouwvlak wordt niet voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 Omgevingsplan Den Haag. Op grond van het tijdelijke omgevingsplan gelden voor het plangebied de regels van het oorsronkelijke bestemmingsplan Boekweitkamp, zoals vastgesteld op 15 november 2016. Dit bestemmingplan geldt voor het gehele omkaderde gebied. Het plangebied heeft de bestemming ‘Verkeer-Railverkeer’. Dit bestemmingsplan geldt op grond van art. 22.4 Ow als Omgevingsplan van rechtswege. Op 13 april 2023 (kenmerk 202222812/8606547) is reeds een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend voor het plaatsen van een onderstation. De aanleiding voor de huidige aanvraag heeft betrekking op een verplaatsing van het onderstation ten opzichte van de eerdere aanvraag. Het voornemen is in strijd met het omgevingsplan, omdat de bouwgrenzen van het nieuwe onderstation deels buiten het bestaande bouwvlak vallen.

Op grond van het bovenstaande is dus sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan).

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

7/54

2

%

*

%

✓

• ?

c i i

•02

3

c,

Figuur 1-2: Uitsnede bestemmingsplankaart inclusief projectlocatie (bron: njimtelijkeplannen.nl)

1.3

Leeswijzer

De voorliggende ruimtelijke motivering bestaat uit verschillende onderdelen. Hoofdstuk 1 bevat een beschrijving van de aanleiding tot het opstellen van de motivering, een aanduiding van het plangebied en het vigerende juridisch-planologische kader. Hoofdstuk 2 bevat een projectbeschrijving, waarbij wordt ingegaan op de bestaande situatie ter plaatse van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de beoogde ontwikkelingen, waaronder de ruimtelijke inpassing en het woon -en leefklimaat. Vervolgens wordt er in hoofdstuk 4 getoetst aan relevant rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarna zal de voorgenomen ontwikkeling in hoofdstuk 6 worden getoetst aan de verschillende relevante omgevingsaspecten. Hierbij wordt per omgevingsaspect het toetsingskader geschetst. Tot slot wordt hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de genomen acties wat betreft participatie toegelicht. De uitgevoerde onderzoeken zijn als bijlagen bij deze motivering gevoegd.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

8/54

2

Beschrijving bestaande situatie

Het bestaande onderstation is gelegen tussen de spoorzone en het bebouwd gebied van nieuwbouw Boekweitkamp. Tussen het onderstation en de omliggende bebouwing staat een geluidsscherm. Het onderstation is in bestaande situatie -zo ook nieuwe situatie- ontsloten op de straat Rijstkamp. Nabijgelegen zijn tuinen en een onderdoorgang voor verkeer. Het bestaande onderstation is voor verkeer enkel ontsloten via nieuwbouwwijk Boekweitkamp. Onderstaande foto’s laten de situatie zien van het onderstation. Bijlage 8 bevat een uitgebreide situatietekening van de huidige situatie.

Wöë >•

4

3

{

)

19 4

1.0L if

) 2 ad

1

I

r

ge

-cis-

o

ai

v •

■

Figuur 2-1. Foto zuidwestzijde (links) en noordoostzijde (rechts) bestaande onderstation

2

1

1 Ij

1 /

s—

gh$ MN.T ■

2: ga, ■ ■

* *ge '

h

,3

■■

3

1

2

ëë

34

Figuur 2-2. Foto ruimte tussen afscherming en bestaande onderstation (links) en tussen bestaande onderstation en spoorzone (rechts)

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

9/54

Grasklinkers (baksteen)

osset

Zand/Grind

Grasklinkers (baksteen)

Figuur 2-3. Het bestaande onderstation

2335

K

2359

2383

2338

2385 2323

9

a

32 30

gN9

$

2384

33

2381 3)

2376

2387

35

31 233

A

2357 2:3F

0

2347

2379 2389

©

$

‘S-GsvenhageA§

2325 2341

2386

2319

$ A

2320 2321

2330

2337

2366 7

2211 Figuur 2-4: Kadastrale kaart omgeving (bron: maps.prorail.nl, Kadaster, maart 2021)

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

10/54

3

Beschrijving voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling is om op de projectlocatie een nieuw onderstation te bouwen met een omvang van 158 m2. In het gebouw zijn twee tractietransformatoren aanwezig en de overige toestellen en apparaten. Er zijn drie parkeerplaatsen ingepast. Deze parkeerplaatsen zijn nodig voor monteurs, die enkele keren per jaar voor onderhoud en beheer langskomen of voor eventueel storingsherstel. Tevens is er voldoende manoeuvreerruimte nodig om (indien nodig) grote componenten te kunnen uitwisselen. Rondom het gebouw komt een omheining zodat het terrein niet kan worden betreden door onbevoegden. Het bebouwde oppervlak is kleiner dan het bestaande onderstation. De situering wijzigt, waardoor het nieuwe onderstation voor een groot deel buiten het bestaande bouwvlak valt. De uiterlijke verschijningsvorm van het onderstation zal veranderen. Het nieuwe onderstation en omliggend terrein blijven -net als in de huidige situatie- voor verkeer bereikbaar via de wijk Boekweitkamp. Het perceel van ProRail waar het onderstation op staat gepositioneerd is aan de zijde van de Rijstkamp afgeschermd door middel van een geluidscherm. De toegang tot het perceel bevindt zich via een inrijpoort in het eerdergenoemde scherm aan de Rijstkamp. Bijlage 9 bevat een uitgebreide situatietekening van de toekomstige situatie.

Voor het onderstation is reeds eerder een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend Op 13 april 2023 (kenmerk 202222812/8606547). Aangezien in de huidige situatie het onderstion meer aan de zuidzijde van het perceel is gepositioneerd (zie figuur 3-1), dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden.

y

a$®

„8*

e" .6 ,®ss •2e •

*

$ 4"

3

\

* 3

sa

Figuur 3-1. Plattegrond van het onderstation

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

11/54

$

S02

A

\

\ ; N

& Figuur 3-2. Situatietekening onderstation

3.1

Ruimtelijke inpassing

In het ontwerp van het onderstation is aandacht besteed aan de visuele verschijningsvorm van het station in zijn omgeving. In de figuren 3-3 en 3-4 zijn de aanzichten van het nieuwe onderstation aangegeven. Het definitieve eindbeeld kan hiervan verschillen, omdat de architect van het modulaire gevelbeeld hier nog een stem in heeft. Het is de bedoeling dat de gevel wordt afgewerkt met een gevelbeplating in een afmeting van 1200 x 1200 mm / 600 x 600 mm waarop een patroon is geprint, en waarin plaatselijk ook sparingen zijn aangebracht waardoor vogels / dieren nestgelegenheid krijgen in de gevel. De beplating aan de bovenzijde van de unit wordt voor de locatie den Haag als sedumdak uitgevoerd. Een beplating aan de bovenzijde is vanuit onderhoudsoogpunt niet wenselijk. De beplating kan in een nader te bepalen kleur worden afgewerkt.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

12/54

9

1

9

9

9

X

9

i

8

0

3

9

i

J,

J,

(pi 7,—4

V

UPX C

1

+

— 6

_

1

s

U7

)

2 i

seL

Md

2

le

K EW> A.

ProRail

-2•

o

O.

Figuur 3-3: Gevelaanzicht van het onderstation

Natuurinclusieve gevel V

K 4

I

3

I I

1

7),

c

I

(1

1)

2

t

-

Figuur 3-4: De gebmikte gevelbeplating voor het onderstation.

Voor de locatie Den Haag Noord is het de bedoeling dat het onderstation wordt afgewerkt in een bij de omgeving passende afwerking die een natuurlijke uitstraling heeft. De afwerking zal dicht bij de hierboven getoonde afwerking komen en zal bestaan uit een beplating van biobased materiaal waar achter plaatselijk cassettes zijn geplaatst waarin de nestgelegenheid voor dieren wordt voorzien. Deze zijn ca 12 cm diep. Door de bedachte vormgeving en het materiaal en kleurgebruik is het onderstation niet nadrukkelijk in de omgeving aanwezig er vormt daar als het ware één geheel mee.

3.2

Woon en leefklimaat

Het plangebied is gelegen in een omgeving grenzend aan het spoor en aan woningen. In de huidige situatie bevindt zich hier al een onderstation, qua gebruik zal het plan geen verandering brengen in het woon- en leefklimaat van omwonenden. De positionering van het onderstation zal licht wijzigen, het

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

13/54

bebouwd oppervlak zal afnemen. De afstand tot omliggende woningen zal hierin gelijk blijven aan de bestaande situatie.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

14/54

4

Relatie met het omgevingsplan

4.1

Toets

Het planvoornemen is op verschillende punten strijdig met het tijdelijke omgevingsplan en kan daardoor niet direct gerealiseerd worden. Er dient derhalve een juridisch-planologisch procedure te worden doorlopen om van het tijdelijke omgevingsplan af te wijken en het planvoornemen mogelijk te maken. De te doorlopen procedure betreft een reguliere omgevingsvergunningsprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) onder de omgevingswet. Als onderdeel van de BOPA dient een ruimtelijke motivering te worden opgesteld die aan dient te tonen dat het ruimtelijk initiatief bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorliggende motivering voorziet hierin. In navolgende paragraaf wordt de strijdigheid van het planvoornemen met het omgevingsplan verder toegelicht.

4.2

Strijdigheid met het omgevingsplan

Op grond van het tijdelijke omgevingsplan gelden voor het plangebied de regels van het ooirsronkelijke bestemmingsplan ‘Boekweitkamp’, zoals vastgesteld op 15 november 2016. Dit bestemmingplan geldt voor het gehele omkaderde (zwart met stippen) gebied. Het plangebied heeft de bestemming 'VerkeerRailverkeer’ (artikel 4 van de regels).

Binnen de bestemming ‘Verkeer - Railverkeer’ is op de locatie van het bestaande onderstation een bouwvlak opgenomen. De maximale bouwhoogte binnen dit bouwvlak is 7 meter. Op de locatie gelden Naast de bestemming zijn op deze locatie ook de gebiedsaanduidingen ‘Vrijwaringszone Molenbiotoop’ en ‘Vrijwaringszone - Straalpad’ als beschreven in respectievelijk artikel 13.1 en 13.2. Terwijl in de toekomstige situatie het oppervlak van het onderstation een stuk kleiner is, wordt het gebouw van het nieuwe onderstation voor het grootste deel buiten het bestaande bouwvlak gebouwd, (zie Figuur 3-3). In de toekomstige situatie is er sprake van overlap met de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone Straalpad’.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

15/54

l

wNWN,

\ \

\ \ \ \

{

\ Figuur 4-1: Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4

9

e5

e

223

K

P

1

3

Figuur 4-2. Overlap tussen oude onderstation (zwart) en nieuwe onderstation (rood). Het nieuwe onderstation heefteen oppervlak van 158 m2.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

16/54

4.2.1

Enkelbestemming Verkeer - Railverkeer De bestemming ‘Verkeer - Railverkeer’ is beschreven in artikel 4 van de bestemmingsplanregels. De volgende regels zijn van toepassing:

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. spoorwegvoorzieningen, waaronder trein- en tramsporen met bovenleidingen ten behoeve van het spoor- en railverkeer en perrons; b. transformatorstations; c. geluidswerende voorzieningen, waaronder mede begrepen geluidschermen; d. bermen en beplantingen; e. taluds;

één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, fiets­ en voetpaden, groen, water en overige bij de bestemming behorende voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. de gebouwen moeten zich bevinden binnen het op de verbeelding aangegeven bebouwingsvlak; b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding staat aangegeven.

4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan: 1. voor geluidswerende voorzieningen 5 meter; 2. voor palen en masten 10 meter; 3. voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer 15 meter; 4. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, 5 meter.

4.2.2

Gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - Molenbiotoop De gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone - Molenbiotoop’ is beschreven in artikel 13.1 van de bestemmingsplanregels. De volgende regels zijn van toepassing:

13.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop

13.1.1 Bouwregels a. In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en) geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' dat niet hoger gebouwd mag worden dan: 1. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;

2. buiten een afstand vanaf 100 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder 1, vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen;

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

17/54

b. artikel 13.1 onder a is niet van toepassing op bestaande bouwwerken, alsmede de bouwwerken die ingevolge dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.2.3 Beschrijving strijdigheid Het plan voldoet niet op alle aspecten aan de regels van het vigerend bestemmingsplan. Het plan voldoet niet op de grond dat de grenzen van het bouwvlak worden overschreden. Hiermee is het plan strijdig met Artikel 4.2 lid 1 onder a: ‘de gebouwen moeten zich bevinden binnen het op de verbeelding aangegeven bebouwingsvlak’. Het plan is daarmee strijdig met de regels uit het tijdelijke omgevingsplan. Om deze reden is er sprake van een BOPA.

4.3

Procedure

Er moet worden afgeweken van het tijdelijke omgevingsplan. Afwijken van het omgevingsplan is mogelijk met toepassing van de procedure voor een BOPA.

Een BOPA is een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan en die niet vergunning vrij is. Het Rijk bepaalt in artikel 5.1, lid 1, onder a van de Omgevingswet dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor een BOPA staan in artikel 7.207b, lid 2, van de Omgevingsregeling. De gegevens en bescheiden bij de aanvraag moeten de informatie bevatten die nodig is voor de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor: Op grond van de instructieregels van de provincie of het Rijk gestelde regels over het omgevingsplan. De door de provincie en het Rijk gegeven instructies over het omgevingsplan. Het uitvoeren van een project waarvoor door de provincie of het Rijk een projectbesluit is vastgesteld.

De reguliere procedure op grond van artikel 16.64 Ow is van toepassing. Aangezien sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, geldt dat deze slechts kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a Lid 2 Bkl).

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

18/54

5

Beleidskaders

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling past binnen de geldende beleidskaders van het Rijk, provincie en de gemeente.

5.1

Verhouding tot Rijksbeleid

5.1.1

De Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.

Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het onderstation is vereist om te voldoen aan een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Het voedt hiermee de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit, waarborgt de toegankelijkheid van de regio en draagt hierdoor bij aan sterke en gezonde steden en regio’s.

5.1.2

Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat Het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) is een strategisch plan van de Nederlandse overheid dat zich richt de ontwikkeling van energieen op grondstoffeninfrastructuurprojecten van nationaal belang. Het doel van MIEK is om bij te dragen aan de klimaattransitie en het economische verdienvermogen van Nederland te versterken. Het programma ondersteunt projecten die de overgang naar duurzame energiebronnen bevorderen. Zo wordt geïnvesteerd in de uitbreiding en verbetering van de energie-infrastructuur, zoals elektriciteitsnetwerken en pijpleidingen voor waterstof en CO22. Dit gebeurd door onder andere te investeren in de uitbreiding en modernisering van bestaande hoogspanningsstations om de capaciteit en betrouwbaarheid te vergroten. Zodoende wordt het elektriciteitsnet versterkt om de integratie van hernieuwbare energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie, te faciliteren. Het onderstation draagt bij aan de verbetering van de energie-infrastructuur De vervanging van het onderstation draagt bij om het spoorwegennet toekomstbestendig te maken.

5.1.3 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies, het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

19/54

Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen: • Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1 Bkl); • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl) • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl) • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf

5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl). Voor de instructieregels voor bovenstaande thema’s is een toepassingsbereik bepaald. Het is mogelijk dat een thema niet van toepassing is op een specifieke activiteit.

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels over de uitoefening van taken voorde fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeesters en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen (afdeling 5.3 Bkl).

Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling voorziet in een aanvraag van een buitenplanse omgevingsvergunning. Derhalve dient conform de bestemmingsplanregels (geldend onder het tijdelijke omgevingsplan) verantwoord te worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In voorliggende ruimtelijke motivering wordt in hoofdstuk 6 gedetailleerd ingegaan op de doorwerking van het plangebied op verschillende relevante ruimtelijke- en milieuaspecten.

5.2

Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

20/54

stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een omgevingsvergunning dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien de omgevingsvergunning die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Het doel van de Ladder is derhalve zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voorde toekomstige ruimte-behoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Het onderstation maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het onderstation voorziet in de behoefte om de energie-infrastructuur van sporen duurzaam en efficiënt te realiseren. Dit zorgt voor duurzame en betrouwbare vervoersnetwerken.

5.3

Verhouding tot provinciaal beleid

5.3.1

Omgevingsvisie / Omgevingsverordening Zuid Holland

Zuid-Holland is de toegangspoort van Europa, een transportprovincie bij uitstek met zeer goede fijnmazig en internationale georiënteerde fysieke en digitale infrastructurele netwerken. Het uitgangspunt van de Provincie Zuid-Holland is dat het vervoeren van goederen en mensen zo efficiënt en schoon mogelijk dient plaats te vinden en bij te dragen aan economische ontwikkeling, leefbaarheid en bereikbaarheid. Daarbij vindt de provincie Zuid-Holland de keuze tussen de verschillende modaliteiten weg, water, spoor en buisleidingen van groot belang.

De provincie wil in samenwerking met netbeheerders, medeoverheden en andere partners in het energiesysteem werken aan een toekomstbestendig regionaal energie-infrastructuurnetwerk dat tijdig beschikbaar is voor diverse ontwikkelingen, ruimtelijk is ingepast en efficiënt benut wordt. Dit is essentieel voor het behalen van de energietransitie doelen en de realisatie van ontwikkelingen in diverse vraag- en aanbodsectoren. Gedeputeerde staten hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Herziening 2021 van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland vastgesteld. Hierin zijn zeven vernieuwingsambities geformuleerd: - Samen werken aan Zuid-Holland; - Bereikbaar Zuid-Holland; - Schone energie voor iedereen; - Een concurrerend Zuid-Holland; - Versterken natuur in Zuid-Holland; - Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland; - Gezond en veilig Zuid-Holland. In de tweede vernieuwingsambitie, bereikbaar Zuid-Holland, wordt genoemd dat Provincie Zuid-Holland inzet op onder andere vervoer over het spoor en dat ontwikkelingen duurzaam en in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgewerkt. Het onderstation is nodig voor de bereikbaarheid van de provincie en is vereist voor een duurzaam mobiliteitssysteem.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

21/54

5.4

Verhouding tot gemeentelijk beleid

5.4.1

Omgevingsvisie Den Haag 2050

De omgevingsvisie gaat in op de toekomst van Den Haag op het gebied van bouwen, natuur vervoer, energie en veiligheid. De behoeften van de bewoners van Den Haag zijn omgezet naar zes ambities voorde stad: 2. 3.

4. 5.

6.

7.

Sociaal Den Haag: In 2050 is er in Den Haag plek voor iedereen. Iedereen kan wonen in Den Haag: In 2050 zijn er voldoende huizen voor iedereen die in Den Haag wil wonen. Klimaatbestendig Den Haag: In 2050 is Den Haag een natuurrijke, groene en klimaatbestendige stad. Bruisende Den Haag: In 2050 bruist Den Haag van de energie. Jonge ondernemers krijgen hier een kans om een bedrijf te starten. Creatief talent kan experimenteren met goede ideeën in inspirerende omgevingen. En onderwijsinstellingen, bedrijven en talent kunnen elkaar makkelijker vinden. Gezond en veilig Den Haag: In 2050 zijn we met meer inwoners in de stad maar is alles in de buurt. Zoals winkels, scholen en de sportschool. Op die manier kan iedereen alles lopen en fietsen en hebben we schonere lucht in de stad. Het wordt wel een stuk drukker. Dus zorgen we er met elkaar voor dat iedereen elkaar toch een beetje de ruimte geeft. Zonder auto’s in de woonwijken is het veilig voor kinderen om buiten te spelen. En door brede stoepen kunnen mensen, ook die met een rollator of scoot mobiel, veilig over straat. Duurzaam bereikbaar Den Haag: In 2050 is Den Haag bereikbaar voor iedereen.

Het onderstation draagt bij aan een duurzaam mobiliteit systeem. Dit sluit aan bij de omgevingsvisie van Den Haag voor 2050 om Den Haag op een duurzame manier bereikbaar te maken voor iedereen.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

22/54

6

Omgevingsaspecten

De gevolgen voor het milieu en de omgeving vormen een belangrijke afweging voor het toelaten van ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd met het omgevingsplan zijn. Het volgende hoofdstuk gaat in op de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu, en de te verwachten effecten van het beoogde project.

6.1

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

6.1.1

Toetsingskader In verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet bij het toelaten van een nieuwe functie worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de fysieke leefomgeving optreden.

6.1.2 Onderzoek Verkeer Naar aanleiding van het planvoornemen zal de verkeersgeneratie naar verwachting niet veranderen. Een eventuele toename van de verkeersgeneratie wordt derhalve verwaarloosbaar geacht. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van het onderstation en overige ondersteunende voorzieningen binnen het plangebied. Tijdens onderhavige werkzaamheden ten behoeve van de plaatsing van het onderstation zal wel (tijdelijk) sprake zijn van een toename van de verkeersgeneratie. Dit betreft onder meer vracht- en werkverkeer. Gelet op de tijdelijkheid van deze verkeersgeneratie zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht opleveren. Parkeren Het onderstation betreft een bedrijfsmatige functie. Van vaste werknemers of verblijvende personen is echter geen sprake. Incidenteel zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte welke zich verhoudt tot bovengenoemde incidentele verkeersbewegingen ten behoeve van het onderhoud, controle en beheer van het onderstation. Er zijn drie parkeerplaatsen ingepast. Deze parkeerplaatsen zijn nodig voor monteurs, die enkele keren per jaar voor onderhoud en beheer langskomen of voor eventueel storingsherstel.

6.1.3

Conclusie Voor wat betreft het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren, worden er drie parkeerplaatsen ingepast. Deze parkeerplaatsen zijn nodig voor monteurs, die langskomen voor onderhoud en beheer van het onderstation.

6.2

Milieueffectrapportage

6.2.1 Toetsingskader Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een merbeoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

23/54

van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

6.2.2 Conclusie Het planvoornemen voorziet in de aanleg van een onderstation. Deze activiteit komt niet terug in bijlage V van het omgevingsbesluit. Bovendien worden geen aanzienlijke milieueffecten verwachten. Het opstellen van een mer-beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

6.3

Omgevingsveiligheid

6.3.1

Toetsingskader Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.

Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)

2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties) 3.

Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)

Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl.

Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:

•

activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;

• •

het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

•

windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voorde volgende risicobronnen: • opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4).

• •

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5). exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5).

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

24/54

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 6-contour van een activiteit vallen.

Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied;

2. explosieaandachtsgebied; 3.

gifwolkaandachtsgebied.

Brandveiligheid In de besluit veiligheidsregio ’s, met het daarbij horende Besluit veiligheidsregio’s, worden eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. In de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, een uitgave van Brandweer Nederland, worden eisen gesteld voor de bereikbaarheid voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. Wegen die zijn aangewezen als hoofd- of subaanrijdroute moeten te allen tijde voor brandweervoertuigen goed toegankelijk en berijdbaar zijn.

6.3.2 Onderzoek Voor beperkt kwetsbare, kwetsbaar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl). Voor wat betreft de bereikbaarheid wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. Er bestaat geen aanleiding voor aanvullende voorwaarden. Daarnaast vormt brandveiligheid geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.3.3 Conclusie Voor de bouw van het onderstation heeft het aspect omgevingsveiligheid geen consequenties. Er worden geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Het terrein van het onderstation is afgeschermd met een hoge geluidswal. Er is een buisleiding aanwezig in de omgeving van het onderstation. Zie de uitsnede van de Risicokaart in onderstaand figuur. Deze buisleiding ligt op voldoende afstand van het onderstation en vormt geen belemmering of risico. Dus omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

25/54

> 5

9

6® sa"

)

-S°

\

9o

0o3>

\ 2 ■

\

20001,0, 2 ë

D

>5-/

23•K 95c

Q #

632aS

9.

Aa

22

-69

Figuur 6-1: Uitsnede www.risicokaart.nl, rode stippellijn weergeeft de buisleiding en in blauw de projectlocatie

6.4

Activiteiten en milieuzonering

6.4.1

Toetsingskader Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:

1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan én gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd.

Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woonen leefomgeving.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

26/54

Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.

6.4.2

Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het projectgebied. Het plan voorziet niet in wijziging in gebruik en het nieuw te bouwen onderstation komt niet dichter bij de betreffende woningen te liggen. Er wordt geen negatief effect ten opzichte van de bestaande situatie voorzien, waardoor het geen afbreuk doet aan een goede ruimtelijke ordening. Bovendien moet een nieuw onderstation voldoen aan de huidige milieunormen. Nieuwe transformatoren zijn stiller dan oude transformatoren, omdat de milieueisen van deze objecten steeds strenger zijn geworden. Met de plaatsing van het onderstation is er geen sprake van de toevoeging van milieugevoelige functies of een milieubelastende functie. Geconcludeerd wordt dat het aspect activiteiten en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

6.4.3

Conclusie Voor wat betreft het activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5

Geluid

6.5.1

Toetsingskader Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1,4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woonen leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoorwegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

27/54

6.5.2 Onderzoek Voor de bouw van het onderstation zijn geen aanpassingen aan het spoor noodzakelijk. Daarnaast vindt er ook geen reconstructie plaats van omliggende wegen. Ook worden er geen nieuwe geluidsgevoelige objecten geplaatst. Geluidonderzoek in het kader van is derhalve niet noodzakelijk.

6.5.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.6

Bodem

6.6.1

Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voorde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voorde toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

6.6.2

Onderzoek

Om te bepalen of de te realiseren functie (bedrijfsfunctie in de vorm van een onderstation) mogelijk is op de ter plaatse aanwezige bodemkwaliteit is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In dit bodemonderzoek is de aanwezige bodemkwaliteit onderzocht en is bekeken of er sprake is van ernstige bodemverontreinigingen die gesaneerd dienen te worden. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat: de ondergrond ter plaatse van het onderstation licht verhoogde gehalten koper, kwik, lood, zink en PAK zijn aangetroffen maar de grond geschikt is voor de klasse 'Wonen'. Het realiseren van een bedrijfsfunctie in de vorm van een onderstation is op deze bodemkwaliteit dan ook mogelijk aangezien de eisen voor 'Wonen' strenger zijn dan die voor een bedrijfsfunctie; er geen ernstige bodemverontreinigingen zijn aangetroffen die gesaneerd dienen te worden; er geen grondwaterverontreinigingen zijn gevonden. Voor meer gedetailleerde informatie over het bodemonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7 van deze motivering.

6.6.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.7

Water

6.7.1

Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van de ontwikkeling op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

28/54

het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is.

6.7.2 Onderzoek In deze paragraaf zijn de effecten van de bouw op de waterhuishouding beschreven. Het gemeentelijk beleid (en visie) qua water staat beschreven in het Waterplan Den Haag 2016- 2020. Er heeft een actualisatie plaatsgevonden van de wateragenda voor 2021-2025. Dit plan is een gezamenlijk product van de gemeente Den Haag en Hoogheemraadschap Delfland. Het waterplan vormt het lokale beleids- en toetsingskader voor gemeentelijke bestemmingsplannen, de waterparagraaf. De belangrijkste uitgangspunten voor de omgang met water, die in het Waterplan worden beschreven zijn:

1. Duurzaam schoon en gezond water; 2. Aantrekkelijk water; 3.

4.

Veilig en beheerst water; Bewust van Haags water.

Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft verdere eisen waaraan ontwikkelingen moeten voldoen met betrekking tot de omgang met water. Alle regels zijn terug te vinden in de Keur en algemene regels van het hoogheemraadschap van Delfland. Onderdeel van de Keur is de Legger. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.

Grondwatervisie De grondwatervisie van het Hoogheemraadschap van Delfland is gericht op een duurzaam beheer van grondwater. Dit betekent evenwicht tussen het benutten en beschermen van grondwater. Grondwater mag worden benut, maar onomkeerbare schade moet worden voorkomen. Delfland richt zich op het voorkomen en oplossen van grondwaterproblemen, maar heeft beperkte mogelijkheden en bevoegdheden. Samenwerken is nodig om te komen tot integrale en kosteneffectieve oplossingen. Gegevens, informatie en kennis zijn beschikbaar en worden gedeeld. Gezien er bij de aanleg geen bemaling zal worden toegepast zijn er weinig gevolgen voor het grondwater. Bij voorkeur wordt het hemelwater dat in het projectgebied valt hoofdzakelijk geïnfiltreerd in de ondergrond zodat het grondwater wordt aangevuld.

Hemelwaterbeleid In het Bouwbesluit 2012 is in artikel 6.18 aangegeven dat de perceel eigenaar de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de opvang van hemelwater. Gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland gebruiken de watersleutel van Delfland om te bepalen of en hoeveel compensatie nodig is aan de hand van de hoeveelheden groen, verhard of half verhard oppervlak. Hemelwater dat afstroomt van nieuw verhard oppervlak wordt in principe niet meer aangesloten op het gemengde rioolstelsel, maar geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar oppervlaktewater volgens het principe “vasthouden, bergen en dan pas afvoeren”. Projectsituatie onderstation

Waterveiligheid In en rond het gebied waarbinnen het onderstation wordt gerealiseerd bevinden zich geen regionale of primaire waterkeringen of de daarbij behorende beschermingszones. Duiker

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

29/54

Aan de zuidzijde van het projectgebied loopt een open duiker. Het valt onder de groep ‘ondersteunend kunstwerk’, dat dienstbaar is aan de functie of werking van een waterstaatswerk of het functioneren van het watersysteem.

De duiker verbindt twee watervoerende delen met elkaar die zich ten oosten en westen van het plangebied bevinden. De bestaande duiker zal verlegd worden van de zuidzijde naar de noordzijde aangezien deze in conflict komt met het nieuwe onderstation. Oppervlaktewater De oppervlaktewaterlichamen, die de duiker met elkaar verbindt, hebben een breedte van 4.5 meter inclusief de beschermingszone. Beschermingszones zijn onderdeel van waterstaatswerken en daarover wordt in de Keur het volgende omschreven: • Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld. Het bouwplan toont aan dat het ontwerp buiten de beschermingszones van de oppervlaktewaterlichamen wordt geplaatst. Echter mag er binnen deze beschermingszone ook niet zonder vergunning gewerkt worden. Daarmee dient in de uitvoering rekening gehouden te worden.

Grondwater Voor het realiseren van het onderstation is het (tijdelijk) onttrekken van grondwater niet noodzakelijk. Het project heeft derhalve geen gevolgen voor de grondwatersituatie. Hemelwater Het hemelwater wordt deels opgevangen door het dak van het huidige onderstation en deels valt het direct op het maaiveld. Via de dakgoten van het huidige onderstation stroomt het water naar het maaiveld waarna het in de bodem infiltreert.

Het onderstation in de huidige situatie beslaat een oppervlak van circa 400 m2. Het omliggende terrein bestaat voornamelijk uit onverhard (gras) en halfverhard (grind) materiaal. Het nieuwe onderstation beslaat een oppervlakte van 158 m2 en heeft eveneens een omliggend terrein bestaande uit onverhard (gras en zand) en halfverhard (grasklinkers) materiaal. Het uitgangspunt van afname verhard oppervlak van het onderstation is circa 242 m2. Uit een eerste berekening met de watersleutel blijkt dat er geen compensatie nodig is voor de toename van verhard oppervlak. Het hemelwater wordt deels opgevangen door het dak van het te realiseren onderstation. Dit dak zal worden uitgevoerd als een sedum dak, wat het water beter vasthoudt en absorbeert. Bij de aanleg van dakgoten dient het gebruik van uitlogende materialen te worden vermeden, zodat de waterkwaliteit van het hemel- en grondwater in de toekomstige situatie niet verslechtert. Het hemelwater dat op het dak valt, wordt via afvoerpijpen langs het onderstation naar beneden geleid. Middels een infiltratievoorziening (bijv, grindsleuven) rondom het onderstation op het desbetreffende perceel in eigendom infiltreert het water in de bodem. Grindsleuven dienen een ontlastpunt te hebben en te zijn ontworpen conform eisen.

Het hemelwater dat op het omliggende terrein valt, infiltreert deels in de waterdoorlatende verharding (grastegels) en wordt deels afgevoerd middels afstroming naar de omliggende gronden waar het hemelwater infiltreert. Er treden hierdoor geen effecten op in het watersysteem.

Waterketen Het realiseren van het onderstation heeft geen gevolgen voor de afvoer van afvalwater. Voor een onderstation vindt geen afvoer van afvalwater plaats daar het een onbemenste ruimte is zonder toilet en watervoorzieningen. Het onderstation behoeft dan ook niet aangesloten te worden op de riolering.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

30/54

6.7.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.8

Natuur en landschap

6.8.1

Toetsingskader Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voor-toets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Soortenbescherming Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een vergunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zoals beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15241691/1