CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS311959 Bijlage 1

Algemene Raadscommissie 1 juni 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief: Ontwerp Verklaring van geen bedenkingen (Wabo) ten aanzien van aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw aan de Singel ongenummerd naast nummer 21 (Y-Catch, kavel III), RIS31195923.838 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

\

Ruimtelijke Onderbouwing

Nieuwbouw CarwashPlus Den Haag

Status: Ontwerp Datum: 17 november 2021

Plangegevens Naam: Plantype:

Nieuwbouw CarwashPlus, Den Haag Ruimtelijke Onderbouwing

Datum:

17 november 2021

Projectnummer:

20AF219

Opdrachtgever:

CarwashPlus Den Haag B.V. Oudeweg 155 2031 CC Haarlem

Opsteller:

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW BORNE T) 074 – 255 7020 E) info@ad-fontem.nl

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV | Stationsstraat 37 | 7622 LW Borne | T 074-2557020 | E info@ad-fontem.nl

Inhoud 1

Inleiding ...................................................................................................................... 4 1.1

Aanleiding en doelstelling ....................................................................................... 4

1.2

Projectgebied ........................................................................................................ 4

1.3

Huidige situatie ..................................................................................................... 5

1.4

Vigerend bestemmingsplan ‘Ypenburg’ ..................................................................... 5

1.5

Opzet van de ruimtelijke onderbouwing .................................................................... 6

2

Projectomschrijving ...................................................................................................... 7

3

Beleid ......................................................................................................................... 9 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................ 9

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ..................................................................... 9

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) .......................................... 10

3.1.3

Ladder van duurzame verstedelijking ............................................................... 11

3.2

Provinciaal beleid .................................................................................................. 12

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 13

4

Omgevingsaspecten ..................................................................................................... 16 4.1

Vormvrije mer-beoordeling .................................................................................... 16

4.2

Bedrijven en Milieuzonering .................................................................................. 17

4.3

Geluid ................................................................................................................. 18

4.4

Bodem ................................................................................................................ 18

4.5

Externe veiligheid ................................................................................................. 19

4.6

Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 21

4.7

Natuurwaarden ..................................................................................................... 22

4.8

Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................ 24

4.9

Water .................................................................................................................. 24

4.10

Verkeer en parkeren ............................................................................................. 30

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................... 32

6

Conclusie .................................................................................................................... 33

Bijlagen ............................................................................................................................ 34 1.

AERIUS-berekening .................................................................................................. 34

2.

Quickscan Natuurwaarden ......................................................................................... 34

3.

Watersleutel ............................................................................................................ 34

4.

Situatietekening waterberging ................................................................................... 34

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doelstelling

Voor de locatie tussen de Rijswijkse Landingsbaan, de Singel en de A13 in Den Haag is een plan ontwikkeld. Het plan betreft de nieuwbouw van autowasstraat CarwashPlus. De carwash wordt gerealiseerd op het industrieterrein Y-catch Den Haag. CarwashPlus heeft de ambitie om een energieneutraal, circulair en natuurinclusieve omgeving voor autowassen te realiseren. De locatie is tussen de bomenrij door zichtbaar vanaf de snelweg (A13). Gezien de ligging en bereikbaarheid is deze plek de aanleiding voor een ontwerp voor het autowascentrum CarwashPlus, waarin de ambitie van duurzaamheid, groen en klimaatbestendigheid leidend zijn. De betreffende locatie heeft op basis van het bestemmingsplan ‘Ypenburg’ de bestemming ‘Bedrijventerrein’ toegekend gekregen. Op de locatie is echter geen bouwvlak aanwezig, waardoor het realiseren van de nieuwbouw voor CarwashPlus niet is toegestaan. Middels een buitenplanse afwijking (op grond van artikel 2.12 lid 2 onder 3˚ Wabo) kan de realisatie van het autowascentrum mogelijk gemaakt worden, mits het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont aan dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied is gelegen op het bedrijventerrein in de wijk Ypenburg, in het zuidoosten van Den Haag. Het gebied is gelegen langs de rijksweg A13 en tussen de Singel en Rijswijkse Landingsbaan. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente ’s-Gravenhage, sectie BI, perceelnummer 3063. In de directe omgeving bevinden zich bedrijven en diverse groenstroken.

Figuur 1.1: Ligging projectgebied (bron: PDOK viewer)

4

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Het plangebied wordt begrensd door de kadastrale perceelgrenzen, omliggende wegen en het naastgelegen bouwbedrijf. In onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied met rood omkaderd.

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied, met rood omkaderd (bron: PDOK viewer)

1.3

Huidige situatie

In de huidige situatie is op het perceel aan de Singel grotendeels sprake van een braakliggend terrein zonder bebouwing en verharding. Het plangebied wordt ontsloten door een parallel gelegen zijweg van de Singel.

1.4

Vigerend bestemmingsplan ‘Ypenburg’

De planlocatie is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Ypenburg’, vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Gravenhage, op 17 oktober 2013. Binnen het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’. Tevens loopt door het plangebied een buisleiding, waar de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ aan is toegekend. In onderstaande afbeelding is een fragment van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

5

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Figuur 1.3: Fragment bestemmingsplan ‘Ypenburg’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.5

Opzet van de ruimtelijke onderbouwing

In de volgende hoofdstukken is het project nader toegelicht. In eerste instantie wordt ingegaan op het project zelf (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 stilgestaan bij het van belang zijnde overheidsbeleid (rijks/provinciaal en gemeentelijk beleid). In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals geluid, archeologie, externe veiligheid, parkeren etc. Hoofdstuk 5 gaat in op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de conclusie beschreven.

6

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

2

Projectomschrijving

Het project bestaat uit de nieuwbouw van een CarwashPlus op industrieterrein Y-catch in Den Haag. CarwashPlus heeft de ambitie om een energieneutraal, circulair en natuurinclusieve omgeving voor autowassen te realiseren. Vanuit de Rijkswijkse Landingslaan kan op het dak van de carwash gekeken worden. Dit dak wordt deels vormgegeven als verhoogd maaiveld en wordt ingezaaid met gras. Het dak kan zowel worden gezien als energiebron als een ecologische drager en sluit daarmee aan bij het duurzame karakter van bedrijventerrein Ypenburg. Het autowascentrum krijgt drie hoofdfuncties: reinigen van voertuigen, gemobiliseerd reinigen van interieur en reinigen van interieur door zelfbediening. De inrit van de carwash is te bereiken via de parallelweg, eenzijdig naast de Singel. In het eerste gedeelte bevinden zich twee wasbanen, waar het exterieur van auto’s gewassen wordt. Naast de wasbanen bevindt zich een baan waar op gemobiliseerde wijze het interieur van auto’s gewassen wordt. Na het uitrijden van de wasbanen of interieurbaan bevinden zich daar nog circa 46 plaatsen ten behoeve van zelfbediening voor het uitzuigen van auto’s. Vervolgens is aan deze zijde ook de uitrit. Binnen het plangebied worden ten slotte nog enkele groenstroken aangelegd. Binnen het plangebied loopt een ondergronds tracé van de Gasunie.

In figuur 2.1 is te zien dat geen bebouwing met fundering boven dit gasleidingtracé geprojecteerd is. Bovendien is de bebouwing op royale afstand van het tracé is gelegen. Boven de gasleiding wordt wel verharding aangelegd, namelijk ter hoogte van de ingang van het autowascentrum en ter hoogte van de uitzuig plekken. Voor deze verharding worden echter geen diepe bodemingrepen gedaan waarbij de gasleiding bereikt wordt. Derhalve vormt voorliggende ontwikkeling geen belemmering voor het gasleidingtracé. Voor de verdere verantwoording van de ligging op deze leiding wordt verwezen naar paragraaf 4.7 over externe veiligheid. In figuur 2.1 is een situatietekening met de indeling van de toekomstige carwash weergegeven. In figuur 2.2 is een tekening van het aanzicht van de toekomstige carwash weergegeven.

Figuur 2.1: Situatietekening bovenaanzicht CarwashPlus (bron: Stuyt architecten)

7

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Figuur 2.2: Ontwerp buitenaanzicht CarwashPlus (bron: Stuyt architecten)

De totale oppervlakte van het carwashgebouw bedraagt circa 2.500 m2. De maximale bouwhoogte van de carwash bedraagt 8,3 meter. Gebouwen in de directe omgeving op het bedrijventerrein zijn even hoog, dan wel hoger dan 8,3 meter en daarmee sluit de hoogte van het autowascentrum aan bij de bebouwing in de directe omgeving. Tevens wordt het dak deels als een verhoogd maaiveld ingericht. Bij de situering van het autowascentrum is rekening gehouden met de stedenbouwkundige beëindiging van het bedrijventerrein Ypenburg. De rooilijn van de naastgelegen bedrijven loopt parallel aan de A13. Ter plaatse van het geprojecteerde autowacentrum eindigt het bedrijventerrein. Deze beëindiging van het bedrijventerrein is in de vormgeving van het gebouw meegenomen, door de rooilijn een knik te geven. Ten slotte is vanuit het stedenbouwkundig perspectief gekozen om het gebouw twee gezichten te geven. Dit houdt in dat zowel vanaf de zijde richting de A13 als vanaf de zijde richting de Singel een open uitstraling heeft. Het geprojecteerde autowascentrum sluit aan bij de lijn van de naastgelegen bebouwing wordt stedenbouwkundig ingepast en zorgt voor een kwalitatieve beëindiging van het bedrijventerrein Ypenburg. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het te realiseren autowascentrum ruimtelijk aanvaard is.

8

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

In dit hoofdstuk wordt de voorliggende ontwikkeling beoordeeld op basis van het geldende landelijke beleidskader.

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Vier prioriteiten 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water.

In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk.

9

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. Toets De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke relatief kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit besluit bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken, zoals opgenomen in de NOVI. In het Barro is een aantal projecten die van Rijksbelang zijn opgenomen en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes ‘projecten’ beschreven.  Mainport ontwikkeling Rotterdam.  Kustfundament. - Grote rivieren.  Waddenzee en Waddengebied.  Defensie.  Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Kort na de publicatie van het Barro, is het besluit gewijzigd. Met de wijziging zijn algemene regels voor bestemmingsplannen aan het besluit toegevoegd. Zo bepaalt het Barro onder meer dat bestemmingsplannen de doorvaart voor schepen niet mogen belemmeren als in het plan zich een vrijwaringzone van een rijksvaarweg bevindt. Verder staat eveneens in dit besluit dat bestemmingsplannen binnen reserveringsgebieden geen plannen mogen bevatten die uitbreidingen van het spoor belemmeren.

Een bestemmingsplanwijziging mag ook geen belemmering bevatten voor het gebruik en geschikt maken van elektriciteitsproductie-installaties, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, buisleidingen, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), primaire waterkeringen (buiten het kustgebied) en het IJsselmeergebied. Naast het Barro is ook de ‘Regeling algemene regels ruimtelijke ordening’ in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In deze regeling wordt daar uitvoering aan gegeven.

10

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

De planlocatie is niet gelegen binnen een in het Barro aangewezen gebied of object waarvoor een planologische bescherming geldt. Het beoogde plan is niet in strijd met het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en is eveneens niet in strijd met de ’Regeling algemene regels ruimtelijke ordening’. 3.1.3

Ladder van duurzame verstedelijking

Indien het bestemmingsplan of omgevingsvergunning een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan In het Bro is het bestaand stedelijk gebied als volgt gedefinieerd: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Zoals te zien is in figuur 1.1 en 1.2 is de planlocatie gelegen is in stedelijk gebied.

De locatie wordt aan alle zijden omgeven door stedelijke functies, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor stedelijke functies. Dit is inclusief het plangebied zelf, wat al bestemd is als bedrijfslocatie. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied onderdeel uitmaakt van bestaand stedelijk gebied. Dit plan voorziet in de toevoeging van één bedrijfsgebouw van circa 2.500 m2. Gezien de grootte van de ontwikkeling en dat ligging van de locatie is deze ontwikkeling aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient het plan te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Toets Kwantitatieve behoefte Uit de ‘Bedrijventerreinen strategie Den Haag; Duurzame oplossingen voor het tekort aan bedrijfsruimten’ in opdracht van de gemeente Den Haag opgesteld door Bureau Stedelijke Planning, kan opgemaakt worden wat de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen in Den Haag voor de komende jaren is. De toekomstige vraag naar bedrijventerreinen in Den Haag is berekend op basis van prognoses van de regionale werkgelegenheid door het CPB in combinatie met gemeentelijke doelstellingen voor de toename van de bevolking. Hieruit kan opgemaakt worden dat bij een sterke economische groei (scenario hoog) tot 2026 een kwantitatieve behoefte bestaat van 450.000 m2 aan werklocaties.

Bij een geringere economische groei komt de totale behoefte tot 2026 uit op 250.000 m2 aan werklocaties. Gelet op de grote behoefte aan bedrijfsruimte in de regio Den Haag, past het voornemen om 2.500 m2 aan nieuwe bedrijfsruimte op het bedrijventerrein Ypenburg op te richten binnen de kwantitatieve behoefte.

11

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Figuur 3.1: Totale behoefte m2 werklocaties Den Haag (bron: Bureau Stedelijke Planning)

Kwalitatieve behoefte In hetzelfde rapport is de kwalitatieve behoefte aan bedrijfsruimte vertaald naar de behoefte van nieuwe bedrijfsruimte binnen de verschillende milieucategorieën. Uit de analyse blijkt dat er voornamelijk vraag is naar nieuwe bedrijfsruime voor bedrijven met een lage milieucategorie (98% van de totale behoefte ligt in milieucategorie 1, 2 of 3). Een autowascentrum valt binnen de tweede milieucategorie. Tevens is de ambitie van Den Haag om, met de doelstelling om in 2040 klimaatneutraal te zijn, kwalitatief duurzame bedrijventerreinen te ontwikkelen. Met de invulling van voorliggend plan wordt rekening gehouden met de in de kwalitatieve behoefte en ambities van de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio Den Haag.

3.2

Provinciaal beleid

In de Wet ruimtelijke ordening is geregeld dat Provinciale Staten via de Provinciale Verordening regels stellen over de inhoud, toelichting of onderbouwing van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen en beheersverordeningen. Op 2 juli 2010 zijn de Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" en de provinciale "Verordening Ruimte" vastgesteld. De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie. Duurzame ontwikkeling en klimaatbestendigheid zijn belangrijke pijlers. Dit wil Zuid-Holland bereiken door realisering van een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk. Goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur, zijn daarin kenmerkende kwaliteiten. Visie op Zuid-Holland is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:

12

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

    

aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel; duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie; divers en samenhangend stedelijk netwerk; vitaal, divers en aantrekkelijk landschap; stad en land verbonden.

Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt het provinciale beleid zoals verwoord in de Provinciale Structuurvisie en Verordening als uitgangspunt genomen. Omgevingsverordening Zuid-Holland De provinciale Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening is per 1 april 2019 in werking getreden en vertaalt het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. Deze regels zijn bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. De verordening bevat onder andere regels omtrent de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking voor stedelijke ontwikkelingen, de aanwijzing van kantorenlocaties, het opnemen van bedrijfsbestemmingen en de bescherming van natuurgebieden. Artikel 6.12 Bedrijven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. 3.

Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. 4. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. 5. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven, indien: a. het een bestaand niet-watergebonden bedrijventerrein met ten hoogste milieucategorie 3 en een oppervlakte van minder dan 1 hectare betreft; of b. regionale afstemming heeft plaatsgevonden en hieruit is gebleken dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Toets Onderhavig plan is getoetst aan artikel 6.12 uit de provinciale omgevingsverordening. Onderhavig plan voorziet in een de toevoeging van één bedrijf, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkeling van omliggende functies.

3.3

Gemeentelijk beleid

Wéreldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020. De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners (ca 500.000) en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er ca 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan

13

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11‐zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4‐zone en de Schakelzone Lozerlaan). Doordat de infrastructuur in de Vliet/A4-zone een fikse barrièrewerking heeft, zijn nieuwe ontwikkelingen erop gericht om het stadsdeel Leidschenveen-Ypenburg en de regio steviger aan de stad te hechten. Bij de beoogde herontwikkeling worden de doelstellingen van de Structuurvisie Den Haag in 2020 als uitgangspunt gebruikt. Regionaal en provinciaal bedrijventerreinenbeleid De regionale productie en werkgelegenheid zijn voor ruim een kwart aangewezen op bedrijventerrein. Behoud en uitbouw van dit segment van de economie van Haaglanden vraagt dus ook voor de toekomst om een gevarieerd aanbod aan ruimte. De regionale bedrijventerreinenstrategie bevat naast de ruimtelijk-economische programmering van de regionale bedrijventerreinen ook een afspraak over compensatie van verlies van binnenstedelijk bedrijventerrein. De Haagse bedrijventerreinen Fruitweg, Zichtenburg-KerketuinenDekkershoek en Uitenhagestraat zijn opgenomen in de categorie “Herstructurering ten behoeve van behoud van bedrijventerreinfunctie”. Binckhorst is opgenomen in de categorie “Transformatie naar gemengd gebied”. Transformatie kan alleen plaatsvinden bij voldoende compensatie van bedrijfsruimte elders in de gemeente en/of regio.

Aantasting van het huidige areaal bedrijventerrein wordt onderworpen aan een “nut-en noodzaakanalyse” met als insteek “nee, tenzij”. Deze aanvullingen zijn opgenomen in het regionaal structuur plan (RSP). Over Scheveningen Haven is in de tekst van het RSP opgenomen dat gezien het specifieke karakter het te transformeren zeehaventerrein in Scheveningen Haven gecompenseerd kan worden in de Rijnmond. Het RSP geldt als een structuurvisie, zoals is omschreven in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het provinciale beleid (Verordening Ruimte) heeft een bedrijventerreinkaart vastgesteld met aangewezen gebieden voor bedrijventerreinen. Hier gelden de volgende spelregels voor: 1. nieuwe bestemmingen voor bedrijventerreinen zijn pas mogelijk als aangetoond is dat er behoefte is; 2. nieuwe bestemmingen voor (bedrijfs)woningen op bedrijventerreinen zijn niet mogelijk. Woonwerkeenheden mogen alleen onder strenge voorwaarden op delen van bedrijventerreinen en 3. de hoogst mogelijk milieucategorie uit de Staat van bedrijfsactiviteiten moet mogelijk zijn op bestemmingen voor bedrijventerreinen. Alleen onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Toets Onderhavig plan past binnen de spelregels van het regionale en provinciale bedrijventerreinenbeleid. Stedelijk bedrijventerreinenbeleid Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de werkgelegenheid binnen de gemeente Den Haag.

Van de ruim 255.000 arbeidsplaatsen in de stad bevinden er zich ruim 34.000 op de bedrijventerreinen, hetgeen neerkomt op ruim 13% van de totale werkgelegenheid (op 1 januari 2014). Het beleid van de gemeente Den Haag is erop gericht om de ondernemers die gebonden zijn aan de stad in de stad zelf te faciliteren. Hiervoor zijn de bedrijventerreinen Uitenhagestraat, Laakhaven-Centraal en een gedeelte van de Binckhorst (tot 2020) aangewezen. Voor de niet direct aan de stad gebonden bedrijvigheid zijn de bedrijventerreinen Forepark-Middenweg, de bedrijfslocaties in de wijk Ypenburg, Westvlietweg I, II en III, Zichtenburg-KerketuinenDekkershoek en Scheveningen-Haven aangewezen. Deze gebieden fungeren als opvang voor bedrijven die niet makkelijk zijn te mengen met andere functies zoals wonen.

14

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

De toenemende leegstand van vooral kantoorpanden op de bedrijventerreinen zorgt voor minder activiteiten en voor troosteloze plekken op de bedrijventerreinen. Het beleid van de gemeente Den Haag is erop gericht om op de bedrijventerreinen te komen tot meer menging van functies. Het mengen moet wel op een dusdanige wijze gebeuren dat de verschillende functies elkaar niet in de weg staan. Om de bestaande bedrijventerreinen vitaal te houden wordt niet alleen aandacht besteed aan functiewijziging, maar ook aan herstructurering ten behoeve van het behoud van de bedrijvenbestemming. Toets In het vigerende bestemmingsplan is een bedrijventerrein toegestaan. Bedrijven van verschillende milieucategorieën kunnen zich op het bedrijventerrein vestigen. Onderhavig plan voorziet in de oprichting van één bedrijf op het bedrijventerrein van Ypenburg en staat andere functies niet in de weg. Het plan past binnen het stedelijk bedrijventerreinenbeleid. Bedrijfshuisvestingsstrategie In de Bedrijfshuisvestingsstrategie Den Haag wordt geconstateerd dat Den Haag een tekort heeft aan bedrijfsruimte en dat het bestaande aanbod verouderd is. Meer ruimte voor bedrijvigheid is belangrijk voor de werkgelegenheid en levendigheid voor de huidige en de toekomstige inwoners van de stad. Belangrijke elementen van de bedrijfshuisvestingstrategie zijn: 1.

Economische groei stimuleren door behoud van bestaande bedrijvigheid en het toevoegen van geschikte bedrijfshuisvesting; a. Tot 175.000 m² op bestaande bedrijventerreinen; b. 50.000 m² in de wijken c. Onderzoek naar mogelijkheden op de Vlietzone d. Regionale samenwerking op het gebied van gezamenlijke marketing, promotie, schuifruimte en programmering; 2. Bijdragen aan de verstedelijkingsopgave door functiemenging, in de stad; 3. Bijdragen aan de duurzaamheidsopgave van de stad door het verduurzamen van bedrijfshuisvesting te stimuleren. In de nota is beleidsmatig vastgelegd dat de gemeente op locaties met bestemming bedrijf en gemengd zeer terughoudend omgaat met transformatie van panden of delen van panden die geschikt zijn voor bedrijfsfuncties naar andere bestemmingen. In voorliggend plan wordt binnen de bestaande bedrijfsbestemming een meer bedrijfsruimte gerealiseerd. Het voornemen past binnen de bedrijfshuisvestingstrategie van de gemeente Den Haag.

15

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

4

Omgevingsaspecten

4.1

Vormvrije mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels deze onderbouwing wordt de realisatie van één bedrijfsgebouw binnen een geldende bestemming ‘bedrijventerrein’ mogelijk gemaakt. De realisatie van een bedrijfsgebouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.

De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit-mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben.

Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de bouw van één bedrijfsgebouw in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap c.q. de omgeving opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

16

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

4.2

Bedrijven en Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het ruimtelijk plan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets Het plangebied is gelegen tussen de Singel en de Rijswijkse Landingslaan. Het plangebied wordt omgeven door bedrijvigheid, infrastructuur en groenstroken. Enigszins verderop zijn woningen gelegen. Het vanwege de verscheidenheid aan functies, kan het gebied aangeduid worden als ‘gemengd gebied’.

17

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Externe werking Bij externe werking gaat het om de vraag of voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een Carwash aangeduid als autowasserij en deze valt binnen de tweede milieucategorie. Voor een autowasserij geldt in gemengd gebied voor het aspect ‘geluid’ een richtafstand van 10 m tot een gevoelig object. In een straal van 10 meter zijn geen gevoelige objecten gelegen. Het dichtstbijzijnde woongebied is gelegen op ca. 130 m van het plangebied. Derhalve wordt met de realisatie van dit plan geen afbreuk gedaan het woon-en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Bij de interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de directe omgeving. De Carwash wordt gerealiseerd op gronden van een bestaand bedrijventerrein, waar bedrijven tot en met categorie 3.1. toegestaan zijn. Op het naastgelegen bedrijfsperceel is een bouwmarkt gelegen. Voor deze inrichting geldt een richtafstand van 30 m voor het aspect geluid. Een Carwash wordt echter niet gezien als geluidsgevoelig object.

De aanwezigheid van de naastgelegen inrichtingen vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het plan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geen belemmering oplevert voor onderhavig plan.

4.3

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:   

Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets De nieuw te bouwen carwash betreft geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Tevens zijn geen geluidsgevoelige objecten in de directe omgeving te vinden en wordt het autowascentrum op een bestaand bedrijventerrein gerealiseerd. Nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect ‘geluid’ levert geen belemmeringen op voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.4

Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit te inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen.

18

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: • als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; • het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; • als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; • als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Toets Door HB Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek (rapport met kenmerk 20HB0025-A1, d.d. 13 februari 2020) uitgevoerd om de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard (gras). Aanleiding voor het bodemonderzoek is de realisatie van een autowasstraat, waarbij bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden. Het autowascentrum kan ook aangemerkt worden als verblijfsruimte. Derhalve dient een aanvaarbare bodemkwaliteit gewaarborgd te worden.

Op basis van het bodemrapport kan geconcludeerd worden dat op basis van halverharding, asbest, grond, grondwater en veiligheid geen beperkingen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden op de locatie waar onderhavig plan betrekking op heeft. Aanbevolen wordt: • tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden alert te zijn op afwijkende bodemlagen; • bij de bouw- en herinrichtingswerkzaamheden rekening te houden met de aangetoonde bodemkwaliteit. Het volledige bodemrapport is bij aanvraag van de omgevingsvergunning aan de gemeente Den Haag overlegd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering oplevert voor onderhavig plan.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een

19

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. •

•

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Figuur 4.2: uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat nabij de locatie van het plangebied een buisleiding, een Gasunie tracé met EPS constructie, is gelegen. Deze buisleiding is tevens opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Ypenburg’, weergegeven in figuur 1.3. Op ca. 400 meter van het plangebied is een opslag voor vuurwerk gelegen. Het plangebied grenst aan de A13, een rijksweg waarop gevaarlijke stoffen in tankauto’s worden vervoerd.

20

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Het plangebied valt niet binnen de invloedsfeer van de vuurwerkopslag en de rijksweg. De buisleiding van de Gasunie is echter wel direct binnen het plangebied gelegen. Met de realisatie van het plan wordt rekening gehouden met de situering van het gebouw in de nabijheid van de buisleiding. Op advies van de Gasunie worden binnen het gebied van de buisleiding geen bodemingrepen gedaan of elementen geplaatst die dieper reiken dan 75 centimeter. Tevens wordt geen groenvoorziening met diepe wortels boven de buisleiding aangelegd. Zoals in de uitsnede van de situatietekening in figuur 2.1 te zien is, worden geen verblijfsgebouwen boven de buisleiding gebouwd. Met de planvorming wordt rekening gehouden met de Gasunie tracé. Derhalve zullen geen constructieve ingrepen plaatsvinden die negatieve gevolgen voor de buisleiding hebben. Wel wordt het terrein boven de Gasunie tracé verhard. Met de ingrepen ten behoeve van de verharding wordt rekening gehouden met de Gasunie tracé, zodat deze niet van invloed zijn op de leiding. Binnen de contouren van de buisleiding is enkel een aantal plekken ten behoeve van het reinigen van interieur gesitueerd. Voor deze plekken geldt een korte verblijfsduur, waardoor niet direct gevaar in het kader van groepsrisico dreigt. Tevens geldt dat het plangebied: • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering oplevert voor onderhavig plan.

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO₂) en fijn stof (PM₁₀ en PM₂,₅). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

21

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO₂ en PM₁₀ moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig Toets Het voorgenomen plan voorziet in de ontwikkeling van één bedrijfsgebouw met een vloeroppervlakte van circa 2.500 m². Bedrijven staan niet in de lijst met categorieën van gevallen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Middels de NIBM-tool 2020 is een berekening uitgevoerd om aan te tonen dat het project niet boven de NIBM-grens uitvalt. De totaal maximale toename in verkeersbewegingen per etmaal is berekend op 433 (zie paragraaf 4.10 verkeer en parkeren).

Uit onderstaande Worst-case berekening blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekende mate is.

Figuur 4.3: Berekening NIBM-tool (bron: InfoMil)

4.7

Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Om uit te sluiten dat de Wet natuurbescherming met de uitvoering van voorgenomen ontwikkeling overtreden wordt, is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaarden uitgevoerd. De resultaten van deze Quickscan zijn te vinden in bijlage 2. Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de

22

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 8,8 km afstand (Westduinpark & Wapendal). Gezien deze geringe afstand en de aard van de ontwikkeling is in het kader van stikstofdepositie een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn te vinden in bijlage 1. In de conclusie van het AERIUS rapport wordt het volgende gesteld. Als gevolg van de realisatie en het gebruik van het autowascentrum aan de Singel in Den Haag komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. In de aanlegfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De gebruiksfase is buiten beschouwing gelaten.

Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanlegfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en gebruik van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats van beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rusten/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied. Tevens bezetten amfibieën er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Het is mogelijk dat een beschermd zoogdier en/of amfibie gedood wordt of dat een vaste rust en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield wordt. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels neemt af, als gevolg van het bebouwen en verharden van het plangebied. Echter leidt dit niet tot wettelijke consequenties. Mits er geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, leiden de voorgenomen activiteiten in onderhavig plan niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘natuurwaarden’ geen belemmering oplevert voor onderhavig plan.

23

Ruimtelijke onderbouwing – Nieuwbouw CarwashPlus

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Het plangebied is volgens de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Den Haag gelegen binnen een zone waar geen archeologische verwachting geldt. Derhalve is aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden te onderscheiden, evenals cultuurhistorische elementen of monumenten. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ geen belemmeringen opleveren voor de uitvoering van onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11377613/1