CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 ROB

Gemeenteraad 28 februari 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ruimtelijke onderbouwing Zonneveld Graafsebaan Rosmalen15.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3 alinea's met “informatiebijeenkomst”: 240 244 245

Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

27

Planspecifiek Gelet op het toekomstig gebruik van de locatie is de bijdrage van het initiatief aan luchtkwaliteit zeer summier te noemen. Het zonnepark zelf heeft geen effect. Hooguit neemt het aantal verkeersbewegingen in verband met installatie en reparatie van de zonnepanelen iets toe ten opzichte van de bestaande situatie, waar de locatie in gebruik is als maïsakker. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten zeer beperkte toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Dit project maakt een zonnepark mogelijk binnen het plangebied. Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie zoals bepaald in de Wgh. De enige bronnen van geluid bij een zonnepark zijn de transformatoren en batterijen. Deze geluidsbronnen zijn niet aan te merken als industrielawaai en behoeven daarom niet nader te worden getoetst vanuit de Wgh. Wel zijn deze geluidsbronnen in paragraaf 4.1.5 Milieuzonering getoetst vanuit het aspect milieuzonering en daaruit blijkt dat het initiatief geen milieuhinder tot gevolg heeft. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor.

Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Planspecifiek Een zonnepark is geen geurgevoelig object volgens de Wgh. Het zonnepark zorgt ook niet voor geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

28

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Een zonnepark is geen gevoelig object en de panelen zelf hebben geen milieueffect op de omgeving. Wel komen er, voor het verwerken van de opgewekte energie, enkele transformatoren aan de westkant van het park. Voor het bepalen van het milieueffect van deze transformatoren is uitgegaan van 'Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - 10 - 100 MVA', categorie 3.1 met een maximale richtafstand van 50 m op basis van geluid (publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'). Deze maximale richtafstand van 50 m zal vanwege het beperkte effect van de transformatoren van een zonnepark echter niet gehaald worden. Een beperkt deel van de projectlocatie en de directe aangrenzende gronden aan de noordwestkant maken onderdeel uit van de enkelbestemming 'Agrarisch - Bedrijf'. Hierbinnen is een bedrijfswoning toegestaan. Deze bedrijfswoning is aanwezig en ligt op minimaal 60 m afstand vanaf de projectgrens van voorliggend initiatief. Tussen de woning en het zonnepark staat een gebouw dat met het oogpunt van geluid zorgt voor een geluidreducerend effect.

In het concrete van deze bedrijfswoning is gelet op de afstand en de omgevingskarakteristiek een goed woon- en leefklimaat geborgd. Aan de oostzijde van het projectgebied ligt een recreatiepark. De afstand tussen de plek van de transformatoren en de grens van het recreatiepark bedraagt minimaal 350 m. Milieuhinder kan daarmee op voorhand worden uitgesloten en ter plaatse van de recreatieverblijven is sprake van een goede ruimtelijke ordening met het oog op milieuzonering. Ook komt er een batterijopslag die de opgewekte energie afkomstig van de panelen kan opslaan indien nodig. De batterijopslag kan in tijden van ontlading en lading beperkt geluid produceren. De batterij maakt niet meer geluid dan een transformator, daarom wordt aangesloten bij de richtafstand hiervoor (50 meter), waaraan wordt voldaan. Er is daarmee geen sprake van een nadelig geluidseffect die het woon- en leefklimaat aantast. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

29

4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Dit project maakt een zonnepark mogelijk binnen de projectlocatie. De projectlocatie zal niet worden gebruikt als verblijfslocatie voor personen en is daarmee geen kwetsbaar object. Aan de westkant van het zonnepark wordt een Lithium batterij geplaatst (12x20x3m) met een maximaal vermogen van 6 MW. Voor batterijen van zonneparken zijn in het Activiteitenbesluit (nog) geen vaste afstanden gedefinieerd omdat er nog geen rekenmethodiek is vastgesteld. De dichtstbijgelegen bedrijfswoning aan de Graafsebaan 123a ligt op ruime afstand tot de beoogde plek van de batterij.

Bovendien is de kans op een brandscenario met lethale effecten nihil. Ook wanneer het worst case scenario zich ontwikkelt (volledige ontbranding van de batterij) zijn lethale effecten buiten de inrichtingsgrens niet te verwachten. Een brandscenario met Lithium-Ion batterijen ontwikkelt zich namelijk dusdanig traag dat de intensiteit van hittestraling en rookontwikkeling relatief beperkt is en geen lethale effecten buiten de inrichtingsgrens zal hebben. Daarnaast is rekening gehouden met een volwaardig brandbestrijdingssysteem ter plaatse. Door de locatiekeuze van de batterij is een goede bereikbaarheid voor blusvoertuigen gegarandeerd. Voor de aanvoer van bluswater wordt een droge blusleiding met sprinklersysteem aangelegd. Verder wordt een adequate bestickering toegepast en wordt de veiligheidsregio door een actieve aanmelding op de hoogte gebracht van de komst van het zonnepark met batterij. De batterij zal verder voldoen aan de WBDBO normering van 60 minuten (vlamdichtheid, stabiliteit en thermische isolatie) en de batterij voldoet aan de L9540A-veiligheidscodering. Het project is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.

30

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

4.1.7 Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) onderzoekt de milieugevolgen van een plan of project en de (milieuvriendelijkere) alternatieven. Een m.e.r. is verplicht bij grote ruimtelijke ingrepen zoals de bouw van industriële complexen en aanleg van auto(snel)wegen maar een m.e.r. is bijvoorbeeld ook verplicht voor de aanleg van een golfbaan en bij bepaalde uitbreidingen van agrarische bedrijven. Het milieueffectrapport (MER) is onderdeel van de m.e.r.-procedure. Of een project m.e.r.-plichtig is moet ten eerste worden getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlage C en D. In die twee bijlagen zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een m.e.r. beoordelingsplicht geldt. Ten tweede kan de provinciale milieuverordening aanvullend op het Besluit m.e.r. nog meer activiteiten aanwijzen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Ten derde kan uit een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 ook een m.e.r.-plicht volgen. Ook als de drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (duidelijk) niet gehaald worden dient aandacht uit te gaan naar de milieugevolgen van een plan of project. Die aandacht naar de milieugevolgen heet dan 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Een m.e.r. kan ook nodig zijn als de betreffende activiteit niet wordt genoemd in het Besluit m.e.r.

en ook niet op andere wijze (bijvoorbeeld op grond van de provinciale milieuverordening) m.e.r.plichtig is. Dit heet de onverplichte m.e.r. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst het mogelijk maken van een zonnepark met een netto oppervlak van 6,0 hectare. Een zonnepark is in te delen als oprichting van een installatie bestemd voor de productie van elektriciteit. Deze activiteit staat in het Besluit m.e.r. in de D-lijst onder nummer D22.1. De drempelwaarde bedraagt een activiteit met een vermogen van 200 megawatt of meer. Gelet op het totale vermogen van dit zonnepark, niet meer dan 10 megawatt, wordt de drempelwaarde niet overschreden. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 3 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

31

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen.

Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

32

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:  schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;  de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;  de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;  de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied.

Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat is toegevoegd als bijlage 2. Uit de watertoets blijkt dat aan de zuidzijde van het plangebied een A-watergang loopt met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze zone worden geen bouwwerken gerealiseerd.

Met het waterschap is besproken dat aan de noordzijde van de watergang - binnen het plangebied - een 5 meter brede beschermingszone als grasland gehandhaafd blijft, zodat het waterschap het onderhoud van de watergang ook vanaf de noordzijde kan blijven uitvoeren (eis van het waterschap). Daarbij ligt het gehele plangebied in een grondwaterbeschermingsgebied, zie 3.2. Voorliggende initiatief voorziet niet in ingrepen die een negatief effect hebben op het grondwaterbeschermingsgebied. De gevaarlijke stof in de batterij (Lithium-Ion) is geen vloeistof, waardoor er bij normaal gebruik geen risico bestaat op bodemverontreiniging. De batterijcontainer is in beginsel waterdicht. Rond de betonnen fundering waar de batterijcontainer op rust wordt een voorziening aangebracht waarbinnen eventueel gelekt water, mogelijk door het blussen van de container, opgevangen wordt. Mogelijk vervuild (blus)water wordt afgevoerd door een specialistisch bedrijf. Daarbij wordt ten behoeve van voorliggende ontwikkeling een groot oppervlak groen ingericht. Hemelwater dat op de zonnepanelen valt, stroomt af op de grond en infiltreert daar.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

33

Daarbij wordt bij voorliggende ontwikkeling geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen toegepast. Hiermee is het voorliggende plan niet in strijd met de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 2021. Doordat het onderhoudspad is afgewerkt met een laag teelaarde kan het water ook op het pad infiltreren. Voorliggende ontwikkeling is passend betreffende het aspect 'Water'.

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn in de onderstaande paragraaf weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. In dit onderzoek is ook een schuur meegenomen die geen onderdeel is van het plangebied (meest noordelijke schuur die in het onderzoek is betrokken). Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status in het kader van de Wet. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op circa 7,85 kilometer afstand. Gezien de aard, omvang, en de grote afstand, worden er geen significante nadelige effecten op Natura 2000-gebied verwacht als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen, stikstof en dergelijke. Desondanks is er voor het aspect stikstof een AERIUS-berekening opgesteld, zie bijlage 5.

De belangrijkste conclusie is dat er zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbeschermingsvergunning aangevraagd te worden.

34

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Direct ten zuiden van het plangebied ligt een deel van het Natuur Netwerk Brabant. Hierop is ingegaan in paragraaf 3.2. Soortenbescherming In het onderzoek is geconcludeerd dat ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van broedvogels negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Voor de sloop van de aanwezige schuren dient er duidelijkheid te zijn over de potentiële functie voor huismus, kerkuil, vleermuizen en/of steenmarter. Hiertoe dient protocollair aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd Aanwezige dekking rond de onderzoekslocatie, in de vorm van houtwallen, takkenhopen en struweel dient behouden te blijven vanwege de potentiële functie voor kleine marterachtigen. Voor de kap en verwijdering van de westelijk gelegen houtwal, de populierenlaan, wordt middels één veldbezoek de geschiktheid beoordeeld, wat kan resulteren in aanvullend onderzoek. Voor de das is nader onderzoek nodig op het naastgelegen perceel om te onderzoeken of er een burcht aanwezig is. Als een burcht aanwezig is zijn maatregelen al dan niet in combinatie met een ontheffingsaanvraag Wnb nodig. Verlichting richting aangrenzend bosperceel de Hooge Heide en de eikenlanen dient voorkomen te worden vanwege potentiële functies voor vleermuizen als vaste rust- en voortplantingsplaats en vliegroute.

Voor beschermde soorten behorende tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Aanvullend ecologisch onderzoek Het aanvullend onderzoek is toegevoegd als bijlage 4. De belangrijkste conclusie van het aanvullend onderzoek is dat met de voorgenomen plannen overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgesloten voor alle soortgroepen die aanleiding gaven voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek (huismussen, kerkuilen, roeken, boomvalken, buizerds, haviken, ransuilen, sperwers, wespendieven, vleermuizen, steenmarters, kleine marterachtigen en dassen). Daartoe dienen de bomen uit de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren wel gehandhaafd te blijven en dient voorkomen te worden dat verlichting richting deze potentiële vliegroutes en (potentiële) verblijfplaatsen in de omgeving voorkomen wordt. Daarvan is sprake. De bomen blijven door voorliggend initiatief behouden en er is geen sprake van een toename van verlichting in de genoemde richtingen. Daarmee kunnen overtredingen van de Wet natuurbescherming worden uitgesloten. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

35

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het zonnepark wordt aan de westkant ontsloten op de Graafsebaan. Die weg maakt, achter de bebouwing van het aangrenzende erf, een bocht naar het oosten en komt uit bij het zonnepark. Daarmee is het zonnepark goed bereikbaar voor monteurs en eventuele hulpdiensten. Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking en het aantal benodigde parkeerplaatsen kent dit project geen effect. Monteurs zullen de locatie bereiken ten behoeve van het onderhoud van het park, echter gebeurt dit niet structureel. Afgezet tegen het huidig gebruik van de locatie (landbouwgrond) leidt dit niet tot meer verkeersbewegingen. Dit geldt eveneens voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Monteurs en kunnen nabij de entree tot het zonnepark parkeren, daarvoor is voldoende ruimte aanwezig. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen die door voorliggend project kunnen worden beïnvloed.

36

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Archeologie In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" is er ter plaatse van de project locatie geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. Uit de gemeentelijke verwachtingskaart is op te maken dat er ter plaatse van de ontwikkeling een lage verwachting geldt. Voor het leidingwerk, plaatsen van panelen, het hekwerk en de trafohuisjes zijn bodemingrepen nodig. Echter gezien de geringe aard van de ingrepen en de lage verwachting ter plaatse worden mogelijke archeologische waarden niet geschaad. Het plan is uitvoerbaar wat betreft cultuurhistorie en archeologie.

4.6

Lichtreflectie

Lichtreflectie of schittering door zonnepanelen vindt plaats wanneer zonnestralen zó reflecteren op zonnepanelen, dat zij in het oog van een observeerder worden opgevangen. Drie factoren spelen hierbij een rol:  De stand van de zon aan de hemel.  De opstellingshoek van de zonnepanelen.  De locatie van de observeerder ten opzichte van de panelen. Enkel wanneer al deze drie factoren over een minimale bepaalde waarden beschikken is lichtreflectie mogelijk. Vervolgens zijn er meerdere factoren die bepalen hoe de reflectie wordt ervaren:  De felheid van de reflectie.  De hoeveelheid achtergrondlicht.  De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder.  De duur van de verlichting. Planspecifiek Het zonnepark wordt opgericht in een afgelegen gebied. Er zijn geen drukke verkeerswegen of spoorwegen aanwezig waarvan het verkeer mogelijk hinder kan ondervinden als gevolg van lichtreflectie. Langs de randen van het zonnepark wordt de bestaande landschappelijke inpassing behouden of worden nieuwe landschapselementen aangeplant. Vanuit alle windrichtingen is er straks geen tot nauwelijks zicht op het zonnepark. Ook voor bewoners en (verblijfs)recreanten uit de omgeving geldt daarom dat reflectiehinder op voorhand is uit te sluiten.

4.7

Elektromagnetische straling

Met betrekking tot elektromagnetische velden van zonneparken dient onderscheidt gemaakt te worden tussen de panelen zelf en de omvormers. Het elektromagnetisch veld dat de zonnepanelen zelf opwekken is erg zwak. Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het stopcontact is een omvormer nodig. Deze omvormers zorgen voor een magnetisch veld, dat ruim onder de blootstellingslimiet blijft. Daardoor geldt in algemene zin dat zonneparken geen negatieve gezondheidseffecten als gevolg hebben met betrekking tot dit thema. Planspecifiek De transformatoren van het zonnepark zijn voorzien aan de westkant van het projectgebied. In aanvulling op de inleidende tekst uit voorliggende paragraaf blijkt uit onderzoek van het RIVM uit 2009 dat op meer dan 4 m van een transformatorhuis/ station de jaar de jaargemiddelde magnetische veldsterkte lager zal zijn dan 0,4 microtesla. Negatieve effecten in het kader van elektromagnetische straling zijn op voorhand uit te sluiten.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

37

4.8

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

38

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Inspraak en overleg

Door IX Zon is een zorgvuldig proces doorlopen waarbij de omgeving is geïnformeerd en inbreng heeft gehad op het plan voor het zonnepark. Van dit proces is een verslag gemaakt; zie bijlage 6. Daarnaast is de financiële participatie van de omgeving in het zonnepark uitgewerkt: zie bijlage 7. Navolgende tekst betreft een samenvatting van het verslag omgevingsdialoog uit bijlage 6. De visie energielandschap van de gemeente 's-Hertogenbosch schrijft voor dat participatie in het planproces essentieel is. Door de omgeving vroegtijdig bij het initiatief te betrekken kan veel weerstand worden voorkomen. Te vaak voelen partijen zich 'gepasseerd' of 'niet gehoord' waardoor zij op voorhand de hakken in het zand zetten. De gemeente 's-Hertogenbosch biedt initiatiefnemers van een nieuw omgevingsplan mede daarom handvatten aan (Bossche Omgevingsdialoog). Deze handvatten helpen om de omgevingsdialoog aan te gaan met de omgeving. De handvatten bestaan uit: 1. Het bepalen van de omgeving; 2. Het uitnodigen van de omgeving; 3. In gesprek gaan met de omgeving; 4. Het maken van een verslag; 5. Delen van het verslag met de omgeving; 6. En het toesturen van het verslag aan de gemeente. Conform de handvatten van de Bossche Omgevingsdialoog kunnen omwonenden en andere stakeholders participeren in het planvormingsproces.

Het doel van procesparticipatie is om samen met belanghebbenden te komen tot betrokkenheid en wederzijdse eerlijke behandeling leidend tot een zo goed mogelijk geaccepteerd en gedragen plan. Het participatieverslag grijpt terug op het communicatie- en participatieplan. In het communicatie- en participatieplan heeft IX Zon in lijn met de Bossche Omgevingsdialoog de volgende stappen in het participatieproces beschreven: 1. Definiëren van de doelgroepen middels een stakeholderanalyse; 2. Communicatiemiddelen en tijdlijn; 3. Informeren direct omwonenden; 4. 1-op-1-gesprekken/keukentafelgesprekken; 5. Ontwerp- en informatiebijeenkomst met direct omwonenden; 6. Ontwerp- en informatiebijeenkomst voor het brede publiek; 7. En de terugkoppeling. Proces Om de omgevingsdialoog te structuren heeft IX Zon 5 doelgroepen onderscheiden: direct omwonenden, lokale omgeving, de wijdere omgeving, belangengroepen en publieke partijen. Iedere doelgroep ervaart de ontwikkeling van het zonnepark anders. Om deze reden is iedere doelgroep ook op haar eigen manier door IX Zon bij het project betrokken. Om persoonlijk kennis te maken en een toelichting te geven op het initiatief zijn de direct omwonenden als “goede buur” op 15 september 2021 persoonlijk op de hoogte gebracht van het initiatief.

Daarbij heeft IX Zon de direct omwonenden persoonlijk uitgenodigd voor de eerste ontwerp- en informatieavond op 28 september

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

39

2021. Indien mensen niet thuis waren is een brief met informatie over het initiatief en de contactgegevens van de projectmanager achtergelaten en is er later opnieuw contact gezocht. Ook zijn er afspraken gemaakt over het vervolgproces en zijn contactgegevens uitgewisseld. Op 28 september 2021 heeft een eerste ontwerp- en informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Deze informatiebijeenkomst vond in het huis van de landeigenaar plaats. De direct omwonenden zijn door IX Zon twee weken voor de bijeenkomst persoonlijk uitgenodigd door langs de deuren te gaan, indien men niet thuis was, is een brief achtergelaten. IX Zon heeft de omwonenden nogmaals telefonisch proberen te bereiken indien zij niet thuis waren en na een week nog geen reactie hadden gegeven. Het doel van de ontwerp- en informatiebijeenkomst was om de direct omwonenden te informeren over het project en in gesprek te gaan over het ontwerp en de mogelijkheden voor financiële participatie. Daarnaast was het mogelijk met elkaar in gesprek te gaan over het ontwerp onder begeleiding van meerdere werknemers van IX Zon. Ten tijde van deze ontwerp- en informatiebijeenkomst is het ontwerp uit het ingediende tender voorstel voorgelegd. Van deze bijeenkomst is een verslag geschreven en dit verslag is na afloop ter controle gedeeld met de aanwezigen. Hierop zijn geen reacties gekomen.

Op 6 juli 2022 heeft de tweede ontwerp- en informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Ditmaal was de wijdere omgeving ook uitgenodigd. Alle omwonenden binnen een straal van circa 650 m rondom het projectgebied hebben twee weken voor de bijeenkomst per post een inleidende brief c.q. uitnodiging ontvangen. Ook alle bewoners (ca. 350 adressen) van camping Dierenbos hebben in overleg met de terreineigenaar een inleidende brief c.q. uitnodiging per e-mail ontvangen. De lokale krant heeft circa 3 weken van tevoren een persbericht ontvangen en daarnaast zijn de sociale media ingezet om de bijeenkomst kenbaar te maken. De gemeente en aanliggende bedrijven zijn per e-mail uitgenodigd, evenals de lokale belangenverenigingen. Het doel van de informatiebijeenkomst was om de omgeving en het brede publiek te informeren over het verloop van het participatieproces en te betrekken bij het actuele landschappelijke ontwerp. Daarnaast was er ook aandacht voor de opties voor financiële participatie en de vervolgstappen van het project. Van deze bijeenkomst is een uitgebreid verslag geschreven en dit verslag is na afloop ter controle gedeeld met de aanwezigen. Hierop zijn geen reacties gekomen. Belangrijkste uitkomsten: Naar aanleiding van de bijeenkomsten met de omwonenden zijn er geen wijzigingen doorgevoerd in het ontwerp van het zonnepark.

De voornaamste reden hiervoor is dat de betrokkenen geen bezwaar hadden op het gepresenteerde plan. Door de reeds voorziene landschappelijke randen langs het zonnepark verwachten de omwonenden geen hinder te ervaren. Uitzondering hierop zijn de reacties op de komst van het wandelpad aan de oostzijde van het plangebied. Men is bezorgd over de veiligheid. Hierbij is uitgelegd dat de ruimte reservering voor het wandelpad is ingetekend om recreatieve routes mogelijk te versterken. Tevens is de ruimte reservering voor het wandelpad onderdeel van de ruimtelijke inpassing en maatschappelijke meerwaarde. Om die reden handhaaft IX Zon het in het ontwerp. Daarbij is door IX Zon aangegeven welke mogelijkheden er in het kader van de vergunningenprocedure zijn om bezwaar aan te tekenen tegen dit specifieke deel van het plan.

40

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Overleg Behalve met omwonenden hebben er diverse bilaterale gesprekken plaatsgevonden met publieke partijen en andere belanghebbenden, zoals de aanliggende grondeigenaren en lokale bedrijven. Het initiatief wordt daarnaast in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de relevante instanties. De reacties zijn verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste uitkomsten hiervan zijn: Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een A-watergang. Met het waterschap Aa en Maas heeft overleg plaats gevonden of het beheer van de watergang vanaf de zuidzijde kon plaatsvinden. Op basis van de reactie van het waterschap lijkt dit niet mogelijk te zijn. In de plannen dient IX Zon daarom op te nemen dat de 5 meter beschermingszone als groenstrook/grasberm wordt gehandhaafd. Tevens dient het beheerpad aan de westzijde doorgetrokken te worden, zodat de onderhoudsstrook bereikbaar is. Ook heeft er overleg gevoerd met brandweer Brabant Noord. Mede doordat de brandweer bij de gemeente 'sHertogenbosch kenbaar had gemaakt graag voor de vergunningverlening betrokken te zijn bij de ontwikkeling is er tijdig contact opgenomen. Brandweer Brabant Noord heeft geen bezwaar tegen de komst van een zonnepark op deze locatie. Ten aanzien van het schetsontwerp geven ze wel het advies om een extra calamiteiten pad in te voegen en het plangebied te voorzien van een bluswatervoorziening.

IX Zon heeft het advies opgenomen in het plan.

5.2

Van ontwerp naar vaststelling

De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zal als ontwerp voor een termijn van zes weken ter inzage liggen. Een ieder kan hierop zienswijzen indienen. Bij het vaststellingsbesluit wordt hierop nader ingegaan.

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

41

42

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlagen bij toelichting

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

43

44

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 1

Landschapsplan

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

45

46

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 2

Watertoets

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

47

48

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 3

Quickscan flora en fauna

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

49

50

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 4

Aanvullend ecologisch onderzoek

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

51

52

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 5

AERIUS-berekening

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

53

54

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 6

Verslag omgevingsdialoog

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

55

56

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Bijlage 7

Toelichting financiële participatie omgeving

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

57

58

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

59

60

Zonnepark Graafsebaan, Rosmalen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12332642/1