CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Atelier- en broedplaatsenbeleid

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Atelier- en broedplaatsenbeleid7.306 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Atelier- en Broedplaatsenbeleid Inhoudsopgave Aanleiding - Tekort aan werkruimtes - De Bossche ambities - Meerwaarde van en door makers - Opdracht adviesbureau Stipo Doelen 1. Het huidige volume van structurele ateliers bestendigen en het uitbreiden van dit aanbod met meer tijdelijke werkruimtes voor makers (doelgroep 1) 2. Het bevorderen van doorstroming binnen de atelierpanden en broedplaatsen 3. Het prioriteren van werkplekken voor startende makers (doelgroep1) 4. Het doorontwikkelen van werkruimtes en ateliers die op individueel niveau worden gebruikt naar creatieve hubs 5. Het creëren en/of faciliteren van broedplaatsen met een positieve (culturele, sociale of maatschappelijke impact) binnen gebiedsontwikkelingen Tot slot - Werkwijze ambtelijke organisatie - Betrokkenheid van het veld

Aanleiding Met dit atelier-en broedplaatsenbeleid stellen we een vijftal doelen voor die bijdragen aan het versterken van het makersklimaat in onze gemeente en die makers beter in staat stellen om brede meerwaarde op verschillende vlakken te creëren. Het is enerzijds hard nodig om onze makers beter te ondersteunen. Waarom, dat lichten we hieronder nader toe. Tegelijkertijd zien we dat we de potentie en toegevoegde waarde van makers op sociaal-maatschappelijk en economisch gebied voor 'sHertogenbosch nog niet ten volste benutten. In dit atelier- en broedplaatsenbeleid lichten we toe hoe we dit willen gaan doen. Met dit nieuw beleid geven we een impuls aan het huidige makersklimaat in onze gemeente, maar we kijken ook naar de toekomst. Juist door nu ruimte beschikbaar te maken voor de talentvolle makers en creatieven in spé, leggen we een sterke basis voor de cultuurstad van morgen. Tekort aan werkruimtes Het makersklimaat in de gemeente ’s-Hertogenbosch staat al geruime tijd onder druk. Er is een structureel tekort aan werkruimtes en broedplaatsen, waardoor met name startende makers moeite hebben om een geschikte werkplek te vinden. Elk jaar wijken startende makers door dit tekort noodgedwongen uit naar andere steden om hun beroepspraktijk op te bouwen.

Jaarlijks zien we aan het geringe aantal aanmeldingen voor afstudeerprijzen zoals de Atelierprijs, dat slechts een handvol studenten zeker weet dat zij de beroepspraktijk in ’s-Hertogenbosch kan gaan opbouwen. De lange wachtlijsten van de Atelierbeheerstichting (ABS) zijn tevens een duidelijk indicatie voor het tekort aan werkruimtes voor deze doelgroep. Dit lichten we later in dit stuk toe onder doel 1. Door het tekort aan werkruimtes nemen we niet alleen afscheid van startende makers, maar soms juist ook van gevestigde makers die niet kunnen doorstromen naar een grotere of beter uitgeruste werkplek. Vernieuwing en de zichtbaarheid van onze (startende) makers zijn echter essentieel voor een gezond cultureel klimaat, voor nu én in de toekomst. Want als de aanwas van nieuw talent opdroogt, missen we de makers die de cultuurstad van de toekomst maken.

1

Het merendeel van de bestaande werkruimtes voor makers wordt aangeboden via de Atelier Beheer Stichting (ABS) waarmee we als gemeente een subsidierelatie hebben. De ABS werkt met een wachtlijst waaruit huurders worden geselecteerd en richt zich primair op de invulling van de individuele atelierruimtes. Zij past daarbij in het merendeel van de atelierpanden geen inhoudelijke selectie toe en heeft voor de meeste atelierpanden geen beleid dat aanstuurt op het clusteren of juist mengen van disciplines of soorten makers. Overige aanbieders van werkruimtes zijn de Bossche Investering Maatschappij (BIM) en enkele particuliere vastgoedverhuurders, die doorgaans werkruimtes aanbieden tegen marktconforme prijzen.

Bovengenoemd aanbod voorziet in een voedingsbodem voor makers, maar tegelijkertijd constateren we dat:  Er een structureel tekort aan voldoende werkruimtes is;  Dat gemeentelijk gesubsidieerde ateliers in sommige gevallen worden gebruikt door huurders die niet tot de beoogde doelgroepen behoren, of oneigenlijk gebruikt worden, wat leidt tot onnodige extra druk op het schaarse atelierbestand;  Er een gebrek is aan doorstroming binnen de gesubsidieerde ateliers;  Dit tekort en gebrek aan doorstroming met name een probleem is voor startende makers, maar ook voor mid-career makers die niet kunnen doorgroeien naar een werkruimte die beter aansluit bij hun vraag en financiële draagkracht;  Dat gesubsidieerde werkruimtes en ateliers vaak een gesloten karakter hebben en geen stimulans geven aan kruisbestuiving, zowel intern tussen makers onderling, als extern met de omgeving. De Bossche ambities Cultuurstad van het Zuiden Door het structurele tekort aan werkruimtes en de gevolgen die dit heeft voor de makers in onze gemeente, komen onze culturele ambities in het gedrang. Onze Cultuurstad van het Zuiden moet ook in de toekomst een stad blijven waar we ruimte maken voor (vernieuwing van) kunst en cultuur. De gemeenteraad stelde in 2019 de Cultuurnota Cultuur Maakt Mensen vast, waar vernieuwing van het aanbod als een van de drie speerpunten van het cultuurbeleid is gemarkeerd.

Een duidelijke focus ligt hierin op het verbeteren van het makersklimaat door specifiek startende makers sterker te ondersteunen en zichtbaarder te maken, het verbeteren van de instroom van jonge makers naar professionele werkruimtes en het stimuleren van kruisbestuivingen binnen de atelierpanden/ broedplaatsen en kruisbestuivingen met de directe omgeving. Met de aanwezigheid van de creatieve opleidingsinstituten zoals AKV St. Joost en de Koningstheateracademie loopt er veel potentieel talent in onze gemeente rond. Daarnaast stromen er elk jaar studenten uit van uiteenlopende opleidingen in de creatieve industrie van onder meer Avans en het Koning Willem 1 College en zijn er talentvolle muzikanten, schrijvers, designers, en interdisciplinaire makers actief. Deze makers zijn een belangrijke bouwsteen in een gezonde culturele infrastructuur waarbinnen talent van de toekomst zich kan ontplooien. In lijn met deze ambities willen we ons makersklimaat toekomstbestendiger maken, door de kansen voor makers waar het gaat om het vinden van een passende werkplek, te verbeteren. Dat willen we doen door te bestendigen wat we al hebben en daarnaast het aanbod uit te bereiden. Voor uitbereiding van dit aanbod kijken we naar de mogelijkheden die ruimtelijke ontwikkelingen bieden en welke rol makers kunnen hebben binnen deze ruimtelijke ambities.

Cultuur en gebiedsontwikkelingen Met grote gebiedsontwikkelingen zoals in de Bossche Stadsdelta maken we onze gemeente toekomstbestendig op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en prettig leven. Binnen dit gebied wordt 45.000 m2 van het programma voor niet-wonen functies ingezet, waarvan een groot deel niet commercieel en specifiek voor cultuur (waaronder ook maakplekken). De sterke culturele signatuur die 2

onze gemeente siert, zien we dus als één van de drijvende krachten achter de transformaties die gebieden in onder meer de Brede Binnenstad gaan doormaken. In het koersdocument voor de Omgevingsvisie formuleren we de hoofdlijnen aan de hand waarvan we onze fysieke leefomgeving in de toekomst gaan vormgeven. We doen dit niet aan de hand van vastomlijnde plannen, maar op ingeven van onze Bossche kracht en waarden, zodat we flexibel kunnen blijven in een stad die constant in beweging is. We beschouwen ons profiel van Cultuurstad van het Zuiden als één van de aanjagers. Daarnaast is er nadrukkelijk een rol voor cultuur weggelegd waar het gaat om gebiedsontwikkelingen. Rondom het KuBus gebouw op het EKP-terrein realiseren we bijvoorbeeld een culturele hotspot. Met de aanwezigheid van studenten van diverse creatieve en kunstzinnige opleidingen, horeca en creatieve bedrijvigheid zetten we in op het aantrekken van studenten, young professionals en ander talent dat we graag in onze gemeente verwelkomen. We beschouwen het netwerk van makers en creatieve ondernemers die zich hier, maar ook in bijvoorbeeld het Innovatiekwartier zullen vestigen, als waardevol onderdeel van de identiteit van het gebied dat zich laat kenmerken door innovatie, vernieuwing en nieuw talent.

Meerwaarde van en door makers Economische (meer)waarde Kunstenaars, creatieve ondernemers, stadsmakers en start- en scale-ups (in het advies van Stipo wordt deze laatste doelgroep aangemerkt als innovatief MKB) bieden kansen waar het gaat om het economisch beleid van onze gemeente. Meer kansen dan die we nu verzilveren. In het advies van Stipo, bureau voor stedelijke ontwikkeling, dat is uitgevraagd ten behoeve van dit atelier- en broedplaatsenbeleid, worden deze kansen gesignaleerd. We lichten de rol van Stipo later nader toe. Waar het gaat om economische kansen, signaleert Stipo: ‘’Het economisch beleid van Den Bosch bevestigt daarnaast het economisch belang van stadmakers en start-ups. Maar er is meer. Grote bedrijven als ASML zoeken naar creatief talent en jonge innovatieve bedrijvigheid. Een deel van dat talent komt uit de Mbo- en Hbo-opleidingen die Den Bosch al huisvest. Nu reizen die studenten nog veel als forenzen van en naar Den Bosch. Zoals eerder geschetst in de aanleiding voor dit advies: de stad Den Bosch wordt met meer gevestigd ambachtelijk en creatief talent, interessanter voor het bedrijfsleven in al haar variëteit. Zo is een bedrijf als ASML op zoek naar talent in heel Oost-Brabant en het is bereid investeringen te doen in woningbouw en werkruimtes waar dat talent zich kan vestigen.

Ook daar grijpen stedelijke ontwikkeling, economie en broedplaatsen in elkaar.’’ Stipo signaleert kortom mogelijkheden voor het creëren van economische meerwaarde, mits deze doelgroepen voldoende gefaciliteerd worden. Sociaal maatschappelijke (meer)waarde Naast economische meerwaarde zien we kansen om de toegevoegde waarde van deze doelgroepen sterker te verbinden met sociaal-maatschappelijke doelen. Het programma Sociale Structuur (reg. nr 15367901) zoals onlangs door de gemeenteraad is vastgesteld, formuleert ambities waar het gaat om het versterken van de sociale basis. Dat kunnen we doen door het stimuleren van de betrokkenheid (en vrijwillige inzet) van inwoners bij elkaar en hun leefomgeving. Dat is bij uitstek een ambitie waar bijvoorbeeld stadsmakers vanuit hun expertise een goede invulling aan kunnen geven. Het initiëren van sociaal-maatschappelijke programmering en faciliteiten die ten goede komen aan de directe omgeving is de kern van hun werk. Denk aan een buurtmoestuin die op laagdrempelige wijze vrijwillige inzet stimuleert, maar het kan ook gaan om het opzetten en faciliteren van een festival voor de buurt, het initiëren van debatten over thema’s die raken aan de belevingswereld van inwoners of het faciliteren van een laagdrempelige ontmoetingsplek.

Stadsmakers werken veelal ‘communitydriven’, wat betekent dat de acties of programma’s die worden geïnitieerd altijd tot stand komen in samenwerking met de mensen voor wie de activiteiten bedoeld zijn. Deze bottom-up aanpak stimuleert actieve betrokkenheid en versterkt tevens het gevoel van eigenaarschap van inwoners over de eigen leefomgeving. Opdracht adviesbureau Stipo 3

De ambities voor het versterken van ons makersklimaat en de grote ruimtelijke ontwikkelingen, in combinatie met de druk op het schaarse aanbod van werkruimtes, vragen om een betere beleidsmatige aansturing. Op dit moment ontbreekt er echter een beleidskader voor atelier- en broedplaatsenbeleid dat deze ambities verankert. Om een gezond vestigingsklimaat waarbinnen makers zich kunnen ontplooien en wortelen te faciliteren en te waarborgen voor de toekomst, hebben we Stipo, bureau voor stedelijke ontwikkeling, gevraagd een advies op te stellen. We hebben gekozen voor dit bureau, mede vanwege de expertise van partner en senior-adviseur Jaap Schoufour, die gedurende 15 jaar hoofd van Bureau Broedplaatsen van de gemeente Amsterdam is geweest. Het advies van bureau Stipo vormt een belangrijke bouwsteen voor ons atelier- en broedplaatsenbeleid, dat is ingegeven door bovengenoemde ambities. Het advies richt zich op de inrichting van een atelieren broedplaatsenbeleid waarmee we (vooral startende) makers in onze gemeente kunnen behouden en de ruimte creëren waarbinnen zij zich kunnen ontwikkelen. Doelen Het atelier- en broedplaatsenbeleid formuleert de doelen waarmee we de makers in onze gemeente beter kunnen ondersteunen en waarmee we een sterker fundament leggen voor onze cultuurstad van de toekomst.

We zien veel mogelijkheden om de potentie van makers in de breedste zin beter te benutten. Daarnaast willen we door makers te ondersteunen een stap dichter naar de cultuurstad van de toekomst zetten. Deze ambities komen in dit atelier- en broedplaatsenbeleid samen in de volgende 5 doelen:

Ateliers in gemeentelijk vastgoed Momenteel heeft de gemeente twaalf gebouwen in gebruik voor de huisvesting van kunstenaars. Vier daarvan zijn met langere contracten verhuurd aan de Atelier Beheer Stichting (ABS) en de overige zijn in tijdelijk beheer bij deze stichting. De stichting verhuurt een combinatie van gemeentelijk vastgoed en particulier vastgoed aan verschillende doelgroepen en met name kunstenaars. In totaal gaat het over 12 panden waarbinnen huisvesting wordt geboden aan zo’n 250 huurders in ongeveer 215 ateliers Ze doen dit met een kleine organisatie van drie mensen en 2,0 fte. Acht panden zijn in tijdelijk leegstandsbeheer en vier panden in formele hoofdhuur. Het team ABS doet zelf de selectie en toetst op opleiding, geëxposeerd werk en inkomen (sociale huurgrens). In elk pand is een commissie die kandidaten voordraagt bij mutaties. Die commissies zorgen ook minimaal beheer. De ABS is op dit moment in Den Bosch de enige organisatie die als kernactiviteit, ateliers verhuurt aan kunstenaars.

1. Het huidige volume van structurele ateliers bestendigen en het uitbreiden van dit aanbod met meer tijdelijke werkruimtes voor makers (doelgroep 1) 2. Het bevorderen van doorstroming binnen de atelierpanden en broedplaatsen; 3. Het prioriteren en waarborgen van voldoende werkruimte voor startende makers (doelgroep 1) 4. Het doorontwikkelen van werkruimtes en ateliers die op individueel niveau worden gebruikt naar creatieve hubs; 5. Het creëren en/of faciliteren van broedplaatsen met een positieve (culturele, sociale of maatschappelijke impact) binnen gebiedsontwikkelingen (placemaking).

We lichten deze doelen stuk voor stuk nader toe in de volgende paragrafen. Doelgroepen In haar advies onderscheidt Stipo de volgende doelgroepen: kunstenaars (1), creatieve ondernemers en stadsmakers (2) en innovatieve MKB’ers (3). Deze laatste doelgroep herdefiniëren wij als start-ups en scale-ups. Stipo kenmerkt de doelgroep ‘kunstenaars’ als volgt: ‘’De meeste (jonge) kunstenaars zijn goed opgeleid en zowel met vrij werk bezig als met betaalde opdrachten verwant aan hun 4

discipline. Er zijn ook ‘parttime’ kunstenaars die buiten hun betaalde werk, ondernemerschap of pensionering, hun kunstenaarschap in hun vrije tijd beoefenen. ’’Waar het gaat om de doelgroep ‘creatieve ondernemers en stadsmakers’ signaleert Stipo dat ‘’stadmakers vaak zzp’ers zijn die hun talent, al dan niet versterkt met een opleiding, inzetten voor sociaal-maatschappelijke activiteiten die bijdragen aan een meer duurzame, inclusieve en sociale stad of buurt.’’ En voor de categorie innovatief MKB stelt Stipo: ‘’Dit zijn startende of opschalende, vaak jonge ondernemers die als éénpitters met een creatieve, ICT of ambachtelijke achtergrond, hun onderneming opbouwen. Zij zijn als start-ups en scale-ups, cruciaal in de economie van morgen met innovatie, technologie met robotica, 3D printing et cetera.’’ Onder startende makers verstaan we kunstenaars (1) die, of maximaal 10 jaar afgestudeerd zijn van een kunstvakopleiding, of autodidact zijn maar aantoonbaar maximaal 10 jaar op professioneel niveau werkzaam zijn.

1. Het huidige volume van structurele ateliers bestendigen en het uitbreiden van dit aanbod met meer tijdelijke werkruimtes voor makers (doelgroep 1) Stipo inventariseerde het huidige aanbod van werkruimtes binnen het gemeentelijk vastgoed (zie kader en bijlage 2). Het huidige aanbod aan beschikbare werkruimtes is onvoldoende om te voorzien in de grote vraag. Zo heeft de Atelierbeheerstichting een wachtlijst van ongeveer 150 kunstenaars die wachten op een geschikt atelier of willen doorstromen naar een ander atelier1. Uit deze analyse en gegevens over het gemeentelijke vastgoed in beheer bij de ABS, blijkt hoe precair de huidige situatie is: de stichting heeft slechts 4 panden permanent in beheer met in totaal 83 ateliers. De overige panden (met dus het merendeel van de beschikbare ateliers) zijn tijdelijk in beheer. Van enkele van deze tijdelijke panden is bekend dat zij op korte termijn niet meer verhuurd kunnen worden om diverse redenen. De vraag naar ruimte komt echter niet alleen vanuit cultuurmakers: vanuit diverse beleidsdomeinen is er in meer of mindere mate structureel vraag naar gemeentelijk vastgoed dat kan voorzien in de huisvesting van bijvoorbeeld statushouders, asielzoekers en onderwijs. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat het huidige tekort op termijn permanent kan worden opgelost met gemeentelijk vastgoed.

Beschikbaar en betaalbaar gemeentelijk vastgoed blijft kortom schaars. Binnen het huidige aanbod en de huidige vraag bestaat er dus al een spanningsveld. De tijdelijke beschikbaarheid van een groot deel van de ruimte is echter geen probleem zolang de hoeveelheid tijdelijk beschikbare werkruimte doorlopend geborgd blijft. Gemeentelijk vastgoed wordt echter nog vaak ad-hoc beschikbaar gemaakt. Indien er een pand met werkruimtes verdwijnt, is vervanging van dit aanbod niet vanzelfsprekend. Er ontbreekt een lange termijnstrategie waarmee een stabiele basis wordt gelegd voor voldoende beschikbare ruimtes in de (nabije) toekomst. Daarom is het bestendigen van het aanbod één van de speerpunten van dit atelieren broedplaatsenbeleid. Methode en instrumentaria We borgen de beschikbaarheid van het huidige volume van vaste ateliers door mutaties en ontwikkelingen regelmatig te peilen en te anticiperen op (komende) tekorten. Vanuit ons maatschappelijk vastgoed zoeken we in deze situaties proactief naar vervanging van de hoeveelheid weggevallen werkruimtes. Zo sturen we aan op het behouden van een minimum van 83 permanent beschikbare ateliers (ongeacht de precieze plek waar deze zich bevinden). Daarnaast stellen we ons als doel om de hoeveelheid beschikbare werkruimtes uit te breiden door meer tijdelijke werkruimtes te creëren. Hoe we dat willen doen, lichten we nader toe onder doel 5.

2. Het bevorderen van doorstroming binnen de atelierpanden en broedplaatsen

1

Uitkomsten enquête ABS uitvoering O&S 5

De beschikbaarheid van werkruimtes en ateliers staat onder druk. Dit spanningsveld kan deels worden verklaard aan de hand van het tekort aan aanbod t.o.v. de vraag (zie uitgangspunt 1). Naast het aansturen op meer ruimte, is er echter ook noodzaak om binnen het bestaande aanbod andere keuzes voor de verdeling van ruimte te maken en meer aan te sturen op doorstroming. Daarvoor is een aantal redenen:

Aanbesteding atelierbeheersfunctie Als overheid zijn we verplicht om een voornemen tot het verrichten van een privaatrechtelijke handeling openbaar te maken, zodat geïnteresseerden daarvan kennis kunnen nemen en zich kunnen aanmelden om mee te dingen. Dit is een verplichting en in lijn met het gelijkheidsbeginsel. Dat houdt in dat we alle partijen die de atelierbeheerfunctie wensen te vervullen, de kans moeten geven zich hiervoor aan te melden. We zullen daarom een openbare aanbestedingsprocedure organiseren voor het selecteren van de beheerorganisatie. Als meerdere partijen zich aanmelden, selecteert de gemeente de partij die het beste uitvoering kan geven aan het vastgestelde atelier- en broedplaatsenbeleid. Dat doet zij op basis van de kaders en voorwaarden die worden gecommuniceerd in de aanbestedingsprocedure. Dit kan betekenen dat een andere partij dan de Atelierbeheerstichting wordt geselecteerd om uitvoering te geven aan het atelier- en broedplaatsenbeleid. Met als gevolg dat de subsidierelatie van de gemeente de Atelierbeheerstichting stopt. Uiteraard wordt de Atelierbeheerstichting dezelfde kans geboden mee te dingen binnen de genoemde aanbestedingsprocedure.

1. Naast de structurele schaarste zien we dat de huidige ateliers verzadigd zijn. Een groot deel van de beschikbare ateliers wordt verhuurd aan een groep makers die al geruime tijd gebruik maakt van een gesubsidieerde werkruimte. Het gaat hier met name om midcareer makers en makers die al voor langere periode het kunstenaarschap beoefenen. Veel van deze makers huren een werkruimte in een permanent atelierpand, zoals de Willem Twee. Per januari 2021 hanteert de ABS bij nieuwe contracten een termijn van 5 jaar. Echter, een deel van de huurders die voor 1 januari 2021 een huurcontract heeft afgesloten met de ABS, heeft nog een doorlopend huurcontract. Het is enerzijds logisch dat veel van deze makers de voorkeur geven aan zekerheid en stabiliteit die de doorlopende huurcontracten bieden. We zien anderzijds echter dat deze groep gebruikers een onevenredig voordeel geniet van de zekerheid die de doorlopende huurcontracten geven ten opzichte van startende makers, voor wie er, juist doordat een doorstromings-prikkel ontbreekt, onvoldoende betaalbare werkruimte beschikbaar kan worden gesteld. 2. Een gebrek aan doorstroming leidt daarnaast op termijn ook voor gevestigde en mid-career makers tot onvoldoende geschikte werkruimte.

Diverse mid-career makers willen graag doorstromen naar een werkruimte die bijvoorbeeld groter is of is ingericht met specifieke faciliteiten, maar doen dat in de huidige situatie evengoed niet. Uit de enquête, uitgezet onder het huurdersbestand van de ABS, blijkt bijvoorbeeld dat een groot deel van de kunstenaars dat al een werkruimte huurt, toch graag wil doorstromen naar een passende werkruimte waarbij de faciliteiten beter aansluiten op de specifieke beroepspraktijk. We verwachten dat we, door in te zetten op doorstroming, de behoeften van makers beter kunnen matchen aan de beschikbare werkruimtes. Zo voorkomen we bijvoorbeeld situaties waarin startende makers noodgedwongen een kostbare werkruimte betrekken die meer passend is voor midcareer kunstenaars, terwijl de goedkope ateliers voor starters juist verhuurd blijven aan midcareer kunstenaars met meer financiële draagkracht. Om te zorgen dat zoveel mogelijk van deze mid-career of gevestigde makers geschikte werkruimte kunnen vinden, gaan we in gesprek met bestaande vastgoedbeheerders in 's-Hertogenbosch over de mogelijkheden voor huur van werkruimtes aan kunstenaars tegen reguliere tarieven. 6

3. Daarnaast is in enkele gevallen sprake van oneigenlijk gebruik van de gesubsidieerde werkruimtes: er zijn situaties bekend waarin huurders een werkruimte huren voor opslag, of niet meer professioneel werkzaam zijn en het atelier onderverhuren aan derden. Op dit moment bieden de doorlopende huurcontracten weinig ruimte aan de ABS om hier adequaat op te reageren. We beschouwen dit oneigenlijke gebruik als zeer onwenselijk, mede omdat de gemeentelijke subsidie (in de vorm van gesubsidieerde ateliers die tegen een kostendekkende huur worden aangeboden) niet ten goede komt aan de doelgroepen en beleidsdoelen waartoe deze subsidie wordt verstrekt. Methode en instrumentaria Opdrachtverstrekking atelierbeheersfunctie Om bovengenoemde redenen is doorstroming één van de doelen. We geven uitvoering aan dit doel middels een opdrachtverstrekking aan een nader te selecteren beheerorganisatie (zie kader ‘aanbesteding atelierbeheersfunctie’). We geven de beheersorganisatie de opdracht om: o

o

o

In haar toetsings- en toewijzingsbeleid gebruik te maken van de externe commissie (zie hieronder). Deze commissie krijgt het mandaat om beargumenteerd af te wijken van de standaard huurtermijn. Deze standaard huurtermijn lichten onder het volgende punt toe. Een eindige huurtermijn voor de gesubsidieerde werkruimtes te hanteren. Nieuwe contracten worden in beginsel op basis van tijdelijkheid afgesloten, waarbij een termijn geldt van 5 jaar, met kans op maximaal 5 jaar verlenging. We volgen hiermee de standaard termijn die de Atelierbeheerstichting sinds 2021 hanteert voor bij het afsluiten van nieuwe contracten. Uiteraard kan in specifieke omstandigheden worden afgeweken van de standaard termijn, waar we ruimte voor willen maken middels een hardheidsclausule die in nieuwe contracten wordt opgenomen. Huurdifferentiatie toe te passen door het hanteren van diverse categorieën in huurprijzen. Hiermee kan er in de basis een gezonde mix worden bereikt van kunstenaars, stadsmakers en creatieve ondernemers in verschillende fases van hun carrière.

Commissie toewijzings- en toetsingsbeleid o We stellen een externe commissie aan. Deze commissie krijgt een aantal instrumentaria toebedeeld waarmee zij aanstuurt op verdeling van werkruimtes in lijn met de vijf doelen van dit atelier- en broedplaatsenbeleid. Zo toetst de commissie op professionaliteit van het kunstenaarschap, beoordeelt zij of de werkruimtes naar behoren worden gebruikt en heeft zij het mandaat om af te wijken van specifieke contractduren. Hiermee borgen we dat de kandidaat-huurders tot één van de beoogde doelgroepen behoren, dat er binnen de atelierpanden en broedplaatsen voldoende doorstroming op gang blijft en dat startende makers een eerlijke kans krijgen (zie doel 3)

3. Het prioriteren van werkruimte voor startende makers (doelgroep1) Uit de toelichting op doel 2 blijkt hoe het tekort aan werkruimte en een gebrek aan goede doorstroming een oneerlijke situatie voor startende makers schept en in stand houdt. Met de vaststelling van de Cultuurnota Cultuur Maakt Mensen (2019) is ‘vernieuwen van het aanbod’ aangemerkt als één van de kerntaken van het huidige cultuurbeleid. Vernieuwing van het aanbod wordt o.a. bewerkstelligd door startende makers beter te ondersteunen en zichtbaarder te maken. Eerder illustreerden we onder de paragraaf ‘meerwaarde van en door makers’ hoe makers in brede zin van meerwaarde kunnen zijn, op zowel cultureel, maar ook sociaal-maatschappelijk en economisch gebied. Daarom vinden we het belangrijk om makers te faciliteren. Echter dwingt de

7

beschikbaarheid van ruimte tot scherpe keuzes en kunnen we niet alle makers evenveel ondersteunen binnen de schaarse ruimte die we hebben. We moeten kortom prioriteiten stellen. Om de ambities met betrekking tot vernieuwing en innovatie ook in de toekomst te kunnen realiseren en een goede aanwas van nieuw talent te blijven borgen, vinden we het belangrijk dat startende kunstenaars (doelgroep 1) in de eerste fase van hun carrière de ondersteuning krijgen die nodig is om hun beroepsprakrijk tot wasdom te laten komen en zo meerwaarde te creëren. Net als in andere beroepsgroepen en sectoren waarin men als zelfstandig ondernemer actief is, zijn startende creatieve makers en kunstenaars gebaat bij extra ondersteuning in de eerste fase van hun carrière. We zien mogelijkheden om startende makers te ondersteunen in hun vraag naar betaalbare werkruimtes binnen de tijdelijke ruimtes die de Bossche Investerings Maatschappij (BIM) in opdracht van de gemeente verhuurt. We verwachten van de BIM dan ook dat deze in gevallen van tijdelijk beheer van panden handelt in lijn met dit beleidskader. Binnen het structurele vastgoed van de BIM zijn er echter minder mogelijkheden waar het gaat om het aanbieden van betaalbare werkruimtes voor startende makers, omdat de BIM vanuit de Wet Markt en Overheid alleen marktconforme prijzen mag bieden.

Omdat zij op dit moment onvoldoende worden gefaciliteerd in hun vraag naar werkruimte, is het belangrijk dat het atelier- en broedplaatsenbeleid is ingericht op de behoeften van deze starters. Uw raad onderstreepte met de vaststelling van de Cultuurnota Cultuur Maakt Mensen de noodzaak om startende talenten beter te ondersteunen. Om voldoende vernieuwing in onze cultuurstad van de toekomst ook voor later te waarborgen, markeert dit atelier- en broedplaatsenbeleid ‘startende makers’ als een doelgroep die specifieke aandacht verdient. Dat houdt in: ruimte creëren voor specifiek de huisvesting van startende makers, of anders gezegd: startende makers prioriteren bij de toewijzing van een gemeentelijk gesubsidieerde werkruimte. We merken hierbij nadrukkelijk op dat we elke maker die aan de beginfase van diens professionele beroepspraktijk staat, ongeacht leeftijd, als startende maker beschouwen. Methode en instrumentaria Het prioriteren van startende makers bewerkstellingen we ook middels de eerdergenoemde opdrachtverstrekking. In de fase waarin we de aanbesteding voorbereiden, onderzoeken we hoe we met specifieke voorwaarden (zie kader ‘aanbesteding atelierbeheersfunctie’) op deze doelen kunnen aansturen. Daarbij moet het volgende worden opgemerkt: - Het is aan de beheersorganisatie om op basis van het advies van de toewijzingscommissie de beschikbare werkruimtes te verdelen.

De commissie ziet erop toe dat er voldoende werkruimtes voor startende makers beschikbaar blijven. - Het prioriteren van startende makers bij de verdeling van werkruimte betekent niet dat huurders die buiten deze categorie vallen, zomaar op straat kunnen belanden. Zij krijgen onder het nieuwe beleid een nieuw, maar wel eindig, contract. We borgen deze tijdelijkheid door de beheersorganisatie te laten werken met heldere contracten met duidelijke einddatum en opzegtermijn. De resultaten van dit prioriteren zullen dus op termijn zichtbaar worden. - Met een hardheidsclausule maken we bovendien mogelijk dat actieve mid-career kunstenaars die een waardevolle bijdrage leveren aan het makersklimaat in onze gemeente de kans krijgen om na afsloop van hun huurtermijn toch een nieuw contract af te sluiten voor een zekere periode. We denken hierbij aan mid-career kunstenaars die zich breder inzetten voor 's-Hertogenbosch, bijvoorbeeld door startende makers te ondersteunen in de (zakelijke) ontwikkeling van hun beroepspraktijk.

4. Het doorontwikkelen van werkruimtes en ateliers die op individueel niveau worden gebruikt naar creatieve hubs;

8

De huidige atelierpanden bestaan grotendeels uit individuele werkruimtes waar een uiteenlopend scala aan huurders veelal zelfstandig werkt. Van zowel startende als mid-career makers is bekend dat zij behoefte hebben (gehad) aan meer zakelijke en organisatorische ondersteuning in de eerste fase van hun beroepspraktijk. Zo hebben er in 2023 verschillende makersgesprekken plaatsgevonden waaruit naar voren kwam dat er onder (met name startende) makers een sterke behoefte is aan kennisdeling, netwerkvorming en het delen van werkruimtes. Ook zien zij de meerwaarde van het uitwisselen van kennis en ervaring tussen zowel starters onderling als het doorgeven van kennis vanuit de mid-career makers naar de nieuwe generatie makers. Het is enerzijds vanzelfsprekend van belang dat makers in de luwte kunnen creëren. Dat willen we mogelijk blijven maken. Tegelijkertijd constateren we dat deze individuele manier van werken weinig gelegenheid biedt aan makers om van elkaars kennis en netwerk kunnen profiteren, terwijl de zakelijke kant van de beroepspraktijk van (startende) makers hier juist erg bij gebaat zou zijn.

Gezien de schaarste van het beschikbare vastgoed, vinden we het logisch en redelijk dat de doelgroepen (1, 2 en 3) die een goedkope werkruimte in een gemeentelijk pand huren, een bijdrage leveren op het culturele, economische of sociale vlak op een manier die past binnen hun beroepspraktijk. Op deze manier geven we een extra impuls aan de potentie die (startende) makers hebben om meerwaarde voor elkaar of op andere domeinen te creëren. Daarnaast benutten we de potentie van deze doelgroepen om bij te dragen een interessante mix van functies in een wijk of buurt. Dit lichten we later in dit hoofdstuk nader toe. Met dit atelier- en broedplaatsenbeleid willen we daarom de huidige atelierpanden transformeren naar creatieve hubs, waarin een bepaalde mate van wederkerigheid of kruisbestuiving centraal staat. Ons doel is om minimaal in elke creatieve hub een interne kruisbestuiving te bereiken. Dit zijn creatieve hubs waarbinnen de makers verantwoordelijkheid nemen voor een gezond makersklimaat, bijv. door kennisdeling met elkaar. Daarnaast zien we mogelijkheden om naast interne kruisbestuiving ook een kruisbestuiving met de directe omgeving te bewerkstellingen. In deze creatieve hubs zijn er makers, creatieve ondernemers, stadsmakers en initiatieven op het maatschappelijke vlak actief die meerwaarde creëren voor de directe omgeving. Dit lichten we hieronder nader toe.

Creatieve hubs en makersplekken (intern) In de cultuurnota Cultuur Maakt Mensen zijn er eerder ambities geformuleerd over de rol die werkruimtes (atelierpanden) in kunnen nemen in de ontwikkeling van de professionele beroepspraktijk van de doelgroepen. Werken in de luwte moet worden blijven gefaciliteerd, maar tegelijkertijd verwachten we van de gebruikers van de werkplaatsen en ateliers dat zij meer de verbinding zoeken met hun publiek en dat zij zich zakelijk blijven ontwikkelen. Hier wordt nog te weinig invulling aan gegeven. Daarom sturen we aan op kennisdeling, netwerkvorming en zakelijke ontwikkelingen binnen de creatieve hubs. Dat houdt niet in dat makers worden gedwongen in gezamenlijkheid te werken, maar wel dat de gebruikers van de creatieve hubs een bereidheid tot kennisdeling tonen en verantwoordelijkheid voor het lokale makersklimaat nemen. Creatieve hubs en ontmoetingsplekken (extern) Naast een impuls aan het makersklimaat, willen we ook een impuls geven aan kruisbestuivingen en verbindingen tussen de doelgroepen in de broedplaatsen en de directe omgeving. We beschouwen het maken van positieve impact op de omgeving als een expliciet kernmerk van dit soort creatieve hubs.

Belangrijk is om op te merken dat we in deze creatieve hubs ruimte willen geven aan cultuur in de breedste zin van het woord en dat er daarnaast veel combinaties tussen culturele en sociaalmaatschappelijke functies mogelijk zijn. Zo geeft de Copernikkel bijvoorbeeld ruimte aan een naaiatelier waar buurtbewoners binnen kunnen lopen en heeft begraafplaats Orthen niet alleen een theehuis dat fungeert als laagdrempelige ontmoetingsplek maar is er ook een curator beeldende kunst actief als programmamaker. Dit beschouwen we als goede voorbeelden van hoe (culturele) makers hun steentje bijdragen aan de gemeentelijke ambities rondom het verstevigen van onze sociale structuur, zoals al kort werd aangestipt in de toelichting onder de paragraaf ‘meerwaarde door 9

makers’. Ook doorbreken we met een mix aan culturele, sociaal-maatschappelijke en overige functies het gesloten karakter dat de huidige atelierpanden vaak kenmerkt. Om middels de creatieve hubs meer richting te geven aan de positieve (sociaal-maatschappelijke) impact op de omgeving, is het van belang dat: - Creatieve hubs bestaan uit een combinatie van verschillende functies waarbinnen er een vast percentage bestemd is voor werkruimtes voor kunstenaars. Binnen de creatieve hubs ligt het zwaartepunt op creativiteit, kunst en cultuur, eventueel aangevuld met andere (maatschappelijke) functies. De invulling van de andere ruimtes verschilt per situatie of pand en kan worden gezocht in het huisvesten van de activiteiten van stadsmakers, start-ups en scale-ups, horeca en maatschappelijke initiatieven. - Huurders vanuit hun creatieve bedrijvigheid een betrokkenheid tonen en verbinding aangaan met de directe omgeving. Dat kan op veel verschillende manieren. Uitgangspunt is dat we deze huurders de vrijheid bieden om hier in samenwerking met andere huurders en omwonenden vorm aan te geven. Methode en instrumentaria Broedplaatsen en interne kruisbestuiving De creatieve hubs waar kruisbestuiving tussen makers plaatsvindt, willen we realiseren door bereidheid tot kennisdeling en samenwerking nadrukkelijk als voorwaarde te stellen bij aanmelding.

Potentiële huurders geven bijvoorbeeld middels een motivatiebrief aan wat ze verwachten van de creatieve hub en welke meerwaarde zij zelf meebrengen. We zien daarnaast kansen om middels huurdifferentiatie in de creatieve hubs het makersklimaat te verstevigen, door: - Binnen de creatieve hubs, naast werkruimtes voor kunstenaars, ook werkruimtes beschikbaar te stellen aan bedrijven van (creatieve) ondernemers en start- of scale ups, zodat er kruisbestuivingen tussen verschillende soorten ondernemingen kunnen ontstaan. Zakelijk talent leert van creatief talent, en andersom. - Binnen de creatieve hubs ruimte te geven aan de beroepspraktijken van zowel startende alsook enkele meer gevestigde makers, waarbij kennisdeling als voorwaarde kan worden gesteld voor de gevestigde makers. In de eerste plaats gaan we uit van creatieve hubs in gemeentelijk vastgoed, maar we zien ook kansen om deze aanpak verder te verkennen met private partijen en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld door makers te koppelen aan het ondernemers of bedrijven in de vorm van artists in residenties. Broedplaatsen en externe kruisbestuiving De precieze invulling van deze creatieve hubs die verbinding zoeken met de directe omgeving (extern) verschilt per situatie.

Deze komt tot stand vanuit de specifieke context en opgaven binnen de omgeving, de voorwaarden rondom de (duur van) de beschikbaarheid van de locatie en de balans tussen verschillende soorten huurders met weinig of meer financiële draagkracht. Deze balans is noodzakelijk voor een renderende of kostenneutrale exploitatie. In sommige situaties, zoals in het geval van de creatieve hub Sterrenbosch in de Maaspoort, ligt de regie voor invulling in eerste instantie meer bij de gemeentelijke organisatie. In andere situaties, zoals bij grootschalige gebiedsontwikkelingen, kunnen we creatieve hubs vormgeven door voor beschikbaar vastgoed een tender voor de selectie van een tijdelijke beheersorganisatie te organiseren. We lichten onder doel 5 nader toe hoe we tijdelijke invulling door makers en creatieven in gebiedsontwikkelingen voor ons zien. Tender en voorwaarden We vinden het belangrijk dat toekomstige aanbestedingen tot stand komen aan de hand van een aantal uitgangspunten:

10

1. Wederkerigheid: Het concept geeft een positieve impuls aan het makersklimaat in onze gemeente, en/of geeft ruimte aan de doelgroepen die positieve impact hebben op de directe omgeving; 2. Een vast percentage van de ruimte komt beschikbaar voor professionele kunstenaars. Het overige deel ondersteunt het concept; 3. De beheersfunctie is op basis van tijdelijke duur. Dat borgen we met duidelijk afgebakende contractduren. Dit lichten we nader toe onder doel 5. Met dit atelier- en broedplaatsenbeleid sturen we aan op het vergroten van de culturele, economische en sociaal-maatschappelijke impact en waarde van makers(plekken) en creatieve hubs. De beheersorganisatie die binnen de bovengenoemde tender wordt geselecteerd, krijgt de ruimte om het gebied te programmeren, onderverhuren en beheren en zelf tot een invulling te komen die voldoet aan de voorwaarden en tot een sluitende exploitatie leidt. Zoals eerder gezegd, volgt de beheerorganisatie de adviezen van de commissie op met betrekking tot de verdeling van atelier onder de groep makers (doelgroep 1). De exacte voorwaarden kunnen per situatie verschillen, maar zijn gestoeld op de 5 uitgangspunten van dit atelier- en broedplaatsenbeleid.

5. Het creëren en/of faciliteren van broedplaatsen met een positieve (culturele, sociale of maatschappelijke impact) binnen gebiedsontwikkelingen Uit de toelichting bij de voorgaande doelen van het atelier- en broedplaatsenbeleid blijkt op welke uiteenlopende manieren makers in de breedste betekenis meerwaarde op verschillende vlakken kunnen bewerkstellingen. We willen beter gebruik maken van die toegevoegde waarde, ook waar het gaat om het bereiken van andere gemeentelijke doelen en ambities. We signaleren hiertoe met name extra kansen waar het gaat om gebiedsontwikkelingen. In het advies van Stipo wordt de doelgroep ‘stadsmakers’ aangemerkt als een groep makers die zich inzet voor sociaal-maatschappelijke activiteiten die bijdragen aan een meer duurzame, inclusieve of sociale buurt of stad. Ook onderschrijft Stipo dat de fysieke aanwezigheid van kunstenaars, creatieve ondernemers en start-ups kan bijdragen aan een sterker (sociaal) weefsel in een wijk of buurt én een extra impuls kan geven aan gebiedsontwikkelingen. Hoe broedplaatsen kunnen bijdragen aan het versterken het sociale weefsel in een wijk of buurt, lichtten we nader toe onder de paragraaf ‘meerwaarde door makers’. De aanwezigheid van deze doelgroepen biedt kortom mogelijkheden tot meerwaardecreatie.

Gebiedsontwikkelingen en placemaking In gebiedsontwikkelingen is vaak sprake van tijdelijke leegstand, vaak ook binnen vastgoed dat in bezit is van onze gemeente. Vrijgekomen vastgoed als lege fabriekshallen of bedrijventerreinen heeft veel potentie, die we beter kunnen en willen benutten. Met het tijdelijk huisvesten van o.a. culturele initiatieven kunnen we meer gebruik maken van bovengenoemde potentie. Naast het borgen van de huidige hoeveelheid permanent beschikbare werkplekken, kunnen we binnen deze gebiedsontwikkelingen ook extra tijdelijke werkplekken creëren. We gaan de potentie van deze leegstand meer benutten door in deze vrijgekomen ruimtes tijdelijke broedplaatsen te creëren waarin we culturele, maatschappelijke en commerciële initiatieven en makers samenbrengen. Doel is om ruimte voor initiatieven en activiteiten te maken die een positieve impuls geven aan de gebiedsontwikkelingen zelf. Dit wordt ook wel placemaking genoemd. In de breedste betekenis betekent placemaking: ruimte bieden aan tijdelijke functies met meerwaarde voor de directe omgeving. Dit leidt in veel gevallen tot een verbetering van de leefkwaliteit, waardoor een gebied aantrekkelijker wordt voor (toekomstige) bewoners.

De aanwezigheid van deze doelgroepen heeft een positief effect op de placemaking, doordat zij: - Zorgen voor positieve reuring in het gebied; - De transitie van het gebied markeren; - Nieuwe initiatieven en activiteiten in de omgeving introduceren; - Zichtbaar maken hoe je met (tijdelijke) creatieve invulling nieuwe functies aan -bijvoorbeeld industriële- leegstand kan geven; 11

- Van plekken waarvan de functie (deels) verloren is gegaan, een nieuwe bestemming maken, zoals de Tramkade.

PLACEMAKING OP DE TRAMKADE

(Culturele) placemaking kan daarmee een impuls geven aan gebiedsontwikkelingen, met Het succes van de Tramkade illustreert name als we binnen tijdelijk leegstand ruimte hoe culturele initiatieven die tijdelijke geven aan een breed scala aan initiatieven en ruimte krijgen, een grote impuls kunnen culturele makers. Binnen deze broedplaatsen geven aan de totstandkoming van de zijn er bijvoorbeeld combinaties mogelijk met identiteit van het gebied. De aanwezigheid horeca, (urban) sport en cultuur, sociaalvan verschillende communities, zoals maatschappelijke initiatieven en creatieve muzikanten en gamers, de vele culturele makers. festivals, expositieplekken , het We verwachten dat hieruit interessante Werkwarenhuis, werkruimtes voor kruisbestuivingen ontstaan tussen de (creatieve bedrijfjes), het World Skate broedplaatsen en de directe omgeving, die in Centre en horeca in de nabijheid van potentie ook meerwaarde kunnen hebben voor culturele podia als de Willem Twee en de de gehele stad. Door ruimte te geven aan Verkadefabriek hebben het verschillende functies creëren we creatieve Tramkadegebied een eigen signatuur hubs die op hun beurt weer een positieve meegeven die we meenemen in de impuls aan de placemaking geven.

Deze doorontwikkeling van de Bossche placemaking is in beginsel tijdelijk, maar Stadsdelta: voor eeuwig jong! draagt vaak wel bij aan het vormgeven of aanscherpen van de identiteit van het gebied. Dit effect kan ook in latere fases van de gebiedsontwikkeling nog van waarde zijn. Hoe dit werkt, illustreren we in het kader hiernaast aan de hand van de Tramkade. Ook Minitopia is een goed voorbeeld van hoe tijdelijke culturele invulling de potentie van ontwikkelgebieden zichtbaar maakt. Uit placemaking kunnen dus functies of identiteiten ontstaan die dusdanig van meerwaarde zijn, dat het interessant kan zijn om deze bij de invulling van de nieuwe gebieden een meer permanente plek te geven. Zo dragen we vanuit cultuur, in principe vanuit tijdelijkheid, wel bij aan de doorontwikkeling van levendige stadsdelen, wijken, dorpen en kernen. Voorwaarde voor succesvolle placemaking is een goede balans tussen het creëren van ruimte voor de ‘klassieke kunstenaar’, stadsmakers en creatieve ondernemers en andere functies en activiteiten die van waarde zijn voor de directe omgeving, zoals het organiseren van festivals, het onderhouden van een buurtmoestuin of het organiseren van sportieve of culturele urban activiteiten. De positieve impuls wordt verstrekt naarmate deze activiteiten meer zichtbaar zijn voor de (toekomstige) bewoners en de directe omgeving.

Daarom is het van belang dat er binnen de werkplaatsen onderlinge samenwerking mogelijk gemaakt wordt en gestimuleerd wordt, zoals eerder is geïllustreerd onder uitgangspunt 4. Culturele placemaking is één van de instrumenten om met tijdelijke invulling van leegstand beleidsdoelen te bereiken. Een breder integraal kader voor tijdelijk anders gebruik van vastgoed is er op dit moment echter nog niet. We zien mogelijkheden om via culturele placemaking kansen, successen en leerpunten te verkennen die we op termijn kunnen gebruiken om tot een breder integraal kader ‘Tijdelijk Anders Gebruik’ te komen. Methode en instrumentaria Om de potentie van tijdelijk leegstaand vastgoed beter te benutten voor placemaking in gebiedsontwikkelingen willen we met dit atelier- en broedplaatsenbeleid komen tot een meer strategische omgang met (gemeentelijk) vastgoed. Concreet betekent dit dat we in gebiedsontwikkelingen en andere situaties van (tijdelijke) leegstand in de eerste plaats uitgaan van het 12

realiseren van werkplekken voor makers en andere creatieve (maatschappelijke) functies die kunnen bijdragen aan de stedelijke ambities en (beleids)opgaven voor dat specifieke gebied of juist stadsbreed. We wijken hier alleen van af wanneer uit integrale afwegingen van risico’s en kansen zwaarwegende redenen naar voren komen om dit niet te doen. We hanteren hierbij het uitgangspunt dat uitvoering zoveel mogelijk (bijna) kostenneutraal moet zijn. Dit gegeven nemen we als harde voorwaarde op in de tenders waarmee we per geval een partij selecteren die verantwoordelijk is voor de invulling, programmering, het beheer en de exploitatie van de hubs. Eventuele extra eenmalige investeringen voor bijvoorbeeld kleine aanpassingen aan een gebouw, bekostigen we met middelen uit het 'ontwikkelfonds creatieve hubs'. Dekking vinden we hiervoor in de Rijksmiddelen (coronamiddelen) die we hebben ontvangen ter bevordering van de lokale cultuur. We borgen de tijdelijke aard van de hubs en een goede transitie naar de volgende fases van gebiedsontwikkeling met duidelijk afgebakende contracten waarin expliciet de einddatum en opzegtermijn zijn opgenomen. In de tender ter selectie van de beheersorganisatie nemen we het afsluiten van deze contracten met toekomstige huurders eveneens expliciet op als voorwaarde.

Stipo advieert daarover: ‘Binnen de Nederlandse juridische praktijk zijn er uitstekende en afdoende “bruikleencontracten” te hanteren voor maximale zekerheid voor tijdige ontruiming. Daartoe bieden de huurovereenkomsten kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a Burgerlijk Wetboek, grote zekerheid. Er zijn einddata en opzegtermijnen en toegestane functies en juist uitgesloten functies (zoals wonen) mee vast te leggen waarmee het einde van het gebruik van de ruimte ondubbelzinnig contractueel kan worden vastgelegd. Er zijn bij de Raad voor Onroerende Zaken en bij leegstandsbeheerders modelcontracten beschikbaar die hiervoor te hanteren zijn.”

Tot slot Werkwijze ambtelijke organisatie Binnen de gemeentelijke organisatie vindt op domein-overstijgende onderwerpen samenwerking en afstemming plaats tussen ambtelijke afdelingen, bijvoorbeeld in werkgroepen over de ontwikkeling van de Bossche Stadsdelta, het Gelijke Kansen programma en de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingsvisie. Hoewel programma’s en projecten al vaak integraal worden benaderd, geldt dit nog niet altijd voor meer structurele werkzaamheden. Dit atelier- en broedplaatsenbeleid gaat juist uit van een integrale, domein-overstijgende aanpak bij het realiseren van tijdelijke extra werkplekken in gebiedsontwikkelingen en het ontwikkelen van de creatieve hubs. Zo gaan we in gebiedsontwikkelingen uit van meerwaardecreatie op verschillende niveaus: sociaal-maatschappelijk, ruimtelijk, economisch en cultureel. Dat vraagt om expertise en betrokkenheid vanuit verschillende perspectieven en beleidsdomeinen. Uitvoering van dit beleid behoeft kortom een gedeelde visie en weging van de meerwaarde en de risico’s op verschillende niveaus. Een vaststelling van dit atelier- en broedplaatsenbeleid beschouwen we als daarmee als een opmaat naar een nog structurele integrale samenwerking tussen verschillende gemeentelijke afdelingen en sectoren.

Betrokkenheid van het veld In dit atelier- en broedplaatsenbeleid formuleren we de doelen die ons helpen onze ambities op het gebied van cultuur, maar ook in economisch, sociaal-maatschappelijke en ruimtelijk opzicht te bereiken. De aanbevelingen sluiten tevens aan bij de wensen die de doelgroepen zelf hebben geformuleerd en kenbaar hebben gemaakt. Zo hebben huurders en ingeschrevenen op de wachtlijst van de Atelierbeheerstichting hun behoeften gedeeld via een enquête, en heeft Stipo gesprekken met makers uit verschillende disciplines en fases gevoerd. Ook is de behoefte aan werkruimte en hubs naar voren gekomen in de makersgesprekken die eerder dit jaar hebben plaatsgevonden. Al deze input is meegenomen in dit atelier- en broedplaatsenbeleid, dat we niet als een sluitstuk, maar juist als een beginpunt beschouwen. Zo zien we de toekomstige uitvraag naar beheersorganisaties tevens als een goede gelegenheid om bevindingen uit het veld op te halen. 13

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13428827/2