CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3b Coudewater (landgoed en boszone)_Regels

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Coudewater (landgoed en boszone)15.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.4 onder a.4, voor een kleiner onbebouwd deel van het achtererfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. het achtererfgebied is kleiner dan 50 m²; 2. de oppervlakte van het hoofdgebouw is kleiner dan 40 m²; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mogen niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.4 onder a.8 en a.9 voor een bouwhoogte tot 5,5 meter, onder de volgende voorwaarden: 1. het bijgebouw of de overkapping ligt naast en tussen hoofdgebouwen; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mogen niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.4 onder a.10 voor een dakterras op een bijgebouw of een overkapping, onder de volgende voorwaarden: 1. de woonkamer ligt op de eerste verdieping (van het hoofdgebouw); 2. de privacy van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast. 11.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde a.

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.4 onder a.2 voor een bouwwerk, geen gebouw of een overkapping zijnde, in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de maximale bouwhoogte is 3 m; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.4 onder a.11 en a.12 voor een hogere erfafscheiding onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding op en/of voor de voorgevellijn is 1,5 m; 2. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding achter de voorgevellijn is 2,5 m; 3. de erfafscheiding heeft een open, pergola-achtige constructie. 11.4

Specifieke gebruiksregels

11.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten die publieksaantrekkend zijn; b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning; c. kamerbewoning. 11.4.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit als bedoeld in 11.1 onder b moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie: maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen samen mag voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit worden gebruikt, tot in totaal 50 m2; b. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet naar aard, omvang en uitstraling passen in de woonomgeving; c. de beroeps- of bedrijfsactiviteit mag niet vergunningplichtig zijn volgens artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wabo en niet meldingplichtig volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteit uitoefent, moet bewoner van de woning zijn; e. horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van beperkte detailhandel als ondergeschikte functie van de beroep- of bedrijfsactiviteit en onder de voorwaarde dat te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met de beroeps- of bedrijfsactiviteit. 11.4.3 Maximum uitgeefbaar gebied a.

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - boswonen' is de maximale gezamenlijke oppervlakte van de bouwpercelen inclusief de gezamenlijke oppervlakte van parkeervoorzieningen buiten de bouwpercelen 8.675 m²; 32

b. Ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - natuurwonen' en 'specifieke vorm van wonen lobben' inclusief de aangrenzende aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - parels in het groen' en 'specifieke vorm van wonen - landgoedwonen' is de maximale gezamenlijke oppervlakte van de bouwpercelen en parkeervoorzieningen en bebouwing buiten de bouwpercelen 38.952 m². 11.4.4 Voorwaardelijke verplichtingen Voor het gebruik van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor deze bestemming gelden de volgende voorwaardelijke verplichtingen: a. Mitigerende maatregelen 1. Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van de mitigerende maatregelen zoals beschreven in bijlage 2 bij deze regels. b. Ecologische verbindingszone 1. Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van de ecologische verbindingszone binnen de bestemming Natuur langs de Groote Wetering in het zuiden van het plangebied, in overeenstemming met het inrichtingsplan zoals opgenomen als bijlage 3 bij deze regels. c.

Landschappelijke inpassing Het gebruik als bedoeld in 11.1 is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' uitsluitend toegestaan na realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' in overeenstemming met het inrichtingsplan zoals opgenomen als bijlage 4 bij deze regels. d. Parkeren 1. Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van voldoende parkeerplaatsen, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2021, met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - lobben' per bouwperceel minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd en in stand gehouden; als parkeerterreinen nodig zijn in deze bestemming moeten deze parkeerterreinen halfverhard zijn of worden uitgevoerd in grasbetonstenen en in stand te worden gehouden volgens het inrichtingsplan als bedoeld in 11.2.1; 2. als de beleidsregels voor parkeren wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden. e. Inrichting 1. Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en instandhouding van het inrichtingsplan als bedoeld in 11.2.1 onder g. 2.

Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan als wegen, wandel- en fietspaden en in- en uitritten en parkeerterreinen als bedoeld onder 1 openbaar toegankelijk zijn. 3. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - lobben' is het gebruik als bedoeld in 11.1 uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van een vijver in het aanduidingsvlak met een oppervlakte van minimaal 2.000 m². 4. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - lobben' is het gebruik als bedoeld in 11.1 uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van een groene haag op de perceelsgrenzen met openbaar toegankelijk gebied, onder de volgende voorwaarden: de haag moet minimaal 1 m hoog en minimaal 60 cm breed zijn; in de haag is per bouwperceel een onderbreking van 5 m toegestaan voor een in- en uitrit; als een in- en uitrit door meerdere bouwpercelen wordt gedeeld, is de maximale breedte van de onderbreking in de haag voor deze bouwpercelen samen 5 m. f. Waterberging 1. Het gebruik als bedoeld in 11.1 is uitsluitend toegestaan na realisatie en met instandhouding van een hemelwatervoorziening die minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken. g. Geluid 1.

Indien de geluidbelasting op een gevel hoger is dan 53 dB als gevolg van een rijksweg of 63 dB bij overige wegen is het verplicht de woning te voorzien van maximaal één dove gevel en minimaal één geluidluwe gevel, en in stand te houden. 33

11.5 Afwijken van de gebruiksregels a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.4.2 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, onder de voorwaarden als bepaald in 11.4.2 en onder de voorwaarde dat het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeers- en parkeersituatie. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.4.2 onder c voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit die meldingplichtig is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer, onder de voorwaarde dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit naar aard, omvang en uitstraling past in de woonomgeving: bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afwijking moet vaststaan dat een goed woon- en leefklimaat op omliggende woonpercelen gegarandeerd is. 11.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - boswonen' en 'specifieke vorm van wonen - lobben' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: 1.

het aanleggen van oppervlakteverhardingen op bouwpercelen, voor zover dit leidt tot meer verharding dan 50% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, uitgezonderd het hoofdgebouw; b. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder 11.6 sub a zijn slechts toelaatbaar indien: 1. door die werken en werkzaamheden, geen onevenredige aantasting van de landschappelijke, hydrologische, ecologische en cultuurhistorische waarden en kenmerken van het woongebied en zijn omgeving ontstaat of kan ontstaan; 2. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende waterberging.

34

Artikel 12

Leiding - Riool

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van ondergrondse rioolleidingen. 12.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. in of op deze gronden mag uitsluitend voor deze dubbelbestemming worden gebouwd; b. de maximale bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter. 12.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de andere bestemmingen van deze gronden, onder de volgende voorwaarden: a. de veiligheid van en vanwege de leiding mag niet worden geschaad; b. het bevoegd gezag moet schriftelijk advies inwinnen bij de leidingbeheerder. 12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; 3.

het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; 4. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en of bomen; 5. het vellen of rooien van houtgewas. b. Het verbod onder a geldt niet voor de werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. c. De werken en werkzaamheden onder a zijn slechts toelaatbaar als door die werken en werkzaamheden of de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige aantasting van de belangen van de leiding ontstaat of kan ontstaan. d. Voor een beslissing over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint het bevoegd gezag advies in van de leidingbeheerder.

35

Artikel 13

Waarde - Archeologie - 1

13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. 13.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld toegestaan. 13.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 13.2 voor bouwwerkzaamheden dieper dan 0,3 meter, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.

een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4.

die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet of Erfgoedverdening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag 36

in voldoende mate zijn vastgelegd. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. f.

13.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

37

Artikel 14

Waarde - Archeologie - 2

14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. 14.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 25 m² en dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. 14.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 25 m² en dieper dan 0,3 m, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c. een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 25 m² en dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2.

die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning; 4. die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet of Erfgoedverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport 38

overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 14.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

39

Artikel 15

Waarde - Archeologie - 3

15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. 15.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m beneden maaiveld. 15.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 15.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c. een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2.

die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4. die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet of Erfgoedverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport 40

overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 15.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

41

Artikel 16

Waarde - Archeologie - 4

16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. 16.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld. 16.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,5 m, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.

de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c. een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk 16.4.1 Vergunningplicht a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1.

die het normale onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4. die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet of de Erfgoedverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan 42

aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 16.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

43

Artikel 17

Waarde - Robuuste groenstructuur

17.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Robuuste groenstructuur' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van monumentale en waardevolle bomen. 17.2 Bouwregels Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan. 17.3 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de andere bestemmingen van deze gronden, onder de volgende voorwaarden: 1. het behoud van de boom of bomen wordt niet in gevaar gebracht; 2. de landschappelijke, hydrologische, ecologische en cultuurhistorische waarden en kenmerken van het landgoed worden niet in onevenredige mate aangetast. b. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door een gecertificeerd European Tree Technician (of adviseur van vergelijkbare expertise) uitgevoerde bomeneffectanalyse overlegd wordt, waarin de gevolgen voor de (monumentale) waarden van de boom zijn beoordeeld en naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de conditie, levensverwachting en groeiplaats van de ter plaatse aanwezige boom of bomen. 17.4 Specifieke gebruiksregels a.

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. b. Tot een strijdig gebruik van de gronden wordt in elk geval gerekend het plaatsen van voertuigen, machines, schaftketen, toiletten, betonmolens en ander bouwmaterieel en het manoeuvreren met voertuigen of machines in de bouwfase, tenzij voorzieningen zijn getroffen om insporing en verdichting van de bodem te voorkomen. 17.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op de tot 'Waarde - Robuuste groenstructuur' bestemde grond, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. het kappen van monumentale en waardevolle bomen; 2. het verrichten van werkzaamheden die de dood of ernstige beschadiging van de boom of bomen tot gevolg kunnen hebben; 3. werken en werkzaamheden die leiden tot een bedreiging van de duurzame instandhouding van monumentale en waardevolle bomen, zoals: het ophogen en afgraven van gronden; het aanbrengen van verhardingen; het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energieof telecommunicatieleidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. b.

Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3. die mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning. c. Een omgevingsvergunning voor werken als bedoeld onder a.1 kan slechts worden verleend als: 1. de belangen die gediend zijn met het verlenen van de vergunning opwegen tegen de zwaarwegende maatschappelijke belangen die gediend zijn met het behoud van de boom; 2. uit een boomtechnisch onderzoek blijkt dat de levensverwachting van de waardevolle boom door ziekte 44

of door ouderdom minder dan 5 jaar bedraagt en/of instandhouding van de boom niet verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. d. Een omgevingsvergunning voor werken als bedoeld onder a.2 kan pas worden verleend, nadat een door een gecertificeerd European Tree Technician (of adviseur van vergelijkbare expertise) uitgevoerde bomeneffectanalyse overlegd wordt, waarin de (monumentale) waarden van de boom zijn beoordeeld en naar het oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de conditie, levensverwachting en groeiplaats van de ter plaatse aanwezige boom of bomen.

45

46

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 18

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

47

Artikel 19

Algemene bouwregels

19.1 Maximum aantal woningen Het maximum aantal wooneenheden binnen alle bestemmingsvlakken Woongebied en de bestemmingsvlakken Gemengd met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - maximum aantal wooneenheden' tezamen is 408. 19.2 Ondergeschikte bouwdelen a. Bij de toepassing van de bouwregels in dit plan worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen en overkappingen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits: 1. binnen de bestemming Woongebied de maximale diepte 1 m uit de gevel is, met dien verstande dat bij gestapelde woningen de maximale diepte van balkons 2,5 m uit de gevel is; 2. in de overige bestemmingen de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 m. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor balkons met een grotere diepte binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - lobben' onder de volgende voorwaarden: 1. afwijking is uitsluitend toegestaan bij woningen waarvan de voorgevel is gericht op de oostelijke plangrens; 2. de maximale diepte van het balkon is 4 m; 3. de minimale afstand tot de voorste perceelsgrens is 3 m.

48

Artikel 20

Algemene gebruiksregels

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de bestemmingen van dit plan.

49

Artikel 21

Algemene aanduidingsregels

21.1 Bescherming in relatie tot de waterhuishouding a. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - behoud en herstel watersystemen' geldt dat deze gronden zijn aangewezen voor de bescherming van de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuurnetwerk. b. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - attentiezone waterhuishouding' geldt dat deze gronden zijn aangewezen voor de bescherming van de waterhuishouding.

50

Artikel 22

Algemene afwijkingsregels

a. Het bevoegd gezag kan, mits het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast, met een omgevingsvergunning afwijken van de regels en de verbeelding: 1. voor een vermeerdering of vermindering van maten en normen, met uitzondering van het bepaalde in 19.1, tot 10% van die maten en normen; 2. voor een geringe afwijking van plaats en richting van bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen als dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waarin een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt; 3. voor een grotere bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer tot een bouwhoogte van 10 meter; 4. voor een grotere bouwhoogte van gebouwen vanwege plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, onder de volgende voorwaarden: de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging is 10% van het dakoppervlak; de maximale hoogte van de plaatselijke verhoging is 4 meter. b.

Het bevoegd gezag wijkt met een omgevingsvergunning af van het bepaalde in artikel 20, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

51

52

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 23

Overgangsrecht

23.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 23.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

53

Artikel 24

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Coudewater (landgoed en boszone).

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11655363/1