RIS319849 Bijlage 1 Armoedemonitor 2023
Tekst van het document
Armoedemonitor
CBS onderzoek naar Haagse minimahuishoudens en het gebruik van gemeentelijke minimaregelingen
Datum
Opdrachtnaam
Status
Najaar 2023
Armoedemonitor
definitief
Versie
Opdrachtgever
1.2
Dienst SZW / afdeling Beleid, onderzoek & projecten
Auteur
Team onderzoek, uitvoering onderzoek door CBS
Opdrachtnummer
nvt
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Inhoudsopgave
Samenvatting
3
1 Inleiding
6
2 Den Haag in vogelvlucht
8
2.1 2.2
Terugblik op de afgelopen jaren Armoede in Den Haag
8 9
2.2.1 Haagse huishoudens met een laag inkomen
9
2.2.2 Haagse minimahuishoudens
10
2.2.3 Toekomstverwachtingen
11
3 Haagse minimahuishoudens in beeld 3.1
Haagse minimapopulatie als geheel
12 12
3.1.1 Primaire bron van inkomsten
12
3.1.2 Huishoudsamenstelling
13
3.1.3 Leeftijd hoofdkostwinner
14
3.1.4 Migratieachtergrond
16
3.1.5 Opleidingsniveau
16
3.1.6 Toeslagengebruik
16
3.1.7 Problematische schulden
16
3.1.8 Gebruik van Wmo, zorgkosten en gezondheid
16
3.1.9 Concentraties van armoede
18
3.2
19
Groepen minima nader belicht
3.2.1 Langdurige minimahuishoudens
19
3.2.2 Kinderen in minimahuishoudens
20
3.3
21
Minimahuishoudens door de jaren heen
4 Bereik van Haagse minimaregelingen 4.1 4.2
Verzamelbereik Bereik van de verschillende minimaregelingen
22 22 24
4.2.1 Ooievaarspas
24
4.2.2 Leergeld Den Haag
24
4.2.3 Individuele inkomenstoeslag
25
4.2.4 Haagse zorgverzekering
26
4.2.5 Bijzondere bijstand
27
4.2.6 Vergoeding langdurig zieken en gehandicapten
28
4.2.7 Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
29
4.3 4.4
30 31
Groepen minima nader belicht Bereik door de jaren heen
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2
32 Tabellen Literatuur
33 42
2/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Samenvatting Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag sinds 2017 vast wat de omvang en kenmerken zijn van de Haagse minimapopulatie en wat het bereik is van de gemeentelijke regelingen voor deze groep. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen onder de gestelde grenzen in de Participatiewet. De meest recente beschikbare gegevens over minimahuishoudens gaan over 2021. Deze samenvatting beschrijft de groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Dat was in 2021 de inkomensgrens van veel Haagse regelingen. Per 2024 is de inkomensgrens voor diverse regelingen verruimd naar 150 procent van het sociaal minimum. Dalende trend van minimahuishoudens In 2021 telt Den Haag 42.100 minimahuishoudens. Hiermee behoort bijna 1 op de 6 huishoudens tot de Haagse minima. Het aantal minimahuishoudens nam de afgelopen jaren af. Vergeleken met 2017 zijn er 3.500 minimahuishoudens minder. Dat komt neer op een daling van 2 procentpunt. In de andere grote steden en landelijk daalde het percentage huishoudens met een laag inkomen eveneens. Groep kinderen in minimagezinnen daalt eveneens In 2021 groeien 17.600 Haagse kinderen van 0 tot 18 jaar op in een gezin met een laag inkomen en weinig vermogen. Minimaregelingen zijn bedoeld voor de 13.600 kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar.
Dat is 17 procent van alle kinderen in deze leeftijdscategorie. De afgelopen jaren daalde het aantal kinderen dat opgroeit in een minimagezin. In 2017 ging het nog om 15.200 kinderen: ruim 19 procent van alle Haagse kinderen van 4 tot 18 jaar. Deze kinderen groeien vaker dan andere kinderen op in een eenoudergezin, in huishoudens met problematische schulden of met hoge zorgkosten (wijzend op gezondheidsproblemen binnen het gezin). Tot slot zijn ze vaker dan andere kinderen bekend bij Jeugdzorg. Dit beeld is de afgelopen jaren onveranderd. Concentraties van armoede in Centrum, Escamp en Laak De meeste Haagse minima wonen in de stadsdelen Centrum en Escamp, gevolgd door Laak. De top vijf wijken met het hoogste percentage minimahuishoudens zijn de Schildersbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. Armoederisico opnieuw het hoogst bij uitkering en bij pensioen De meeste minimahuishoudens leven van een bijstands- of andere uitkering. Een kwart ontvangt een pensioen en circa een vijfde heeft inkomsten uit werk. Net als in voorgaande jaren is het risico op armoede verreweg het hoogst onder huishoudens met een bijstandsuitkering. Van alle huishoudens met een andere uitkering dan bijstand, of een pensioen leeft respectievelijk de helft tot een kwart van een laag inkomen.
Huishoudens met inkomsten uit werk hebben een veel lager risico op armoede, vooral als zij inkomsten uit loondienst hebben. Desondanks telt Den Haag 8.000 minimahuishoudens met primair inkomsten uit werk. De meerderheid van de Haagse minima is alleenstaand. Toch groeien in een kwart van de minimagroep kinderen op. Vooral eenoudergezinnen hebben een hoog armoederisico. Ruim vier van elke tien eenoudergezinnen met kinderen onder de 18 behoort tot de minima. Het armoederisico is ook relatief hoog onder huishoudens met een kostwinner tot 24 jaar. Hoewel zij een klein deel van de minimagroep vormen, gaat het in omvang om circa 1.500 huishoudens. Het armoederisico van huishoudens met oudere hoofdkostwinners (65+) is minder sterk verhoogd maar in omvang is deze groep met 11.200 huishoudens vele malen groter.
3/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
De samenstelling van de groep minimahuishoudens bleef door de jaren heen min of meer hetzelfde. Vergeleken met 5 jaar geleden, zien we enkele kleine veranderingen met als meest in het oog springende de (lichte) afname met minima met bijstand en inkomsten uit werk en een (lichte) toename van minima met een pensioen. Het aandeel van oudere hoofdkostwinners (65+) steeg overeenkomstig terwijl het aandeel van jongere hoofdkostwinners (18 tot 45 jaar) iets afnam. Opnieuw vaker schulden, hoge zorgkosten en een slechtere gezondheid Minimahuishoudens hebben vaker problematische schulden dan huishoudens met een hoger inkomen. Ook hebben ze vaker (langdurig) hoge zorgkosten en vaker een Wmo-indicatie. Het percentage minima in deze potentieel kwetsbare situatie is de afgelopen jaren min of meer stabiel. Onderzoek van de GGD Haaglanden wijst op grote verschillen in gezondheid tussen Hagenaars die wel en niet in wijken wonen waar minima zijn oververtegenwoordigd en tussen Hagenaars die wel en niet goed kunnen rondkomen. Minder langdurige minima, aandeel in minimagroep neemt wel toe In 2021 leven 30.100 huishoudens 3 jaar of langer van een laag inkomen. Dit aantal daalde de afgelopen jaren. Binnen de groep minimahuishoudens neemt hun aandeel wel toe, namelijk van 67 procent in 2017 tot 71 procent in 2021.
Langdurige minima komen vaker rond van bijstand of pensioen dan minima die korter leven van een laag inkomen. Ook hebben ze vaker een oudere kostwinner (65+), vaker hoge zorgkosten en vaker een Wmoindicatie. Ze hebben daarentegen minder vaak problematische schulden. Verzamelbereik blijft stabiel Vergeleken met 2020 bleef het verzamelbereik van de gemeentelijke minimaregelingen in 2021 stabiel. In beide jaren lag het verzamelbereik op 79 procent onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum (zie onderstaande figuur). Verzamelbereik en bereik gemeentelijke minimaregelingen 2017 -2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020
4/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
De figuur op de vorige pagina geeft het bereik van de verschillende regelingen weer, daarbij rekening houdend met geldende inkomensgrenzen en andere criteria. Net als het verzamelbereik is het bereik van de meeste minimaregelingen min of meer stabiel met enige schommelingen in de tijd. De meest in het oog springende zijn de (lichte) daling van het bereik van de Ooievaarspas, de Haagse zorgverzekering1 en de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen ten opzichte van eerdere jaren. Het bereik van de inkomenstoeslag steeg (licht) tot 2020 en stagneerde erna. Onder minima met bijstand, eenoudergezinnen, langdurige minima en bijvoorbeeld minimahuishoudens met hoge zorgkosten is het bereik relatief hoog. Onder andere groepen, zoals jongeren (tot 24), minima met inkomsten uit loondienst en vooral minima met inkomsten uit een eigen bedrijf ligt het bereik van de verschillende minimaregelingen lager. Toekomstverwachtingen Minimahuishoudens hebben een laag inkomen én weinig vermogen. Het CBS publiceerde onlangs voorlopige gegevens over Haagse huishoudens met een laag inkomen in 2022, ongeacht vermogen. Het percentage huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum daalde licht ten opzichte van 2021. Het percentage huishoudens met een lager inkomen, rond of net boven het sociaal minimum nam marginaal toe.
Het CPB (2023) verwacht dat de armoede landelijk na 2022 constant is gebleven. Maatregelen als de energietoeslag, de verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppelde uitkeringen spelen hierbij een rol, naast de verhoging van de huurtoeslag, het kindgebonden budget en de arbeidskorting in 2024. Als gevolg van de maatregelen verbetert de koopkracht van veel huishoudens in 2024. Alleenstaanden met een laag inkomen hebben echter te maken met een koopkrachtdaling volgens het Nibud (2024). Dit als gevolg van het wegvallen van de energietoeslag in 2024. Het CPB gaat in de prognoses van armoede uit van de zogenoemde niet-veel-maartoereikend-inkomensgrens. Deze inkomensgrens houdt rekening met benodigd budget voor basisbehoeften en sociale participatie. De gemeente Den Haag gaat niet uit van een benodigd budget maar van een inkomensgrens afgeleid van het sociaal minimum. Daarnaast wordt een maximum aan vermogen gehanteerd. Hoewel nog niet bekend is hoeveel Haagse huishoudens er zijn na 2022 met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum (én weinig vermogen) zijn er weinig redenen om aan te nemen dat de ontwikkeling van armoede in Den Haag sterk zal afwijken van de prognoses van het CPB.
1
De Haagse zorgverzekering is toegankelijk voor minima met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum. Omdat de gemeentelijke bijdrage aan de zorgpremie het hoogst is voor minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum, is het bereik bij die inkomensgrens weergegeven.
5/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
1 Inleiding Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag sinds 2017 vast wat de omvang en kenmerken zijn van de Haagse minimapopulatie en wat het bereik is van de gemeentelijke minimaregelingen onder deze groep. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en weinig vermogen. Het CBS stelt het inkomen en vermogen vast aan de hand van gegevens van de Belastingdienst, De meest recente gegevens beschikbaar gaan over het kalenderjaar 2021. Het CBS heeft wel gegevens beschikbaar over huishoudens met een laag inkomen in 2022, ongeacht het vermogen. Deze gegevens komen ook aan de orde. Achtergronden De gemeente Den Haag ondersteunt minimahuishoudens met verschillende regelingen, gericht op het verbeteren van de inkomenspositie en het stimuleren van maatschappelijke participatie (zie tabel 1). Onderstaande tabel geeft per regeling de aanvraagcriteria weer zoals die golden in 2021, het jaar dat centraal staat in deze Armoedemonitor. Per 2024 is de inkomensgrens van diverse regelingen verruimd tot 150 procent van het sociaal minimum. Zowel in 2021 als in 2024 geldt dat het vermogen niet hoger mag zijn dan de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. Zie voor de normbedragen: Hoogte bijstand en vergoedingen - Den Haag. Tabel 1: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2020 Soort regeling Ooievaarspas
Kindpakket van Leergeld Den Haag Haagse zorgverzekering Individuele inkomenstoeslag Vergoeding voor langdurig zieken en gehandicapten Bijzondere bijstand
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
Inkomens- en vermogensgrens* 130 procent van het sociaal minimum
130 procent van het sociaal minimum Kind in huishouden van 4 tot 18 110 tot 150 procent van het sociaal minimum 110 procent van het sm 36 maanden of langer 21 jaar tot AOW-leeftijd 150 procent van het sociaal minimum Inkomen rond het sociaal minimum en hoge noodzakelijke uitgaven** Vanaf 21 jaar Laag inkomen Onvoldoende betalingscapaciteit Vermogensgrens strikter*
Omschrijving regeling De Ooievaarspas biedt korting op activiteiten het gebied van sport, cultuur en recreatie. De meeste activiteiten zijn gratis of worden met korting aangebonden. Ook is er met de pas gratis openbaar vervoer voor mensen vanaf de AOW-leeftijd, korting op voetverzorging voor ouderen en bijvoorbeeld goedkope warme maaltijden voor Haagse AOW-ers en mensen met een beperking. Leergeld Den Haag biedt regelingen voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Het gaat onder meer om de schoolspullenpas, speelgoedbon, winterkledingpas, Squla-thuisabonnementen, computers, telefoons, fietsregelingen en HTM abonnementen. De Haagse zorgverzekering wordt aangeboden door VGZ. Er is een keuze tussen een compact en uitgebreid pakket met onder meer dekking van eigen risico. De gemeente draagt bij aan de premie (hoogst bij 110 procent sociaal minimum). Aanvulling op het huishoudinkomen om grote noodzakelijke uitgaven te doen. Vergoeding van 125 euro per jaar voor langdurig zieken en mensen met een beperking met een Wmo-beschikking, zorgindicatie van het CIZ of van wijkverpleegkundige. Tegemoetkoming voor noodzakelijke en onverwachte kosten, die niet op een andere manier zijn te betalen. Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, zoals afvalstoffenheffing en hondenbelasting.
Bron: gemeente Den Haag * vermogen tot de gestelde grens in de Participatiewet (strikter bij kwijtscheldingen) ** per aanvraag beoordeeld
6/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Werkwijze en beperkingen Het CBS stelt vast hoeveel Haagse huishoudens een inkomen hebben tot en met 105, 110, 130 en 150 procent van het sociaal minimum en een vermogen tot de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. Het CBS baseert zich zoals gezegd op gegevens van de Belastingdienst over het kalenderjaar 2021. Deze gegevens zijn voorlopig. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle particuliere huishoudens met een volledig jaarinkomen en kinderen in particuliere huishoudens, ingeschreven in de gemeente Den Haag op peilmoment 1 januari 2021. Particuliere huishoudens zonder volledig jaarinkomen, studentenhuishoudens en institutionele huishoudens blijven hier dus buiten beschouwing. De onderzoekspopulatie bestaat hiermee uit 243.100 huishoudens van in totaal 261.800 particuliere huishoudens (93 procent, CBS 2023e). De minimapopulatie is afgezet tegen deze onderzoekspopulatie. De gemeente levert gegevens aan het CBS over gebruikers van minimaregelingen. Het CBS stelt het bereik van de minimaregelingen vast door het gebruik onder minimahuishoudens af te zetten tegen het totaal aantal rechthebbende minimahuishoudens binnen de onderzoekspopulatie. Bij het vaststellen van het bereik is zoveel mogelijk rekening gehouden met de gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
Zo is uitgegaan van de geldende inkomens- en vermogensgrenzen en andere instroomcriteria zoals leeftijd van kinderen en de duur van armoede. Desondanks zijn er enkele beperkingen. Zo kunnen zich onder de huishoudens die buiten de onderzoekspopulatie vallen rechthebbende huishoudens bevinden (die al dan niet gebruik maken van een minimaregeling). Ook zijn er enkele afwijkingen in de berekeningen van het inkomen en het vermogen door het CBS en wordt in de uitvoeringspraktijk niet altijd uitgegaan van het inkomen per kalenderjaar waar het CBS wel van uit gaat. Tot slot telt het CBS het inkomen en vermogen van alle huishoudleden mee, terwijl de gemeente alleen naar het inkomen van de aanvrager en een eventuele partner kijkt. Kort gezegd is waar mogelijk rekening gehouden met geldende criteria voor toekenning van minimaregelingen maar kan het voorkomen dat rechthebbende huishoudens, al dan niet gebruikmakend van een minimaregelingen, buiten beschouwing blijven in deze Armoedemonitor. Leeswijzer Dit rapport beschrijft de belangrijkste bevindingen van de tabellen van het CBS die zijn te raadplegen via Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2021 (cbs.nl). Daarnaast is een dashboard beschikbaar via Armoedescan (cbs.nl). Bij de opzet van dit rapport en eerdere monitoren heeft de Amsterdamse Armoedemonitor gediend als waardevolle bron van inspiratie (zie Ahamiame et al 2019, 2021).
Hoofdstuk 2 beschrijft kort de economische situatie in Den Haag, gaat in op het aantal huishoudens met een laag inkomen en op het aantal huishoudens met een laag inkomen én weinig vermogen. Dit is de groep minimahuishoudens die aanspraak kan doen op gemeentelijke regelingen. In de hoofdstukken erna staan minimahuishoudens centraal. Hoofdstuk 3 beschrijft de omvang en kenmerken van de minimapopulatie en hoofdstuk 4 bespreekt het bereik van de gemeentelijke minimaregelingen.
7/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
2 Den Haag in vogelvlucht
2.1
Terugblik op de afgelopen jaren
De jaren 2021 en 2022 lieten een goed herstel zien van de coronacrisis. Landelijk groeide de economie in 2021 met 6,2 procent en in 2022 met 4,3 procent (CPB 2023a). Het groeicijfer in de agglomeratie Den Haag was met 3,6 procent over 2021 lager. Daarentegen was de krimp in 2020 ook minder diep dan landelijk. Het groeicijfer over 2022 van 4,2 procent was vrijwel gelijk aan het landelijke cijfer (CBS 2023a). De tweede helft van 2022 kantelde het economische beeld in Nederland. De oorlog in Oekraïne en daaruit voortvloeiende energiecrisis, snel oplopende inflatie en snelle renteverhogingen van centrale banken hadden grote gevolgen voor huishoudens en bedrijven. De hogere prijzen zetten extra druk op consumptie en de investeringen van bedrijven liepen terug als gevolg van rentestijgingen. Daarnaast stopte eerdere inhaal van door de coronacrisis uitgestelde consumptie (CPB 2023b). In 2023 kwam de Nederlandse economie volledig tot stilstand. In de komende jaren volgt geleidelijk herstel. Naar verwachting groeit de economie in 2024 met 0,3 procent en in 2025 met 1 procent (DNB 2024). Actuele gegevens over de agglomeratie Den Haag zijn nog niet beschikbaar. Het CPB concludeert in de Macro Economische Verkenningen over 2024 dat de Nederlandse economie ondanks bovengenoemde ‘schokken’ tot veerkrachtig is gebleken, geholpen door het steunbeleid van de overheid.
De arbeidsmarkt blijft krap, zich uitend in hogere lonen en een recordaantal mensen met een baan (CPB 2023b). Dezelfde ontwikkelingen zijn terug te zien in de regio Den Haag. De arbeidsmarkt in de regio Haaglanden is zeer krap. Na een dip als gevolg van de coronacrisis nam de spanning sterk toe in de jaren erna (UWV 2023). De werkloosheid in Den Haag nam af van 6,2 procent in 2021 naar 4,7 procent in 2022. Waar het tweede kwartaal van 2023 nog een verdere daling liet zien, liep het percentage met 5,2 procent licht op in het derde kwartaal (CBS 2023b). Dat is voor Den Haag nog steeds bijzonder laag over een periode van tien jaar bezien. Ook het aantal WW-uitkeringen daalde de afgelopen jaren. Oktober 2023 ontvangen 5.080 Hagenaars een WW-uitkering; dat zijn er weliswaar iets meer dan een jaar eerder maar fors minder dan in de coronaperiode en in de jaren ervoor (UWV 2023). Ook het aantal bijstandsuitkeringen liep sterk terug (CBS 2023c). De netto arbeidsparticipatie in Den Haag nam toe naar 67,4 procent in 2022 en bereikte daarmee het hoogste niveau van de afgelopen 10 jaar. In 2023 steeg de netto arbeidsparticipatie nog verder naar rond de 69 procent. De netto arbeidsparticipatie is in Den Haag wel lager dan landelijk en dan in de andere grote steden, met name Amsterdam en Utrecht (CBS 2023b, CBS 2023d).
Overeenkomstig met de verslechtering van het economische beeld in de tweede helft van 2022, daalde in Nederland de koopkracht in 2022 met 1,2 procent door de hoge inflatie. In de voorliggende jaren steeg de koopkracht, ook tijdens de coronacrisis. Alleen in de recessie in de jaren 80 en de economische crisis van 2009-2013 daalde de koopkracht met meer dan 1 procent (CBS 2023g). Zonder compenserende maatregelen als de energietoeslag voor huishoudens met een laag inkomen en een korting op de energierekening voor alle huishoudens met een kleinverbruikaansluiting was het doorsnee koopkrachtverlies in de gehele bevolking groter geweest. Onder het deciel huishoudens met de laagste inkomens steeg de koopkracht zelfs als gevolg van de energietoeslag (CBS 2023g). In de gemeente Den Haag is in 2022 ruim 50.000 keer een energietoeslag uitgekeerd van 1.900 euro. In 2023 konden huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum aanspraak doen op een energietoeslag van €800,-. Huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum konden een bedrag van 400 euro aanvragen.
8/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
2.2
Armoede in Den Haag
2.2.1
Haagse huishoudens met een laag inkomen
Het CBS rapporteert over huishoudens met een laag inkomen door het huishoudinkomen te relateren aan het sociaal minimum. Zo is aan te sluiten bij de inkomensgrenzen van de gemeente, hoewel het CBS hier géén rekening houdt met het vermogen van huishoudens. De meest recente beschikbare gegevens gaan over het jaar 2022 en zijn voorlopig. In 2022 telde Den Haag 37.900 tot 50.800 huishoudens met een inkomen van 110 procent, dan wel tot 130 procent van het sociaal minimum. Dat komt neer op 15,4 tot 20,6 procent van alle Haagse huishoudens. Het percentage huishoudens met een inkomen tussen de 110 en 130 procent van het sociaal minimum daalde licht, terwijl er een marginale toename te zien is van het percentage huishoudens met een lager inkomen. Door de jaren heen daalt het percentage huishoudens met een laag inkomen, hoewel de daling de afgelopen twee jaar minder sterk was dan daarvoor en in 2022 zoals gezegd uitblijft bij huishoudens met een inkomen rond of net boven het sociaal minimum (CBS 2023e, zie figuur 2.1). Figuur 2.1: Haagse huishoudens met een laag inkomen, ongeacht vermogen (diverse inkomensgrenzen in 2011-2022 (percentages)
Bron: CBS 2023f * cijfers over 2022 zijn voorlopig Vergelijking met Nederland en andere gemeenten Het Haagse percentage huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum ligt hoger dan het landelijke percentage. Het percentage is in 2022 min of meer gelijk aan dat in Amsterdam, lager dan in Rotterdam en hoger dan in Utrecht. Zowel landelijk als in de grote steden is door de jaren heen een dalende trend te zien van het percentage huishoudens met een laag inkomen (zie figuur 2.2).
9/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 2.2: Huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum in Nederland en de G4, ongeacht vermogen in 2011-2022 (percentages)
Bron: CBS 2023f * cijfers over 2022 zijn voorlopig Het percentage huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum is het hoogst in de gemeente Heerlen (24,3 procent), gevolgd door Rotterdam (23,8 procent), Vaals (22,2 procent), Kerkrade (21,7 procent) en Enschede (21,5 procent). De gemeenten Amsterdam en Den Haag zien we terug op een 8e en 10e plaats. Bij lagere inkomensgrenzen, zien we de Den Haag wel terug in de top 5. Uitgaande van een inkomensgrens rond het sociaal minimum, is het percentage armoede onder huishoudens het hoogst in Rotterdam, gevolgd door Amsterdam en Den Haag (CBS 2023f). 2.2.2
Haagse minimahuishoudens
Minimahuishoudens hebben een laag inkomen met de huishoudens uit de vorige paragraaf gemeen, maar hebben óók weinig vermogen. Ten tijde van het opstellen van deze Armoedemonitor, gingen de meest recente cijfers van het CBS over Haagse minimahuishoudens over 2021. Den Haag telt dan 32.700 tot 42.100 minimahuishoudens (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Dat komt neer op 13,5 tot 17,4 procent van alle Haagse huishoudens. Ten opzichte van 2020 en de jaren ervoor daalden het aantal en percentage minimahuishoudens (zie figuur 2.3).
10/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 2.3: Haagse minimapopulatie 2017-2021. Links 110 procent sociaal minimum en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020
2.2.3
Toekomstverwachtingen
Het CPB verwacht dat de armoede in 2023 op hetzelfde niveau is gebleven als in 2022. Het CPB gaat hierbij uit van het aantal personen met een inkomen onder de niet-veel-maartoereikend-inkomensgrens2. Deze inkomensgrens houdt rekening met benodigd budget voor basisbehoeften en sociale participatie. Dat het percentage personen in armoede constant is gebleven, hangt samen met maatregelen als de energietoeslag, de verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppelde uitkeringen. Door aanvullende maatregelen zoals de verhoging van de huurtoeslag, kindgebonden budget en de arbeidskorting, blijft de armoede volgens het CPB in 2024 gelijk aan 2023 (CPB 2023). In 2024 gaat de koopkracht van veel huishoudens er op vooruit. Er zijn echter ook huishoudens die een koopkrachtdaling kennen. Met name alleenstaanden met een laag inkomen gaan er als gevolg van het wegvallen van de energietoeslag in 2024 op achteruit volgens het Nibud (2024). De gemeente Den Haag gaat uit van huishoudens, hanteert een inkomensgrens afgeleid van het sociaal minimum én een maximum aan vermogen. Hoewel nog niet bekend is hoeveel Haagse huishoudens er zijn na 2022 met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen, zijn er weinig redenen om aan te nemen dat de ontwikkeling van armoede in Den Haag sterk zal afwijken van de verwachtingen van het CPB.
Bovenstaande definities van het CPB en de gemeente Den Haag bezien armoede vooral financieel. Armoede is meer dan alleen het hebben van een financieel tekort en is gerelateerd aan sociaal isolement, een slechtere lichamelijke en psychische gezondheid, relatieproblemen en kansenongelijkheid. Het gegeven dat mensen door een laagbetaalde baan of overheidssteun net boven een armoedegrens uitkomen, zorgt er bovendien niet voor dat problemen direct zijn opgelost. Voor de bestrijding van armoede is daarmee een bredere aanpak nodig en dus meer dan alleen financiële maatregelen (SCP 2022).
2 Het percentage personen met een inkomen tot de niet-veel-maar-toereikend lag in 2022 op 4,7 procent en komt
volgens het CPB in 2023 op 4,8 procent uit. Het percentage is naar verwachting gelijk in 2024.
11/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
3 Haagse minimahuishoudens in beeld Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken van de Haagse minimahuishoudens en maakt een onderscheid tussen huishoudens met een inkomen tot 110 procent (32.700 huishoudens), tot 130 procent (42.400 huishoudens) en meer dan 130 procent van het sociaal minimum (200.700 huishoudens). Bij beide inkomensgrenzen zijn de geldende vermogensgrenzen van de Participatiewet gehanteerd. De aantallen huishoudens in de figuren kunnen niet bij elkaar opgeteld worden omdat er overlap zit in de groepen huishoudens met een inkomen tot 110 en tot 130 procent van het sociaal minimum. De huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en daarboven tellen samen op tot het totaal aantal Haagse huishoudens in de doelpopulatie.
3.1 3.1.1
Haagse minimapopulatie als geheel Primaire bron van inkomsten
Het merendeel van de minimahuishoudens ontvangt een inkomen uit een bijstands- of andere uitkering en ongeveer een kwart leeft van een pensioen. Minimahuishoudens met inkomen uit werk of een eigen bedrijf vormen samen 14 tot 19 procent van de minima (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Bij huishoudens met een inkomen boven de 130 procent van het sociaal minimum heeft 73 procent inkomsten uit werk (zie figuur 3.1). Figuur 3.1: voornaamste inkomensbron van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e Huishoudens met bijstand hebben verreweg de hoogste kans op armoede, gevolgd door huishoudens met een andere uitkering of een pensioen (zie figuur 3.2). Het armoederisico van huishoudens met werk ligt veel lager. Van alle Haagse huishoudens met inkomen uit
12/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
loondienst is 2 tot 4 procent arm en deze percentages zijn de laatste jaren stabiel. Bij ondernemers is het risico met 8 tot 11 procent groter. Figuur 3.2: armoederisico naar inkomstenbron in 2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e 3.1.2
Huishoudsamenstelling
Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste groep in de minimapopulatie. Ten opzichte van Haagse huishoudens met een hoger inkomen zijn eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen oververtegenwoordigd en paren met en zonder kinderen ondervertegenwoordigd (zie figuur 3.3). Figuur 3.3: huishoudsamenstelling van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e
13/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Kijken we naar het armoederisico per huishoudtype, dan valt op dat van alle Haagse eenoudergezinnen 20 tot 29 procent arm is (110 tot 130 procent van het sociaal minimum, zie figuur 3.4). Onder eenoudergezinnen met alleen kinderen onder de 18 jaar is dat zelfs 33 tot 42 procent (niet in figuur). Het armoederisico van andere huishoudtypen is (veel) lager. Figuur 3.4: armoederisico naar huishoudtype in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2023e
3.1.3
Leeftijd hoofdkostwinner
Ten opzichte van de huishoudens met een hoger inkomen, zien we bij de minima meer huishoudens met een oudere kostwinner van 45 jaar of ouder (zie figuur 3.5). Huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (tot 24 jaar) lopen daarentegen een relatief groot risico op armoede (zie figuur 3.6). Hoewel de groep verhoudingsgewijs klein is, gaat het in aantallen om 1.000 tot 1.500 huishoudens (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Het armoederisico onder ouderen is eveneens aanzienlijk. Uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum is ruim een vijfde arm. In aantallen gaat het om 11.400 huishoudens.
14/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 3.5: leeftijd van hoofdkostwinners van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e
Figuur 3.6: armoederisico naar leeftijd van hoofdkostwinner in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2023e
15/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
3.1.4
Migratieachtergrond
Van alle minimahuishoudens heeft bij 40 tot 42 procent de hoofdkostwinner een Nederlandse achtergrond (110-130 procent van het sociaal minimum). De meerderheid van hen heeft dus een migratieachtergrond. Het beeld is omgedraaid bij huishoudens met een hoger inkomen. Van hen heeft 65 procent een Nederlandse achtergrond en de resterende 35 procent een migratieachtergrond. Het armoederisico onder huishoudens met een hoofdwinner met een migratieachtergrond is ruim twee keer groter dan onder huishoudens met een hoofdkostwinner met een Nederlandse migratieachtergrond (CBS 2023e). 3.1.5
Opleidingsniveau
Van een kleine meerderheid van de minimahuishoudens is de hoofdkostwinner laag opgeleid, namelijk 60 of 58 procent (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Een aanzienlijk deel van 27 of 29 procent is middelbaar geschoold terwijl circa 13 procent hoog opgeleid is. 3.1.6
Toeslagengebruik
Ruim 80 procent van de minimahuishoudens ontvangt huurtoeslag. NB: hierbij is niet gecorrigeerd voor het wonen in een huurwoning. Onder de ruim 90 procent van alle minima die in een huurwoning woont, zal het bereik waarschijnlijk hoger liggen. Vrijwel alle minimahuishoudens ontvangen zorgtoeslag (CBS 2023e). 3.1.7
Problematische schulden
In 2021 heeft circa 20 procent van de minimahuishoudens problematische schulden, uitgaande van een registratie als wanbetaler bij het CAK en op basis van gegevens van het CJIB, de WSNP, DUO en de Belastingdienst. Bij Haagse huishoudens met een hoger inkomen is dat 8 procent (CBS 20223e). Als meer registraties van schuldeisers betrokken konden worden, ligt het percentage minima met schulden waarschijnlijk hoger. Zo beschikt het CBS in het dashboard problematische schulden óók over registraties van het BKR. Een specificatie naar minima is niet mogelijk: wel inkomensbron. Zo blijkt dat ongeveer een derde van huishoudens met bijstand problematische schulden heeft. Dat is twee keer zo vaak als gemiddeld (CBS 2023f). Een veel grotere groep ervaart financiële beperkingen. Zo had in 2022 maar liefst 79 procent van de huishoudens met een laag inkomen3 onvoldoende geld voor een of meer specifieke uitgaven, variërend van om de dag een warme maaltijd met vlees, kip of vis, het vervangen van versleten meubels , het goed verwarmen van het huis, het te eten vragen van familie of kennissen of het doen van onverwachte noodzakelijke uitgaven. Van de huishoudens met een hoger inkomen had 30 procent moeite met het doen van een of meer specifieke uitgaven (CBS 2023h). 3.1.8
Gebruik van Wmo, zorgkosten en gezondheid
Minimahuishouden hebben vaker een Wmo-indicatie en vaker (langdurig) hoge zorgkosten vergeleken met huishoudens met een hoger inkomen. Van de minimahuishoudens heeft bijna een derde een Wmo-voorziening. Onder huishoudens met een hoger inkomen is dat 8 procent. Van de minimahuishoudens heeft 26 procent hoge zorgkosten en 8 procent langdurig hoge zorgkosten. Deze percentages zijn aanzienlijk hoger dan onder huishoudens met een hoger inkomen, met respectievelijk 17 en 3 procent (CBS 2023e, zie figuur 3.7).4 3
Uitgaande van de lage inkomensgrens van het CBS. Deze grens ligt onder de 1105 van het sociaal minimum.
4 Gekeken is of ten minste een persoon uit een Haags huishouden behoort tot het deciel met de landelijk hoogste zorgkosten vanuit
de basisverzekering, in peiljaar 2020. Langdurig hoge zorgkosten hebben betrekking op de jaren 2016-2020.
16/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 3.7: Gebruik Wmo in 2021, aandeel met hoge zorgkosten in 2022 en aandeel met langdurig hoge zorgkosten in periode 2016-2020 bij minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen (percentages).
Bron: CBS 2023e Verschillen in levensverwachting De GGD Haaglanden rapporteert over de gezonde levensverwachting van Hagenaars in aandachtswijken en van Hagenaars die elders wonen. De gezonde levensverwachting loopt meer dan 10 jaar uiteen tussen mensen die wel en niet in aandachtswijken wonen (zie tabel 3.1). Aandachtswijken zijn de wijken Schildersbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust, Morgenstond, Stationsbuurt, Groente- en Fruitmarkt, Laakkwartier en Spoorwijk. In deze wijken zien we de meeste minimahuishoudens terug. Tabel 3.1: (gezonde) levensverwachting van Hagenaars in jaren in aandachtswijken en geen aandachtswijken, periode 2019-2022
Mannen Levensverwachting bij geboorte Gezonde levensverwachting bij geboorte Gezonde levensverwachting 65 jaar Vrouwen Levensverwachting bij geboorte Gezonde levensverwachting bij geboorte Gezonde levensverwachting 65 jaar Bron: GGD Haaglanden 2023
Aandachtswijk
Geen aandachtswijk
76,1 49,5 7
78,7 60,8 10,7
81,3 46,4 7,4
81,8 59,1 10,9
17/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Verschillen in gezondheid naar mate van rondkomen De GGD Haaglanden beschrijft de gezondheid van Hagenaars naar mate van rondkomen. Hagenaars die moeite hebben met rondkomen ervaren minder vaak een (zeer) goede gezondheid. Verder hebben zij onder meer vaker stress, een hoger risico op angstgevoelens en depressie en voelen ze zich veel vaker sociaal uitgesloten dan Hagenaars zonder moeite met rondkomen (zie figuur 3.9 GGD Haaglanden 2022). Tabel 3.2: gezondheid naar mate van rondkomen onder Hagenaars van 18 en ouder (percentages)
Lichamelijke gezondheid (Zeer) goede ervaren gezondheid Chronische aandoeningen Functionele beperkingen Psychische gezondheid (Heel) veel chronische stress Matig-hoog risico angst depressie Psychische klachten Sociale gezondheid Matig-sterk gevoel sociale uitsluiting Matig-veel regie eigen leven Matig-zeer sterk eenzaam Bron: GGD Haaglanden 2023
3.1.9
Moeite rondkomen
Geen moeite rondkomen
42 47 33
74 30 16
48 84 55
19 51 20
40 77 77
5 93 52
Concentraties van armoede
In de stadsdelen Escamp, Centrum en Laak woont circa 70 procent van alle minimahuishoudens. Van de huishoudens met een hoger inkomen woont bijna de helft in deze wijken. Deze huishoudens wonen verhoudingsgewijs vaker in de stadsdelen Segbroek, Loosduinen, Scheveningen, Haagse Hout en Centrum. Verdeling van minima en huishoudens met een hoger inkomen over de stadsdelen in 2021 (percentages)
Escamp Centrum Laak Segbroek Loosduinen Scheveningen Haagse Hout Leidschenveen-Ypenburg Totaal Bron: CBS 2023e
110% sm
130% sm
> 130% sm
30 31 10 7 6 6 6 3 100
30 30 10 7 7 7 6 3 100
22 17 7 13 10 12 10 8 100
18/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 3.8 geeft de verdeling weer van huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum over de verschillende wijken in Den Haag. De top vijf wijken met de hoogste percentages minimahuishoudens zijn ongewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren, namelijk de Schilderbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. Figuur 3.8: verdeling van minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum over wijken (percentages, bron: CBS 2023e). NB: in de wijken die wit zijn gekleurd, zijn gegevens onderdrukt in verband met lage aantallen.
3.2
Groepen minima nader belicht
3.2.1
Langdurige minimahuishoudens
In 2021 telt Den Haag 22.100 tot 30.100 langdurige minimahuishoudens. Van alle Haagse huishoudens is hiermee 9,1 tot 12,4 procent langdurig arm (110 tot 130 procent sociaal minimum). Langdurige minima leven 3 jaar of langer van een laag inkomen en hebben weinig vermogen. Het aandeel langdurige minima onder alle Haagse huishoudens is lager dan in voorgaande jaren (zie figuur 3.9) Binnen de groep minimahuishoudens neemt het percentage langdurige minima echter toe. In 2021 was 68 tot 71 procent van alle minima
19/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
langdurig arm. Vergeleken met 2017 gaat het om een toename van 5 en 4 procentpunt in 2021 (110 tot 130 procent van het sociaal minimum) (niet in figuur). Figuur 3.9: langdurige minimahuishoudens 2017-2021 Links: 110 procent en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2020, 2021, 2022, 2023e Langdurig arme minimahuishoudens komen relatief vaak rond van een bijstandsuitkering of een pensioen en hebben minder vaak een inkomen uit arbeid of een eigen onderneming. Ze zijn vaker alleenstaand ten opzichte van kortdurende minima en hebben vaker een oudere kostwinner. Verder valt op dat langdurig arme minimahuishoudens minder vaak wanbetaler zijn en minder vaak problematische schulden hebben. Hun zorggebruik en/of zorgkosten liggen daarentegen hoger dan bij de kortdurende minimahuishoudens (CBS 2023e, zie tabel 1 in de bijlage 1).
3.2.2
Kinderen in minimahuishoudens
In Den Haag groeien in 2021 12.500 tot 17.600 kinderen tot 18 jaar op in een minimahuishouden (110 tot 130 procent van het sociaal minimum, CBS 2023e). Dat is 12 tot 17 procent van alle kinderen in Den Haag. Het aantal en percentage kinderen in armoede daalde ten opzichte van voorgaande jaren. In 2020 ging het om 13.200 (13 procent) tot 18.600 kinderen (18 procent, CBS 2022). Minimavoorzieningen zijn bedoeld voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Ook onder deze leeftijdsgroep is een afname te zien ten opzichte van eerdere jaren (zie figuur 3.10). Kinderen uit minimahuishoudens groeien veel vaker op in een eenoudergezin dan kinderen uit huishoudens met een hoger inkomen (zie tabel 2 in de bijlage). In de minimahuishoudens waar de kinderen wonen, worden verder relatief vaak hoge zorgkosten gemaakt. Dit kan wijzen op gezondheidsproblemen in het gezin. Ook zijn er veel vaker problematische schulden in het gezin dan bij andere kinderen. In voorgaande jaren was dat ook het geval (CBS 2023e).
20/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 3.10: kinderen van 4-18 jaar in minimahuishoudens in Den Haag in 2017-2021 Links: 110 en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2023e, 2022, 2021, 2020
3.3
Minimahuishoudens door de jaren heen
Zoals aangegeven daalde het aantal en percentage minimahuishoudens in de afgelopen jaren. Ten opzichte van 5 jaar geleden nam het aantal minimahuishoudens met 2.300 tot 3.500 huishoudens af (110-130 procent van het sociaal minimum). Relatief gaat het om een afname van 1,6 tot 2,4 procentpunt. Het aantal en percentage kinderen dat opgroeit in een minimagezin liep ook terug in de afgelopen jaren. Dat geldt eveneens voor langdurige minima, hoewel hun aandeel binnen de minimapopulatie met 5 procentpunt steeg sinds 2017. Binnen groep minimahuishoudens zijn de verhoudingen de afgelopen jaren min of meer gelijk gebleven. Zo bestaat de meerderheid van de minima uit alleenstaanden, is de voornaamste bron van inkomsten een uitkering en is de kostwinner van de meerderheid van de minimahuishoudens tussen de 25 en 65 jaar oud. We zien dus geen grote verschuivingen; veranderingen zijn relatief klein. Zo zien we het aandeel van minima met bijstand met zo’n 2 procentpunt afnam in 2021 ten opzichte van 2017. Dat geldt ook voor minima met inkomen uit werk, terwijl het percentage minima met een pensioen juist toenam met 2 tot 3 procentpunt (110-130 procent sociaal minimum). We zien verder een toename van minima met een oudere kostwinner van 3 tot 4 procentpunt (110 tot 130 procent sociaal minimum).
Terwijl het aandeel van minima met een jongere kostwinner (tot 24, en van 24 tot 45 jaar) juist wat afnam. Tot slot zien we een lichte toename van 2 procentpunt van minima met langdurig hoge zorgkosten en juist een afname van het percentage wanbetalers onder de minima in 2021, ten opzichte van 2017 (CBS 2020, 2023e).
21/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4
Bereik van Haagse minimaregelingen
Dit hoofdstuk beschrijft hoeveel Haagse minimahuishoudens gebruikmaken van gemeentelijke minimaregelingen in 2021. Paragraaf 4.1 gaat in op het verzamelbereik en paragraaf 4.2 gaat in op het bereik van de verschillende minimaregelingen. Paragraaf 4.3 beschrijft het bereik onder specifieke groepen en paragraaf 4.4 gaat in op het bereik van de minimaregelingen door de jaren heen. Bij het berekenen van het bereik is aangesloten bij de in 2021 geldende inkomensgrenzen. Zoals aangegeven, zijn per 2024 veel regelingen inmiddels beschikbaar voor huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum (en weinig vermogen). In de bijlage is het bereik voor verschillende inkomensgrenzen weergegeven.
4.1
Verzamelbereik
In 2021 gebruikte ongeveer 83 procent van de minima met een inkomen tot 110 procent en 79 procent van de minima met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum één of meer gemeentelijke minimaregelingen. De Ooievaarspas speelt een grote rol in het verzamelbereik. Onder bepaalde groepen is het verzamelbereik verhoudingsgewijs hoog, zoals onder eenoudergezinnen en huishoudens met primair inkomsten uit bijstand. Het verzamelbereik blijft achter onder andere groepen, zoals huishoudens met een jongere kostwinner, met name kostwinners tot 24 jaar. Ook minima met inkomsten uit een andere uitkering dan bijstand, maar vooral minima met inkomsten uit werk of een eigen bedrijf worden (veel) minder goed bereikt (CBS 2023e). De komende paragrafen gaan in op het bereik per regeling. Het verzamelbereik in de stadsdelen Escamp, Centrum en Loosduinen is gelijk of hoger dan in heel Den Haag. Het bereik in de stadsdelen Laak, Scheveningen, Haagse Hout, Leidschenveen-Ypenburg ligt (iets) lager. Het bereik is het laagst in stadsdeel Segbroek. In Den Haag Zuidwest ligt het verzamelbereik op 90 of 86 procent (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Tabel 4.1: verzamelbereik bij 110% en 1305 van het sociaal minimum (percentages)
Escamp Centrum Laak Segbroek Loosduinen Scheveningen Haagse Hout Leidschenveen-Ypenburg Den Haag Bron: CBS 2023e
110% sm
130% sm
86 85 79 74 86 76 82 80 83
82 81 75 69 81 72 78 76 79
22/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Onderstaande figuur geeft het verzamelbereik weer onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Het bereik in de wijken waar veel minima wonen, zoals de Schilderswijk, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond is het bereik gelijk aan of hoger dan het bereik in heel Den Haag. In andere wijken ligt het bereik (veel) lager. Het dashboard Armoedescan (cbs.nl) geeft het bereik per regeling weer op wijk- en buurtniveau. Figuur 4.1: Verzamelbereik onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum over wijken (percentages, bron: CBS 2023e). NB: in de wijken die wit zijn gekleurd, zijn gegevens onderdrukt in verband met lage aantallen.
23/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4.2
Bereik van de verschillende minimaregelingen
Deze paragraaf gaat in op het bereik van de verschillende regelingen, rekening houdend met de instroomcriteria van de regelingen. 4.2.1
Ooievaarspas
De Ooievaarspas is in het jaar 2021 bedoeld voor huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een vermogen onder de bijstandsnorm. In 2021 wordt 70 procent van deze groep bereikt (zie figuur 4.2). NB: het gaat hier om verstrekte passen (niet om daadwerkelijk gebruik). Onder huishoudens met een lager inkomen is het bereik hoger (niet in figuur). Het bereik is eveneens hoog onder paren met kinderen en eenoudergezinnen maar relatief laag onder huishoudens met inkomen uit werk of een uitkering anders dan bijstand. Figuur 4.2: bereik Ooievaarspas onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
4.2.2
Leergeld Den Haag
De voorzieningen van Leergeld Den Haag zijn in 2021 bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar uit minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal
24/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
minimum en een vermogen onder de bijstandsnorm. In 2021 werd in 79 procent van deze huishoudens gebruikgemaakt van het aanbod van Leergeld Den Haag (zie figuur 4.3). Het bereik is hoog onder eenoudergezinnen en onder minima met bijstand. Het bereik onder minima met een jongere kostwinner en onder minimahuishoudens met inkomen uit werk – vooral vanuit een eigen bedrijf – blijft achter. Figuur 4.3: bereik Leergeld Den Haag onder minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en kinderen van 4-18 jaar, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
4.2.3
Individuele inkomenstoeslag
Minima met vanaf het moment van aanvraag minimaal 3 jaar een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen kunnen individuele inkomenstoeslag aanvragen. Figuur 4.4 beschrijft het bereik onder minima met 3 kalenderjaren een laag inkomen. Het bereik is relatief hoog onder alleenstaande minima, onder minima met een kostwinner tussen de 45 en 65 jaar en onder minima met bijstand. Het bereik onder minima met een pensioen is relatief laag. Dit komt omdat de inkomenstoeslag wordt verstrekt tot de AOW-leeftijd. Het bereik is ook laag onder minima met inkomen uit werk (zie figuur 4.4).
25/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 4.4: bereik inkomenstoeslag onder minimahuishoudens met minimaal 3 kalenderjaren een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
4.2.4
Haagse zorgverzekering
De Haagse zorgverzekering wordt aangeboden vanuit VGZ. Er zijn verschillende pakketten, gericht op mensen met lage en hoge zorgkosten. Afhankelijk van de hoogte van het huishoudinkomen biedt de gemeente een bijdrage in de kosten voor de maandelijkse premie. De bijdrage is het hoogst voor minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum. We laten het gebruik zien onder deze groep in figuur 4.5. Van 51 procent van deze groep maakt minimaal één persoon in het huishouden gebruik van de Haage zorgverzekering. Het bereik is relatief hoog onder minima met een oudere hoofdkostwinner. Dat geldt ook voor de groep minima met hoge zorgkosten of een Wmoindicatie met respectievelijk 59 en 65 procent (niet in tabel, CBS 2023e).
26/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 4.5: bereik Haagse minimapolis onder minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
4.2.5
Bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd door Hagenaars van 21 jaar en ouder met een inkomen rond het sociaal minimum, bij noodzakelijke en onverwachte kosten die niet op een andere manier te betalen zijn. De gemeente bekijkt per aanvraag of er sprake is van een bijzondere of dringende situatie. Een hoog bereik is daarom geen doel op zich. Figuur 4.6 geeft ter indicatie het bereik weer onder huishoudens met een inkomen tot 105 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Het bereik is verhoudingsgewijs hoog onder huishoudens met bijstand en eenoudergezinnen. Paren zonder kinderen, huishoudens met inkomen uit werk of een pensioen maken nauwelijks gebruik van bijzondere bijstand.
27/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 4.6: bereik bijzondere bijstand onder minimahuishoudens met een inkomen tot 105 procent van het sociaal minimum, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
4.2.6
Vergoeding langdurig zieken en gehandicapten
Langdurig zieken en mensen met een beperking met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen kunnen jaarlijks een vergoeding van 125 euro aanvragen. Kijken we naar de totale groep minima tot deze inkomensgrens, dan ontvangt 18 procent van hen de vergoeding. Echter, niet de gehele groep kan aanspraak doen op de vergoeding. Voor toekenning van een vergoeding is een Wmo-indicatie, een indicatiebesluit van het CIZ of een indicatie van een wijkverpleegkundige nodig. Deze gegevens zijn niet (volledig) bij het CBS beschikbaar met als gevolg dat de potentiële doelgroep niet goed in beeld gebracht kan worden. We kunnen alleen aangeven wat het bereik is onder minima die gebruikmaken van een voorziening vanuit de Wmo. Van deze groep (met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum) ontvangt 51 procent de vergoeding (CBS 2023e). Dat percentage is lager dan in voorgaande jaren, in lijn met het sinds 2019 dalende aantal verstrekte vergoedingen.
28/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4.2.7
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
Huishoudens met een laag inkomen, weinig vermogen (lager dan de bijstandsnorm) en onvoldoende betalingscapaciteit om de aanslag te betalen, kunnen kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aanvragen. Figuur 4.7 geeft weer wat het bereik is onder minimahuishoudens met een inkomen tot 105 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. In totaal maakt 56 procent van de deze huishoudens gebruik van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Dat is vergelijkbaar eerdere jaren maar lager dan in bijvoorbeeld 2017 (toen 63 procent). Het bereik is verhoudingsgewijs hoog onder eenoudergezinnen, huishoudens met bijstand en langdurige minima met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum. Het bereik is lager onder huishoudens met inkomen uit werk en met een uitkering anders dan bijstand. Figuur 4.7: bereik kwijtschelding gemeentelijke belastingen onder minimahuishoudens met een inkomen tot 105 procent van het sociaal minimum, naar verschillende kenmerken (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e
29/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4.3
Groepen minima nader belicht
De onderstaande figuur brengt in beeld welk deel van langdurige minima, minima met hoge zorgkosten en minima met schulden gebruikmaakt van gemeentelijke minimaregelingen, rekening houdend met de geldende criteria rond het inkomen en vermogen, de duur van armoede en de aanwezigheid van kinderen. Van de langdurige minima maken 9 van de 10 gebruik van tenminste één minimaregeling. Het bereik per regeling is eveneens hoog te noemen en ligt hoger dan bij de groep minimahuishoudens als geheel. Dat geldt ook voor minimahuishoudens met hoge zorgkosten. Minimahuishoudens met schulden maken verhoudingsgewijs juist wat minder gebruik van de minimaregelingen. De uitzondering hierop vorm de bijzondere bijstand: hiervan wordt juist veel meer gebruikgemaakt (zie figuur 4.8). Het lage bereik van de Haagse Zorgverzekering kan deels verklaard worden omdat een deel van de minima met schulden wanbetaler is van de zorgpremie en deze groep is uitgesloten van deelname aan de Haagse zorgverzekering voor minima.
Figuur 4.8: bereik minimaregeling onder totale minimagroep en diverse subgroepen (percentages, 2021)
Bron: CBS 2023e. NB: bij gebruik inkomenstoeslag bij groep met schulden en hoge zorgkosten is alleen gekeken naar de groep die ook minimaal 3 jaar van een laag inkomen leeft.
30/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4.4
Bereik door de jaren heen
Vergeleken met 2020 bleef het verzamelbereik van de gemeentelijke minimaregelingen in 2021 stabiel met 79 procent. Ten opzichte van eerdere jaren zien we een lichte daling van het verzamelbereik. Ook bij de minimaregelingen zien we enige fluctuaties in de tijd. In 2021 heeft 70 procent van de minima een Ooievaarspas, een lichte daling ten opzichte van eerdere jaren. Het bereik van Leergeld Den Haag daalde licht tot 2020, maar in 2021 is weer een lichte verbetering zichtbaar. Het gebruik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen is de laatste jaren stabiel maar was in 2021 wel aanzienlijk lager dan in 2017. Het bereik van de individuele inkomenstoeslag nam juist toe tot en met 2020, maar stagneerde in 2021 terwijl het gebruik van bijzondere bijstand onder minima de afgelopen jaren min of meer constant bleef (zie figuur 4.9). Figuur 4.9: verzamelbereik en bereik gemeentelijke minimaregelingen periode 2017 tot en met 2021 (percentages)
Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020 Het bereik van de vergoeding voor chronisch zieken en gehandicapten is niet in de figuur opgenomen omdat de doelgroep ervan niet goed met CBS registraties in beeld te brengen is. Afgaande op het aantal verstrekkingen, valt een afname van het gebruik op. Waar in 2019 nog aan 16.445 unieke personen een vergoeding werd verstrekt, liep dat terug naar 14.179 en 12.587 in 2021. In de jaren 2022 en 2023 liep het aantal personen met een vergoeding nog verder terug. Of de daling te maken heeft met een daling van het aantal rechthebbende personen is met de beschikbare registraties niet te achterhalen.
31/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Bijlagen
32/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Bijlage 1
Tabellen
Tabel 1: kenmerken van minimahuishoudens die langer en korter dan 3 jaar tot de minimagroep behoren in 2020 (aantallen (x 1000) en percentages) > 3 jaar < 3 jaar > 3 jaar < 3 jaar 110% 130% n=22.1 n=10.6 n=30.1 n=12.3 Primaire inkomstenbron Inkomen uit arbeid 3 15 7 24 Inkomen uit eigen onderneming 2 17 3 17 Bijstandsuitkering 47 33 40 26 Pensioen 32 13 33 11 Overig en onbekend 0 1 0 1 Andere uitkering 15 23 18 23 Huishoudsamenstelling Eenpersoonshuishouden 69 63 65 61 Paar zonder kinderen 10 10 11 11 Paar met kinderen 6 11 8 11 Eenoudergezin 14 14 15 15 Overig huishouden 0 3 1 2 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 0 8 1 11 25 tot 45 jaar 26 44 27 46 45 tot 65 jaar 40 35 39 33 65 jaar of ouder 33 13 34 11 Herkomst Nederlandse achtergrond 41 39 43 39 Met migratieachtergrond 59 62 57 61 Financiële situatie Problematische schulden 16 28 17 28 Zorggebruik Wmo 38 20 37 17 Hoge zorgkosten 29 21 28 20 Langdurig hoge zorgkosten 10 5 10 5 Toeslagen Huurtoeslag 93 65 91 59 Zorgtoeslag 99 91 99 89 Bron: CBS 2023e. Percentages tellen soms op tot 101 procent door afronding
33/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 2: kenmerken van kinderen uit minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2021 (aantallen en percentages)
110% 9,5
12
13,6
17
<130% n 66,9
3,2 2,9 3,4
34 31 36
4,2 4 5,4
31 29 40
18,8 19,6 28,5
28 29 43
3,7 5,5 0,3
39 58 3
5,7 7,5 0,4
42 55 3
53,2 10,4 3,2
80 16 5
3,1
33
4,2
31
13,9
21
2,3 0,4
24 4
3,3 0,6
24 4
10,4 1,7
16 3
3
32
4,1
30
7,6
11
n Totaal Leeftijd kinderen 4 tot 8 8 tot 12 12 tot 18 Huishoudsamenstelling paar met kinderen eenoudergezin overig Jeugdzorg in huishouden ja Hoge zorgkosten in huishouden ja langdurig Financiële situatie Problematische schulden Bron: CBS 2023e
130% %
n
%
% 83
34/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 3: Verzamelbereik 2017-2021
110% 2017
2018
2019
2020
Totaal bereik 85 85 84 83 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 85 85 84 83 Paar zonder kinderen 80 80 79 78 Paar met kinderen 81 81 80 81 Eenoudergezin 93 92 92 92 Overig huishouden 71 76 73 73 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 66 60 56 51 25 tot 45 jaar 80 79 77 76 45 tot 65 jaar 89 89 88 87 65 jaar of ouder 92 92 91 91 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 51 51 49 47 Inkomen onderneming 22 20 19 14 Bijstandsuitkering 100 100 100 100 Pensioen 92 92 91 91 Andere uitkering 82 83 82 75 Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020
2021
130% 2017
2018
2019
2020
2021
83
81
81
80
79
79
83 77 79 91
80 75 80 92 73
80 74 80 91 76
79 74 79 90 73
77 71 78 90 71
78 72 77 89
50 76 87 90
60 76 86 87
55 75 86 87
50 73 85 87
45 71 84 86
44 71 84 85
47 14 100 90 74
53 22 100 87 79
54 20 100 87 76
52 19 100 86 79
48 14 100 86 71
49 14 100 85 73
35/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 3a: Bereik Ooievaarspas 2017-2021 (percentages) 2017 2018
2019
2020
2021
Bereik (130%)
73
73
72
70
70
Eenpersoonshuishouden
70
70
69
67
67
Paar zonder kinderen
63
64
63
61
61
Paar met kinderen
75
75
75
74
73
Eenoudergezin
88
88
87
86
86
< 24 jaar
50
44
40
36
36
25-45 jaar
69
69
67
72
65
45-65 jaar
75
75
75
76
73
65 +
80
79
79
78
76
Inkomen uit arbeid
42
45
43
39
41
Inkomen uit eigen onderneming
16
16
15
11
10
Bijstandsuitkering
100
100
100
100
100
Andere uitkering
51
53
52
48
46
Pensioen
79
78
78
77
76
nvt
nvt
nvt
70
69
Hoge zorgkosten
-
79
79
78
77
Langdurig hoge zorgkosten
-
79
81
80
79
Wmo
85
85
84
84
83
105% Wsm
79
78
77
77
76
110% Wsm
77
77
76
75
74
130% Wsm
73
73
72
70
70
150% Wsm
67
67
66
65
64
105% Wsm
87
88
87
87
86
110% Wsm
85
85
85
85
84
130% Wsm
81
82
81
80
80
150% Wsm
76
76
76
75
75
Soort huishouden
Leeftijd hoofdkostwinner
Bron van inkomen
Financiele situatie Sprake van problematische schulden Zorggebruik
Alle minimahuishoudens Hoogte van inkomen
Langdurige minima
Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020
36/42
Armoedemonitor CBS onderzoek naar Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 3b: Bereik Leergeld Den Haag 2017-2021 (percentages)
Huishoudens
2017
2018
2019
2020
2021
Bereik (130%)
83
81
80
78
79
Paar met kinderen
79
77
76
74
75
Eenoudergezin
88
85
84
82
83
64
66
Soort huishouden
Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar
74
25-45 jaar
84
81
80
78
78
45-65 jaar
83
82
82
80
82
73
70
67
65 + Bron van inkomen Inkomen uit arbeid
73
70
69
65
66
Inkomen uit eigen onderneming
35
28
27
24
21
Bijstandsuitkering
96
94
94
94
95
Andere uitkering
81
75
80
71
71
75
74
Financiele situatie Sprake van problematische schulden Zorggebruik Hoe zorgkosten
83
85
81
81
Langdurig hoge zorgkosten
83
86
83
85
92
89
88
88
89
105% Wsm
86
84
82
82
82
110% Wsm
86
84
82
81
82
130% Wsm
83
81
80
78
79
150% Wsm
80
77
76
74
74
105% Wsm
92
90
90
90
90
110% Wsm
91
90
90
89
90
130% Wsm
89
87
88
86
87
150% Wsm
86
84
84
81
83
Wmo Alle minimahuishoudens Hoogte van inkomen
Langdurige minima
Bron: CBS 2023e, CBS 2022, CBS 2021, CBS 2020