CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Verslag commissie Sociaal 29 06 2023 (vastgesteld)

Commissie SOCIAAL 29 juni 2023, gemeente 's-Hertogenbosch9.811 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Commissie SOCIAAL Datum: Locatie: Aanwezig: Voorzitter Secretaris: (plv.) Commissieleden:

Collegeleden:

29 juni 2023 Raadzaal

J.J.M. Gersjes mr. drs. R. van der Meer O. Çifçi, mw. M. Craste bc., mw. E.C.M. van Diejen BSc, mw. mr. Y. Doǧan, E.R.F. Esser, F.G.F. van Genugten, A.W.J.A. van Hattem LLB, F.J. van Haren, S.C. van Hasselt, mr. F. Kabbouti, drs. P.E. Kagie, mw. M.J. Klerks, mw. W.M. van de Leemput, mw. drs. E.W.M. van Opdorp, W.J. Plasmeijer, A.P.R.G.M van Rosmalen, mw. E. Samshuijzen, mw. mr. C.H.A. van den Wildenberg, mw. J.J.M. van den Wildenberg R.J.J. Geers, P. Slikker

Afwezig:

J.J.E.L. van Creij, S.J.A. Elders BA, mw. R.F. van der Kallen-van der Donk, ing. J.N. Kieft, H.J.M. Mees, mw. W.A.M.H. Parijs, ir. P.K. Schuurmans, A.C. van Silfhout, mw. dr. Y. van Zaalen

Verslaglegging

I. Wendt, DemiSec

1.

Opening en mededelingen De voorzitter heet allen, in de zaal en thuis, van harte welkom bij de vervolgvergadering van de commissie Sociaal op 29 juni 2023. Er is bericht van verhindering ontvangen van de heren Elders, Van Creij, Schuurmans, Kieft en mevrouw Van der Kallen. De heer Kagie vervangt de heren Kieft en Mees. Mevrouw Klerks vervangt de heer Silfhout. De heer Esser van de PVV is ook aangeschoven.

2.

Dierenparkjes en dierenwelzijn De voorzitter meldt dat de PvdD de notitie over dierenparkjes en dierenwelzijn heeft ingediend en geeft mevrouw Samshuijzen als eerste het woord. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) meldt dat de PvdD de discussienotitie heeft ingediend naar aanleiding van de actualisatie van het dierenwelzijnsbeleid en de raadsinformatiebrief die de raad in december 2022 heeft ontvangen. Nadat de fractie had kennisgenomen van de actualisatie heeft ze nagedacht over gewenste veranderingen. In de actualisatie wordt vooral toegespitst op het financiële aspect van dierenparkjes en kinderboerderijen. Dierenwelzijn gaat echter verder dan een financiële aanpak. De organisaties worden grotendeels gerund door vrijwilligers, die zich het hele jaar door inzetten. Als je iets lang doet, kunnen er blinde vlekken ontstaan. Het zou daarom goed zijn als de gemeente meer duidelijkheid en meer handvatten biedt op het gebied van dierenwelzijn. Door overgeboorte in de gemeentelijke dierenparkjes zijn er in vijf jaar tijd circa 130 dieren naar het slachthuis gebracht. De PvdD-fractie heeft in de notitie een aantal vragen voorgelegd aan de commissie Sociaal. Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) dankt de PvdD voor de notitie. Iedereen geniet van de dierenparkjes en kinderboerderijen, maar de dieren hebben ook recht op een fijn leven.

De fractie van De Bossche Groenen is blij dat de cijfers van afgevoerde dieren bekend zijn gemaakt, maar minder blij met het feit dat het er zoveel zijn. Als het niet nodig is, moeten er geen dieren naar het slachthuis gebracht worden. Het is goed dat de PvdD heeft gesproken met de vrijwilligers en dat een aantal verbeterpunten wordt voorgesteld. Het lijkt haar niet meer dan logisch om, samen met de vrijwilligers, te kijken welke verbeteringen doorgevoerd kunnen worden. De Bossche Groenen vindt het verstandig om de richtlijn te gebruiken voor kindvriendelijke dierenparkjes. De fractie wil vooral gebruikmaken van kennis en kunde van de vrijwilligers. Zij willen

1

zich allemaal inzetten voor de dierenparkjes, dus de gemeente moet hen goed ondersteunen en faciliteren, ook voor de langere termijn. Als er een semiprofessionele kracht nodig is om alle parken structureel op orde te houden, moet de gemeente daarin investeren. Mevrouw Klerks (Volt) dankt de PvdD voor de gespreksnotitie. Volt vindt het aantal dieren dat naar het slachthuis gaat te hoog. Het is echter niet duidelijk hoeveel dieren er in totaal in de parkjes leven en waarom de dieren geslacht worden. Volt vindt dat er verbeterd moet worden waar dat kan en dat de gemeente een gidsende rol moet aannemen. Wel moet er nagedacht worden over de periode waarin de verbeteringen gerealiseerd moeten worden; wordt er gekozen voor uitsterfbeleid of voor het snel doorvoeren van wijzigingen? Volt vindt het verstandig om de richtlijn te hanteren, maar ook daarvoor moet voldoende tijd gegeven worden. Via voorwaarden voor subsidie, veranderingen in het dierenwelzijnsbeleid en een gemeente die een actieve rol pakt in de samenwerking, moeten dierenparkjes en kinderboerderijen in staat zijn om het kinderboerderijenbesluit te implementeren. De heer Van Haren (VVD) vindt dat bij dierenparkjes en kinderboerderijen een balans moet worden gevonden tussen het plezier van de bezoekers, de organisaties, de vrijwilligers en het dierenwelzijn. Het plezier van bezoekers is daarbij leidend.

De organisaties en vrijwilligers slagen er goed in om die balans te vinden. De VVD heeft dan ook geen behoefte om de richtlijnen uit het rapport van de actiegroepen te volgen. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt wat de VVD vindt van het aantal dieren dat naar het slachthuis wordt afgevoerd. De heer Van Haren (VVD) antwoordt dat de VVD hier geen politieke mening over heeft. Het lijkt hem verstandig om op de expertise van de organisaties en vrijwilligers te steunen. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt of de VVD het de verantwoordelijkheid van mens vindt om zo weinig mogelijk dieren naar het slachthuis af te voeren. De heer Van Haren (VVD) antwoordt dat de besluitvorming hierover moet liggen bij de mensen die er verstand van hebben. Die zijn er voldoende bij de dierenparkjes en kinderboerderijen. Mevrouw Doğan (GroenLinks) benadrukt het belang van de educatieve functie van dierenparkjes en kinderboerderijen. Het welzijn van de dieren staat daarbij centraal. In het verleden heeft GroenLinks met andere fracties het initiatiefvoorstel voor dierenwelzijn ingediend, dus het moge duidelijk zijn dat de fractie het een belangrijk onderwerp vindt. GroenLinks ziet een vooruitgang, met name in de dierenparkjes, wat een compliment waard is voor de beheerders en vrijwilligers. Dieren moeten zo lang mogelijk in goede gezondheid kunnen leven. Afvoeren naar het slachthuis heeft niet de voorkeur.

Als er geen plek is voor extra dieren, moeten de organisaties niet fokken met de dieren. De heer Van Hasselt (SP) betoogt dat men zoveel mogelijk moet voorkomen dat er gefokt wordt met de dieren. Hij is echter bang dat het niet helemaal voorkomen kan worden. Hoewel hij onvoldoende weet van het reilen en zeilen van een dierenpark, vindt hij het verstandig om er goed naar te kijken als gemeente. Hij kan zich voorstellen dat de gemeente in gesprek treedt met de dierenparkjes om ervoor te zorgen dat het dierenwelzijn goed wordt geborgd. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt hoe de SP aankijkt tegen dieren die naar het slachthuis gebracht worden. De heer Van Hasselt (SP) antwoordt dat het beter is om het te voorkomen. De SP is er geen voorstander van om dieren naar het slachthuis te brengen. Wel kan het soms voorkomen dat het nodig is. De expertise van de vrijwilligers is nodig om te bepalen wanneer dat nodig is en wanneer het voorkomen kan worden. De gemeente kan prima met de dierenparkjes in gesprek gaan om het proces te verbeteren. De heer Plasmeijer (50PLUS) beperkt zich tot het beantwoorden van vraag 3, over het implementeren van het Kinderboerderijenbesluit. 50PLUS heeft er geen problemen mee als het Kinderboerderijenbesluit wordt gebruikt om het dierenwelzijn te verbeteren. Het implementeren van het

2

besluit kan als eis worden opgenomen in de subsidieverstrekking. Op gemeentelijke kinderboerderijen kan sowieso meteen opgelegd worden om het besluit te implementeren. De heer Çifçi (PvdA) dankt de PvdD voor de notitie. Kinderboerderijen zijn leerzaam, leuk en zeer toegankelijk, ook voor mensen met een kleine portemonnee. Uit de notitie blijkt dat de PvdD zelf een rondgang heeft gemaakt langs de kinderboerderijen. Hoe heeft de PvdD dit gedaan? Is er gesproken met de vrijwilligers of de betrokken ambtenaar? Hoe is de PvdD tot oordeelsvorming gekomen? De PvdA is terughoudend met het opleggen van verplichtingen, anders dan wettelijke voorschriften. In gesprek gaan met de vrijwilligers is echter altijd goed. Dierenparkjes en kinderboerderijen moeten niet alleen een fijne plek zijn voor de Bosschenaren, maar ook voor de dieren. Mevrouw Craste (D66) meldt dat D66 veel waarde hecht aan dierenwelzijn. Men moet ervoor zorgen dat de dieren in de parkjes goed verzorgd worden en dat hun welzijn wordt gewaarborgd. Om zowel dierenwelzijn als de belangrijke educatieve functie van dierenparkjes te optimaliseren, is het belangrijk om zich af te vragen hoeveel dieren men wil huisvesten en op welke manier. Het beleid zou aangepast moeten worden aan de behoeften van de verschillende diersoorten.

Slachten heeft niet de voorkeur, maar er zouden eerst gezamenlijke kaders op hoofdlijnen moeten worden vastgesteld voor dierenwelzijn. De uitvoering is vervolgens aan de organisaties. Het Kinderboerderijenbesluit is ook een uitvoeringsinstrument dat ze graag aan de wethouder, de professionals en de vrijwilligers in het veld wil overlaten. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt of D66 liever één grote opdracht verstrekt om het dierenwelzijnsbeleid te verbeteren dan gerichte opdrachten aan dierenparkjes en kinderboerderijen. Ze vraagt hoe D66 dat voor zich ziet. Mevrouw Craste (D66) dacht dat dit onderdeel was van de afspraken die zijn gemaakt: de raad geeft op hoofdlijnen kaders mee, waarmee de wethouder in staat is om er uitvoering aan te geven. Mevrouw C.H.A. van den Wildenberg (VOOR Den Bosch) stelt dat VOOR Den Bosch zich aansluit bij het betoog van de VVD. De fractie wil kinderboerderijen niet nog meer regels opleggen. Ze benadrukt dat het niet de bedoeling is dat de raad elk deelonderwerp op het gebied van dierenwelzijn afzonderlijk bespreekt. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) merkt op dat PvdD van mening is dat dierenwelzijn wel gericht besproken kan worden, zoals ook specifieke zorgthema’s afzonderlijk besproken worden. Ze vraagt of VOOR Den Bosch het ermee eens is dat het belangrijk is om gericht over verschillende thema’s te kunnen spreken. Mevrouw C.H.A.

van den Wildenberg (VOOR Den Bosch) reageert dat ze de PvdD net heeft verzocht om zich te beperken tot de hoofdlijnen. Mevrouw Van de Leemput (Bosch Belang) stelt dat Bosch Belang zowel de sociale cohesie als het dierenbelang in dierenparkjes belangrijk vindt. Ze verwacht dat de beheerders en vrijwilligers openstaan voor verbeteringen. Het praten met en opleiden van beheerders is een goed idee, mits alle medewerkers in hun waarde worden gelaten en er niet nog meer regels worden ingevoerd. Het Kinderboerderijenbesluit hoeft van Bosch Belang niet geïmplementeerd te worden. De heer Van Hattem (PVV) zegt dat de PVV-fractie enthousiast is over de kinderboerderijen in Den Bosch. Dierenwelzijn vindt de PVV belangrijk. Als de notitie aanknopingspunten voor verbeteringen geeft, moeten de organisaties daar op vrijwillige basis gebruik van kunnen maken. Van het opleggen van extra regels is de PVV-fractie geen voorstander. Als kinderboerderijen aan de slag willen met nieuwe richtlijnen, zou de gemeente financieel moeten bijdragen. Het aantal dieren dat naar de slacht wordt gebracht, noemt hij een druppel op een gloeiende plaat, zeker in relatie tot het islamitische Offerfeest. Daar zou dus ook iets aan moeten gebeuren. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) stelt dat dierenparkjes en kinderboerderijen een belangrijke functie vervullen.

Iedereen is voorstander van dierenwelzijn en iedereen vindt dat er ingegrepen moet worden als het fout gaat. Wel moet men zich altijd bewust zijn dat het vrijwilligers

3

zijn die zich inzetten voor de kinderboerderijen. Als zij verbeteringen willen doorvoeren, dan moet de gemeente dat faciliteren. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt wat Leefbaar ’s-Hertogenbosch vindt van het aantal dieren dat naar het slachthuis wordt afgevoerd. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) veronderstelt dat er dieren afgevoerd worden, maar dat de vrijwilligers daar niet graag op sturen. Hij wenst niet in de afweging van de vrijwilligers te treden. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) vraagt wat de heer Kagie vindt van de mogelijkheid om minder te fokken, zodat er minder dieren geboren worden die naar het slachthuis afgevoerd moeten worden. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) herhaalt dat hij beslissingen hierover wil overlaten aan de vrijwilligers. De heer Van Genugten (CDA) stelt dat het CDA dierenparkjes en kinderboerderijen ook heel interessant en gezellig vindt voor kinderen en (groot)ouders. Het fokken van dieren en het naar de slacht brengen zijn geen doelen op zich voor een dierenparkje. Het dierenwelzijn en het leven in een natuurlijke habitat zijn veel belangrijker. Het CDA heeft de indruk dat het goed gesteld is met het dierenwelzijn in de dierenparkjes, want de fractie is nauwelijks misstanden tegengekomen. Het is altijd goed om verbeterpunten op te pakken, maar het initiatief daartoe moet liggen bij de organisaties en de vrijwilligers.

De voorzitter geeft de wethouder de gelegenheid om te reageren op de discussie. Reactie college Wethouder Ralph Geers deelt de mening van de commissie over de toegevoegde waarde van dierenparkjes en kinderboerderijen en het belang om goed met de dieren om te gaan. Voor het dierenwelzijnsbeleid heeft de gemeente duidelijke kaders. In de brief heeft het college geduid welke stappen het dit jaar gaat zetten. Deze stappen zijn door de financiën beperkt, maar inhoudelijk niet gehinderd, want er kunnen altijd verbeterslagen gemaakt worden. De gemeente is altijd transparant geweest over het dierenwelzijnsbeleid en vindt het dan ook opvallend dat de PvdD in haar notitie allerlei algemeenheden stelt over zaken die niet op orde zouden zijn, zoals over schuilplekken voor dieren. Liever had het college gezien dat de PvdD had aangegeven waar deze niet in orde zouden zijn, zodat het probleem opgelost kan worden. Het college staat immers open voor verbeteringen. Het dierenwelzijnsbeleid is gebaseerd op de definitie van dierenwelzijn van LNV, dat vijf vrijheden voor dieren bevat. De mens dient honger en dorst, ongerief, ziekte en verwonding, angst en stress tegen te gaan en de mogelijkheid te bieden om natuurlijk gedrag te tonen. Deze aspecten zijn vastgelegd in de beheerafspraken met alle dierenparkjes en kinderboerderijen.

De gemeente is niet bevoegd om te handhaven op deze aspecten, maar bij twijfel wordt altijd een melding gedaan bij de NVWA of de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Als een partij consequent de afspraken niet nakomt en het dierenwelzijn is in het gedrang, treedt de gemeente stevig op, wat kan leiden tot stopzetten van de beheerovereenkomst. Over het fokbeleid worden in de notitie ook algemeenheden genoemd. De aantallen lijken fors en elk dier dat naar de slacht moet, is er gevoelsmatig een te veel. Dierenwelzijn houdt echter ook in dat het lijden van dieren op een gegeven moment stopgezet wordt. Dat is een lastige discussie, maar bij oude, zieke dieren is het soms genadiger om ze te doden. Dat is iets anders dan dat men beleidsmatig zou fokken om de dieren vervolgens te laten slachten. Dat gebeurt niet. Het fokken gebeurt alleen om het dierenbestand te behouden. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) benadrukt dat de lijst van dieren die naar de slacht zijn gegaan geen natuurlijke dood zijn gestorven en dat er ook veel jonge dieren tussen zitten. Ze vraagt of de wethouder het ermee eens is dat minder fokken ook leidt tot minder dieren die naar het slachthuis hoeven. Wethouder Ralph Geers antwoordt dat het volgens de tabel van de PvdD in 2022 over 24 dieren gaat, waarvan 15 ouder dan 7 jaar. Die zijn dus afgemaakt omdat ze oud of ziek waren. Er wordt

4

niet gefokt om dieren naar de slacht te brengen. Als er te veel dieren zijn, wordt eerst gekeken of ze elders geplaatst kunnen worden. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) merkt op dat zieke dieren nooit naar een slachthuis gebracht mogen worden. Het gaat dus om oude, gezonde dieren. Ze hoort graag waarom die worden afgemaakt. Gezonde dieren kunnen tot de dood op een kinderboerderij blijven en zieke dieren kunnen op diervriendelijke wijze geëuthanaseerd worden. Wethouder Ralph Geers blijft erbij dat het oude, zieke dieren betreft en dat er niet gefokt wordt voor de slacht. Voor het op peil houden van het dierenbestand zijn diverse mogelijkheden, zoals castratie en sterilisatie. De gemeente subsidieert de exploitatie van dierenparkjes en kinderboerderijen. Het beheer ligt bij de vrijwilligers. Daarbij geeft de gemeente ruimte voor differentiatie. Als de commissie inhoudelijke voorwaarden aan de subsidie wil toevoegen, kan dat, maar daarvoor moet wel de verordening worden aangepast. Vrijwilligers moeten echter niet overvraagd worden. Er wordt al veel van hen gevraagd in verband met strenge regelgeving. Het Kinderboerderijenbesluit wil het college best met de parkjes bespreken, maar niet om het een-op-een over te nemen.

De wetgeving die de gemeente hanteert, is op sommige punten namelijk helderder dan het Kinderboerderijenbesluit, bijvoorbeeld voor het minimaal aantal vierkante meters verblijfruimte per dier. De voorzitter concludeert dat iedereen zijn inbreng heeft kunnen geven en geeft het woord aan de initiatiefnemer voor het beantwoorden van de vragen. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) beantwoordt de vragen van met name de PvdA. Gevraagd werd hoe de rondgang langs dierenparkjes eruit heeft gezien. De PvdD heeft alle parkjes een vragenlijst gestuurd. Op sommige plekken is de fractie uitgenodigd om in gesprek te gaan. De ambtelijke organisatie is zeer behulpzaam geweest en heeft veel vragen beantwoord. De PvdD is met de gemeentelijke dierenverzorger op pad geweest langs een aantal dierenparkjes. Over fokken en slachten heeft men soms verschillende ideeën. Soms vindt men het belangrijk om veel jonge, schattige dieren te hebben, soms vindt men het dierenwelzijn het belangrijkst en geeft men dieren de gelegenheid om gezond oud te worden. De voorzitter dankt mevrouw Samshuijzen en vraagt of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat is niet het geval, waardoor hij de PvdD de gelegenheid geeft voor een slotwoord. Mevrouw Samshuijzen (PvdD) benadrukt dat de PvdD vindt dat alle dieren oud mogen worden en dat zieke dieren diervriendelijk geëuthanaseerd moeten worden.

De fractie is blij dat veel andere fracties het ook belangrijk vinden dat dierenwelzijn bovenaan staat. De vrijwilligers zetten zich enorm in en dat kan alleen als ze veel om de dieren geven. De PvdD zal in de raadsvergadering terugkomen op haar initiatiefvoorstel. 3.

Toekomst van de jeugdzorg in ‘s-Hertogenbosch De voorzitter stelt dat de vraag naar jeugdzorg de laatste jaren enorm is toegenomen, wat heeft geleid tot hogere kosten en capaciteitsproblemen. Veranderingen zijn nodig om de jeugdzorg toekomstbestendig te maken. Het college legt een aantal vragen voor over dit onderwerp. De heer Van Rosmalen (GroenLinks) vindt de discussienotitie, die wordt afgesloten met een reeks vragen, zeer verwarrend. De vragen kunnen namelijk onmogelijk beantwoord worden, omdat de benodigde kennis hiervoor ontbreekt en de notitie deze niet levert. Een vraag is hoe de samenwerking tussen de verschillende domeinen voor preventie en het voorliggend veld jeugdhulp, werk en inkomen en WMO kan worden versterkt. Hij begrijpt niet hoe de commissie hier een zinnig antwoord op kan geven. Ook de vraag wat de juiste balans is tussen het organiseren van voldoende slagkracht, investeren in professionals en preventieve infrastructuur en het financieel houdbaar houden van het stelsel, is niet te beantwoorden. De commissie maakte zich in de vorige periode sterk voor een andere werkwijze voor de regionale samenwerking. De gemeente zou een proces moeten starten met een raadsbesluit over de kaders die richting geven aan het handelen van het college in regionaal verband. De voorliggende discussienotitie draagt daaraan helaas niet bij.

Beter zou het college kunnen focussen op een klein aantal fundamentele vragen. Ook zou het goed zijn om de vragen meer vanuit de praktijk te formuleren. De plaats en waardering van ervaringsdeskundigheid van jongeren bij nieuwe afspraken zou bijvoorbeeld een kader kunnen zijn.

5

Kennis en inzicht over de huidige gang van zaken zijn belangrijk om de vragen te beantwoorden. De raadsleden zijn in deze raadsperiode nauwelijks bijgepraat. GroenLinks zou graag zien dat de commissie beter geïnformeerd wordt over de jeugdzorg in ’s-Hertogenbosch. Mevrouw Van Diejen (PvdD) heeft veel mediaoptredens van staatssecretaris Van Ooijen gezien. Hij noemt de hervorming een verbetering van de jeugdzorg, nu veel jongeren kampen met mentale problemen. Voor deze problemen moet niet een psycholoog worden ingezet, maar hun maatschappelijke netwerk. De PvdD is van mening dat de toename van hulpvragen is veroorzaakt door kabinetsbeleid. Denk aan vereenzaming door corona, hoge studiekosten, geen zicht op een eigen woning en de klimaatcrisis. Het toekomstperspectief voor jongeren is daardoor niet zo positief. De oplossing zou dan ook bij de landelijke politiek moeten liggen en dat is niet een landelijke bezuiniging van ruim € 0,5 miljard. De jeugd is al veel te lang de dupe van falend beleid en verdient een liefdevolle en toegankelijke jeugdzorg, die niet abrupt stopt als iemand 18 jaar wordt. Niet alle zorg is jeugdzorg, maar de PvdD denkt dat ingezet moet worden op tweesporenbeleid van preventie en individuele hulp. Prestatiedruk preventief aanpakken kan veel ellende besparen.

Ook moeten zaken genormaliseerd worden, zodat jongeren en hun ouders leren dat het niet gek is als ze op een bepaald vlak anders zijn dan anderen. Verder is het belangrijk dat wordt ingezet op de beschikbaarheid en de kwaliteit van individuele hulp. Als een jongere aangeeft dat hij hulp nodig heeft, mag de politiek niet het orgaan zijn dat bepaalt of de problemen groot genoeg zijn voor jeugdhulp. De samenwerking op verschillende domeinen kan verbeterd worden door één zorgregisseur per patiënt in te zetten en door te blijven inzetten op het clusteren van gemeenten, zodat de inwoners niet tussen wal en schip vallen. Het moet voor het zorgaanbod immers niet uitmaken waar iemand woont. Al met al vindt de PvdD dat in de discussienotitie wordt gedaan alsof de bezuiniging al een voldongen feit is en de gemeenteraad er niets over te zeggen heeft. Ze roept de wethouder en de raadsleden op om druk te zetten in Den Haag om de bezuiniging niet door te voeren. Als de hervormde jeugdzorg echt zo’n succes wordt als de staatssecretaris zegt, dan kan het geld dat overblijft, later teruggegeven worden. De heer Plasmeijer (50PLUS) dankt het college voor de discussienotitie. Ook 50PLUS bleef na het lezen ervan in vertwijfeling achter. De GGD en het RIVM lieten weten dat meer dan de helft van de jongvolwassenen kampt met psychische klachten, dat bijna de helft eenzaam is en/of stress heeft.

Deze problemen kunnen niet allemaal worden opgelost met jeugdzorg. Het idee dat professionele hulpverlening ingezet wordt bij alle psychische problemen is niet meer houdbaar. De vraag welke hulpvragen onder de jeugdzorg moeten vallen, is dan ook terecht. Er moet goed omschreven worden wat wel en wat geen jeugdhulp is. Lichtere vormen van zorg zullen hier niet meer bij horen. 50PLUS zou het liefst de zorg in eigen hand houden, maar regionale samenwerking zal noodzakelijk zijn. Als centrumgemeente heeft ’s-Hertogenbosch bovendien de plicht om kleinere gemeenten te helpen met de problematiek. Een mix van zelf vooroplopen en een aantal zaken in regionaal verband oppakken lijkt 50PLUS verstandig. Als er geen structurele verbeteringen komen in het Sociaal Domein, zoals qua huisvesting, verslaving en schulden, is het dweilen met de kraan open voor de jeugdzorg. Alles hangt met elkaar samen en daarom is het zo lastig om de notitie te doorgronden. De heer Van Hasselt (SP) dankt de wethouder voor de bespreeknotitie, want de commissie Sociaal spreekt te weinig over de jeugdzorg. De prestatiedruk zorgt voor veel mentale problemen onder jongeren. Jongeren zijn opgegroeid met het idee dat individuele verantwoordelijkheid de enige verklaring is voor persoonlijke problemen. Naast kansengelijkheid zou de samenleving het bestaansrecht van mensen moeten waarborgen.

Alleen een gelijkwaardig bestaan kan de samenhang in de samenleving versterken en voorkomen dat jongeren zich vervreemden van de maatschappij. Als er bezuinigd wordt op de jeugdzorg, terwijl de vraag groeit, leidt dit tot grote maatschappelijke problemen. Om dat te voorkomen, moet de gemeente desnoods vanuit haar eigen begroting middelen beschikbaar stellen. In Den Bosch zijn er genoeg uitgaven aan prestigeprojecten, die wel wat minder kunnen. De decentralisatie is totaal mislukt en bij de samenwerkingsverbanden ontbreekt de democratische legitimatie. Goede jeugdzorg zou op provinciaal niveau geregeld moeten worden. Er zou een goede samenwerking moeten zijn tussen de provincie en gemeenten.

6

De heer Van Haren (VVD) vraagt of de SP pleit voor het terugdraaien van alle ontwikkelingen in de jeugdzorg sinds 2015. De heer Van Hasselt (SP) antwoordt dat hij niet alles zou willen terugdraaien, omdat het vorige stelsel ook niet perfect was. Nu wordt echter gekeken naar wat er niet lukt op gemeentelijke schaal. Het is begrijpelijk dat deze schaal als basis wordt genomen, maar de jeugdzorg moet niet via een niet-democratische regionale samenwerking worden uitgevoerd. De inkoop kan op provinciaal niveau worden geregeld. De heer Van Hattem (PVV) is het grotendeels met de SP eens, maar het terugschuiven naar de provincie vindt hij geen goed idee. Dan moeten de ambtenaren weer bij de provincie worden geplaatst, wat een kostbare operatie is. Hij vraagt of de SP het met hem eens is dat het veel beter is om dat geld rechtstreeks in de jeugdhulp te steken. De heer Van Hasselt (SP) vindt dat zoveel mogelijk jeugdzorgbudget naar de jeugdzorg zelf moet gaan. Het is niet de bedoeling om allerlei ambtenaren bij de provincie te plaatsen. Het lijkt hem wel goed dat er door een democratisch orgaan wordt besloten over de jeugdzorg. Desnoods zorgt de provincie ervoor dat de huidige gemeenschappelijke regelingen democratisch mandaat krijgen. De heer Kabbouti (PvdA) vindt de vraag hoe de raadscommissie denkt over de uitspraak dat niet alle zorg jeugdzorg is, een heel fundamentele vraag.

In het rapport van het Verwey-Jonker Instituut staan veertien aanbevelingen. Er staat ook in dat de problematiek van ouders vaak de reden is waarom jeugdigen in verblijfsinstellingen zitten. Het is dan dus het probleem van de ouders, maar de veiligheid van de jongeren. Een lastige vraag is dan of het jeugdzorg betreft, of dat er andere zorg voor deze situaties gecreëerd moet worden. Vervolgens zorgt de wijze waarop de gemeente de jeugdzorg georganiseerd heeft ervoor dat het lokale bestuur op afstand staat en het college verantwoordelijk is voor de uitvoering. De vraag is hoe de systeemwereld en de wereld van de jongeren bij elkaar gebracht kunnen worden. Het is de moeite waard om op zoek te gaan naar het antwoord op deze vraag. De PvdA sluit aan bij GroenLinks: hoe zorgt de raad ervoor dat men niet op dit abstractieniveau blijft hangen, maar de deelonderwerpen aanpakt? Het voorstel begon met een heldere casus en dat is hetgeen waarover het moet gaan, maar vervolgens gaat het over het systeem en de positie van de gemeente. Die twee werelden liggen te ver uit elkaar en moeten bijeengebracht worden. De vraag hoe de raad denkt over minder jeugdzorg versus het aantal vragen en problemen is identiek aan de vraag waar de problemen vandaan komen.

Kun je de jongeren naar het netwerk van kennissen en vrienden sturen, kun je ze coachen of hebben ze professionele hulp nodig? Er is niet één oplossing aan te geven voor de huidige problematiek. De gemeente kan de oplossing zoeken in het systeem, of stellen dat maatwerk dé oplossing is, maar de uitdaging ligt erin om deze twee werelden aan elkaar te verbinden. Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) ziet de Hervormingsagenda jeugdzorg in een breder perspectief. Nederland is twintig plaatsen gedaald op de kinderrechtenindex, met name door lange wachtlijsten in de jeugdzorg en -bescherming, kinderarmoede en de leefsituatie van asielzoekerskinderen in azc’s. De grootste achteruitgang wordt veroorzaakt door het beschikbare budget. Van het budget komt maar een klein percentage bij de jeugd terecht. Het hervormingsbeleid heeft geleid tot jeugd die niet op tijd geholpen wordt, personeelstekort en gestegen kosten voor jeugdzorg. De Bossche Groenen vraagt de wethouder om met collega’s in Den Haag te blijven aankaarten dat een zogenaamde besparing gewoon een bezuiniging op jeugdhulp en jeugdbescherming is. De eerste vraag in de notitie, over wat er wel en niet binnen de jeugdzorg valt, vindt de fractie van De Bossche Groenen de verkeerde vraag. Kinderen in gezinnen met problemen verdienen de best passende zorg. Daarbij hoort maatwerk én een collectief aanbod.

Belangrijker is dat glashelder wordt wat kinderen en gezinnen minimaal mogen verwachten van de jeugdhulp. De gemeente moet sturen op kwaliteit, alleen jeugdhulp inkopen bij organisaties die aan het gemeentelijk kwaliteitskader voldoen. De gemeente moet scherp inkopen, maar wel fatsoenlijke tarieven betalen. Ook moet de kwaliteit van professionals meer ruimte krijgen, zodat ze de vrijheid hebben om te doen wat werkt. Om goede samenwerking op lokaal en regionaal niveau te hebben, moet de gemeente goed weten welke zorg ze wil bieden. De Rekenkamer heeft aanbevolen om een doelstellingendebat te organiseren voor de invulling, met heldere doelen voor de regionale en

7

lokale jeugdhulp. Dat zou voor ’s-Hertogenbosch een goede manier zijn om de kennis te vergroten en de doelen helder te stellen. De gemeente moet integraal kijken naar de problemen, lokaal investeren en prioriteit geven aan de jeugd. Maar zoals de PvdA stelt: hoe gaat de gemeente dat in hemelsnaam doen? Er moet in ieder geval geïnvesteerd worden in ervaringsdeskundigen. Met minder middelen de jeugdzorg verbeteren is onmogelijk. De meerwaarde zit wel in heldere maatschappelijke doelen stellen. De focus moet blijven liggen op kwaliteit, lokale inkoop, minder administratieve druk. Tot slot moet met een frisse blik gekeken worden naar wat er regionaal geregeld is met budgetten. De wethouder zou strakker op de budgetten moeten zitten en kijken of het geld wordt uitgegeven of dat het op de plank blijft liggen. Mevrouw Van de Leemput (Bosch Belang) zegt dat Bosch Belang het ermee eens is dat niet alle zorg jeugdzorg is. De fractie is er voorstander van dat problemen, indien mogelijk, worden opgelost binnen het sociale netwerk in de wijk en op school. Er ligt echter een grote rol voor de gemeente om de jeugd op de rit te houden, door het sociale netwerk erbij te betrekken en problemen snel aan te pakken. Lokale, regionale en subregionale zorg zouden moeten kunnen samengaan om de jeugd te voorzien van de juiste zorg op de juiste plek.

Op lokaal niveau moet goed gekeken worden naar de behoefte, want niet elke wijk heeft dezelfde aanpak en middelen nodig. Minder jeugdzorg met een stijgend aantal zorgvragen is niet te doen. De groter wordende problemen en de veranderende maatschappij maken dat jongeren niet meer in staat zijn om zichzelf te redden. De gemeente moet tot het uiterste gaan om de jeugd te ondersteunen bij de steeds groter wordende problematiek. De samenwerking kan versterkt worden door het creëren van korte lijntjes, goede bereikbaarheid, ontschotten en het aanstellen van één regisseur per dossier. Bosch Belang wil inzetten op preventie om nieuwe problemen te voorkomen. De jeugd moet weerbaarder worden en vertrouwen in de toekomst krijgen. Dat kan de gemeente niet alleen; er is landelijk beleid nodig dat toekomstperspectief geeft. Laagdrempelige ondersteuning, het inzetten van ervaringsdeskundigen en het gebruikmaken van de kwaliteit van jeugdigen kunnen daarbij helpen. Mevrouw Craste (D66) is van mening dat de daling op de kinderrechtenindex vooral te wijten is aan de slechte prestaties op het gebied van jeugdzorg en jeugdbescherming. In Nederland worden fundamentele kinderrechten geschonden en verbetering is niet zichtbaar. De kinderen die het meest in de knel zitten, worden door de overheid in de steek gelaten.

Wat is er nodig? D66 benijdt de wethouder niet, want het lijkt een onmogelijke opgave om het probleem op te lossen, terwijl er bezuinigd moet worden. De vragen in de notitie nodigen uit tot een 'boerenverstand-antwoord', omdat raadsleden niet de expertise hebben om een beter antwoord te geven. Vanuit het boerenverstand zou je antwoorden dat het beter is om op lokaal niveau de jeugdzorg te organiseren, omdat je dan meer maatwerk kunt bieden. Het blijkt echter effectiever te zijn om het regionaal of zelfs landelijk te organiseren. Het is dus beter als ambtenaren, beleidsmedewerkers en ervaringsdeskundigen de plannen uitwerken, want zij hebben er verstand van. D66 vindt wel een aantal kaders belangrijk. De belangrijkste kansen en risico’s moeten worden geïdentificeerd en van een actie worden voorzien. 70% tot 80% van de jeugdigen in de jeugdzorg zijn kinderen van gescheiden ouders. Kinderen die opgroeien in armoede hebben een grotere kans om in jeugdzorg terecht te komen en kinderen in asielopvang lopen meer risico. Beleid op langere termijn is nodig en de landelijke overheid moet zorgen voor meer geld en meer regionale samenwerking. De gemeente moet geen beleid maken, zonder de jeugdigen en hun ouders erbij te betrekken. In de discussienotitie wordt steeds de complexiteit van het probleem benadrukt.

Dat leidt tot een passieve houding, want het lijkt alsof de gemeente machteloos tegenover de uitdaging staat. Iedereen wijst naar elkaar, maar als kinderen niet veilig zijn, heeft de gemeente een verantwoordelijkheid. Er moet dus gekeken worden naar wat er wel kan. De aandachtspunten van het VerweyJonker Instituut zijn goed, maar gelden alleen voor Den Bosch. Kan de wethouder aangeven in hoeverre deze vertaald kunnen worden naar de regio en of de aanbevelingen een plek krijgen in het regionale beleidskader? Voorgesteld wordt om de focus te verleggen van het kind naar de context. Van die zin schrok D66. Het kind mag immers nooit uit het oog raken, want het gaat altijd om het kind en zijn veiligheid. Mevrouw Klerks (Volt) is ook van mening dat de jeugdzorg een onderwerp is, waarover vooral de experts zich moeten uitspreken. De mentale gezondheid van kinderen loopt hard achteruit. Tegelijkertijd wordt er aan het wettelijke recht op zorg gesleuteld: er geldt alleen nog jeugdhulpplicht

8

voor de meest kwetsbare jeugdigen en hun gezinnen. Volt vindt dat de gemeente de gezinnen die hierbuiten vallen niet in de kou kan laten staan. Minder geld en verschraling was nooit de oplossing voor betere zorg, al lijkt het rijk dit wel te veronderstellen. Ondanks de rijksbezuiniging kan de gemeente een principestandpunt innemen om bepaalde zorg te blijven leveren, ook als dat door de gemeente zelf gefinancierd moet worden. Volt is bereid om hiervoor de portemonnee te trekken, vooral voor de groepen waarvoor de nieuwe jeugdwet desastreus uitpakt. De precieze invulling moet bekeken worden als de bezuinigingen in 2026 concreet worden en duidelijk wordt welke groepen erbuiten vallen. Volt vindt het belangrijk dat nu al het speelveld voor al die groepen kwetsbare jongeren en gezinnen in kaart wordt gebracht. De heer Van Haren (VVD) vraagt of mevrouw Klerks van mening is dat het geven van meer verantwoordelijkheid aan de ouders desastreus is. Mevrouw Klerks (Volt) antwoordt dat Volt dat niet vindt. Ouders hebben zeker een verantwoordelijkheid. Eén mal werkt niet voor iedereen. Jeugdzorg zal in sommige situaties een belangrijk onderdeel van de oplossing blijven. In andere cases kan het netwerk misschien meer op zich nemen. Contextgerichte focus vraagt een integrale aanpak. Niet alle problemen zijn hierin te vangen.

Belangrijk is dat de gemeente diverse vormen van ondersteuning op waarde schat en actief aanmoedigt. De lijn van het rijk is dat de gemeente bepaalde zaken moet gaan bekostigen. Dit betekent dat het lokaal of regionaal opgepakt moet worden. Volt staat voor samenwerking en over de grenzen heen kijken, want het is goed om kennis en krachten te bundelen. Lokale hulp kan echter ook nodig zijn en moet dus niet wegbezuinigd worden. In regionale samenwerking moet men ook oog hebben voor gemeenten met zorgwekkender cijfers en hogere zorgvragen, want waar de wieg van een kind staat, mag niet zijn kansen in het leven bepalen. Ongeacht de plaats waar iemand opgroeit, moet dus de juiste zorg beschikbaar zijn. Volt wil gaan voor een win-winsituatie. Als het mogelijk is om tussen verschillende domeinen te schakelen en als ouders betere ondersteuning krijgen, zal de vraag naar jeugdzorg afnemen. Hiervoor is het nog wel nodig om informatie veilig te delen in de domeinen, want het gaat om gevoelige gegevens. Op de vraag hoe de gemeente omgaat met minder middelen en meer jeugdhulpvragen reageert Volt dat men vooral moet nadenken over hoeveel minder middelen de gemeente bereid is om te accepteren.

Wanneer zegt de gemeente dat ze zelf een verantwoordelijkheid heeft jegens de jeugd om het tekort niet te ver te laten oplopen? De gemeente moet met haar middelen achter de Bossche jeugd gaan staan, want nu lijkt het alsof de gemeente de bezuinigingen van het rijk gewoon moet accepteren en met minder middelen betere kwaliteit moet gaan leveren. De gemeente zou bepaalde financiële zekerheid bieden en bereid zijn om voor te sorteren op alternatieve scenario’s als de lobby richting het rijk niet succesvol blijkt te zijn. Mevrouw J.J.M. van den Wildenberg (VOOR Den Bosch) is van mening dat de sociale belasting niet bij mantelzorgers moet komen te liggen. Door de dubbele vergrijzing zijn de huidige mantelzorgers al zwaar belast, waardoor men kan afhaken en de kinderen nog meer de dupe worden van de problematiek. VOOR Den Bosch ziet de zorg graag lokaal waar het kan en regionaal waar het moet. Kwetsbare kinderen moeten geholpen worden, ongeacht de oorzaak van de problemen. VOOR Den Bosch adviseert om te ontschotten, want nu loopt men aan tegen verschillende protocollen en regels. Ontschotting levert meer financiële ruimte op. Het kind dient centraal gesteld te worden. Inzet van het eigen netwerk kan soms een oplossing bieden, maar er kan beter breder worden gekeken naar oplossingen voor de langere termijn.

De heer Van Haren (VVD) stelt dat het goed is dat met de notitie opvolging wordt gegeven aan het Rekenkamerrapport uit 2021. Het is ingewikkelde materie, maar dat ontslaat de raad niet van de plicht om de jeugdzorg te verbeteren. De raad kan de wethouder sturing meegeven hoe hij zich moet verhouden tot de regio en de aanbieders. De VVD is het eens met de uitspraak dat niet alle zorg jeugdzorg is. De gemeente moet durven kiezen wanneer individuele jeugdzorg ingezet wordt. Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) vraagt naar voorbeelden van hulp die geen jeugdhulp is.

9

De heer Van Haren (VVD) antwoordt dat veel opvoedingsproblemen opgelost kunnen worden door ondersteuning. Jeugdhulp begint bij een indicatie. De VVD ziet een uitzondering waarin de gemeente meteen jeugdzorg moet inzetten, namelijk bij kindermishandeling, huiselijk geweld en andere situaties waarin het kind niet veilig is. Dan moet zo snel mogelijk worden ingegrepen en heeft een individuele aanpak prioriteit. De VVD is niet bang voor regionale samenwerking. De huidige regionale taken verlopen prima. Er mogen dus meer taken regionaal opgepakt worden, zoals toezicht en fraudebestrijding. Er zijn ook zaken die op lokaal niveau moeten blijven liggen, zoals de informatievoorziening, de toegang tot de jeugdhulp, cliëntondersteuning en de preventieve aanpak. Dat het rijk de reikwijdte van de Jeugdwet gaat aanpassen is goed, want zo worden echte keuzes gemaakt tussen jeugdzorg en de verantwoordelijkheid van ouders. Om dat goed te organiseren, moet de gemeente wel naar professionals en ervaringsdeskundigen luisteren. De VVD is bereid om te investeren in opvoedondersteuning en preventie. De ongewisse financiële toekomst blijft frustrerend. Het is onlogisch dat het rijk al besparingen inboekt, voordat de aanpak zijn vruchten afwerpt. Dat moet de gemeente blijven vertellen aan de landelijke politiek.

De VVD-fractie zou graag de lijn die bij de Voorjaarsnota is ingezet vast te houden en een goede balans te zoeken in het opbouwen van reserves voor de financiële remweg vanaf 2026. Tegelijkertijd moet de gemeente investeren in een steviger stelsel voor jeugdhulp. De heer Van Hattem (PVV) begint met de laatste vraag, omdat hij dat de belangrijkste vindt. De fractie spreekt van schande dat de bezuiniging op deze manier wordt opgedrongen. Zelf heeft hij vorig jaar ingestemd met een motie in de Eerste Kamer, waarin de toenmalige bezuiniging ongewenst werd verklaard. Het kabinet had de bezuiniging dus nooit mogen presenteren aan de gemeenten. Als de gemeente extra moet investeren in de jeugdzorg, is de PVV wel van mening dat de kwaliteit voorop moet staan en dat hiervoor geld moet worden vrijgemaakt dat nu aan prestigeprojecten wordt besteed. De gedachte dat niet alle zorg jeugdzorg is, is sympathiek. Het moet echter niet als drogreden worden gebruikt om de bezuinigingen te kunnen doorvoeren. In 2015 is bewust gekozen voor een decentralisatie, omdat de gemeenten de aanpak beter konden uitvoeren. De inkoop van zorg kan echter prima op regionaal niveau gebeuren. De PVV is benieuwd in hoeverre de wethouder de aanbevelingen uit het rapport van het VerweyJonger Instituut overneemt.

De heer Van Genugten (CDA) stelt dat de wethouder de raad veel creativiteit toedicht bij de grote vragen over de jeugdzorg. Het CDA geeft graag enkele uitgangspunten mee. Het talent van de jeugd moet altijd een uitgangspunt zijn. Dat is een beter vertrekpunt dan de druk op de jeugd vergroten door hoge verwachtingen. Daarbij moet men niet alleen kijken naar het kind, maar ook naar het gezin en de context. De fractie is het eens met de uitspraak dat niet alle zorg jeugdzorg is. Als ouders niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen, is er zorg nodig, ongeacht de vraag of dit jeugdzorg is. De gemeente moet ook kijken naar de middelen en de effectiviteit. In het verleden werd te veel van het budget uitgegeven aan wijken waar de problemen het kleinst waren. Het oplossen van bestaanszekerheidsproblemen mag prioriteit krijgen en zelfs voorwaardelijk worden gemaakt voor andere hulp. De balans tussen lokale en regionale zorg vindt het CDA lastig. Echter, waar het kan zou de zorg zo toegankelijk en zo eenvoudig mogelijk moeten zijn, dicht bij de inwoners. Specialistische jeugdzorg moet echter bovenlokaal worden georganiseerd. Ontschotten en integraal kijken is goed. Het gaat niet om besparen of het overeind houden van zorgbureaus, maar om de beste zorg voor de jeugd, waarbij het belang van het kind centraal staat.

De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) stelt dat het niet gaat om de toekomst van de jeugdzorg, maar om de toekomst van de jeugd. Het is daarom van het grootste belang om de aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut serieus te nemen. Die zou hij graag willen bespreken in de raad. Volgens aanbeveling 2 wordt er nog steeds niet integraal gewerkt. Opvoedingsvraagstukken moeten als zodanig onderkend en beantwoord worden, maar dat is iets anders dan jeugdzorg. Om de rekening voor jeugdzorg niet te ver te laten oplopen, zou het zwaartepunt moeten liggen in de wijken en dorpen. Als ouders goed ondersteund worden, wordt de reflex om jeugdzorg in te roepen minder.

10

De commissie is niet in staat om te beoordelen of de jeugdzorg vanaf 2026 met minder geld toe kan. Leefbaar ’s-Hertogenbosch voelt er niets voor om al voor te sorteren op een bezuiniging op jeugdhulp. Wel is de fractie groot voorstander van het efficiënter organiseren van de jeugdzorg, dicht bij de mensen op de dorps- en wijkvloer. Jeugdwerkers, opvoedingsdeskundigen en begeleiders moeten voldoende handelingsruimte krijgen. Als per sprake is van financiële problemen, mag het kind niet de dupe worden en in de jeugdhulp terechtkomen, terwijl er niets wordt gedaan aan de schuldenproblematiek. Leefbaar ’s-Hertogenbosch vraagt het college om een fundamenteler debat te agenderen, waarin de aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut worden besproken. Reactie college Wethouder Slikker vindt dat de raad een zeer goed debat weet te voeren over het onderwerp. Dat is de gemeenteraad ook aan zijn stand verplicht. Met 31.000 van de 35.000 kinderen in de gemeente gaat het goed. Ongeveer 4.000 kinderen hebben jeugdzorg: circa 1 op de 7, waar het ooit 1 op de 27 was. De aard van de problematiek verschilt sterk: van lichte hulp bij opvoedingsproblemen tot zware zorg in een instelling, met een jeugdbeschermingsmaatregel, voogdijschap en ondertoezichtstelling.

Hij is het niet eens met de uitspraken dat het onderwerp een technische discussie vergt die met professionals en ambtenaren moet worden gehouden. Hoe de gemeente omgaat met de kinderen, is ook een politiek vraagstuk. Het voorstel om voor te sorteren op een miljoenenbezuiniging is ook een politiek vraagstuk. Het gesprek aangaan met de mensen in de wijken over wat jeugdzorg is, is een maatschappelijk vraagstuk. Over de vraag of er meer voorzieningen collectief aangeboden moeten worden op scholen en in wijken, hebben mensen een mening. Mevrouw Craste (D66) vraagt of de commissie niet duidelijk heeft aangegeven dat ze de discussie wel wil voeren, maar dat het de vraag is op welk niveau dat moet gebeuren. Wethouder Slikker vertaalt dit naar de vraag of men collectief zorg wil organiseren of dat het via individuele beschikkingen moet gaan. Dat is een lastig vraagstuk, waarover de gemeenteraad de afgelopen jaren te weinig heeft gediscussieerd. Mevrouw J.J.M. van den Wildenberg (VOOR Den Bosch) vraagt naar individuele beschikkingen voor dyslexie. Zij was heel blij toen haar kind een beschikking kreeg voor dyslexie, omdat de scholen geen tijd en ruimte hadden voor extra begeleiding. Denkt de wethouder dat het onderwijs er nu wel tijd en ruimte voor heeft? Wethouder Slikker antwoordt dat het een van de bewegingen is die de maatschappij moet maken.

Het is echter ook een vraag aan de raad: gaat de gemeente jeugdzorgwerkers inzetten op individuele beschikkingen voor dyslexie, of wordt het collectief georganiseerd op scholen? Dat hoeft niet door leerkrachten gedaan te worden, maar door gespecialiseerde jeugdzorgwerkers. Mevrouw J.J.M. van den Wildenberg (VOOR Den Bosch) stelt dat er voor die kinderen niet voor niets een zorgvraag ligt. Op de scholen zijn al veel medewerkers die ondersteuning bieden, maar er blijven kinderen die toch meer hulp nodig hebben. Wethouder Slikker noemt het een terechte oproep, waarover de raad het gesprek moet voeren: hoe ziet de gemeente deze balans? Waar de veiligheid in het geding is, is het logisch dat een individuele beschikking noodzakelijk is. Maar waar ligt de grens met het collectieve aanbod? Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) stelt voor dat het college een overzicht maakt met alles wat er aan huidig beleid is, zodat de gemeenteraad de risico’s en kansen kan scoren. Zo kan de raad doelen stellen en zien wat er met de maatschappelijke input die er al is, wordt bereikt. Nu is er geen overallanalyse en lijkt het alsof de gemeente op allerlei verschillende gebieden actief is, zonder integrale doelen. Mevrouw Van Diejen (PvdD) vraagt wat volgens de wethouder collectief kan worden aangeboden en wat als individuele hulp.

Het lijkt haar namelijk gevaarlijk: hoe kan de gemeente beslissen wat een opvoedkundig probleem is en wanneer jeugdzorg nodig is?

11

De heer Van Hasselt (SP) vraagt ziet een schijnbare tegenstelling tussen individuele hulp en de collectieve aanpak. Deze kunnen elkaar juist goed aanvullen. De gemeente zou moeten kijken hoe beide samengevoegd kunnen worden. Wethouder Slikker antwoordt dat het een doorlopende lijn is. Er is altijd een individuele aanpak nodig, want een extreem gevaarlijke thuissituatie of ernstige gedragsproblematiek kan niet met collectieve maatregelen worden aangepakt. Eerst moet gekeken worden wat de normale vraagstukken zijn die op maatschappelijk niveau aangepakt kunnen worden. Vervolgens blijven de kinderen over die psychische hulp nodig hebben. 50% van de mensen heeft in een periode van hun leven psychische klachten, waarvoor ze bijvoorbeeld naar de huisarts gaan. Bij jongeren wordt dit echter meteen omgezet in een individuele beschikking, terwijl voor hen ook laagdrempelige hulp in een wijkcentrum geboden kan worden. In het kwartaalbericht Sociaal Domein is altijd de zorgmonitor opgenomen, waarin staat hoeveel jongeren jeugdzorg krijgen en welke doelstellingen de gemeente heeft. Die doelstellingen kan de raad altijd bijstellen. Mevrouw Van Diejen (PvdD) vraagt zich af of het verstandig is om mensen die psychische hulp nodig hebben naar een wijkcentrum te sturen voor wat laagdrempelige hulp.

Wethouder Slikker legt uit dat het ervaren van psychologische druk, ook tijdens de puberteit, heel normaal is. Voor deze normale druk is laagdrempelige psychologische hulp voldoende. Dat is beter dan te wachten tot een kind uitvalt en een individueel traject met jeugdzorg wordt aangeboden. Mevrouw Van Diejen (PvdD) denkt dat het verstandiger is om in te zetten op een tweesporenbeleid van zowel preventie als jeugdzorg, zonder meteen te korten op de jeugdzorg. Wethouder Slikker stelt dat sneller ingrijpen hopelijk leidt tot minder behoefte aan zwaardere zorg. Over de financiën heeft de raad verstandige dingen gezegd: de gemeenten moeten zich er niet bij neerleggen dat het rijk vooraf al een bezuiniging inboekt. Diverse fracties hebben aanbevolen om te investeren in preventieve zorg voor jongeren. De heer Van Hattem (PVV) merkt op dat de aantallen in de voortgangsrapportages niet zoveel zeggen, omdat het gaat om de kwaliteit van de zorg. Daarover wil hij het gesprek voeren. Wethouder Slikker is het daar geheel mee eens, maar dat gebeurt vanavond. Normaal gesproken zou hij met het gesprek wachten tot er op regionaal niveau een beleidskader was vastgesteld na gesprekken tussen colleges en zorgaanbieders. Als de gemeenteraad dan nog suggesties heeft, moet hij deze weer inbrengen in de gemeenschappelijke regeling. Nu wordt vooraf het gesprek gevoerd op basis van de inhoud.

Mevrouw Van Opdorp (De Bossche Groenen) herhaalt wat GroenLinks zei, namelijk dat het de gemeenteraad ontbreekt aan expertise. Ze vraagt hoe de wethouder de raad kan voeden met de inhoud. Wethouder Slikker antwoordt dat gesprekken als vanavond ervoor zorgen dat de raad op de juiste vlieghoogte komt. Het debat over jeugdzorg moet dominanter plaatsvinden in de raadzaal. Daarom heeft hij in de notitie vragen gesteld en stelt de commissie tegenvragen. In het rapport van het Verwey-Jonker Instituut worden diverse zaken aangekaart, zoals het betrekken van het hele gezin bij de problemen van jongeren, inclusief een scheiding of schuldenproblematiek. Verder zet de gemeente laagdrempelige toegang voor kinderen met psychische problemen op en wordt het aantal praktijkondersteuners vergroot. De gezinsadvocaat wordt ingezet bij complexe vechtscheidingen. Dat kost € 30.000 per dossier, maar specialistische jeugdzorg kost al gauw € 100.000 per kind per jaar. Een ander voorbeeld is een mentor die het kind volgt en adviseert tijdens het hele traject van jeugdzorg. Dat kan allemaal lokaal, maar de vraag is wat de gemeente regionaal wil organiseren, los van de specialistische hulp. Voor ondersteuning op scholen is dat zeker nodig, omdat kinderen niet altijd in hun eigen woonplaats naar school gaan. ’s-Hertogenbosch wil graag vooroplopen, maar wil ook de regio erin meenemen.

De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) merkt op dat de discussienotitie niet gaat over de verbetermaatregelen die het Verwey-Jonker Instituut voorstelt. De notitie gaat over de

12

bezuiniging en de maatregelen die de gemeente kan treffen om de bezuiniging voor te zijn. Hij hoort graag of de wethouder bereid is om het gesprek aan te gaan over de verbetermaatregelen. Wethouder Slikker antwoordt dat de raad begin mei een brief heeft ontvangen over het rapport en hoe de gemeente ermee wil omgaan. Nu is het college bezig met het regionale beleidskader en kan de raad daarop voorsorteren. De commissie gaf een aantal concrete suggesties: normaliseer waar het kan, maar pak het individueel op als dat nodig is; probeer lokaal meer bij elkaar te krijgen door ontschotting; voer een harde lobby tegen het rijk om te voorkomen dat er per 2026 een derde van het jeugdbudget af gaat en de aanpak onuitvoerbaar wordt. Tweede termijn De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) merkt op dat de hoogste urgentie is om het pakket verbetermaatregelen door te voeren. Hij roept de collega-raadsleden op om in september het debat hierover te voeren, zodat daarna nagedacht kan worden over de investering die de komende jaren nodig is om de verbeterslagen te maken. De heer Van Haren (VVD) heeft veel goede dingen van het college gehoord, maar is nieuwsgierig naar het vervolg. Hij zou zo snel mogelijk willen loskomen van de papieren werkelijkheid en in gesprek gaan met zorgaanbieders en ervaringsdeskundigen.

De heer Van Hasselt (SP) is vanavond geschrokken, omdat de ongelijkheid in Nederland steeds groter wordt. Nederland is rijker dan ooit, maar op de jeugd moet weer enorm bezuinigd worden. Hij roept de fracties op om op landelijk niveau ervoor te pleiten dat de bezuiniging niet doorgaat. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) stelt dat het met of zonder bezuiniging niet marcheert zoals het moet. De aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut moeten daarom ter harte worden genomen. De heer Van Hasselt (SP) is ervan overtuigd dat er veel verbeteringen mogelijk zijn. Nu worden de verbeteringen echter gepresenteerd als middel om te kunnen bezuinigen. Dat ziet de SP anders. De fractie vindt dat de maatschappij andere prioriteiten moet hebben: minder bureaucratie en zorg op een menselijke schaal. Mevrouw Craste (D66) begrijpt niet goed tegen wie de heer Van Hasselt ageert. De heer Van Hasselt (SP) antwoordt dat hij ageert tegen het landelijke kabinet. Mevrouw Craste (D66) veronderstelt dat de heer Van Hasselt in de verkeerde debatzaal zit. De heer Van Hasselt (SP) stelt dat veel raadsleden lid zijn van een partij die een landelijke vertegenwoordiging heeft. Hij roept hen op om hun best te doen om de bezuinigingen tegen te houden. Mevrouw Van Diejen (PvdD) is het ermee eens dat de raad het inhoudelijke debat later moet voortzetten.

De landelijke PvdA pleit ervoor om de bezuiniging uit de Hervormingsagenda van de jeugdzorg te halen. De wethouder zegde ook toe om te proberen de bezuiniging van tafel te krijgen. Ze mist echter politieke moed: wat gaat de gemeente doen als de lobby niet lukt? De wethouder zei dat preventie ertoe kan leiden dat iemand geen specialistische jeugdhulp nodig heeft, maar het is te kort door de bocht om hier een directe link te maken. Daarom moet er niet bezuinigd worden op de individuele hulp. Mevrouw Craste (D66) dankt de wethouder voor de notitie en de toelichting. De commissie is heel betrokken bij de jeugd en moet met elkaar over de jeugdzorg blijven praten. Een bezuiniging van een derde is enorm, maar het ontslaat de gemeente niet van de plicht om goede jeugdzorg te blijven aanbieden aan hen die het nodig hebben. De heer Van Rosmalen (GroenLinks) wil graag meegenomen worden in de concrete uitvoering van het lokale jeugdbeleid. Verder had hij graag vooraf geweten dat vanavond het rapport van het Verwey-Jonker Instituut in het gesprek kon worden betrokken, want dan was de discussie wellicht zinvoller geweest.

13

De heer Van Hattem (PVV) sluit zich hierbij aan. De wethouder zei enerzijds dat hij een inhoudelijk gesprek over de kwaliteit van jeugdzorg wilde voeren, maar anderzijds dat het gesprek vandaag moest plaatsvinden. Hij zou het niet zo willen afbakenen dat er na vandaag niets meer over gezegd kan worden. De heer Van Haren (VVD) veronderstelt dat de uitspraak dat vandaag hét moment is, is omdat de wethouder een kader wil hebben om het gesprek met de bestuurders in de regio aan te gaan. De heer Van Hattem (PVV) zou ook willen doorspreken over het kader, want de discussie op basis van de notitie vond hij nog te algemeen. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) zou graag van de portefeuillehouder horen hoeveel ruimte hij heeft om een debat over de aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut met de raad te voeren. De heer Van Hattem (PVV) zou graag het geld voor onder andere het klimaatakkoord en het stikstoffonds gebruiken om de bezuiniging op de jeugdzorg te voorkomen. De PVV gunt alle kinderen, ook die in de jeugdzorg zitten, hele mooie kinderboerderijen toe. Wethouder Slikker stelt dat de landelijke Hervormingsagenda net klaar is. Op 1 januari moet er een nieuw beleidskader liggen. Het rapport van het Verwey-Jonker Instituut heeft de raad al een tijdje in bezit. Hij stelt voor om voorafgaand aan het beleidskader een discussie te beleggen.

De voorzitter van de werkgroep Sociaal Domein heeft hier ook een verantwoordelijkheid in. Hij wist ook dat het onderwerp op de agenda stond. De heer Van Rosmalen (GroenLinks) merkt op dat de werkgroep Sociaal Domein de bespreeknotitie erg laat heeft ontvangen. Wethouder Slikker stelt dat de timeframes heel kort zijn door de introductie van het IZA, het GALA en de jeugdzorghervorming. Hij probeert de commissie in het proces mee te nemen, maar er is nooit veel tijd voor. Hij stelt voor om het proces in de regio nu op zijn beloop te laten. Daarna zal hij terugkomen met het regionale beleidskader, gecombineerd met de lokale aanpak, om vervolgens een stadssessie erover te organiseren. De heer Van Haren (VVD) vraagt wat er wordt bedoeld met een stadssessie. Wethouder Slikker antwoordt dat hij een bijeenkomst bedoelt met maatschappelijke partners, jeugdzorgaanbieders en cliëntenraden. De heer Kagie (Leefbaar ’s-Hertogenbosch) stelt dat het gaat om het in de vingers krijgen van de verbetermaatregelen en wat er nodig is om te investeren in die maatregelen. Daar is volgens hem geen stadssessie voor nodig. In september zou hij het gesprek hierover willen voeren. Wethouder Slikker biedt enerzijds aan om een bijeenkomst met allerlei betrokkenen te organiseren en anderzijds om een debat te voeren over het beleidskader.

De heer Van Hattem (PVV) vindt dat de wethouder het nu vrij breed trekt, maar valt ook weer terug in de oude systematiek: een beleidskader dat op regionaal niveau is opgesteld en waarvoor de gemeente kan tekenen bij het kruisje. Hij zou een collegeappreciatie willen zien van de aanbevelingen van het Verwey-Jonker Instituut. Wethouder Slikker vindt dat geen probleem. Het rapport is al rondgestuurd met een collegeappreciatie. Die kan hij desgewenst nog verder aanvullen. Hij verwacht alleen niet dat de raad nog in staat is om veel input te leveren voor het beleidskader dat op 1 januari 2024 moet ingaan. De heer Van Haren (VVD) vraagt of er nu een informatiebijeenkomst komt in het najaar of een wethouderbrief met de collegeappreciatie. Of zijn het beide toezeggingen door de wethouder. Wethouder Slikker wilde voorstellen om in het najaar, als het beleidskader 2024 is geagendeerd, de lokale beleidsmaatregelen te agenderen, gebaseerd op het rapport van het Verwey-Jonker

14

Instituut en op basis van de Hervormingsagenda. Daarnaast zou hij een informatiesessie willen organiseren. De heren Kagie en Van Hattem zeggen echter dat ze in september al willen discussiëren. Dat kan, maar dan zal dat op basis van een wethouderbrief over de aanbevelingen van Verwey-Jonker Instituut moeten. De heer Van Haren (VVD) stelt voor om de informatiebijeenkomst alvast te agenderen, maar ook een wethouderbrief met een appreciatie. Wethouder Slikker zegt de wethouderbrief toe in de zomer. Daarnaast krijgt de raad het beleidskader aangeboden en wordt voorafgaand daaraan een informatiebijeenkomst georganiseerd. De wethouder benadrukt nog dat hij wel kan stellen dat de gemeente de bezuiniging niet wil, maar dat de landelijke politiek deze al in de boeken heeft staan en zelf bepaalt of deze wordt doorgevoerd. De gemeente wil nu al voorsorteren op een kwalitatieve verbetering van de jeugdzorg, omdat de beweging die in 2015 werd ingezet niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Maar ’s-Hertogenbosch kan daarmee niet garanderen dat ze minder geld gaat uitgeven aan jeugdzorg. Mevrouw Van Diejen (PvdD) begrijpt dat het lastig is om in te schatten of de gemeente dat geld nog krijgt van het rijk, maar de gemeente kan wel alvast op andere posten bezuinigen om ervoor te zorgen dat er straks geld is voor jeugdzorg. Wethouder Slikker stelt dat de gemeenteraad daarover besluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13109232/1