CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 bestemmingsplan Weerscheut 47 Vinkel

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Weerscheut 47 Vinkel24.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Toelichting bestemmingsplan ‘Weerscheut 47 Vinkel’

Status: ontwerp Datum: 13 maart 2022 IMRO-code: NL.IMRO.0796.0002514-1201

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1

Aanleiding ......................................................................................................................... 4

1.2

Begrenzing plangebied .................................................................................................. 4

1.3

Leeswijzer ......................................................................................................................... 5

Hoofdstuk 2

Huidige situatie ...................................................................................................... 6

2.1

Beschrijving locatie en ligging in de stad ................................................................ 6

2.2

Ruimtelijke structuur...................................................................................................... 7

2.3

Functionele structuur..................................................................................................... 8

2.4

Geldend bestemmingsplan......................................................................................... 10

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving................................................................................................... 11

3.1

Bebouwing ...................................................................................................................... 11

3.2

Beplanting ....................................................................................................................... 12

3.3

Gebruik............................................................................................................................. 13

3.4

Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 13

3.5

Openbare ruimte............................................................................................................ 14

3.6

Bomen .............................................................................................................................. 14

Hoofdstuk 4

Beleidskader......................................................................................................... 15

4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................... 15

4.2

Provinciaal beleid.......................................................................................................... 16

4.3

Regionaal beleid ............................................................................................................ 19

4.4

Gemeentelijk beleid ...................................................................................................... 20

Hoofdstuk 5

2

Inleiding ................................................................................................................... 4

Milieu & duurzaamheid ....................................................................................... 27

5.1

Inleiding ........................................................................................................................... 27

5.2

Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................... 27

5.3

Geluid ............................................................................................................................... 28

5.4

Trillingen.......................................................................................................................... 30

5.5

Verlichting ....................................................................................................................... 31

5.6

Externe veiligheid ......................................................................................................... 31

5.7

Lucht ................................................................................................................................. 33

5.8

Bodem .............................................................................................................................. 36

5.9

Geur .................................................................................................................................. 36

5.10

Hoogspanningslijnen ................................................................................................... 38

5.11

Water................................................................................................................................. 38

5.12

Duurzaamheid ................................................................................................................ 44

5.14

Ecologie ....................................................................................................................... 46

5.15

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................. 48

5.16

Gezondheid ................................................................................................................. 49

Hoofdstuk 6

Juridisch-bestuurlijke aspecten ......................................................................... 52

6.1 Inleiding................................................................................................................................. 52 6.2 Opzet van de regels ........................................................................................................... 52 Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 54

7.1 Verantwoording economische uitvoerbaarheid ......................................................... 54 Hoofdstuk 8

Inspraak en vooroverleg ..................................................................................... 55

8.1 Omgevingsdialoog ............................................................................................................. 55 8.2 Vooroverleg.......................................................................................................................... 55 8.3 Zienswijzen........................................................................................................................... 55 Bijlagen ............................................................................................................................................. 56

3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Ten zuiden van Weerscheut 45 in Vinkel willen de eigenaren – op hetzelfde perceel - een vrijstaande woning ontwikkelen. Het perceel is op dit moment onbebouwd en conform de vigerende bestemming in gebruik voor agrarische doeleinden. De gemeente ’s-Hertogenbosch wil in principe medewerking verlenen aan de ontwikkelingswensen van eigenaren van het perceel. Omdat het vigerende bestemmingsplan op dit moment geen woning toelaat, moet het bestemmingsplan hiervoor worden herzien. De gemeente heeft de eigenaren met die reden uitgenodigd een bestemmingsplan inclusief de benodigde onderzoeken op te laten stellen waaruit blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Onderhavig bestemmingsplan is hiertoe opgesteld. Dit bestemmingsplan zorgt voor de juridisch planologische grondslag om een vrijstaande woning te ontwikkelen.

1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend gemeente Nuland, sectie E, nummer 2711 en kent een grootte van circa 5775 m2. De afbeelding hieronder geeft met een groene kleur op de kadastrale kaart met luchtfoto het plangebied weer.

4

1.3

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit acht hoofstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de aanleiding en ligging van het plangebied. Hoofdstuk 2 de huidige situatie, welke wordt gevolgd door de planbeschrijving in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 gaat in op het beleidskader en in hoeverre het planvoornemen daaraan voldoet. Hoofdstuk 5 betreft de beschrijving van de aspecten milieu, duurzaamheid en waarden in relatie tot het planvoornemen. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de juridische verankering van het plan in de bij dit bestemmingsplan behorende regels. Hoofdstuk 7 gaat in op de economische haalbaarheid en hoofdstuk 8 op de maatschappelijke haalbaarheid.

5

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie

Beschrijving locatie en ligging in de stad

Het plangebied is gelegen ten noorden van het dorp Vinkel. Op de luchtfoto hieronder is de ligging van het plangebied aangeduid met een rood pijltje.

Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Weerscheut’, zoals opgenomen in de structuurvisie ‘Weerscheut te Vinkel’ welke door BügelHajema in opdracht van de voormalige gemeente Maasdonk opgesteld. Het plangebied is in deze structuurvisie aangeduid als ‘bebouwingsconcentratie met potentiele RvR-regelingen/ functieveranderingen’ en als doorzicht. Op de navolgende afbeeldingen is de bebouwingsconcentratie en de ontwikkeling ervan door de jaren heen weergegeven. Op de grootste afbeelding is het plangebied met een blauw kader weergegeven.

6

2.2

Ruimtelijke structuur

Ten westen van Weerscheut is sprake van een beekdallaagte/ broekgebied. Ten oosten van de Weerscheut zijn jongere heideontginningen aan de orde. De losse bebouwing aan de Weerscheut is in de loop van de tijd gegroeid naar een lintbebouwing, met plaatselijk verdichtingen. Begin 20e eeuw was sprake van een zeer kleinschalig landschap, met vele landschapselementen. Tegenwoordig is de openheid tussen de lintbebouwing karakteristiek en waardevol. Veel landschapselementen zijn verdwenen, er zijn nog restanten van houtsingels aanwezig. De Vinkelsche Loop is een belangrijke structuurdrager en doorkruist de bebouwingsconcentratie.

7

2.3

Functionele structuur

Rondom het plangebied is een mix aan functies aanwezig, welke typerend zijn voor een bebouwingslint zoals de Weerscheut. Het gaat om de functies ‘Wonen’, ‘Agrarische bedrijvigheid’ al dan niet intensief en niet agrarische bedrijvigheid. De aanwezige functies zijn hier en daar aan het lint geclusterd, tussen de clusters is sprake van openheid met zicht op het achterliggende landschap dat voornamelijk agrarisch wordt gebruikt. Onderstaande afbeeldingen illustreren bovenstaande beschrijving.

De Weerscheut bezien vanaf het zuiden, vanuit het dorp met langzamer verkeer komt men via een slinger in de weg op het 60km/uur gedeelte van de Weerscheut aan.

8

De Weerscheut bezien vanaf het zuiden. De woning recht vooruit aan de linkerzijde van de weg is nummer 45. Voor de woning ligt het plangebied.

Schuin tegenover het plangebied, bezien vanaf het zuiden.

9

De Weerscheut bezien vanaf het noorden.

2.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is ‘Buitengebied Maasdonk 2012’, dat door de gemeenteraad van Maasdonk op 23 april 2014 is vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschap’. Er is geen sprake van een bouwblok, dat betekent dat alleen agrarisch grondgebruik is toegestaan en geen bebouwing. Verder zijn nog twee gebiedsaanduidingen van toepassing, namelijk ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Hieronder is een uitsnede van www.ruimtelijkeplannen.nl opgenomen, waarop de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied zichtbaar is.

10

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Onderstaande afbeelding betreft de inrichtingsschets.

Het plangebied is opgedeeld in twee kamers. In de noordelijke kamer is de woonbebouwing bedacht. De bebouwing is geprojecteerd aansluitend op het cluster van bebouwing dat (bezien vanaf het plangebied) begint bij Weerscheut 45 en doorloopt tot Weerscheut 35/ 37a. De zuidelijke kamer bestaat uit in het gebied passende groene en blauwe elementen.

3.1

Bebouwing

Het is de bedoeling in het noorden van het plangebied in een groene kamer een nieuwe woning toe te voegen met bijgebouw. Voor de woning geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6,6 en 11 meter. Voor het bijgebouw geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,3 en 6,6 meter. De inhoud van de woning bedraagt niet meer dan 750 m3 exclusief aan- en uitbouwen. Voor aan- en bijgebouwen geldt een maximum van 100 m2. De uitstraling van de woning is landelijk, maar niet historiserend. Het gaat om een eigentijdse woning. Het volume is eenvoudig en refereert aan de schuren die typerend zijn voor het landelijke gebied in het noordoosten van Noord-Brabant.

11

Onderstaande afbeelding geefteen indruk van de in het plangebied beoogde bebouwing.

3.2

Beplanting

In het gehele plangebied wordt nieuwe beplanting gerealiseerd (landschappelijke inpassing). Het gaat om de ontwikkeling van twee groene kamers met bij het gebied passende beplanting. Ook is sprake van de realisatie van een blauw element. Zie de afbeelding en referentiebeelden hieronder alsook bijlage 1 bij deze toelichting, welke meer inzicht geven in de beoogde groene en blauwe inrichting van het plangebied.

12

3.3

Gebruik

Het beoogde gebruik van het plangebied bestaat voor het noordelijke gedeelte/ kamer van het plangebied uit ‘Wonen’. In het zuidelijke gedeelte/ kamer van het plangebied is de functie ‘Wonen’ niet toegestaan. Hier wordt de landschappelijke inpassing (beplanting) die een groot onderdeel van het plan behelst gerealiseerd. Alhoewel agrarisch grondgebruik hier – door de aan te leggen en in stand te houden landschappelijke inpassing - niet is toegelaten, betreft de functie zoals deze wordt bestemd wel ‘Agrarisch met waarden’. Dit heeft te maken met de systematiek en bijbehorende doeleindenomschrijving van het vigerende bestemmingsplan waarop met onderhavig plan wordt aangesloten.

3.4

Verkeer en parkeren

Verkeer Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt direct op de Weerscheut ontsloten. Voor de verkeersaantekkende werking is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. Onderhavig gebied dat getypeerd kan worden als ‘Buitengebied’ en ‘Matig stedelijk’ genereert 7,8 tot 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning, gemiddeld 8. In onderhavige situatie is geen sprake van een bestaande functie die verkeer genereert, wat betekent dat door het planvoornemen de verkeersgeneratie van gemotoriseerd verkeer met 8 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Deze toename is verwaarloosbaar, namelijk de huidige ontsluiting van het plangebied is afdoende om deze toename te kunnen faciliteren. Parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en 13

Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto’s en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. De nieuw toe te voegen functie betreft één woning welke een groter woonoppervlak kent dan 150 m2. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is op basis hiervan conform de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets 2,1 te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein. In onderhavige situatie wordt hieraan in de vorm van ‘parkeren op het erf’ (geen parkeervakken, wel parkeerruimte) voldaan. Op eigen terrein is voor minimaal 3 auto’s ruimte aanwezig.

3.5

Openbare ruimte

In het plangebied wordt geen nieuwe openbare ruimte ontwikkeld. Het gaat in onderhavige situatie slechts om de ontwikkeling van 100% privaat terrein. Aan het huidige openbare gebied worden - uitgezonderd de aantakking van het plangebied middels een in-/uitrit op de Weerscheut – ten gevolge of ten behoeve van de ontwikkeling geen wijzigingen aangebracht.

3.6

Bomen

Om het planvoornemen te kunnen realiseren hoeven geen bomen te worden gekapt. Niet op privaat terrein, niet in de openbare ruimte. De inrit wordt zo gepositioneerd dat in de openbare ruimte (langs de Weerscheut) geen bomen hoeven te worden gekapt. Zie de afbeelding hieronder die dit illustreert (de ingetekende bomen zijn alle bestaande bomen nabij de inrit).

Onderdeel van het planvoornemen is de realisatie van landschappelijke inpassing, waarbij ook bomen en andere groene elementen worden aangeplant en blauwe elementen worden aangelegd. Op het aspect beplanting (lees: landschappelijke inpassing) is in paragraaf 3.2 van deze toelichting nader ingegaan.

14

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid: 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. efficiënt gebruik van de ondergrond; 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9.

ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geldt dat geen sprake is van specifieke nationale belangen die in het Barro of Rarro worden genoemd waarmee rekening moet worden gehouden. Een uitzondering hierop is het laatstgenoemde nationale belang. Dit houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd. Ladder voor duurzame verstedelijking Onderhavig plan omvat het toevoegen van één woning, waarmee er conform jurisprudentie aangaande het begrip stedelijke ontwikkeling i.r.t. de ladder voor duurzame verstedelijking geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit leidt ertoe dat niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft te worden getoetst.

Uiteraard is – los van het feit dat het hier juridisch gezien niet om een stedelijke ontwikkeling gaat – wel bekeken of de ontwikkeling binnen het gemeentelijke en regionale woningbouwbeleid past. Een toelichting hierop staat in paragraaf 4.4.3 (Woonvisie 2020). De woning wordt in het buitengebied gerealiseerd. Geen sprake is echter van nieuw ruimtebeslag, omdat voor de realisatie van de woning stallen zijn gesloopt (1000 m2, wat meer is dan voor de woning gerealiseerd gaat worden) en milieurechten zijn ingetrokken. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het Rijksbeleid.

15

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking.

De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Op de Structurenkaart is het plangebied/projectgebied aangeduid als ‘Gemengd landelijk gebied’. Zie de uitsnede van de structurenkaart ter hoogte van het plangebied hieronder.

De ligging van het plangebied in het ‘Gemengd landelijk gebied’ betekent dat het gebied bedoeld is voor een breed georiënteerde plattelandseconomie, duurzame agrarische ontwikkeling en versterking van het landschap. In het ‘Gemengd landelijk gebied’ is het de bedoeling dat functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Er wordt in dit gebied voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie, toerisme en ondernemen in een groene omgeving. Daarnaast is het ook de bedoeling dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Aan gemeenten is daarom gevraagd om het gemengd landelijk gebied in te delen in gebieden waar primair agrarische activiteiten kunnen worden ontplooid en gebieden waar een meer gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd. De gemeente heeft het gebied waarin onderhavig plangebied is gelegen aangeduid als een 16

bebouwingsconcentratie, waarvoor zij een ontwikkelingsvisie heeft neergelegd. Hierover wordt in paragraaf 3.3 nader ingegaan. In verband met het provinciale beleid is relevant dat voor het gebied waarin het plangebied is gelegen de ontwikkelrichting bestaat uit meer kleinschalige stedelijke voorzieningen en niet uit primair agrarisch gebied. Onderhavige ontwikkeling vindt aansluiting bij de door de gemeente geschetste ontwikkelingsrichting voor het gebied. 4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 is door de provincie NoordBrabant vertaald in een provinciale planologische verordening. Een instrument waarmee provincies regels stellen waaraan gemeenten zich moeten houden bij het ontwikkelen van onder andere bestemmingsplannen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant regelt diverse ruimtelijke onderwerpen, welke op perceelniveau per onderwerp zijn begrensd en visueel op een kaart met verschillende kaartlagen zijn weergegeven. Hierdoor is voor ieder gebied in Noord-Brabant duidelijk welke regels er wat betreft provinciaal ruimtelijk beleid gelden. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waaraan ze toe zijn. Ter plaatse van het plangebied gelden conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de instructieregels voor gemeenten voor het ‘Landelijk Gebied’.

Zie de uitsnede van de kaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter hoogte van het plangebied (rode pijltje) hieronder.

Het planvoornemen waar het hier om gaat betreft het realiseren van één ruimte-voor-ruimte woning. Op een dergelijke ontwikkeling is artikel 3.80 ruimte-voor-ruimte van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant van toepassing. In dit artikel is geregeld dat een bestemmingsplan van toepassing op het ‘Landelijk gebied’ kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. 17

Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als de ruimte-voor-ruimtekavel wordt ontwikkeld vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Aan sub a. van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan doordat voor de ontwikkeling een ruimte-voorruimte bouwtitel is aangekocht. De ruimte-voor-ruimte titel is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). Aangaande sub b. wordt het volgende opgemerkt. De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft voor het grondgebied van voormalig gemeente Maasdonk haar bebouwingsconcentraties gedefinieerd en vastgelegd in de structuurvisie inclusief bijbehorende uitwerkingen die zij voor het buitengebied heeft vastgesteld. In die visie is onderhavige locatie gelegen in bebouwingsconcentratie Weerscheut. Hieronder is een uitsnede van de visiekaart behorende bij die bebouwingsconcentratie opgenomen. De beoogde locatie voor de te ontwikkelen ruimte-voor-ruimte-woning is hierop aangeduid met een blauwe omlijning.

De visie behorende bij deze kaart geeft aan dat het binnen de lichtgele gedeelten zoals op de kaart aangeduid mogelijk is om ruimte-voor-ruimte-woningen te realiseren. Het plangebied is deels met lichtgeel aangeduid. Dat betekent dat de ontwikkeling passend is in de visie die de gemeente voor het plangebied heeft opgesteld. Ad sub c. wordt verwezen naar paragraaf 3.2 Beplanting en bijlage 1 van deze toelichting. Voldaan wordt aan een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning. Ad sub d. wordt hier aangegeven dat het voorgenomen planvoornemen geen aanzet is voor een stedelijke ontwikkeling. Verder is paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van toepassing. Het gaat in onderhavige situatie dan vooral om de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik, de toepassing van de lagenbenadering, meerwaardecreatie en voor zover het het landelijk gebied betreft ook kwaliteitsverbetering van het landschap. Met dit plan wordt hieraan invulling gegeven. Sprake is van het principe ruimte voor ruimte. De ene bebouwing (veehouderijen) wordt verruild voor de andere (woningen), op plekken waar het passend is (bebouwingsconcentraties). Hierdoor wordt de verstedelijkingsimpact lager. Onderdeel van het planvoornemen is landschappelijke inpassing. Verder wordt 18

rekening gehouden met alle van toepassing zijnde milieuaspecten, waarop in het volgende hoofdstuk nader ingegaan wordt. Conclusie Op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is er in verband met het planvoornemen geen sprake van strijdigheden. Voldaan wordt aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.2.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord0Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie.

Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het provinciale beleid.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Heesch-west Het regionaal bedrijventerrein Heesch West komt aan de zuidzijde van de A59 tussen 's-Hertogenbosch, Heesch en Oss. In een ambitieuze, toekomstgerichte ontwikkeling biedt Heesch West ruimte aan middelgrote tot zeer grootschalige bedrijven, die elders in de regio geen passende huisvesting (meer) vinden. In belangrijke mate zijn dit bedrijven die nu al een regionale binding hebben en zich binnen onze regio willen doorontwikkelen. Onder andere zijn dit (zeer) grootschalige logistiek en bedrijvigheid op het gebied van innovatieve concepten in de bouw, circulaire economie en duurzame energieoplossingen. Ook biedt het terrein ruimte voor regionale verplaatsers en topsectoren. De gemeenten 's-Hertogenbosch, Oss en Bernheze zijn gezamenlijk initiatiefnemer voor dit terrein en hebben zich hiervoor verbonden in de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Heesch West. Het regionale bedrijventerrein heeft een onderscheidend aanbod, complementair aan overig lokaal en regionaal aanbod. Daarmee is het bedrijventerrein van belang voor de economische ontwikkeling van de regio en zo van groot belang voor behoud en ontwikkeling werkgelegenheid. Het plangebied waarop de ontwikkeling van Regionaal Bedrijventerrein Heesch West is voorzien is weergegeven in de afbeeldingen hieronder.

Het plangebied betreft niet alleen het bedrijventerrein, maar ook aanpassing en opwaardering van de infrastructuur er naartoe.

19

Bedrijventerrein Heesch-west ligt op 940 meter van het plangebied. In het bestemmingsplan voor Heeschwest, dat op 2 februari 2022 is vastgesteld, is gemotiveerd dat de bedrijventerreinontwikkeling getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat er in onderhavige situatie dan om dat voor de omgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Als dit aan de orde is voor bestaande woningen die dichterbij Heesch-west liggen, is het aannemelijk dat dit ook geldt voor nieuwe woningen verder weg van Heesch-west. Deze redenatie gaat ook andersom op, met andere woorden de ontwikkeling in het plangebied is niet belemmerend voor Heesch-west. Verder geldt dat de verkeersaantrekkende werking van Heesch-west effect kan hebben op onderhavige ontwikkeling. Het gaat dan specifiek om de verkeerstoename die voor de Weerscheut wordt verwacht ten gevolge van de ontwikkeling van Heesch-West, waarbij de Weerscheut te maken krijgt met +1200 mvt/etmaal of in geval van mitigerende maatregelen +500 mvt/etmaal. Beoogd wordt verder de Weerscheut in het kader van Heesch-West voor vrachtverkeer af te sluiten.

In het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai dat is uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling is reeds rekening gehouden met 2700 mvt/etmaal in 2031, waarbij – met de verlening van een hogere waarde en eventuele maatregelen aan de gevel – een aanvaardbaar binnengeluidsniveau kan worden gerealiseerd. Conclusie Heesch-west vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling vormt andersom ook geen belemmering voor bedrijventerreinontwikkeling Heesch-west

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie Buitengebied Maasdonk De gemeente Maasdonk heeft een Structuurvisie Buitengebied opgesteld (vastgesteld door de Raad op 16 december 2009) welke diende als onderlegger voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Maasdonk. Het doel van deze visie is een ruimtelijk en functioneel kader te creëren voor toekomstige ontwikkelingen die een bijdrage kunnen leveren aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De gemeente heeft eigen beleid opgesteld in de vorm van een gebiedsvisie voor gebieden binnen bebouwingsclusters en voor het gebied buiten deze clusters. De structuurvisie biedt een duidelijk 20

kader waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden en schetst daar ook ontwerprichtlijnen voor. In geval sprake is functieverandering is een belangrijke voorwaarde de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat dan om bijvoorbeeld sloop van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing. Het plangebied en de omgeving ervan maakt in deze visie deel uit van de ruimtelijk-functionele eenheid ‘Extensiveringsgebied’.

Voor het ‘Extensiveringsgebied’ is in de structuurvisie het volgende geformuleerd: Dit betreft gebieden die een sterke verweving van functies kennen en grotendeels als extensiveringsgebiedoverig zijn aangewezen in het Reconstructieplan. Het gaat hierbij met name om: -

de meer verdichte zone tussen de spoorlijn en de snelweg, ten oosten van Nuland. In dit gebied ligt het accent op vormen van plattelandsvernieuwing, die een relatie hebben met de dorpen, in combinatie met het behoud van het open landschap, met name ten westen van de Loonsestraat (landschapsecologische zone uit het Uitwerkingsplan Waalboss) en de centrale open ruimte en de noordelijke open ruimte in het tussengebied Geffen-Oss (conform de daarvoor opgestelde uitgewerkte visie); 21

-

de zone rondom Vinkel, Kaathoven en Vinkeloord. In dit gebied ligt het accent op meer landelijke vormen van plattelandsvernieuwing. In het grondwaterbeschermingsgebied vormen de gevolgen voor de grondwaterwinning een belangrijk afwegingscriterium voor functieverandering.

De visie voor het ‘Extensiveringsgebied’ is niet strijdig met het planvoornemen. Over ruimte-voor-ruimte staat in de structuurvisie opgenomen dat overeenkomstig het provinciale beleid inzake ruimte voor ruimte de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van minimaal 1000 m3 aan gebouwen is toegestaan (met uitzondering van landbouwontwikkelingsgebied en duurzame locaties), met dien verstande dat de nieuwe woning in de bebouwde kom of in een bebouwingsconcentratie moet worden gebouwd. Nadere voorwaarden zijn opgenomen in de beleidsnota ‘Verbrede inzet van de aanpak Ruimte voor Ruimte’. Gelet op de ruimtelijke gevolgen van de toepassing van de ruimte voor ruimteregeling, de gewenste afstemming op en inpassing in het omringende landschap en de financiële en juridische complicaties zal realiseren van een dergelijk initiatief alleen mogelijk zijn door middel van een afzonderlijke planherziening. Onderhavige ontwikkeling is conform de structuurvisie Buitengebied Maasdonk niet gelegen in een bebouwingsconcentratie. Op 1 april 2014 is echter voor de omgeving Weerscheut een aanvulling op de structuurvisie Buitengebied Maasdonk vastgesteld. In deze aanvulling wordt het deelgebied Weerscheut aangemerkt als een bebouwingsconcentratie.

De gemeente heeft deze aanvulling vastgesteld, omdat zij ruimere mogelijkheden wil bieden voor functieverandering vanuit het oogpunt van het behoud van een sterke plattelandseconomie. Uitgangspunt bij functieverandering is de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er eisen worden gesteld aan de sloop van gebouwen en aan de landschappelijke inpassing. Hieronder is het kaartbeeld inclusief legenda behorende bij de bebouwingsconcentratie ‘Weerscheut’ weergegeven. Het plangebied is blauw omlijnd weergegeven. Het is de bedoeling een nieuwe woning toe te voegen ter hoogte van het lichtgeel aangeduide gebied waarbinnen de locatie deels gelegen is. De bijbehorende landschappelijke inpassing wordt vooral ten zuiden van de woning gerealiseerd (ter hoogte van de grijze ondergrond met aangeven doorzicht). Een en ander in lijn met de ontwerprichtlijnen zoals opgenomen in de Visie Weerscheut.

22

Onderhavig planvoornemen ‘het realiseren van een nieuwe woning’ wordt mogelijk gemaakt met de regeling ruimte-voor-ruimte. Bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte wordt een bouwtitel aangekocht. Deze wordt ten behoeve van de nieuw te realiseren woning in het plangebied – dat is gelegen in bebouwingsconcentratie Weerscheut - ingezet. Conform de voor de bebouwingsconcentratie geformuleerde ontwerprichtlijnen wordt aan het planvoornemen invulling gegeven. Het planvoornemen is passend in de structuurvisie buitengebied Maasdonk inclusief de vastgestelde aanvulling die erop is gedaan voor het deelgebied ‘Weerscheut’. 4.4.2 Vinkelse Slagen Tegenover het plangebied wordt een nieuwe woonwijk ontwikkeld: Vinkelse Slagen. Vinkelse Slagen bestaat uit 3 fasen. Fase 1 en 2 zijn reeds positief bestemd. Zie de afbeelding hieronder die de ligging van deze fasen illustreert. Fase 3 is nog niet positief bestemd en dan ook niet op onderstaande afbeelding weergegeven.

Voor de eerste fasen wordt een ontsluitingsweg van de woonwijk op de Weerscheut aangelegd. Deze ontsluitingsweg ligt ongeveer tegenover (de landschappelijke inpassing behorende bij) het plangebied.

4.4.3 Woonvisie 2020 Het woonbeleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie ’s-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:  Passend en betaalbaar wonen voor iedereen  Leefbare en inclusieve buurten  Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad  Strategisch innovatief woonprogramma. Passend en betaalbaar wonen 23

Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten. Leefbare en inclusieve buurten De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad. Strategisch innovatief woonprogramma De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030.

Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën: - minimaal 30% sociale huur - minimaal 20% middenhuur en goedkope koop - maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop. Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt. Nieuwe woningen kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. We stimuleren projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven. Ruimte-voor-ruimte-woningen zijn geen onderdeel van de woonvisie 2020. O.a. omdat ze niet worden toegerekend aan/ onderdeel zijn van het nieuw te realiseren aantal woningen in de gemeente waarop de gemeente in/ met het regionale en gemeentelijke woningbouwbeleid stuurt. Toetsing aan de woonvisie 2020 is daardoor niet relevant.

4.4.4 Welstand Ter plaatse van het plangebied geldt de Welstandsnota (2004), die door de voormalige gemeente Maasdonk is vastgesteld. De welstandsnota bevat criteria voor de beoordeling van de vormgeving van bouwplannen bij de welstandstoets. Voor het plan is welstandsniveau 1 aan de orde (zie rode cirkel op de afbeelding hieronder). Dit is het hoogste welstandsniveau dat is toegekend aan de gebieden die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van kernen en landschap, waaronder de belangrijke, doorgaande routes en historische linten.

24

Het planvoornemen is in een bouwplan uitgewerkt en voorgelegd aan de welstandscommissie. In de eerste beoordelingsronde is het navolgende aangegeven: “het ontwerp van de woning voldoet niet aan de karakteristieken van het buitengebied. Verwezen wordt naar de Welstandsnota Maasdonk 2004. Het ontwerp dient traditioneler in opzet met eventuele een moderne uitvoering/detaillering, en afgestemd te worden op de kenmerkende architectuur in de omgeving”. Verder heeft de welstandscommissie een verspringende rooilijn en het handhaven van het agrarische karakter van het aangrenzende perceel geadviseerd. Het bouwplan is hierop aangepast en vervolgens door de welstandscommissie akkoord bevonden. Hieronder is een afbeelding van het bouwplan opgenomen.

4.4.5 Bomen Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2017 en wordt van kracht zodra het college van B&W de bijbehorende Groene kaart hebben vastgesteld. Vooruitlopend daarop wordt al rekening gehouden met het beleid. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan. 25

Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen. De inventarisatie bestaat minimaal uit:  digitaal ingemeten tekening;  boomsoorten;  stamomvang op 1,30 meter boven maaiveld;  kroonomvang;  vitaliteit en levensverwachting van de boom. Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven. De in het plangebied aanwezige bomen geïnventariseerd. Echter minder specifiek dan in het bomenbeleid is geformuleerd. Dit is ook niet nodig, aangezien de bomen in het plangebied blijven bestaan. Ze vormen – met behoud als uitgangspunt - onderdeel van de planontwikkeling. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gemeentelijke beleid.

26

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu & duurzaamheid

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNGuitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ‘rustige woonwijk’.

Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). In het plangebied wordt een gevoelige functie gerealiseerd. Geen sprake is van de ontwikkeling van een bedrijfsfunctie. Belangrijk is dat de nieuwe gevoelige functie nabijgelegen bedrijfsfuncties niet hindert en er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nabij het plangebied zijn drie bedrijven gelegen. Het gaat om de navolgende locaties/ bedrijvigheid en aan te houden richtafstanden (gebiedstype rustige woonwijk/ buitengebied) tot aan gevoelige functies: -

Weerscheut 39, autobedrijf, sbi-code 451, 452 en 454, geur 10 meter, stof 0 meter, geluid 30 meter, gevaar 10 meter; Weerscheut 16, vleesveehouderij (vleeskalveren en -stieren), sbi-code 0141 en 0142, geur (zie paragraaf 5.9), stof 10 meter, geluid 30 meter, gevaar 0 meter; Weerscheut 49, melkveehouderij, sbi-code 0141 en 0142, geur (zie paragraaf 5.9), stof 10 meter, geluid 30 meter, gevaar 0 meter.

De afstand tot de bestemmingsvlakken/ bouwblokken van deze bedrijven is ten opzichte van de meest nabij gelegen gevel van de nieuwe woning in het plangebied: -

Weerscheut 39: circa 110 meter; Weerscheut 16: circa 220 meter; Weerscheut 49: circa 60 meter; 27

Op basis van voorgaande blijkt dat alle bedrijvigheid op grotere afstand is gelegen van de nieuwe gevoelige functie dan conform de richtafstanden die VNG-brochure bedrijven en milieuzonering. Bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen. Voor de motivering ten aanzien van het aspect geur ten gevolge van de veehouderijen aan Weerscheut 49 en 16 wordt verwezen naar paragraaf 5.9 waaruit blijkt dat dit aspect eveneens niet belemmerend is voor het planvoornemen. Het woonen leefklimaat in het plangebied wordt door nabijgelegen bedrijvigheid niet belemmerd. De ontwikkeling belemmert nabijgelegen bedrijvigheid niet in haar bedrijfsvoering.

5.3

Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1. Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van 250 meter van de Weerscheut. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 53 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel.

Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:  Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)  Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)  Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woonen leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente ’s-Hertogenbosch een ‘hogere waarde beleid’ vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Bij het toekennen van een verzoek om een hogere grenswaarde voor geluidgevoelige bestemmingen tot en met de geluidklasse “onrustig” worden de volgende criteria bij de afweging betrokken: 1.

indien mogelijk moet de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe geluidsgevoelige bestemming worden vergroot; 2. indien mogelijk moeten bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere wegdektypen) getroffen worden;’ 3. indien mogelijk moeten overdrachtsmaatregelen worden getroffen; 4. het stedenbouwkundig ontwerp dient zodanig vorm te worden gegeven dat zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat;

28

5. in ieder geval bij woningen/appartementen dient de buitenruimte (tuin/balkon) te voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied; 6. de woning dient tenminste één geluidsluwe gevel te bezitten; 7. bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidklasse “onrustig” dient bij een aanvraag om bouwvergunning een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit waarbij voor de geluidsbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting indien daar sprake van is. Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan. Plan Binnen het plangebied wordt een geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft één woning welke in het de geluidszone van de Weerscheut wordt gerealiseerd.

Voor de geluidgevoelige bestemming is door Nipa milieutechniek een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting (bijlage 2, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Weerscheut 47 te Vinkel, Nipa Milieutechniek, 11 maart 2021). De samenvatting en conclusie van het onderzoek is hieronder opgenomen. De nieuwe woning is gelegen in de zone (akoestisch aandachtsgebied) van de Weerscheut in Vinkel. Uit het onderzoek blijkt een geluidbelasting als gevolge van het wegverkeerslawaai inclusief de correctie ex art. 110g van de Wet geluidhinder van ten hoogste 53 dB. Bij deze locatie wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde op de maatgevende voorgevel en zijgevels van 48 dB. Het bevoegd gezag dient daarom een hogere waarde wegverkeerslawaai voor de nieuwe woning vast te stellen. Dit kan alleen als voldaan wordt aan het beleid dat de gemeente ’s-Hertogenbosch hiervoor heeft (Nota hogere grenswaarden gemeente ’s-Hertogenbosch). Hieronder is dit gemotiveerd aan de hand van de criteria die in dat beleid zijn opgenomen voor het vaststellen van een hogere waarde: Ad1 Het ontwerp gaat uit van een invulling van de ruimte tussen bestaande bebouwing en een positionering in dezelfde rooilijn als naburige bebouwing.

Het is stedenbouwkundig niet aanvaardbaar om deze geluidgevoelige bestemmingen op een ruimere afstand van de wegen te realiseren. Ad2 Het verlagen van de snelheid op de Weerscheut ligt niet voor de hand gezien het karakter van de weg. Door het verlagen van de rijsnelheid van 50 km/uur naar bijvoorbeeld 30 km/uur zijn de wegen geen gezoneerde wegen meer en hoeven dus niet meer getoetst te worden aan de Wet geluidhinder, maar het zal geen effectieve maatregel zijn ter reductie van de eventuele geluidhinder bij de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen. Ook is het niet realistisch om een geluidreducerend wegdek op deze wegen toe te passen ter hoogte van het plan. Na het toepassen van een geluidreducerend wegdektype wordt de voorkeurswaarde nog steeds overschreden. Ad3 Gezien de geluidbelasting en de afstand tot de weg is een lang geluidscherm nodig om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeurswaarde. Een dergelijk scherm is in deze situatie niet reëel en vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook niet gewenst. Ad4 Er zal enige geluid-afscherming zijn voor het achterliggende gebied. Ad5 De tuin is gesitueerd aan de geluidluwe zijde. Ad6 De woning heeft een geluidluwe gevel met tenminste één verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde.

Ad7 Ten tijde van de bouwplanfase zal door middel van het overleggen van een akoestisch onderzoek naar de gevelwering moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit gestelde voorwaarden aan de vereiste karakteristieke. Op basis van reguliere maatregelen aannemelijk dat de bij de ondervonden geluidbelasting van 53 dB benodigde geluidwering van 25 dB behaald zal worden. Gezien bovenstaande overwegingen is het mogelijk om de hogere grenswaarden voor geluid te verlenen. Er wordt voor wat betreft het aspect geluid een acceptabel woon- en leefklimaat bereikt. Aanvullend moet in het kader van het Bouwbesluit worden voldaan aan een binnengeluidsniveau van maximaal 33dB. Om aan te kunnen tonen dat dit het geval is, is een aanvullend onderzoek naar de 29

(karakteristieke) geluidwering van de gevel noodzakelijk. Het onderzoek moet worden bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Voor deze geluidgevoelige bestemming heeft het college van burgemeester en wethouders – onder voorwaarden - een hogere waarde-besluit genomen. De voorwaarden zijn opgenomen in het hogere waarde-besluit. Het besluit is bij dit bestemmingsplan gevoegd (bijlage 3).

5.3.2 Railverkeerslawaai Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zone van het spoortraject ‘s-Hertogenbosch-Utrecht / ’s-Hertogenbosch-Nijmegen / ’s-HertogenboschTilburg/Eindhoven. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet relevant. Onderzoek naar het aspect ‘railverkeerslawaai’ is niet nodig.

5.3.3 Industrielawaai Geluidszonering Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder ‘Zones rond industrieterreinen’ en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Er worden ook geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen een 50 dB(A) contour. Met betrekking tot het geluid, geproduceerd door bedrijven, gelden naast de normen uit de Wet geluidhinder ook normen uit de Wet milieubeheer. In paragraaf 5.2 van deze toelichting is ingegaan op de nabij het plangebied gelegen bedrijvigheid en de daarbij horende richtafstanden ten opzichte van gevoelige objecten. Het gevoelige object dat in het plangebied wordt gerealiseerd is niet gelegen binnen een dergelijke in acht te nemen richtafstand. Onderzoek naar het aspect ‘industrielawaai’ is niet nodig.

5.3.4 Cumulatie van geluid De akoestische afweging gebaseerd op enkel de Wgh is niet altijd afdoende voor de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbare akoestische kwaliteit bij een geluidsgevoelige bestemming. In het geval dat een nieuwe geluidsgevoelige bestemming ook in de invloedsfeer van andere geluidsbronnen ligt, moet gekeken worden naar de akoestische kwaliteit als gevolg van alle geluidsbronnen samen (cumulatie). Cumulatie van geluid is dan ook de optelling van de geluiden die afkomstig zijn van verschillende bronnen. Binnen het plan worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Deze geluidsgevoelige bestemmingen ervaren niet meer dan één geluidbron boven de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. Cumulatie van geluid is in onderhavige situatie geen thema. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen. In het plangebied is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het plangebied wordt geen geluidsbron mogelijk gemaakt. Het planvoornemen veroorzaakt daardoor geen belemmeringen voor nabijgelegen gevoelige functies. Verder geldt dat dat het planvoornemen nabijgelegen bedrijvigheid (geluidsbronnen) niet hindert, omdat het planvoornemen buiten de richtafstanden die aan de orde zijn voor het aspect geluid conform de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering ligt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11790849/1