CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Vaststelling-wijziging omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Vergroening Dijklint Orthen’ (motivering (inclusief verslag omgevingsdialoog) en regels)

Gemeenteraad 9 juni 2026, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen’23.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk Vergroening Dijklint Orthen

22b

2

Inhoudsopgave

Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 Hoofdstuk 4 4.1 4.2

4.3 4.4 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

5.3

5.4

5.5

5.6

5.7

6 Inleiding Aanleiding Waarom een TAM-omgevingsplan? Opbouw TAM-omgevingsplan en opbouw motivering Huidige situatie Plangebied Beschrijving plangebied Planbeschrijving Waarop is dit TAM-omgevingsplan gericht? Toetsing aan omgevingsplan Beleidskader Inleiding Rijksbeleid 4.2.1 Nationale omgevingsvisie 4.2.2 Omgevingswet en AMvB’s 4.2.3 Conclusie Provinciaal beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Provincie Noord-Brabant: De kwaliteit van Brabant 4.3.2 Instructieregels provincie: Omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie ‘Zin in ’s-Hertogenbosch’ Omgevingsaspecten Inleiding Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl) 5.2.1 Algemeen 5.2.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot externe veiligheid 5.2.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.2.4 Conclusie Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl) 5.3.1 Algemeen 5.3.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot het beschermen van de waterbelangen 5.3.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.3.4 Conclusie Kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 Bkl) 5.4.1 Algemeen 5.4.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot luchtkwaliteit 5.4.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.4.4 Conclusie Geluid (paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.2a Bkl) 5.5.1 Algemeen 5.5.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot geluid 5.5.3 Toetsing van het

initiatief aan kaders en beleid 5.5.4 Conclusie Trillingen (afdeling 5.1.4.4 Bkl) 5.6.1 Algemeen 5.6.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot trillingen 5.6.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.6.4 Conclusie Slagschaduw van windturbines (afdeling 5.1.4.4a Bkl) 5.7.1 Algemeen 5.7.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot slagschaduw 5.7.3 Toetsing van het initiatief aan kader en beleid 3

8 8 8 9 10 10 12 14 14 14 18 18 18 18 19 20 20 20 20 22 22 24 24 25 25 25 26 28 28 28 28 29 32 32 32 32 33 34 34 34 34 35 36 36 36 36 36 36 37 37 37 38

5.7.4 Conclusie Bodem en ondergrond (afdeling 5.1.4.5 Bkl) 5.8.1 Algemeen 5.8.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot bodem en ondergrond 5.8.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.8.4 Conclusie 5.9 Geur (afdeling 5.1.4.6 Bkl) 5.9.1 Algemeen 5.9.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot geur 5.9.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.9.4 Conclusie 5.10 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (afdeling 5.1.5. Bkl) 5.10.1 Algemeen 5.10.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid 5.10.3 Conclusie 5.11 Behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken (afdeling 5.1.6 en afdeling 5.1.7.

Bkl) 5.11.1 Algemeen 5.11.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid 5.11.3 Conclusie 5.12 Toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte (afdeling 5.1.8 Bkl) 5.12.1 Algemeen 5.12.2 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid 5.12.3 Conclusie 5.13 Verkeer en parkeren (geen onderdeel Bkl) 5.13.1 Algemeen 5.13.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid 5.13.3 Conclusie 5.14 Natuur en biodiversiteit 5.14.1 Algemeen 5.14.2 Toetsing aan kaders en beleid 5.14.3 Conclusie 5.15 Lichthinder 5.15.1 Algemeen 5.15.2 Toetsing aan kaders en beleid 49 5.15.3 Conclusie 5.16 Kabels en leidingen 5.16.1 Algemeen 5.16.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot kabels en leidingen 5.16.3 Toetsing aan kaders en beleid 5.16.4 Conclusie 5.17 Milieueffectrapportage 51 5.17.1 Algemeen 5.17.2 Toetsing aan kaders en beleid 51 5.17.3 Conclusie 5.18 Werken aan een gezonde leefomgeving 5.18.1 Algemeen 5.18.2 Toetsing aan kaders en beleid 52 5.18.3 Conclusie 5.19 Werken aan duurzame leefomgeving 5.19.1 Algemeen 5.19.2 Toetsing aan kaders en beleid 53 5.19.3 Conclusie Hoofdstuk 6 Planbeschrijving 6.1 Inleiding 6.2 TAM-omgevingsplan 6.3 Opbouw regels en toepassingsbereik 6.4 Verklaring overige regels 5.8

4

38 38 38 38 39 40 40 40 40 40 41 41 41 41 44 44 44 44 45 45 45 45 45 45 46 46 47 47 47 47 48 49 49 49 49 49 49 50 51 51 52 52 52 52 52 52 53 54 54 54 56 56

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 8 Overkoepelende afweging ETFAL

58 58 59 60

Regels

62

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Toepassingsbereik Artikel 2 Begripsbepalingen Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen Artikel 4 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten Artikel 5 Geluidzone - industrie Artikel 6 Leiding - Hoogspanningsverbinding Artikel 7 Natuur Artikel 8 Verkeer Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Artikel 10 Algemene bouwregels Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

64 64 65 66 70 72 72 73 74 76 77 77 78 79

5

Motivering

6

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Recentelijk zijn verschillende woningen (Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b (voorheen Orthen 188)) aan het dijklint in Orthen gesloopt. De aanleiding voor de sloop is de uitvoering uitkoopregeling hoogspanning Orthen waarbij voorgesteld wordt om de huizen, gelegen onder een hoogspanningsverbinding, te slopen en het vrijkomende gebied te herinrichten. Het dijklint in Orthen heeft een uniek en historisch karakter. Dit deel van Orthen ligt op een oorspronkelijke dekzandrug, waar de oudste kern van het dorp is ontstaan. Het smalle, slingerende dijklint met vrijstaande woningen en boerderijen is kenmerkend voor het gebied. De sloop biedt een kans om de oorspronkelijke uitstraling van de dijk op deze locatie te herstellen. Vroeger was het talud aan deze kant van de dijk stijl en onbebouwd. Het voornemen is de functies ‘Wonen’, 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' grotendeels te wijzigen naar ‘Natuur’. Ook wil de gemeente, aan de zijde van de gesloopte gebouwen, nieuwe langsparkeerplaatsen aanleggen. Na deze wijziging kunnen geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling, meer onder de hoogspanningsleidingen worden gerealiseerd.

1.2

Waarom een TAM-omgevingsplan?

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

8

1.3

Opbouw TAM-omgevingsplan en opbouw motivering

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:      

Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie en benoemt de huidige planologische regels; Hoofdstuk 3 beschrijft de ontwikkeling waarop dit TAM-omgevingsplan gericht is; Hoofdstuk 4 bevat het beleidskader met relevant rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid; Hoofdstuk 5 gaat in op de randvoorwaarden en belemmeringen vanuit omgevings- en milieuaspecten; Hoofdstuk 6 gaat in op de planologische regels en de daarbij behorende verbeelding; Hoofdstuk 7 gaat in op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het TAM-plan.

9

Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1

Plangebied

Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Vergroening Dijklint Orthen’ heeft betrekking op de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch. Afbeelding 1 geeft het plangebied weer. Het gebied wordt als volgt begrensd:    

10

in het noorden: Direct grenzend aan de groenstrook en het talud van de dijk; in het oosten: Aansluitend op de bestaande woonbebouwing van Orthen; in het zuiden: Grenzend aan de Ertveldplas; in het westen: Overgang naar het open dijkgebied en het talud.

Afbeelding 2.1 Ligging plangebied ingezoomd met als ondergrond de kadastrale grenzen

11

Afbeelding 2.2 Ligging plangebied uitgezoomd met als ondergrond de luchtfoto

2.2

Beschrijving plangebied

Het plangebied is onderdeel vaan het omgevingsplan 's-Hertogenbosch, onderdeel bestemmingsplan 'Dijklint Orthen', welke is vastgesteld op 22 december 2009. Dit voormalige bestemmingsplan is destijds opgesteld om flexibel en adequaat ruimtelijk ordeningsinstrumentarium ten behoeve van het beheer van het woon- (en werk) gebied te bieden. Het plangebied bevindt zich aan het historische dijklint van Orthen, gelegen in het noordelijke deel van ’s-Hertogenbosch. Dit lintdorp kent een karakteristieke ruimtelijke structuur met vrijstaande woningen en boerderijen, gesitueerd langs een smalle, slingerende dijk. De adressen Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b maken deel uit van deze lintbebouwing en liggen op een dekzandrug, een landschappelijk kenmerk dat de oorsprong van het dorp markeert. De bebouwing bestaat uit een mix van woonhuizen en bedrijfsfuncties. De woningen liggen in een rustige woonomgeving met goede bereikbaarheid tot voorzieningen en uitvalswegen. De bebouwing is georiënteerd op de weg en vormt een visueel herkenbare lijn binnen het landschap. De omgeving wordt gekenmerkt door een groene uitstraling, met tuinen, erfafscheidingen en enkele bomen langs de weg. Het gebied ligt onder een bovengrondse hoogspanningsverbinding, wat invloed heeft op het gebruik en de beleving van de ruimte.

Het plangebied ligt verder in de directe nabijheid van de Ertveldplas, een recreatief en ecologisch waardevol watergebied dat een belangrijke rol speelt in de beleving van de omgeving. De ligging nabij de plas versterkt het natuurlijke karakter van het gebied en biedt mogelijkheden voor wandelen, fietsen en natuurbeleving. Qua infrastructuur grenst het gebied aan belangrijke hoofdwegen:  

12

De Orthen zelf is een lokale verbindingsweg met een historische functie. In de directe nabijheid bevinden zich de Zuid-Willemsvaart en de Diezekanaal, die een rol spelen in de waterhuishouding en logistiek.

De dichtstbijzijnde uitvalswegen zijn de A59 en de A2, die op enkele minuten rijden liggen en zorgen voor een goede bereikbaarheid van het gebied. Daarnaast ligt het gebied op fietsafstand van het centrum van ’s-Hertogenbosch en nabij voorzieningen zoals supermarkten, scholen en openbaar vervoer. 

13

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Waarop is dit TAM-omgevingsplan gericht?

Het TAM-plan is gericht op het faciliteren van een uitkoopregeling voor woonobjecten die zijn gelegen onder of nabij een 380 kV hoogspanningsleiding. Binnen dit plan wordt beoogd om de bestaande functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ te wegbestemmen. Hiermee wordt de ruimtelijke situatie in overeenstemming gebracht met het beoogde gebruik na uitkoop en wordt voorkomen dat op deze locaties in de toekomst opnieuw bebouwing of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Dit is van belang vanwege gezondheidsrisico’s en ruimtelijke beperkingen die gepaard gaan met de nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur. Een belangrijk onderdeel van het plan is het terugbrengen van de juridisch-planologische situatie naar de oorspronkelijke uitstraling van de dijk. Historisch gezien was het talud aan deze zijde van de dijk stijl en onbebouwd. Door het wegbestemmen van de huidige functies wordt deze oorspronkelijke situatie hersteld, wat bijdraagt aan een veilige en gezonde leefomgeving en aan het realiseren van beleidsdoelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening en volksgezondheid. In het kader van de bredere herontwikkeling van het gebied rondom de Diezemonding wordt daarnaast een belangrijke ruimtelijke wijziging voorgesteld: de transformatie van de huidige functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ naar de functie ‘Natuur’.

Deze wijziging sluit aan bij de ambitie om het gebied ecologisch te versterken en de leefomgeving te verbeteren. Door gronden onder de hoogspanningsleidingen te bestemmen als ‘Natuur’, worden gevoelige functies zoals woningen, scholen en zorginstellingen uitgesloten. Hiermee wordt invulling gegeven aan geldende richtlijnen voor het veilig gebruik van gronden onder hoogspanningsinfrastructuur en worden gezondheidsrisico’s voor toekomstige gebruikers voorkomen. Tot slot is het de intentie van de gemeente om, aan de zijde waar recentelijk gebouwen zijn gesloopt, nieuwe langsparkeerplaatsen te realiseren. Deze ingreep draagt bij aan een verbeterde parkeersituatie en ondersteunt de bereikbaarheid van het gebied, zonder afbreuk te doen aan de beoogde natuurlijke inrichting.

3.2

Toetsing aan omgevingsplan

Alle ruimtelijke ontwikkelingen onder de Omgevingswet dienen getoetst te worden aan het geldende omgevingsplan van de gemeente (nieuw deel en tijdelijk deel) en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het geldende omgevingsplan is opgebouwd uit de voormalige bestemmingsplannen en verordeningen gericht op de fysieke leefomgeving. Het plangebied van het TAM-omgevingsplan richt zich op de locatie Orthen 174, 176, 178, 184, 186, 186a en 186b te 's-Hertogenbosch. Dit plangebied is gelegen binnen het voormalige bestemmingsplan ‘Dijklint Orthen’. Binnen het plangebied zijn volgende bestemmingen/functies gelegen: 14

 

Wonen Bedrijf

Daarnaast is de volgende dubbelbestemming opgenomen: 

Leiding – Hoogspanningsverbinding

Verder is de volgende gebiedsaanduiding opgenomen: 

Geluidzone - Industrie

Ook zijn de volgende functieaanduidingen opgenomen:   

Bedrijf Bedrijfswoning Specifieke vorm van bedrijf – autoherstelinrichting

Tot slot zijn verschillende bouwvlakken en de volgende bouwaanduidingen opgenomen:  

Twee-aaneen Vrijstaand

In het TAM-omgevingsplan worden de volgende wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het voormalige bestemmingsplan ‘Dijklint Orthen’ (onderdeel geldend tijdelijk omgevingsplan van de gemeente ’s-Hertogenbosch):         

De bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Bedrijf’ worden verwijderd; De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsleiding' wordt overgenomen; De gebiedsaanduiding 'Geluidzone - Industrie' wordt overgenomen; De functieaanduidingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijfswoning’ en ‘Specifieke vorm van bedrijf – autoherstelinrichting’ worden verwijderd; De bouwvlakken binnen de planlocatie worden verwijderd; De bouwaanduidingen 'Twee-aaneen' en 'Vrijstaand' worden verwijderd; De functies 'Natuur' en 'Verkeer' worden toegevoegd; De functieaanduiding 'Specifieke vorm van natuur - faunatoren' wordt toegevoegd; diverse functies hebben een adequate begripsbepaling gekregen die in het tijdelijke omgevingsplan nu nog ontbreken.

15

Afbeelding 3.1 Verbeelding vigerend deel van het tijdelijke omgevingsplan 's-Hertogenbosch

16

Afbeelding 3.2 Verbeelding vigerend deel met de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - Industrie' op het plangebied

17

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Inleiding

Binnen dit plan wordt beoogd om de bestaande functies ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijfswoning’ te wegbestemmen. Dit hoofdstuk onderbouwt of de beoogde ontwikkeling passend is binnen het beleid van hogere overheden en van de gemeente. Alleen het voor het TAM-omgevingsplan relevante beleid wordt hierbij behandeld.

4.2

Rijksbeleid

4.2.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:   

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:    

18

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes (ontwerpnovi.nl): 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Doorwerking plangebied: Het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' draagt bij aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat. Dit kan geschaard worden onder prioriteit 3 ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ uit de nationale omgevingsvisie.

De juridisch-planologische wijziging leidt immers tot het wegnemen van een veiligheidsrisico. De functiewijziging leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en gebouwen in brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied.

4.2.2 Omgevingswet en AMvB’s De Omgevingswet bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Deze wet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Hierin staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:    

Het Omgevingsbesluit: Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Het Besluit activiteiten leefomgeving: De regels gelden voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, activiteiten in een beperkingengebied of activiteiten met gevolgen voor de natuur. Over het algemeen heeft de Bal betrekking op complexere activiteiten met potentieel grote gevolgen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving: De regels gaan over onderwerpen als veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Ze hebben geen betrekking op de ruimtelijke aspecten van het bouwen en gebruik. Het Besluit kwaliteit leefomgeving: hier wordt uitgebreider op ingegaan.

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen: In de instructieregels staan onder andere de normen en regels die gelden voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen.  De omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl, zoals luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater.  Het Bkl bevat de regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning.  En regels over monitoring en gegevensverzameling. Deze regels hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed. Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies, het beoordelingskader vormen voor zowel een wijziging van het omgevingsplan en voor een Bopa. 

Doorwerking plangebied: 19

Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Dit leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn algemene en specifieke instructieregels opgenomen voor het waarborgen van een veilige leefomgeving. Deze instructieregels zien onder meer op het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt hieraan getoetst. De conclusie is dat eraan voldaan wordt. Er is immers sprake van een verbetering: een potentiële bron voor een risico op het gebied van externe veiligheid wordt weggenomen.

4.2.3 Conclusie Met deze bopa wordt voldaan aan het Rijksbeleid.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Provincie Noord-Brabant: De kwaliteit van Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over de Brabantse leefomgeving in 2050. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn, welke allen ten dienste staan van de basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Al deze opgaven staan in nauwe verbinding tot elkaar.  

Hoofdopgave 1: werken aan energietransitie. Het gebruik maken van innovaties is hierbij van groot belang. Via tweesporenbeleid wil de provincie bijdragen aan deze hoofdopgave: het verminderen van energiegebruik en verduurzaming van energie. Hoofdopgave 2: werken aan een klimaatproof Brabant. Klimaatproof wil zeggen dat de risico’s vanwege weersextremen in 2050 aanvaardbaar, draagbaar en beheersbaar zijn. Gestreefd wordt naar het beperken van de effecten op de samenleving (zoals hittestress bij mensen), klimaatslimme verstedelijking, klimaatbestendig beekdallandschap en een robuust rivierenlandschap. Hoofdopgave 3: werken aan de slimme netwerkstad. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking en op slimme en duurzame mobiliteit. Zij wil daarin richting geven onder andere door middel van het bevorderen van regionale afspraken en het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik. Hoofdopgave 4: werken aan een concurrerende duurzame economie. Om dit dichterbij te brengen wordt gestreefd naar ontwikkelen van innovaties en het toepassen daarvan, evenals naar een circulaire economie en verdergaande digitalisering.

Doorwerking plangebied: Zoals in voorgaand hoofdstuk 3 beschreven, is dit TAM-omgevingsplan gericht op het wegnemen van de mogelijkheid tot 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Hiermee wordt de juridisch-planologische situatie teruggebracht naar de oorspronkelijke uitstraling van de dijk. Vroeger was het talud aan deze kant van de dijk stijl en onbebouwd. Verder wordt een potentiële bron voor een risico op het gebied van externe veiligheid weggenomen. Dit heeft zeer beperkt raakvlakken met het provinciale beleid. Wel kan gesteld worden dat de het TAM-omgevingsplan bijdraagt aan de basisopgave zoals de provincie die geformuleerd heeft: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

4.3.2 20

Instructieregels provincie: Omgevingsverordening Noord-Brabant

De TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 december 2023 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze is op 1 januari 2024 in werking getreden, op het moment dat de Omgevingswet van kracht werd. Via de Omgevingsverordening draagt de provincie bij aan het dichterbij brengen van de doelen en de ambities uit haar Omgevingsvisie. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant wordt gesteld dat een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt via een omgevingsplan of BOPA, invulling geeft aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Om dit realiseren wordt invulling gegeven aan:   

zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 5.8; de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9, en; meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in het landelijk gebied, bedoeld in ‘artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap’ kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in hoofdstuk 5 instructieregels opgenomen. De gemeenteraad/ het college van burgemeester en wethouders moet deze betrekken bij de vaststelling van een bopa. Voor de bopa bepaalt de wet dat de instructieregels uit de verordening gelden als beoordelingsregel voor de vergunningverlening. Op verzoek van het gemeentebestuur kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de instructieregels uit de Omgevingsverordening, als de verwezenlijking van gemeentelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd (artikel 5.6 Omgevingsverordening). De provincie vindt het belangrijk dat zij al zoveel mogelijk in de voorfase betrokken wordt bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (voorkantsamenwerking). Zowel een voorgenomen wijziging van het omgevingsplan als een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt in een ambtelijk overleg met de provincie besproken. Daarbij wordt beoordeeld of provinciale belangen in het geding zijn en op welke wijze rekening kan worden gehouden met deze belangen. Gedeputeerde Staten heeft op grond van artikel 16.15a Ow op 7 november 2023 besloten dat voor een omgevingsvergunning voor een BOPA voor een aantal gevallen verplicht advies bij hen gevraagd moet worden. Onderhavig initiatief behoort hier niet toe.

Doorwerking plangebied: Via deze toelichting wordt voldaan aan de vereiste van een goede motivering van de beoogde ontwikkeling, leidend tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In hoofdstuk 5 vindt de toetsing aan de diverse milieu- en overige omgevingsaspecten plaats. Deze laat zien dat er geen sprake is van belemmeringen. Het beoogde doel met het TAM-omgevingsplan leidt immers alleen maar tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving: een potentieel externe veiligheidsrisico wordt weggenomen.

21

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie ‘Zin in ’s-Hertogenbosch’ Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet iedere gemeente een Omgevingsvisie vaststellen, deze is op 9 september 2025 vastgesteld in de gemeenteraad. De Omgevingsvisie schetst de toekomstige ontwikkeling op hoofdlijnen van een gemeente. De Omgevingsvisie vervangt de Ruimtelijke StructuurVisie. De omgevingsvisie is gebaseerd op een aantal bouwstenen. Belangrijk onderdeel daarvan zijn de vier gebiedsvisies die samen met de inwoners opgesteld zijn. Ook rondom het Koersdocument zijn veel participatie-activiteiten georganiseerd. Daarnaast is parallel aan het omgevingsvisieproces een omgevings-effectrapportage-procedure doorlopen. Gedurende het gehele traject zijn effecten onderzocht van keuzes voor de diverse onderdelen van de leefomgeving. De omgevingsvisie is opgebouwd uit twee delen: deel A met de visie en deel B met de verantwoording. Naast een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen, omvat deel A ook een omschrijving van de waarden en verschijningsvorm van onder andere het landschap, de bodem, cultuurhistorie, onze positie in de regio, maar ook een typering van de Bossche samenleving en de trends en opgaven die op ons afkomen.

De drie grote maatschappelijke veranderingen waar we op in moeten spelen zijn: de klimaatverandering, de toenemende schaarste op meerdere vlakken (arbeidskrachten, grondstoffen en ruimte) en de continu veranderende samenleving met als belangrijke aandachtspunten de stevige vergrijzing en de aanhoudende migratie. Via vier doelen en ontwikkellijnen speelt de gemeente ’s-Hertogenbosch in op de maatschappelijke opgaven. Deze lijnen zijn leidend voor de wenselijke toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving: Groots vergroenen Groots vergroenen betekent ruimte in de stad, dorpen en het ommeland voor klimaatadaptatie, biodiversiteit, een gezonde bodem en een veerkrachtig stedelijk groen en natuur. We nemen hiervoor zoveel mogelijk het natuurlijk systeem als basis en gebruiken techniek waar het moet. Een gezonde balans tussen mens en natuur en een volhoudbaar perspectief voor het natuurlijk kapitaal zijn hierin leidend. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals het hanteren van de 3-30-300-regel, waarbij vanuit ieder huis zicht moet zijn op 3 bomen, 30% van de openbare ruimte beschaduwd moet zijn in warme maanden en een woning op maximaal 300 m2 mag staan tot een koele groene plek van minimaal een halve hectare.

Daarnaast is bijvoorbeeld ook het ‘stad als spons’ principe van belang bij ontwikkelingen.

Bouwen aan generaties Bouwen aan generaties in ‘s-Hertogenbosch betekent buurten, wijken en dorpen met een diversiteit aan woningen, bewoners en voorzieningen. Het samenstel van centra, buurten en wijken staat in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet sociale binding, gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. De groei van de stad mag daarin niet remmend werken, maar biedt juist de kans om de wijken, buurten en dorpen beter te benutten en te laten functioneren, nu en in de toekomst. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om maximaal binnen de bestaande stad en dorpen te bouwen en het centraal stellen van nabijheid en diversiteit bij ontwikkelingen.

Welvarend welzijn Welvarend welzijn in ‘s-Hertogenbosch betekent dat werken, educatie, zorg, leven en wonen weer meer en beter in elkaar overvloeien en elkaars nabijheid opzoeken. Met voldoende ruimte voor extra arbeidsplaatsen en ondernemers en oog voor het welzijnsperspectief van en gelijke kansen voor eenieder. En waarin samen de noodzakelijke stappen gezet worden voor een circulaire economie.

22

Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om bestaande kwaliteiten te koesteren en erop voort te bouwen, het streven naar een stad als een caleidoscoop van werklandschappen, het ontmengen voor een sterk productielandschap en het mengen gericht op een divers interactielandschap.

Vorstelijk verbinden Vorstelijk verbinden in ’s-Hertogenbosch betekent een openbare ruimte van allure, die ontmoeting, sporten, beweging en gezond gedrag bevordert. Het netwerk van paden, straten en verbindingen staan in dienst van een compacte en efficiënte stad en moet gelijke kansen en mogelijkheden voor iedereen bevorderen. En het nu nemen van verantwoordelijkheid voor de energie en het drinkwater dat we gebruiken. Om hieraan te werken, zijn in de omgevingsvisie hoofdopgaven benoemd. Om met deze hoofdopgaven aan de slag te gaan, zijn verschillende keuzes gemaakt. Zoals de keuze om nabijheid centraal te stellen, het maken van een schaalsprong in mobiliteit, het creëren van een doorwaardbare en gezonde leefomgeving en verantwoordelijkheid nemen voor voldoende energie en drinkwater. Naast de vier ontwikkellijnen zijn drie principes voor het ordenen van de ruimte van groot belang: compact, nabij en meervoudig. De ontwikkellijnen zijn op hoofdlijnen vertaald naar de vier gebieden. Belangrijke bouwsteen hiervoor zijn de vier gebiedsvisies voor de deelgebieden:    

Brede binnenstad De stedelijke wijken binnen de ring. Het plangebied van het TAM-omgevingsplan is binnen dit deelgebied gelegen. De landschappelijke wijken en dorpen buiten de ring Buitengebied en de dorpen

Doorwerking plangebied: Het TAM-omgevingsplan is gericht op het wegnemen van de functies 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning'. Dit leidt ertoe dat een veiligheidsrisico verdwijnt en de kwaliteit van het woon- en leefmilieu verbetert. Er hoeft geen rekening meer gehouden te worden met het externe veiligheidsrisico als gevolg van de hoogspanningsleidingen. Dit plan past binnen de algemene beleidsuitgangspunten ten aanzien van een compacte stad.

23

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe de afweging rondom het beschermen van de omgevingsaspecten (de diverse waarden en de milieuaspecten) een rol heeft gespeeld bij het TAM-omgevingsplan gericht op de functiewijziging van 'Wonen' 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer'. Met deze wijziging kunnen geen nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling, meer onder de hoogspanningsleidingen worden gerealiseerd. Beschreven wordt op welke wijze bij de activiteit(en) rekening is gehouden met de diverse aspecten en hoe gekomen is tot een 'Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (voortaan ETFAL). De aspecten sluiten aan op de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. Bij de opzet van dit hoofdstuk is de indeling uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (voortaan Bkl) gevolgd. Hier zijn immers instructieregels opgenomen waaraan in het kader van wijzigingsprocedures van het omgevingsplan getoetst wordt. Centraal bij de afweging van de verschillende omgevingsaspecten staat het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit zijn belangrijke maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, die zijn vastgelegd in artikel 1.3, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet.

De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarbij speelt het beschermen en het bevorderen van gezondheid een belangrijke, overkoepelende rol. In de navolgende paragrafen wordt per aspect uiteengezet welke afwegingen zijn gemaakt om te komen tot (ETFAL voor de voorgenomen activiteit(en). Aan het maken van deze afwegingen zijn onder meer de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl en het geldende gemeentelijke beleid ten grondslag gelegd. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met de afweging ten opzichte van de overkoepelende ambities rondom een gezonde en duurzame leefomgeving. In essentie dragen alle afzonderlijke omgevingsaspecten hier in meer of mindere mate aan bij.

Doorwerking plangebied: Om de nieuwe functie te realiseren en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen, is een beoordeling van het milieubelang nodig. Aangezien er op de planlocatie geen gebouwen aanwezig zijn en door het vervallen van de woonfunctie geen nieuwe bebouwing mogelijk is, zijn verschillende milieuaspecten niet van toepassing. De planlocatie wordt omringd door woningen, bedrijven en natuur. Met de functiewijziging wordt het leefmilieu verbeterd. 24

Omdat het TAM-omgevingsplan inzet op de aanleg van natuur en gevoelige functies, zoals woningen, een school of zorginstelling onder de hoogspanningsleidingen niet meer mogelijk maakt, zijn de effecten op de (fysieke) leefomgeving positief.

5.2

Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl)

5.2.1 Algemeen Onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is het waarborgen van een veilige leefomgeving. Het gaat dan om omgevingsveiligheid in zijn algemeenheid. Daarbij wordt gedoeld op het voorkomen, beperken en bestrijden van veiligheidsrisico's bij branden, rampen en crisis. Een specifiek onderdeel van omgevingsveiligheid is externe veiligheid. Daarbij gaat het om het voorkomen en beperken van rampen en zware ongevallen als gevolg van een incident bij de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn algemene en specifieke instructieregels opgenomen voor het waarborgen van een veilige leefomgeving. Deze instructieregels zien onder meer op het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid is neergelegd in het “Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch”. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect omgevingsveiligheid. 5.2.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot externe veiligheid Het plangebied ligt binnen een brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied (artikel 5.12 Bkl) en wordt doorkruist door een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding en een ondergrondse buisleiding.

Door de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en 'Verkeer' verdwijnen kwetsbare functies. Hiermee neemt het aantal aanwezigen in het gebied af en is er geen sprake meer van bewoning. De veiligheidscontext verandert hiermee gunstig en de risicobelasting neemt aantoonbaar af. Met het TAM-omgevingsplan zijn gebouwen in de vorm van woningen en bedrijvigheid in het plangebied niet meer mogelijk.

25

Afbeelding 5.1 Kaart Externe Veiligheid, (Atlas Leefomgeving, augustus 2025) 5.2.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid De hoofdlijnen van het wettelijk kader voor externe veiligheid zijn vastgelegd in de instructieregels in paragraaf 5.1.2. Besluit kwaliteit leefomgeving. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor het bepalen van PR 10-6 contouren en aandachtsgebieden (brand-, explosie-, en gifwolkaandachtsgebieden). Bij plannen moet binnen aandachtsgebieden rekening worden gehouden met artikel 5.15 Bkl. Dit artikel geeft aan dat maatregelen getroffen moeten worden ter bescherming van personen in nieuwe gebouwen en daarbuiten. Met het nemen van maatregelen wordt voldaan aan het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Gemeentelijk beleid Via het Integraal Veiligheidsplan 2023 – 2026 (IVP) werken we aan het vergroten van de veiligheid en het veiligheidsgevoel. Verkeersveiligheid en externe veiligheid maken hier geen onderdeel van uit. Het IVP richt zich op de volgende strategische uitgangspunten:    

Samen maken we een veilig 's-Hertogenbosch (jeugd, zorg, preventie, leefbaarheid, veiligheid en repressie). Prettig wonen en leven: nu en in de toekomst. Veilige basis als fundament. Impact centraal.

Onze prioriteiten op het gebied van veiligheid zijn: ondermijning, maatschappelijke onrust en digitale veiligheid. Daarnaast werken we samen met Veiligheidsregio en de gemeenten daarbinnen aan een veilige en veerkrachtige regio waarin inwoners, bedrijven en instellingen zich beschermd voelen tegen diverse risico's. Gezamenlijk hebben we de volgende strategische doelstellingen geformuleerd: 26

  

Versterken samenwerking Anticiperen en reageren op nieuwe en complexe veiligheidsvraagstukken Veerkracht vergroten

Binnen de regio geven we aan de volgende risico's prioriteit: Risico's die verband houden met klimaatverandering en extreem weer zoals overstroming, hevige neerslag en natuurbranden tbv droogte  Risico's op (grote) branden en ongevallen, zoals ongeval op het spoor met gevaarlijke stoffen  Bedreiging vitale en digitale infra, zoals verstoring energie, of gevolgen cyberaanval.  Onbekende sluimerende risico's Voor 's-Hertogenbosch hebben we hierbinnen aandacht gevraagd voor Howabo 2.0 en de toekomstige spooraanpassing op traject Meteren-Boxtel. 

Doorwerking plangebied De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Doorwerking plangebied De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van kwetsbare gebouwen. Dit leidt daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. 27

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Doorwerking plangebied De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van kwetsbare gebouwen in brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Dit leidt daarmee tot een verlaging van het groepsrisico. Daarnaast worden er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk gemaakt die de risico's, danwel de externe veiligheid eventueel zouden kunnen vergroten.

5.2.4 Conclusie Het TAM-omgevingsplan leidt tot een verbetering van de externe veiligheid. De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' leidt tot een aanzienlijke afname van de aanwezigheid van personen en daarmee tot een verlaging van het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl en het gemeentelijke veiligheidsbeleid. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.

5.3

Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl)

5.3.1 Algemeen Om Nederland veilig en bewoonbaar te houden is het noodzakelijk dat water en bodem sturend zijn in ruimtelijke keuzes. De 'weging van het waterbelang' betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het doel van de weging van het waterbelang is om ervoor te zorgen dat waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit worden meegenomen in ruimtelijke plannen. Maar ook dat steden zich moeten aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals hevigere regenval en langere periodes van droogte. In deze paragraaf wordt omschreven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de waterbelangen. 5.3.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot het beschermen van de waterbelangen De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' (parkeerplaatsen) leidt tot een afname van verhard oppervlak. Hierdoor neemt de belasting op het watersysteem af en wordt de sponswerking van de bodem versterkt. Er is geen sprake van lozingen of toename van verharding groter dan 500 m².

28

5.3.3

Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid

5.3.3.1 Rijksregels en Rijksbeleid 5.3.3.1.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem moeten de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, worden betrokken. Denk bijvoorbeeld aan regels van de provincie en de waterschappen. Het Bkl bevat ook enkele specifieke instructieregels voor primaire waterkeringen, de kust in de vorm van kustfundamenten en de grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ook zijn in artikel 5.165 van het Bkl (en paragraaf 22.3.8 van het omgevingsplan, de Bruidsschat) regels opgenomen met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen lozingen van industrieel afvalwater mogen worden toegestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen ook specifieke regels stellen. In artikel 2.2 vijfde lid van de Waterschapsverordening van Aa en Maas en in artikel 3.4 tweede lid van de Waterschapsverordening van de Dommel is opgenomen dat bij een toename van verhard oppervlakte groter dan 500 m² de noodzaak aanwezig is om waterbelangen mee te nemen.

5.3.3.1.2 NOVI Het Nationaal Omgevingsvisie (NOVI) biedt een strategische en integrale visie voor de fysieke leefomgeving van Nederland, met een sterke focus op duurzaam waterbeheer. De belangrijkste thema's zijn:     

Klimaatadaptatie: Het NOVI benadrukt de noodzaak om Nederland voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Dit omvat maatregelen zoals het versterken van dijken, het verbeteren van waterberging en het aanpassen van stedelijke gebieden om wateroverlast te verminderen. Waterkwaliteit: Het verbeteren van de waterkwaliteit is een prioriteit. Dit omvat het verminderen van vervuiling door landbouw en industrie, en het verbeteren van waterzuiveringsinstallaties om schoon oppervlakte- en grondwater te waarborgen. Duurzaam watergebruik: Het NOVI promoot efficiënt en duurzaam gebruik van waterbronnen. Dit omvat het stimuleren van waterbesparing in huishoudens en industrie, en het hergebruiken van afvalwater. Natuur en biodiversiteit: Het beschermen en herstellen van natuurlijke watergebieden is essentieel voor het behoud van biodiversiteit en het verbeteren van de waterkwaliteit. Dit draagt ook bij aan recreatiemogelijkheden en het welzijn van de bevolking. Voorkomen van afwenteling: Dit principe zorgt ervoor dat oplossingen van waterproblemen niet leiden tot nieuwe problemen elders.

5.3.3.1.3 Nationaal Water Programma 2022-2027 Het landelijke waterbeleid in Nederland wordt voornamelijk geregeld door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Dit programma beschrijft hoe Nederland de komende jaren omgaat met waterbeheer en de uitdagingen die daarbij komen kijken, zoals klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. Het programma richt zich op verschillende aspecten, waaronder:    

Verbetering van de waterkwaliteit: Het aanpakken van vervuiling door meststoffen en medicijnresten Bescherming tegen overstromingen: het versterken van dijken en andere waterkeringen Duurzaam watergebruik: het bevorderen van efficiënter watergebruik in landbouw en industrie Het verbeteren van de ecologische kwaliteit van waterlichamen.

29

5.3.3.2 Provinciale regels en beleid 5.3.3.2.1 Omgevingsverordening Noord-Brabant In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn de regels en normen vastgelegd waarmee een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving wordt gewaarborgd. Het heeft tot doel om de natuur, het milieu en waterkwaliteit te beschermen. Zo zijn er omgevingswaarden opgenomen voor het beschermen van grondwater, de veiligheid van een kering, de overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebouwde gebieden en 1/10 jaar voor overige gebieden. Voor 's-Hertogenbosch is een afwijkende omgevingswaarde voor wateroverlast stedelijke gebied bepaald van 1/150 jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming bebouwing, hoofdinfrastructuur spoorwegen.

5.3.3.2.2 Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 In de provincie Noord-Brabant wordt het waterbeleid vormgegeven door het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027. Dit programma richt zich op het creëren van een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Het programma is onderdeel van het bredere planstelsel voor waterbeheer in Nederland en werkt samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen.     

Water en bodem sturend: zorgdragen dat water en bodem een leidende rol spelen in plannen. Dit betekent dat er rekening moet worden gehouden met de draagkracht van het water- en bodemsysteem en maatregelen worden genomen om deze te beschermen en versterken Klimaatadaptatie: Plannen moet bijdragen aan de aanpassing van klimaatverandering. Dit kan door het creëren van groene ruimtes die water kunnen vasthouden tijdens natte periodes en droogte kunnen verminderen Waterveiligheid en waterkwaliteit: Voorkom bij ontwikkelingen dat deze een negatieve impact hebben op waterveiligheid en -waterkwaliteit. Dit betekent dat er maatregelen genomen worden die om vervuiling te voorkomen en wateroverlast te beperken. Vitale bodem: Hou rekening met de gezondheid van de bodem, dit kan door het vermijden van bodemverdichting en het bevorderen van biodiversiteit en bodemstructuur. Samenwerking: werk samen met partners zoals waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen aansluiten bij de bredere doelen van het RWP.

5.3.3.3 Regels en beleid waterschap 5.3.3.3.1 Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan (WBP) van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:   30

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; de waterschapsverordening, het waterbeheerprogramma en vergunningen en ontheffingen stelsel.  

5.3.3.3.2 De waterschapsverordening Iedere waterschap heeft een eigen waterschapsverordening. Deze verordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving binnen het beheergebied van het waterschap. De regels zijn gericht op het beheer van waterkeringen, watergangen, grondwater en andere waterstaatswerken. Waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas De waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas bevat regels voor het beheer van rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken(waterkeringen) binnen hun werkgebied. Deze verordening is een aanvulling op de Omgevingswet en geeft aan wat wel en niet mag, welke plichten er zijn bij activiteiten in en rondom water. In de waterschapsverordening wordt vaak verwezen naar de legger. In de legger zijn alle waterstaatswerken (ligging, vorm, afmeting en constructie) opgenomen. Belangrijke punten uit de verordening zijn:   

Lozingen en onttrekkingen: Regels voor het lozen van afvalwater in oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater Onderhoud en demping: Voorschriften voor het onderhoud van watergangen en waterkeringen, en regels voor het dempen van sloten Vergunningen: informatie over het aanvragen van vergunningen voor wateractiviteiten via het omgevingsloket

5.3.3.4 Beleid gemeente 's-Hertogenbosch 5.3.3.4.1 Visie Groen en Klimaatbestendig In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld, hierin beschrijft de gemeente de ambities en maatregelen die nodig zijn om de stad voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering en om een groene, duurzame leefomgeving te creëren. Het uitvoeringsprogramma Groen en klimaatbestendig omvat concrete maatregelen en projecten om de stad groener en klimaatbestendiger te maken. De visie is vertaald in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 en in gebiedsgericht beleid (Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig 's-Hertogenbosch, 2024). In het “Plan Water en Riolering 's-Hertogenbosch 2023-2028” richt de gemeente zich op het beheer van regen- en afvalwater. Dit omvat maatregelen zoals het afkoppelen van regenwater van het riool en het aanleggen van wadi's om water lokaal te infiltreren. Het gebiedsgerichte beleidsplan Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig zorgt samen met het Plan Water en Riolering 's-Hertogenbosch 2023-2028 voor een integrale en effectieve aanpak van waterbeheer en groenvoorzieningen. Hiermee wordt handen en voeten gegeven aan een klimaatbestendige stad door wateroverlast te verminderen, hittestress tegen te gaan, sponswerking van de bodem te vergroten door verharding te verminderen en de biodiversiteit te bevorderen.

Denk hierbij aan:   

Meer groen waarmee de biodiversiteit wordt vergroot door het aanplanten van meer groen. En natuurinclusief bouwen, maar ook de hittestress wordt verminderd. Waterbeheer zodat er meer ruimte wordt gecreëerd voor water en het bevorderen van infiltratie in de bodem, ook wel het sponsprincipe genoemd. Leefomgeving wordt verbeterd door groen en water meer te integreren in de stedelijke omgeving, zodat niet alleen recreatie wordt bevorderd maar ook ecologische verbindingen worden gelegd en biodiversiteit vergroot. Net als het toepassen van de 3-30-300 regel waarmee stress wordt verminderd, voor voldoende schaduw wordt gezorgd en de steden leefbaarder gemaakt.

31

5.3.3.4.2 Omgevingsvisie In de omgevingsvisie van 's-Hertogenbosch speelt water een cruciale rol in het creëren van een duurzame en klimaatbestendige stad. Het historisch moeraslandschap, de “Moerasdraak” wordt opnieuw ingezet om de stad en het omliggend gebied beter bestand te maken tegen klimaatverandering. Dit omvat het creëren van meer ruimte voor waterberging om overstromingen te voorkomen en het concept van de “sponsstad”, waarbij regenwater lokaal wordt geïnfiltreerd. De “Groene Delta” vormt een netwerk van groen- en natuurgebieden die bijdragen aan waterbeheer, biodiversiteit en recreatie. De 3-30-300 regel bevordert stedelijke vergroening door te zorgen dat elke woning zicht heeft op drie bomen, 30% van de wijk groen is en er binnen 300 meter een groene ruimte is. Innovaties zoals wadi's en retentiegebieden worden gebruikt om wateroverlast te beheersen. De visie benadrukt ook het belang van samenwerking met waterschappen, inwoners en andere stakeholders om de doelen voor waterbeheer en klimaatadaptatie te realiseren. Dit alles draagt bij aan een veerkrachtige en leefbare stad voor toekomstige generaties. Doorwerking plangebied De functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer' draagt op meerdere niveaus bij aan de bescherming van waterbelangen en klimaatbestendigheid.

Het plan vermindert verharding, creëert extra ruimte voor infiltratie en waterberging, en versterkt de bodemkwaliteit, waardoor het watersysteem robuust en klimaatadaptief blijft. Hiermee wordt voldaan aan de relevante nationale kaders, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Nationaal Water Programma 2022–2027 en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), en wordt aangesloten bij provinciale en regionale doelstellingen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027. Het plan voldoet aan de uitgangspunten en vergunningen uit het Waterbeheerplan en de waterschapsverordening van Waterschap Aa en Maas, en sluit aan bij gemeentelijk beleid zoals de Visie Groen en Klimaatbestendig, het Plan Water en Riolering 2023–2028 en de Omgevingsvisie 's-Hertogenbosch. Door het vervallen van bebouwing en het behoud van extensieve natuurruimte worden wateroverlast, hittestress en negatieve effecten op waterkwaliteit beperkt, terwijl biodiversiteit, sponswerking en recreatieve kwaliteit worden versterkt. 5.3.4 Conclusie Het TAM-omgevingsplan versterkt de bescherming van waterbelangen doordat de woonfunctie vervalt en verharding afneemt. De locatie wordt bestemd voor natuur, zonder bebouwingsmogelijkheden, met slechts een beperkt verkeersdeel.

Daarmee leidt het TAM-omgevingsplan tot minder verharding en is het in overeenstemming met de relevante rijks-, provinciale, waterschaps- en gemeentelijke beleidskaders. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16855351/1