CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Brief 4 mei 2020 - RES 1.0 - GROEN inZICHT

Gemeenteraad 18 mei 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Regionale Energiestrategie 1.016.410 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Beste lezer, Bijgaande brief en bijlagen zijn ter attentie van het college en de gemeenteraad. Graag toevoegen aan de raadsstukken voor de gemeenteraadsvergadering van 18 mei aanstaande. Met vriendelijke groet, voorzitter Vereniging GROEN inZICHT

PER E-MAIL VERZONDEN

Gemeente ’s-Hertogenbosch College van Burgemeester en Wethouders Gemeenteraad Postbus 12345 5200 GZ ’s-HERTOGENBOSCH

Rosmalen, 3 mei 2021 Betreft: beschikbaarheid SDE-subsidies voor wind en zon op land Geacht college en gemeenteraad Tijdens de behandeling van de RES 1.0 in de commissie Omgeving stelde de heer van Creij van gewoon ge-DREVEN een vraag aan de wethouder van der Geld over het feit dat de SDE-subsidie voor wind en zon op land gelimiteerd is tot 35 TWh en in hoeverre de 35 TWh nu al ingevuld is. De wethouder had geen concreet antwoord en laat het door de ambtenaren uitzoeken en rapporteert vervolgens aan de gemeenteraad. Het aspect van limitatie van de subsidie tot 35 TWh is een standpunt dat GROEN inZICHT tijdens haar vele inspreekbeurten ingenomen heeft en herleid uit de politieke besluiten die op landelijk niveau hierover zijn genomen: •

Op 26 april 2019 informeert de minister de tweede kamer over de opzet van de SDE++ subsidie. Op pagina 3 staat het volgende: “Een (indicatief) plafond van 35 TWh aan de subsidiabele productie van hernieuwbare elektriciteit, waarbij rekening is gehouden met de verwachte toename aan elektriciteitsvraag door elektrificatie.” Op zich is dat niet vreemd omdat de SDE++ ook opengesteld wordt voor andere CO2 besparende technieken die anders niet aan bod komen. De 35 TWh refereert aan de afspraken in het Klimaatakkoord.

•

Op 17 februari 2020 informeert de minister de tweede kamer over de voortgang en resultaten eerste SDE ++ periode. Op pagina 7 wordt vermeld: “Hernieuwbare elektriciteit De SDE++ staat open voor hernieuwbare elektriciteitsproductie uit zon, wind en water. Conform het Klimaatakkoord geldt er daarbij een plafond van 35 TWh aan de subsidiabele productie van hernieuwbare elektriciteit uit zon en wind.”

•

Op 22 februari 2021 informeert de minister de tweede kamer over de openstelling van de SDE 2021. Op pagina 1 geeft de minister aan dat het voorgenomen beleid niet veranderd wordt (dus het subsidieplafond van 35 TWh wordt nog steeds aangehouden).

Het is in ieder geval duidelijk dat de afgelopen twee jaar het beleid ten aanzien van een subsidieplafond van 35 TWh is ingenomen en niet aangepast is. Dan een herijking op basis van de resultaten 2020 conform de laatste opgave van het CBS (voorlopige cijfers 2020). De productie van zon en wind op land in 2019 bedragen resp. 5,34 TWh en 7,4 TWh In 2020 zijn de voorlopige cijfers voor zon en wind op land resp. 7,99 TWh en 8,91 TWh

Zoals te zien is er in 2020 een grote toename van de opwek van duurzame energie zodat een herijking van de RES-opgave echt zinvol is. We hoeven daar niet tot eind van het jaar op te wachten, immers de cijfers zijn nu al beschikbaar (voorlopig). Voor wat betreft de invulling van de 35 TWh per april 2021 kan het volgende geconcludeerd worden: • •

opwek door wind op land: opwek door zon > 15 kWp:

•

totale opwek (gerealiseerd):

8.9 TWh 4,5 TWh (aandeel zon > 15kWp bedraagt 55% van totale zon opwek incl. zon op woondaken) 13,4 TWh

Via de site van RVO kan de status van de toegekende subsidies worden opgehaald (pijplijn) (https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/SDE%20plus%20Projecten%20in%20beheer%20april %202021.xlsx). Dit betreft de resultaten inclusief de voorjaarsronde SDE+ 2020.

Dit geeft de volgende resultaten: • toegekende subsidie wind op land: • toegekende subsidies zon >15kWp: • totaal toegekend (pipe line):

11,4 TWh 9,3 TWh 20,7 TWh

Met de reeds gerealiseerde opwek bereiken we zo 34,1 TWh. In het najaar 2020 is ook de eerste ronde SDE++ gehouden. RVO rapporteert de volgende resultaten: • • •

zon >15KWp : wind op land : Totaal toegekend (pipe-line):

3,9 TWh 0,3 TWh 4,2 TWh

Met deze resultaten komt de totaal gerealiseerde opwek en de pijplijn van projecten met toegekende subsidie op 38,3 TWh. De ervaring leert dat (vooral) een aantal zon projecten niet gerealiseerd worden anderzijds staat er voor 2021 nog een SDE++ ronde gepland waar ook weer nieuwe initiatieven van zon en wind op land worden ingediend. Samenvattend kan gesteld worden dat de 35 TWh opgave met de huidige initiatieven nagenoeg ingevuld is. NB: Navraag bij het PBL over deze materie leert eind 2021 een update van de Monitor RES gemaakt wordt, uitgaande van de definitieve 2020 cijfers Zij geven aan dat de 35 TWh goed in de huidige bandbreedte past en bij de update eind 2021de zekerheid dat de 35 TWh ingevuld wordt aanzienlijk toe zal nemen (95%). Vanzelfsprekend zijn wij ik bereid vragen op dit onderwerp te beantwoorden. Met vriendelijke groet, Vereniging GROEN inZICHT

Bijlagen: • Kamerbrief 26 april 2019 ‘Verbreding naar de SDE+ naar de SDE++’ • Kamerbrief 17 februari 2020 ‘Voortgang SDE++ en eerste openstelling SDE++ 2020 • Kamerbrief 22 februari 2021 ‘Openstelling SDE++ 2021 • Link naar video 1Vandaag-uitzending, bijdrage Martien Visser, Lector Energietransitie Hanzehogeschool, over SDE++ subsidie: https://youtu.be/amDTPku6_3o • Twitterbericht Martien Visser volgend op 1Vandaag-uitzending.

Bijlage Twitterbericht Martien Visser naar aanleiding van 1Vandaag-uitzending. Bron: https://twitter.com/BM_Visser/status/1370298122962866176

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

22 februari 2021 Openstelling SDE++ 2021

Geachte Voorzitter,

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391 Bijlage(n) 1

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de openstellingsronde van de SDE++ in 2021. Ook geef ik aan naar welke mogelijke technieken het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn advies voor de SDE++ 2022 zal kijken. De SDE++ levert een belangrijke bijdrage aan het kosteneffectief realiseren van het streven van het kabinet naar 49% CO₂-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Onlangs is uw Kamer geïnformeerd over het verloop van de eerste openstelling van de SDE++ in november en december 2020 (Kamerstuk 31 239, nr. 328). Ten opzichte van die ronde is voor dit jaar van enkele nieuwe categorieën onderzocht of ze voor subsidie in aanmerking kunnen komen. Voor de algemene kaders en uitgangspunten van de SDE++ en toelichting op bestaande technieken, verwijs ik naar de brief van 17 februari 2020 (Kamerstuk 31 239, nr. 312). De vormgeving van categorieën in de SDE++ in 2021 is in belangrijke mate gebaseerd op het advies van het PBL. Ik geef het PBL hiervoor jaarlijks uitgangspunten mee. Het PBL heeft medio 2020 een marktconsultatie gehouden. De marktconsultatie heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd, waardoor er ten opzichte van het conceptadvies belangrijke wijzigingen konden worden doorgevoerd. Het advies van het PBL is als bijlage bijgevoegd bij deze brief.

In het advies van het PBL zijn verschillende nieuwe categorieën doorgerekend die passen bij de verbreding van de regeling met het oog op het stimuleren van CO₂reductie. Uw Kamer is reeds op 17 februari 2020 geïnformeerd over de technieken die aan het PBL zijn gevraagd om door te rekenen voor de openstellingsronde van 2021. In deze brief licht ik toe voor welke van deze categorieën ik voornemens ben de aankomende openstellingsronde open te stellen. Parallel geldt dat het PBL ook binnen enkele bestaande technieken nieuwe subcategorieën adviseert. Ook dit licht ik hieronder toe. Hierbij geldt dat de precieze vormgeving en voorwaarden van categorieën nog worden uitgewerkt in nadere regelgeving. De berekeningen uit het advies van het PBL zijn daarbij leidend. Potentiële aanvragers zullen via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) daarna nader worden geïnformeerd over de precieze subsidieparameters.

De openstellingronde van de SDE++ vindt plaats van 21 september t/m 14 oktober 2021. Ik stel hiervoor een budget van € 5 miljard beschikbaar, evenals Pagina 1 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

voor de ronde in 2020. Conform de motie van het lid Sienot worden alle beschikbare SDE-middelen uitgegeven aan de doelen van de SDE++ en wordt reeds over de besteding van deze middelen in elke EZK-begroting gerapporteerd (Kamerstuk 35 570 XIII, nr. 38).

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

Openstellingsronde SDE++ 2021 Fasegrenzen €/ton CO₂ 21 september, 9.00 uur 60 27 september, 17.00 uur 80 4 oktober, 17.00 uur 115 11 oktober, 17.00 uur 300 tot 14 oktober, 17.00 uur Tabel 1: Openstellingsronde SDE++ 2021 SDE++ 2021: nieuwe technieken Randvoorwaarden openstelling Nieuwe categorieën stel ik alleen open als uit de berekeningen van het PBL volgt dat deze subsidie nodig hebben. Dit uitgangspunt is belangrijk om de transitie zo kosteneffectief mogelijk te realiseren. Ook geldt voor technieken die helemaal nieuw in de SDE++ zijn dat toestemming van de Europese Commissie nodig is in het kader van staatssteun. Mijn voornemen om deze nieuwe technieken open te stellen is daarmee onder voorbehoud van deze goedkeuring. Zoals eerder genoemd wordt de onderliggende regelgeving voor de komende openstellingsronde de komende periode uitgewerkt. Daarbij wordt aandacht besteed aan de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en worden dezelfde inpassingscriteria gehanteerd als vorig jaar (Kamerstuk 31 329, nr. 300), welke ik hieronder bij de door te rekenen technieken voor de SDE++ 2022 kort toelicht. Een belangrijk onderdeel hiervan betreft de benodigde meetketen. Deze is nodig om te borgen dat de subsidie op een betrouwbare manier kan worden toegekend en uitbetaald.

Voor sommige technieken geldt dat er nog geen bestaande meetketen is, of dat deze niet meteen geschikt is voor de uitvoering van de SDE++. Samen met alle betrokkenen zet ik alles in het werk om de meetketen tijdig af te ronden. Mocht onverhoopt blijken dat dit niet voor mei dit jaar kan worden afgerond, dan kan het betekenen dat een nieuwe categorie in 2021 toch niet wordt opengesteld. In dat geval streef ik naar een zo spoedig mogelijke openstelling in een volgende ronde. Deze uitdaging geldt met name voor geavanceerde hernieuwbare biobrandstoffen en het transporteren van CO₂ per schip of vrachtwagen. Geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor vervoer In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er € 200 miljoen beschikbaar is voor de stimulering van geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor transport om toe te werken naar steeds hoogwaardiger inzet van biomassa. Het PBL heeft voor 2021 advies uitgebracht over een aantal specifieke categorieën voor geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor transport: 1) bio-ethanol uit lignocellulosehoudende biomassa, 2) bio-LNG uit monomestvergisting, 3) bio-LNG uit allesvergisting, en 4) diesel en benzine vervangers uit gehydrogeneerde pyrolyse-olie uit lignocellulose. Dit zijn brandstoffen die genoemd worden in Annex Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

IX A van de Richtlijn hernieuwbare energie en die passen binnen de criteria die door de overheid in het duurzaamheidskader gesteld zijn. Door stimulering van deze geavanceerde brandstoffen wordt invulling gegeven aan een belangrijke doelstelling uit het Klimaatakkoord. Daarin is afgesproken op een duurzame manier 27 PJ extra hernieuwbare brandstoffen te realiseren. Beoogd wordt deze categorieën in de SDE++ 2021 op te nemen, waarbij wel als voorwaarde geldt dat de meetketen hiervoor tijdig wordt uitgewerkt in de nadere regelgeving.

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

Aan het PBL is als beleidsuitgangspunt meegeven dat de waarde van Hernieuwbare Brandstof Eenheden (HBE’s) moet worden meegenomen in de berekening van de onrendabele top, omdat de geproduceerde brandstoffen worden meegerekend in de verplichting voor leveranciers om hernieuwbare brandstoffen in Nederland op de markt te brengen. Het PBL geeft in het advies aan dat er voor de waarde van HBE’s, net als voor garanties van oorsprong, een marktindex ontbreekt. Dit maakt het lastig om tot een betrouwbare inschatting van de (ontwikkeling van de) marktwaarde te komen. Daarom zal de HBE-waarde jaarlijks worden ingeschat en achteraf via het correctiebedrag in mindering worden gebracht op het basisbedrag om tot het subsidiebedrag te komen, maar, net als de waarde van garanties van oorsprong, niet worden meegenomen in de berekening van de verwachte subsidie-intensiteit. Tot slot is beoogd in de regeling een maximum aan subsidiabele geavanceerde biobrandstoffen (GJ) op te nemen om aan te sluiten bij de afspraken uit het Klimaatakkoord. Bij het vaststellen van dit maximum zal een deel van het beschikbare budget beschikbaar worden gehouden voor toekomstige openstellingsrondes. CO₂-afvang en gebruik in glastuinbouw Het gebruik van CO₂ in de glastuinbouw voor extra plantbemesting is een reeds toegepaste techniek.

Die CO₂ kan door de tuinders zelf geproduceerd worden met (gas)gestookte installaties (ketel of warmtekrachtkoppeling), of ingekocht worden bij derden. De ingekochte CO₂ is dan afkomstig van een industriële installatie waar CO₂-afvang plaatsvindt. De ingekochte CO₂ zorgt ervoor dat de tuinder niet zelf de CO₂ hoeft te produceren, waardoor CO₂ wordt gereduceerd. Op basis van het advies van het PBL ben ik voornemens om deze techniek in 2021 open te stellen, mits de meetketen en benodigde regelgeving tijdig kunnen worden uitgewerkt. Met dit voornemen wordt invulling gegeven aan de motie Von Martels c.s. (Kamerstuk 35 300 XIV, nr. 23). Sommige projecten richten zich op een combinatie van levering aan de glastuinbouw en ondergrondse opslag. Dit wil ik in principe (en bij voorkeur al in 2021) mogelijk maken, maar vanwege enkele specifieke uitdagingen heb ik het PBL hierover om een aanvullende notitie gevraagd. De volgende technieken worden in 2021 niet opengesteld: Chemische en fysische recycling kunststoffen In het advies van het PBL zijn voor recycling twee technieken opgenomen: chemische recycling PET via depolymerisatie en fysische EPS-recycling. Beide technieken blijken lastig in te passen in de SDE++-regeling. Voor beide geldt dat er geen sprake is van een onrendabele top en dat de CO₂-reductie op nationaal grondgebied daarnaast moeilijk te meten is.

Het kabinet onder leiding van IenW doet onderzoek naar hoe CO2-reductie beter Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

meetbaar is. Daarnaast speelt voor PET-recycling dat opname in de SDE++ marktverstorend zou kunnen werken als andere vormen van chemische PETrecycling niet ook worden opgenomen. Ik stel de SDE++ in 2021 daarom niet open voor deze twee technieken.

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

Biobased-productie In het advies van het PBL zijn voor biobased-productie twee technieken opgenomen: etheenproductie uit bionafta en etheenproductie uit bio-ethanol. Uit het advies blijkt dat de mate van CO₂-reductie in Nederland niet goed is te bepalen. Ook hiervoor geldt dat het kabinet verder zal onderzoeken hoe de CO2-reductie in Nederland kan worden bepaald. Ook bestaat er (nog) geen verifieerbare meetketen en is er beperkt interesse vanuit de markt voor deze specifieke technieken. Ik stel de SDE++ in 2021 daarom niet open voor deze technieken. Elektrificatie op offshore-productieplatformen Om aansluitingen van olie- en gasplatforms op het elektriciteitsnet op zee mogelijk te maken is een wetswijziging nodig. Daarom kan ik deze techniek vooralsnog niet in 2021 open te stellen, maar wel op het moment dat de benodigde wetgeving gereed is. SDE++ 2021: nieuwe categorieën binnen bestaande technieken Het PBL adviseert ook over technieken die reeds eerder zijn opengesteld. Soms blijkt dat een andere opzet van categorieën beter past bij de projecten die in de markt worden ontwikkeld. Maar er kan ook een nieuwe variant binnen een bestaande techniek zijn.

Op basis van het advies van het PBL worden de volgende nieuwe categorieën in 2021 opengesteld: Aquathermie o Thermische energie uit oppervlaktewater (voor directe toepassing zoals in de glastuinbouw) o Thermische energie uit oppervlaktewater (basislast) Zon-PV < 1 MWp, grondgebonden of drijvend op water PVT (zonthermie en productie van stroom) met warmtepomp Vergisting van biomassa: verlengde levensduur van bestaande installaties. CO₂-afvang en -opslag (voor gasvormig en vloeibaar transport) o CO₂-opslag bij bestaande CO₂-afvanginstallaties; o Nieuwe pre-combustion CO₂-afvanginstallaties bij bestaande installaties; o Nieuwe post-combustion CO₂-afvanginstallaties bij bestaande installaties; o Nieuwe pre-combustion CO₂-afvanginstallaties bij nieuwe installaties1; o Nieuwe post-combustion CO₂-afvanginstallaties bij nieuwe installaties.

1

Deze categorie wordt vanaf 2022 aangescherpt middels een verhoging van het minimale afvangpercentage. Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit Ons kenmerk

De volgende categorieën worden niet opengesteld: DGKE-E / 21012391 Thermische energie uit mijnwater (TEM) Het potentieel voor TEM-projecten is in Nederland beperkt. Daarbij geldt dat er voor de korte termijn slechts één mogelijk project voorzien is dat gaat om de uitbreiding van een bestaand project. De systematiek in de SDE++ is er echter op gericht om de ontwikkeling van technieken over meerdere jaren heen te ondersteunen en dus categorieën in de regel in meerdere rondes open te stellen. Een substantieel aantal projecten is eveneens normaliter nodig om tot een goede uitvoering en maatvoering (bepaling subsidiebedragen) in de regeling te komen. Uitgewerkt zal daarom worden of het effectief is om dergelijke eenmalige projecten vanuit het Rijk te ondersteunen en zo ja hoe (op kosteneffectieve wijze en rekening houdend met het daarvoor geldende staatsteunkader). Elektrische gedreven warmtepompen (aanvullende categorieën met minder vollasturen) Doordat de bestaande categorie pas één keer is opengesteld, is er onvoldoende ervaring met deze techniek om nu al verder te diversifiëren. De aanvullende categorieën worden door het PBL voor 2022 opnieuw doorgerekend. Aftapwarmte bij afvalverbrandingsinstallaties Deze categorie gaat over het gebruik van stoom uit afvalverbrandingsinstallaties.

Uit de berekeningen van het PBL volgt echter dat deze categorie rendabel is en dus geen subsidie behoeft. Categorieën voor 2022: van verbreding naar verdieping De verbreding van de SDE+ naar de SDE++ volgt uit het regeerakkoord. In de regeling zijn in 2020 en 2021 diverse nieuwe technieken toegevoegd. Ik heb daarbij nadrukkelijk oog voor het behoud van de uitvoerbaarheid. De verbreding van de SDE+ brengt kansen, onder andere voor méér CO₂-reductie per euro subsidie en de ondersteuning van verschillende nieuwe technieken, maar brengt ook risico’s met zich mee en is ook niet voor alle technieken het juiste instrument. Ik wil daarom voor 2022 de aandacht verleggen van de “verbreding” naar de “verdieping” van de verschillende categorieën die al zijn uitgezocht in het kader van de SDE++. Met de technieken die op dit moment in de regeling zijn opgenomen wordt een groot deel van het (kosteneffectief) potentieel van CO₂-reductie in Nederland bediend. Voor procesefficiency-projecten kunnen bedrijven gebruik maken van de Energie-investeringsaftrek (EIA) en de subsidiemaatregel ‘Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie’ (VEKI). Voor de circulaire hernieuwbare chemietechnieken is meer tijd nodig om te bezien hoe deze optimaal gestimuleerd kunnen worden. Voor een opschalingsinstrument groene waterstof voert RVO.nl momenteel een consulatie met de markt uit (Kamerstuk 32 813, nr. 653).

Op basis van de afgelopen en komende openstelling kan de SDE++ worden verbeterd, zodat een nog betere bijdrage kan worden geleverd aan het realiseren van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord en de ondersteuning van de Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

verschillende sectoren. Ik doe dit, zoals eerder toegezegd (Kamerstuk 32 813, nr. 559) aan het lid Harbers (VVD), in goed overleg met de betrokken sectoren, zoals bijvoorbeeld met de industrie over verbeterpunten en de elektrificatie van hun productieprocessen. Deze verfijning sluit aan op wensen uit de markt, waar wordt aangegeven dat differentiatie binnen de bestaande technieken uit de SDE++ 2020 en/of 2021 het meeste extra potentieel kan ontsluiten. Ik geef op deze manier ook uitvoering aan motie Van der Lee (Kamerstuk 32 813, nr. 538).

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

Nieuwe technieken worden overwogen voor inpassing indien ze een voldoende groot potentieel hebben. Hierbij maak ik gebruik van de informatie die marktpartijen hebben aangeleverd bij het PBL tijdens de marktconsultatie en haar advies. Voor zulke technieken worden dezelfde inpassingscriteria toegepast als in eerdere jaren. Dat betekent dat de CO₂-reductie te bepalen en te meten is, de techniek marktrijp en kosteneffectief is, er voldoende en betrouwbare marktinformatie beschikbaar is, er voldoende interesse in de markt is (incl. concrete projecten) en er een generiek basisbedrag en correctiebedrag kunnen worden vastgesteld (zie ook Kamerstuk 31 329, nr. 300). Verdere verbreding in 2022 zou naar verwachting leiden tot een versnipperde aandacht over nog meer technieken, waarmee nog minder bekendheid bestaat. Daarnaast is eerder geconcludeerd dat er voor veel nog niet meegenomen technieken forse uitdagingen bestaan voor opname in de SDE++. De voorgestelde verdieping maakt het mogelijk om de technieken van 2020 en 2021 te verfijnen en optimaal te bedienen. Dat maakt het instrument robuuster en zorgt voor een solide en houdbaar subsidie-instrument dat eventuele toekomstige wensen van een volgend kabinet kan accommoderen.

Gezien het bovenstaande zal het PBL in zijn advies voor de SDE++ 2022 kijken naar de volgende mogelijke technieken: Windenergie Zon-PV en zonthermie Waterkracht en aquathermie Geothermie Verbranding, vergassing en vergisting van biomassa Restwarmte Geavanceerde hernieuwbare brandstoffen (bio-LNG, transportbrandstoffen uit lignocellulose en methanol uit biomassa) Elektrificatie via warmtepompen, e-boiler, bij glasovens en van productieplatformen Biobased-productie (etheenproductie uit bio-ethanol of bionafta) Recyling van kunststoffen (PET-recycling en EPS-recycling) CCS en CCU (CO2-afvang en levering aan de glastuinbouw) Waterstofproductie door elektrolyse, ook met directe lijn tot wind- of zonnepark Uitgestelde levering van elektriciteit van een wind- of zonnepark Uitgestelde levering Het PBL heeft in zijn advies ook gekeken naar de mogelijkheden om uitgestelde levering, bijvoorbeeld middels opslag, van hernieuwbare elektriciteit uit zon-PV en windenergie in de SDE++ te ondersteunen. Uw Kamer is eerder toegezegd Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

hierover te worden geïnformeerd (Kamerstuk 32 813, nr. 645). Het PBL benoemt in zijn advies enkele knelpunten met betrekking tot het opnemen van uitgestelde levering als categorie in de SDE++-regeling. Het belangrijkste is dat op dit moment batterijen worden gebruikt om primaire reserve (FCR-markt) te leveren, waarvoor een capaciteitsvergoeding ontvangen wordt. Het lijkt volgens het PBL niet voor de hand te liggen om een subsidieregeling te maken voor de gecombineerde toepassing van primaire reserve met een SDE++-subsidie voor uitgestelde levering, omdat dit in de uitvoering erg complex zal zijn vanwege beperkte transparantie van verschillende inkomstenstromen van het gesubsidieerde systeem. Ik zal daarom het PBL met oog op de SDE++ 2022 vragen uitgestelde levering verder te verkennen. Daarbij wordt dan uitgegaan van batterij-opslag in combinatie met zon- en of windprojecten, in plaats van batterijopslag als losse categorie. Onderzocht wordt of op kosteneffectieve wijze extra CO₂-reductie kan worden gerealiseerd.

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

Motie Dik-Faber ranking economische levensduur De motie Dik-Faber (Kamerstuk 32 813, nr. 541) verzoekt de regering om in kaart te brengen hoe in de SDE++ voor alle technieken de gehele economische levensduur mee kan worden genomen in de berekening van de CO₂-reductie. Dit is onderzocht en mijn conclusie is dat het mogelijk is om de CO₂-uitstootreductie over de economische levensduur op te nemen in de rangschikking van technieken. Ik sta hier dan ook welwillend tegenover. De uitwerking hiervan is echter complex en er is aanvullende data nodig voor de verwachte CO2-reductie na 2030. Ik zal het PBL voor de SDE++ 2022 vragen deze punten uit te werken en ook onderdeel te laten zijn van de eerstvolgende marktconsultatie. Wijziging duurzaamheidseisen biomassa en bredere toepassing Ik werk momenteel aan de implementatie van de richtlijn hernieuwbare energie (EU) 2018/2001 (RED-II). Deze kent ten opzichte van haar voorganger RED-I aangepaste criteria die de duurzaamheid van de ingezette biomassa moeten borgen. Bovendien gelden er voor het eerst ook Europese criteria voor vaste biomassa en de inzet van gasvormige biomassa buiten de transportsector. Deze criteria zullen als voorwaarde voor subsidie vanaf 2022 worden opgelegd aan alle relevante subsidiecategorieën.

Beschikkinghouders moeten aantonen dat ze aan deze criteria voldoen middels verklaringen van erkende conformiteitsbeoordelingsinstanties, meestal op basis van EU-erkende certificaten. Het toezicht zal daarvoor worden uitgebreid. Het nationale systeem van duurzaamheidseisen voor vaste biomassa blijft bestaan voor de betreffende subsidiecategorieën. Meer informatie over deze wijzigingen die in de regelgeving zullen worden verwerkt, zal worden gepubliceerd op de website van RVO.nl. De wijzigingen zijn in lijn met het Duurzaamheidskader biogrondstoffen (Kamerstuk 32 813, nr. 617) en voorzien in een deel van de duurzaamheidsthema’s uit het SER-advies Biomassa in Balans (Kamerstuk 32 813, nr. 375). De uitwerking hoe er invulling zal worden gegeven aan de overige duurzaamheidsthema’s volgt op een later moment. Verzekerbaarheid zonnepanelen Naar aanleiding van de motie van de leden Agnes Mulder c.s. over knelpunten bij het verzekeren van zon-op-dak-projecten (Kamerstuk 32 813, nr. 634), zal de TKI Pagina 2 van 8

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Urban Energy het onderzoek gaan coördineren naar de factoren die van invloed zijn op de brandveiligheid en de verzekerbaarheid van zonnepanelen op daken. Als onderdeel van dit onderzoek zal onder andere een brandtestprogramma worden opgezet en uitgevoerd. De TKI voert dit onderzoek uit in nauwe samenwerking met TNO, het Instituut Fysieke Veiligheid en het RIVM. De eerste resultaten zullen naar verwachting rond de zomer beschikbaar zijn.

Ons kenmerk DGKE-E / 21012391

B. van ‘t Wout Minister van Economische Zaken en Klimaat

Pagina 2 van 8

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

26 april 2019 Verbreding van de SDE+ naar de SDE++

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551 Bijlage(n) 1

Geachte Voorzitter, Met deze brief informeer ik uw Kamer conform eerdere toezegging over de voortgang van de verbreding van de SDE+. Sinds de vorige brief van 23 november 2018 (Kamerstuk 31239, nr. 293) is er een aantal stappen gezet. In deze brief leg ik eerst kort de voorgenomen werking van de nieuwe stimuleringsregeling duurzame energietransitie (SDE++) uit. Daarna bespreek ik onder welke voorwaarden technieken zijn geselecteerd voor de berekening van de subsidiebedragen met het oog op openstelling in het voorjaar van 2020. Ook bespreek ik de benodigde vervolgstappen voor technieken die in het voorjaar van 2020 nog niet in aanmerking komen, maar mogelijk op een later moment wel in de SDE++ opgenomen kunnen worden. Tot slot schets ik het vervolgproces dat ervoor moet zorgen dat de SDE++ per 1 januari 2020 in werking kan treden. Ontwerp-Klimaatakkoord Het is goed om eerst stil te staan bij de reden voor de verbreding. In de nieuwe regeling staat het doel van 49 procent CO2-emissiereductie op Nederlands grondgebied in 2030 centraal. De SDE++ maakt het mogelijk om ook andere emissiereductietechnologieën dan hernieuwbare energieproductie te stimuleren. Zo kan de nieuwe regeling een belangrijke bijdrage leveren aan het aanpakken van de klimaatopgaven van verschillende sectoren. De regeling beoogt op kosteneffectieve wijze zoveel mogelijk emissiereductie te realiseren.

In het ontwerp-Klimaatakkoord is een indicatieve verdeling, op basis van de huidige verwachting over de subsidiebehoefte van de technieken, van de kasmiddelen van de SDE++ in 2030 opgenomen (tabel 1). Deze tabel geeft een indicatieve verdeling van de beschikbare kasmiddelen in 2030. De subsidieverplichtingen die in eerdere jaren zijn aangegaan lopen door en leiden daarom ook tot kasuitgaven in de komende subsidieperiode. Dit deel van de kasmiddelen zal daarom niet beschikbaar zijn voor nieuwe subsidieverplichtingen.

Pagina 1 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Tabel 1: Indicatieve verdeling vrije kasmiddelen SDE++ in 2030 Hernieuwbare elektriciteit Hernieuwbare warmte en groengas Hernieuwbare warmte kleinschalig (ISDE) Geavanceerde Hernieuwbare Brandstoffen voor Vervoer CO2-reductie industrie Totaal:

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

€ 200 miljoen € 135 miljoen € 100 miljoen Cumulatief € 200 miljoen* € 550 miljoen € 985 miljoen

* Er is cumulatief €200 miljoen beschikbaar, over een aantal jaar gespreid in aanloop naar 2030. Dit ten behoeve van de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor vervoer via de SDE++ i.c.m. normering dat past binnen de voorwaarden van de SDE++ regeling (waaronder kosteneffectieve CO2-reductie).

Alle technieken concurreren met elkaar op kosteneffectiviteit. De goedkoopste technieken krijgen vervolgens het geld. Daarmee wordt de meeste CO2-reductie per euro subsidie gerealiseerd. Dit wil zeggen dat de verdeling van de middelen in de praktijk ook anders uit kan pakken. In beginsel en waar mogelijk kent de SDEsystematiek geen plafonds om de kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid van de regeling te waarborgen. Dit “Nee, tenzij” beleid blijft leidend. Wel blijf ik er alert op dat het kosteneffectief doelbereik (in sectoren of in totaliteit) niet in gevaar komt. In deze gevallen kan de inzet van plafonds ervoor zorgen dat de ambities van de verschillende sectoren niet worden doorkruist. Tegelijkertijd is het bij de eventuele inzet van plafonds van belang dat het instrument wel kosteneffectieve technieken blijft stimuleren. In de doorrekening van het ontwerp-Klimaatakkoord heeft Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een inschatting gemaakt van de verwachte besteding van het budget voor de SDE++ richting 2030. Omdat de vormgeving van de verbrede SDE++ nog niet geheel is uitgewerkt, is PBL er in de doorrekening vanuit gegaan dat € 550 miljoen wordt ingezet voor CO2-reductie in de industrie, anders dan via hernieuwbare energie. Daarnaast gaat PBL uit van aparte gereserveerde budgetten voor biobrandstoffen en de ISDE.

Het resterende budget is doorgerekend via de reguliere SDE+, waarbij de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit wel gemaximeerd is op basis van de afspraken uit het ontwerpKlimaatakkoord (OKA). De doorrekening van PBL geeft aan dat er naar verwachting vooral minder middelen nodig zijn dan eerder werd verwacht om hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, door de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs en kostprijsdalingen en dat deze middelen vooral naar hernieuwbare warmte opties gaan. Van deze extra middelen voor hernieuwbare warmte komt volgens PBL ook een gedeelte terecht in de sector landbouw (met name de glastuinbouw), deze technieken maken dus kans in de SDE++. De doorrekening geeft an sich geen aanleiding om de indicatieve verdeling van budgetten aan te passen. De SDE++ is een belangrijk instrument dat bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen van het OKA. De vraag blijft staan of het wenselijk is om bij te sturen (conform de motie Sienot c.s. (Kamerstuk 35 000 XIII, nr. 40)) door het opnemen van (productie- of budget-)plafonds voor technieken. Om te voorkomen dat het te laat is om bij te sturen, zal ik het openstellingsbudget van de SDE++ in 2020 beperken. Dit voorkomt dat een te groot deel van de middelen al wordt beschikt en geeft Pagina 2 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

technieken een eerlijke kans om aan bod te komen en bij te dragen aan de ambities (Mton) van het OKA. Tenslotte zal ik in dit kader de benutting van de SDE++ monitoren. In de kabinetsreactie op de doorrekening van het OKA is een begrenzing van CCS aangekondigd. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over een reductiepad voor de subsidie van hernieuwbare elektriciteit (stond reeds in het OKA) en is er gesproken over de begrenzing van de middelen die beschikbaar worden gesteld aan de industrie. Daartoe kunnen de volgende plafonds worden overwogen: Een (indicatief) plafond van 7,2 Mton voor CCS als onderdeel van de reductieopgave van 14,3 Mton voor de industrie in 2030 en een plafond van 3 Mton voor CCS als onderdeel van de reductieopgave van 20,2 Mton voor elektriciteit, waarbij rekening wordt gehouden met een beperkte tijdshorizon; Een (indicatief) plafond van 35 TWh aan de subsidiabele productie van hernieuwbare elektriciteit, waarbij rekening is gehouden met de verwachte toename aan elektriciteitsvraag door elektrificatie; Een (indicatief) plafond van € 550 miljoen (kasuitgaven in 2030) voor CO2reducerende opties in de industrie, anders dan opwekking van hernieuwbare energie.

Voor andere sectoren (waaronder de glastuinbouw) geldt dat de technieken niet beperkt worden door een apart plafond, zoals voor de CO2-reducerende opties in de industrie, zodat deze maximaal kunnen bijdragen aan het realiseren van de doelen in die sectoren. Bij de vormgeving van de plafonds is het van belang om een goede balans te vinden tussen de gewenste kosteneffectiviteit van het instrument en de realisatie van de ambities die worden afgesproken in het Klimaatakkoord. In het najaar zal ik uw Kamer nader informeren over de exacte vormgeving van deze plafonds en daarbij ook ingaan op de samenhang tussen deze plafonds. CCS-projecten waarbij negatieve emissies worden gerealiseerd en CCU-projecten vallen bijvoorbeeld niet onder het genoemde plafond. Er wordt voor gezorgd dat CCS alleen plaatsvindt in die sectoren die op korte termijn geen kostenefficiënte alternatieven hebben. Hierover worden in het Klimaatakkoord nadere afspraken gemaakt.

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Werking van de huidige SDE+ De huidige regeling is een belangrijk instrument voor de kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energieproductie. Vanwege de kenmerken van techniekneutraliteit, onderlinge concurrentie en meerjarige zekerheid voor investeerders functioneert de regeling goed. De SDE+ kenmerkt zich daarnaast door drie principes. Ten eerste maakt het de versnelde uitrol van technieken mogelijk door de onrendabele top van projecten te vergoeden. De subsidie compenseert hierbij het verschil tussen de kostprijs van een hernieuwbaar energieproject en de marktwaarde van de geproduceerde energie (correctiebedrag). Ten tweede kent de SDE+ een gefaseerde openstelling om de subsidie zo kostenefficiënt mogelijk te besteden. Dat houdt in dat in eerste instantie alleen projecten met een laag basisbedrag kunnen indienen en dat de regeling stapsgewijs opengesteld wordt voor duurdere projecten. Ten derde kent de SDE+ een maximering van het basisbedrag om een kosteneffectieve uitrol van technieken te realiseren. Deze kenmerken zorgen ervoor dat de regeling zo kosteneffectief mogelijk projecten subsidieert, investeerders zekerheid biedt en voldoet aan Europese staatssteunregels. Pagina 3 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

In de huidige regeling worden projecten in essentie op de volgende manier gerangschikt. Een aanvrager geeft aan wat voor meetbare eenheid (hernieuwbare elektriciteit, warmte of gas) er geproduceerd wordt en tegen welke prijs per eenheid. Het basisbedrag per categorie is de maximale prijs waarop ingediend kan worden, maar minder mag. Het basisbedrag (de integrale kostprijs van een techniek) wordt jaarlijks door PBL vastgesteld op basis van informatie vergaring en marktconsultatie.

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Werking van de SDE++ Deze kenmerken, die het huidige instrument een succes maken, blijven behouden. Ook behoudt de nieuwe regeling de huidige systematiek van basisbedragen, correctiebedragen, bodemprijzen en maximale looptijden per techniek. Hiermee worden generieke casussen uitgerekend, zodat de techniek breed toepasbaar is. Aan de bovenstaande kenmerken wordt een focus op broeikasgasemissiereductie op Nederlands grondgebied toegevoegd. De SDE++ wordt een exploitatiesubsidie gericht op emissiereductietechnologieën. Technieken worden niet meer gerangschikt op basisbedrag, maar op subsidiebehoefte (basisbedrag – bodemprijs) per ton CO2-reductie (€/tCO2). Het doel van deze rangschikking is om een eerlijke concurrentie te realiseren tussen diverse technieken. Dit zorgt voor een zo kosteneffectief mogelijke inzet van beperkte subsidiemiddelen. De werking van de regeling wordt nader toegelicht in de bijlage bij deze brief. Technieken die mogelijk in aanmerking komen voor SDE++ in 2020 Op basis van de klimaatopgaven voor 2030 voor verschillende sectoren is een lijst opgesteld met mogelijke nieuwe technieken die aan de SDE++ zouden kunnen worden toegevoegd. Vervolgens is in twee stappen bepaald of deze technieken in principe in aanmerking komen.

In de eerste stap is met een afwegingskader bepaald of subsidie het juiste instrument is voor deze techniek of dat bijvoorbeeld normering of verplichting een geschikter instrument is. In de brief over de verbreding van de SDE+ van 23 november 2018 (Kamerstuk 31239, nr. 293) is dit kader uitgebreid beschreven. In de tweede stap is gekeken of de techniek past in de karakteristieken van de SDE++. Concreet betekent dit dat een techniek: (1) voldoende marktrijp moet zijn (kosteneffectief), (2) er voldoende CO2-reductie potentieel te benutten is, (3) op voldoende schaal uitgerold kan worden, (4) dat er sprake is van een onrendabele top ten opzichte van een bekende referentietechniek, en (5) dat deze onrendabele top het beste door middel van een exploitatiesubsidie vergoed kan worden, ervan uitgaande dat het basisbedrag en correctiebedrag door PBL te berekenen zijn. De huidige regeling functioneert volgens internationale maatstaven goed. Het is daarom verstandig om de regeling zorgvuldig, stapsgewijs uit te breiden, zodat de regeling goed uitvoerbaar blijft en het risico op overstimulering geminimaliseerd wordt. Zo borgen we dat de regeling kosteneffectief en doelmatig blijft. Op basis van de bovenstaande afwegingen en de relatief korte tijdspanne tot 2020, is een aantal technieken geselecteerd voor de berekeningen van PBL.

In het advies voor 2020 rekent PBL naast de bestaande technieken (zon, wind, biomassa, geothermie en waterkracht) de volgende nieuwe technieken door: Pagina 4 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

• • • • • • • • • •

Uitbreiding van zonthermie (glastuinbouw), Aquathermie, Uitbreiding geothermie met specifieke categorieën voor ondiepe geothermie en toepassingen voor stadsverwarming en glastuinbouw, Composteringswarmte, WKO in de glastuinbouw, Benutting restwarmte (industrie en datacentra), Warmtepomp industrie, Elektrische boiler, Waterstof productie, CO2-afvang en -opslag (CCS).

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Met de berekening van de basisbedragen van tien nieuwe technieken wordt een ambitieuze eerste stap gezet in de verbreding van de SDE+. Over de definitieve openstelling van technieken wordt uw Kamer in het najaar geïnformeerd. De keuze voor deze technieken is tot stand gekomen op basis van expertise bij verscheidene departementen, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), PBL, het ontwerp-Klimaatakkoord en studies, zoals een studie van PBL naar kosteneffectieve maatregelen in 2030 en een verkennende studie naar CO2reducerende technieken in de industrie voor de SDE++1. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met geïnteresseerde partijen. Een voorwaarde voor het opnemen van nieuwe technieken in de SDE++ is een berekening van PBL van de basisbedragen en correctiebedragen voor die techniek. Dit is echter geen garantie voor openstelling. Uit het advies van PBL kan blijken dat er teveel onzekerheden zijn, bijvoorbeeld over de betrouwbaarheid van de beschikbare data, de robuustheid van de bedragen, onopgeloste beleidsmatige vraagstukken of ongewenste interactie met ander beleid. Daarnaast kan een conclusie zijn dat het qua uitvoering niet past in de systematiek van de regeling. Tenslotte is er voor de verbreding van de SDE+ een nieuwe staatssteungoedkeuring nodig van de Europese Commissie.

De termijn die de Commissie nodig heeft om de subsidie voor bepaalde technieken te beoordelen is afhankelijk van de ervaring die zij heeft met staatssteun voor de desbetreffende technieken en, in het bijzonder of de subsidies zijn te regelen op een wijze dat deze passen binnen de Europese staatssteunkaders. Niet alle technieken kunnen direct in 2020 toegevoegd worden aan de nieuwe regeling. Dat komt met name door onzekerheid over beschikbare data, methodiek en (nog) onopgeloste beleidsvraagstukken per techniek. Daarnaast zijn sommige technieken nog onvoldoende uitgewerkt om nu mee te lopen in het advies van PBL. Dat betekent echter niet dat deze technieken helemaal niet meer aan bod komen. De klimaatdoelstellingen moeten voor 2030 worden bereikt. De komende jaren worden stappen genomen om additionele technieken voor in de SDE++ te onderzoeken. Hierbij wordt in eerste instantie gekeken naar toevoeging in de SDE++, zodat er onder één instrument maximale concurrentie (en daarmee kosteneffectiviteit) gerealiseerd wordt. Mocht dit uiteindelijk toch niet mogelijk blijken dan kan er op tijd worden nagedacht over hoe voor deze technieken een kostenefficiënt alternatief kan worden geboden. De stappen die op korte termijn worden genomen staan in het onderstaande stuk uitgelegd.

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/03/29/verkenning-uitbreiding-sde-met-industrieleopties 1

Pagina 5 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Voor sommige technieken is nader onderzoek nodig In samenspraak met experts van PBL, RVO.nl en de betrokken ministeries ben ik tot een lijst gekomen met technieken, die van belang worden geacht in de klimaattransitie, maar waarvoor nader onderzoek voor nodig is om te bepalen of zij geschikt zijn voor de SDE++. Momenteel worden er onderzoeksvragen geformuleerd voor: • Recyling, • Biobased productie, • Geavanceerde Hernieuwbare Brandstoffen voor Vervoer, • Carbon Capture and Usage (CCU), en • Elektrificatie (anders dan verwarming of waterstofproductie) en procesefficiency

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Het onderzoek naar CO2-reducerende technieken voor de industrie wordt voortgezet om PBL te ondersteunen bij het berekenen van de basisbedragen. In deze studie wordt ook gekeken naar verdere specifieke technieken voor onder andere elektrificatie die in 2020 nog niet aan bod komen. Op het gebied van methaanoxidatie mest lopen er al onderzoeken en naar de verminderde methaanuitstoot bij de toepassing van mestvergisters zal nader onderzoek worden gedaan, welke naar verwachting in de loop van 2019 afgerond zullen worden. Voor de brede clusters recycling, biobased productie en geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor vervoer is het belangrijk om specifieke kansrijke technieken en productieprocessen te identificeren met voldoende emissiereductiepotentieel. Daarnaast speelt hier een breder vraagstuk over (nationale en internationale) keteneffecten en het toerekenen van emissiereductie op Nederlands grondgebied aan deze technieken. Op deze vragen wordt een onderzoek geformuleerd en uitgezet, ten behoeve van een goede methodologische onderbouwing. Dat geldt ook voor CCU, een techniek waar afgevangen CO2 wordt ingezet in een productieproces. Ook voor deze techniek worden stappen gezet om beleidsmatige en methodologische vraagstukken op te lossen. Hierbij wordt voortgebouwd op bestaand en lopend onderzoek, onder andere in de glastuinbouw.

Bijzondere aandachtspunten hierbij zijn: (1) de interactie met CCS (geeft de SDE++ straks de juiste prikkels met betrekking tot opslag versus gebruik van afgevangen CO2), en (2) het verbinden van CO2-afvang op één locatie en koppelen aan CO2-reductie op een andere locatie. Daarnaast bestaat er voor CCU geen staatssteunkader. Dit betekent dat subsidie voor dergelijke opties gemeld moeten worden onder het Europese Verdrag. Hier gaat minimaal één jaar mee gepaard. Het doel is om deze studies zo spoedig mogelijk te voltooien, zodat er voldoende tijd overblijft om te beoordelen of deze technieken in aanmerking komen voor een volgende ronde van de SDE++ en zo spoedig mogelijk kunnen worden opgenomen, of dat stimulering op andere wijze meer voor de hand ligt. Tenslotte zal er op basis van de afspraken in het ontwerp-Klimaatakkoord worden bezien welke vervolgstappen nodig zijn in de verdere uitbreiding en/of aanpassing van de SDE++ om tot een optimale stimulering van de diverse sectoren te komen en kosteneffectief doelbereik van de klimaatopgaven te realiseren. Energiebesparing Daarnaast bestaat er een breder vraagstuk hoe omgegaan moet worden met energiebesparing in de regeling. Dit heeft specifiek invloed op de efficiency opties Pagina 6 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

in de industrie, en bijvoorbeeld ledverlichting in kassen. Hier zijn meerdere complicaties. Ten eerste is er nog geen sluitend systeem om vermeden verbruik te meten en daar eenduidig een CO2-reductie aan te koppelen. Een exploitatiesubsidie gaat juist uit van productie. Ten tweede vallen energiebesparingsopties onder ander bestaand instrumentarium, zoals onder andere de energie-investeringsaftrek. Ten derde geldt voor energiebesparingsopties in de industrie dat opties met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar reeds verplicht zijn. Bovendien zijn deze energiebesparingsmaatregelen per project zeer verschillend qua kosten en besparing. Het wordt nader onderzocht hoe energiebesparing optimaal geïnstrumenteerd kan worden.

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Voor de technieken die nog niet in de SDE++ 2020 passen (omdat nader onderzoek nodig is) wil ik voorkomen dat deze buiten de boot vallen. Dit wil ik bereiken door het openstellingsbudget van de SDE++ in 2020 te beperken. Dit voorkomt dat een te groot deel van de middelen al wordt beschikt en geeft ook deze technieken een eerlijke kans om aan bod te komen in latere jaren en bijdragen aan doelbereik in 2030. In de brief van het najaar zal ik nader op deze punten ingaan en een proces schetsen over het vervolg. Vervolgproces De nadere uitwerking van de SDE++ zal gedurende heel 2019 plaatsvinden. Hierbij worden ook methodologische vraagstukken verder uitgewerkt worden, waaronder de berekening van emissiereductie van technieken, (internationale) keteneffecten en CO2-effect van de input van elektriciteit. Op korte termijn moet het Besluit SDE worden aangepast. De SDE++ moet worden goedgekeurd door de Europese Commissie in verband met staatssteunregels. Daarom heeft recent een eerste gesprek met de Europese Commissie plaatsgevonden, waarin de zij aangaf de Nederlandse voorstellen welwillend tegemoet te zien. Voor het berekenen van de technieken wordt de planning van PBL aangehouden. Er wordt een conceptadvies gepubliceerd met de basisbedragen en correctiebedragen per techniek om een marktconsultatie te houden. Ik nodig alle partijen uit om deel te nemen aan deze consultatie.

Naar verwachting zal ik uw Kamer in het najaar van 2019 informeren over de definitieve nieuwe regeling. Ik beoog een inwerkingtreding van de nieuwe regeling met ingang van 1 januari 2020. In het voorjaar 2020 kan dan de eerste openstelling van de SDE++ plaatsvinden. Tot slot, om financiering van andere emissiereductietechnologieën mogelijk te maken moet ook de Wet opslag Duurzame Energie worden aangepast. Ook deze wetswijziging zal naar verwachting op tijd klaar zijn en per 1 januari 2020 in werking treden. Over de verkenning naar de financiering en de lastenverdeling wordt u separaat geïnformeerd.

Eric Wiebes Minister van Economische Zaken en Klimaat

Pagina 7 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Bijlage: Werking van de SDE++ Rangschikking op emissiereductie In de huidige SDE+ is de rangschikking van aanvragen eerst op maximum basisbedrag per openstellingsfase, vervolgens op datum van binnenkomst, vervolgens op basisbedrag. De uitkering van de subsidie wordt gedaan op basis van de meetbare eenheid die gerapporteerd wordt en gecontroleerd wordt.

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

De SDE++ zal naast de bestaande hernieuwbare energie categorieën ook andere CO2-reducerende technieken bevatten. Hierdoor komen er ook meer meetbare eenheden bij (tabel 2). De meetbare eenheid blijft de basis voor de uitkering van de subsidie. Tabel 2: meetbare eenheden SDE++ Hoofdcategorieën SDE++ Hernieuwbare elektriciteit Hernieuwbaar gas Hernieuwbare warmte CO2-reductie: Afvang en CO2-arme productie

Meetbare eenheid kWh elektriciteit kWh gas kWh warmte CO2 Overige broeikasgassen (bijv. CH4, N2O) kWh elektriciteit kWh warmte Productie energiedrager in kWh (bijv. H2) Productie, product of grondstof

Voor de rangschikking van technologieën wordt gekeken naar de maximale subsidiebehoefte per vermeden ton CO2. Dit wordt vastgesteld door het basisbedrag te verminderen met de bodemprijs. De bodemprijs is vergelijkbaar met de basisenergieprijs in de huidige regeling. De basisenergieprijs is in de SDE+ de bodem van het correctiebedrag. Deze is vastgesteld op twee derde van de lange termijn energieprijzen. Als de marktprijs hieronder daalt, neemt het subsidiebedrag per geproduceerde eenheid niet verder toe. Daarmee is het verschil tussen het basisbedrag en de bodemprijs het maximale subsidiebedrag per geproduceerde eenheid. De term basisenergieprijs is in de SDE++ niet meer toereikend, omdat er ook andere meetbare eenheden komen dan hernieuwbare energie, zoals de CO 2-prijs. Voor deze nieuwe meetbare eenheden worden langetermijnmarktindexen ontwikkeld. De bodemprijs zal net als in de huidige regeling worden vastgesteld op twee derde van de langetermijnprijs. Deze manier van rangschikken vereist het gebruik van een aantal omrekenfactoren om de CO2-reductie te bepalen. Ten eerste om meetbare eenheden zoals kWh elektriciteit om te rekenen naar CO2-reductie. Ten tweede om waar nodig technieken die andere broeikasgassen dan CO2 reduceren om te rekenen naar CO2-equivalenten.

Pagina 8 van 9

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Subsidie uitkering in de SDE++ Bij het uitkeren van de subsidie gaat het om het uiteindelijke verschil tussen de prijs waarop wordt ingediend door de aanvrager (waarbij het basisbedrag per categorie het maximum is) en het correctiebedrag. Hierbij is het correctiebedrag de relevante marktprijs van de geproduceerde meetbare eenheid. In het onderstaande kader worden twee concrete voorbeelden geschetst van subsidie uitkering aan een bestaande categorie en aan een mogelijk nieuwe categorie.

Ons kenmerk DGKE-E / 19056551

Subsidie berekening Een wind op land project dient een aanvraag in met een kostprijs voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit per kWh (tot maximaal het basisbedrag). Voor de rangschikking wordt van het basisbedrag de bodemprijs (de basisenergieprijs) gehaald om de subsidiebehoefte vast te stellen. Voor de omrekening naar CO2-reductie, ten behoeve van de rangschikking, wordt de opwek van het windmolenproject vergeleken met de CO2-uitstoot van een moderne gascentrale bij gelijke productie. Vervolgens wordt de subsidiebehoefte gedeeld door de CO2-reductie om tot €/tCO2 te komen. Als het project vervolgens aan bod komt, is het uiteindelijke subsidiebedrag de prijs waarop de aanvrager indient minus de marktprijs van elektriciteit (correctiebedrag). Dit wordt vervolgens uitgekeerd. Een CCS-project dient een aanvraag in met een kostprijs per opgeslagen ton CO2 (tot het basisbedrag). Voor de rangschikking wordt het basisbedrag verminderd met de bodemprijs voor CO2 om de subsidiebehoefte vast te stellen. Omdat CCS direct CO2 opslaat, is dit gelijk aan de subsidiebehoefte per ton CO2. Als het project aan bod komt wordt de prijs waarop de aanvrager indient minus de marktprijs van CO2 (correctiebedrag) het uiteindelijke subsidiebedrag dat wordt uitgekeerd. Tabel 3: verschillen SDE+ en SDE++ Wat SDE+ Technieken Alléén hernieuwbare energieproductie Meetbare eenheid

Ranking subsidie

Hernieuwbare energie (KWh), géén omrekenfactoren Basisbedrag (€/KWh)

Kostprijs techniek

Basisbedrag (€/KWh)

Correctie marktprijs (achteraf) Maximale subsidie bij

Correctiebedrag (€/KWh)

Bijsturen

Basisenergieprijs (€/KWh) (twee derde lange termijn energieprijs) Geen schotten en/of plafonds

SDE++ Naast hernieuwbare energie ook CO2reducerende technieken Broeikasgas (CO2eq), wél omrekenfactoren2 Subsidiebedrag (€/ton CO2eq) Basisbedrag (€/KWh of (€/ton CO2) Correctiebedrag (€/KWh of €/ton CO2) Bodemprijs (€/ton CO2) (twee derde lange termijn prijs) “Nee, tenzij”, wel drie plafonds.

Bijvoorbeeld bij CCS kan de hoeveelheid CO2 rechtstreeks gemeten worden, bij elektrificatie moet de CO2reductie worden afgeleid van de gemeten hoeveelheid energie. 2

Pagina 9 van 9

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

17 februari 2020 Voortgang SDE++ en eerste openstelling SDE++ 2020

Ons kenmerk DGKE-E / 20023501 Bijlage(n) 6

Geachte Voorzitter, Het kabinet streeft naar 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over het bereiken van deze reductieopgave in verschillende sectoren. Om ervoor te zorgen dat de transitie in Nederland haalbaar en betaalbaar blijft, en het gelijke speelveld voor het bedrijfsleven behouden blijft, wordt het ondersteunende instrumentarium aangepast. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van de nieuwe stimuleringsregeling duurzame energietransitie (SDE++) en kondig ik de eerste beoogde openstellingsronde van de SDE++ in 2020 aan. Met de verbreding van de SDE+ naar de SDE++ wordt de regeling een belangrijk instrument voor het kosteneffectief realiseren van de benodigde CO2-reductie, naast de bestaande stimulering van grootschalige productie van hernieuwbare energie. De omvorming van de SDE+ naar de SDE++ is een stapsgewijs proces. In 2020 wordt een flink aantal nieuwe categorieën in de SDE++ opgenomen. Zo kan met de opname van de categorie aquathermie een extra bijdrage worden geleverd aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving, kan de industrie grote stappen zetten met de verduurzaming middels CCS en warmtepompen en wordt voor de glastuinbouw de optie daglichtkas opengesteld. Tegelijkertijd geldt dat de verbreding van de SDE+ daarmee niet is afgerond.

Er zijn naar verwachting ook nog andere technologieën die middels de SDE++ ondersteund kunnen worden, zoals mogelijk geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor de sector mobiliteit. Deze worden richting 2021 nader onderzocht. Een belangrijk uitgangspunt in de SDE++ blijft om op kosteneffectieve wijze CO2 te reduceren en daarbij oversubsidiëring te voorkomen. Daarbij geldt dat sommige verbredingsopties minder goed aansluiten bij de oorspronkelijke SDE+systematiek dan de huidige technieken doordat er een grotere afhankelijkheid van infrastructuur en een grotere spreiding van kosten is. Voor iedere optie is het daarom van belang een afweging te maken tussen het belang van de stimulering van de desbetreffende techniek en de robuustheid van het instrument SDE++. Pagina 1 van 18

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

In het vervolg van deze brief ga ik eerst kort in op de werking van de SDE++ (bestaande en nieuwe elementen). Daarna op de openstelling 2020 en de geselecteerde technieken. Vervolgens ga ik in op de benodigde vervolgstappen voor technieken die in 2020 nog niet in aanmerking komen, maar mogelijk op een later moment wel in de SDE++ opgenomen kunnen worden. Tot slot schets ik het vervolgproces dat ervoor moet zorgen dat de SDE++ tijdig in werking kan treden.

Ons kenmerk DGKE-E / 20023501

PBL advies De vormgeving van de SDE++ in 2020 is in belangrijke mate gebaseerd op het advies van het PBL. Het PBL stelt dit advies onder andere op basis van uitgangspunten die ik hiervoor aan het PBL heb meegegeven. Tijdens het AO klimaat en energie van 12 februari jl. heb ik toegezegd aan het lid Sienot om de van PBL uitgangspunten te zenden aan uw Kamer. Het eindadvies van het PBL met deze uitgangspunten (hoofdstuk 2) is daarom bijgevoegd bij deze brief, waarmee ik voldoe aan deze toezegging. Deze uitgangspunten gelden voor beide openstellingsrondes in 2020. Het PBL heeft, net als in het verleden voor de SDE+, een marktconsultatie gehouden. De marktconsultatie heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd, waardoor er ten opzichte van het conceptadvies belangrijke verbeteringen konden worden doorgevoerd. Zo heeft het PBL in het eindadvies ook de categorieën restwarmte met een langere transportleiding en productie van waterstof doorgerekend, waardoor deze categorieën nu kunnen worden opengesteld. SDE++: voortbouwend op SDE+ met nieuwe elementen In de SDE++-regeling staat de doelstelling van het kabinet centraal om in 2030 de emissies met 49 procent te reduceren ten opzichte van 1990. De SDE++ maakt het mogelijk om ook andere emissiereductietechnologieën dan hernieuwbare energieproductie te stimuleren.

Zo kan de nieuwe regeling een belangrijke bijdrage leveren aan het aanpakken van de klimaatopgaven van verschillende sectoren. De regeling beoogt op kosteneffectieve wijze zoveel mogelijk emissiereductie te realiseren. Dit betekent dat alle technieken met elkaar concurreren op kosteneffectiviteit, waarbij de goedkoopste technieken vervolgens het geld krijgen. Zo wordt de meeste CO₂-reductie per euro subsidie gerealiseerd. De SDE+ heeft zich de afgelopen jaren bewezen als een robuuste en effectieve regeling om hernieuwbare energieproductie te stimuleren. Zo hebben verschillende technieken voor hernieuwbare elektriciteit de afgelopen jaren een forse kostprijsreductie laten zien waardoor de verwachting is dat er op korte termijn voor enkele categorieën geen sprake meer is van een onrendabele top en dus geen subsidie meer nodig zal zijn. De SDE++-regeling houdt vast aan een aantal uitgangspunten die ook al aan de basis van de SDE+-regeling stonden, zoals het subsidiëren van de onrendabele top, een gefaseerde openstelling op basis van subsidie-intensiteit en concurrentie tussen de verschillende technieken.

Pagina 2 van 18

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Elektriciteit

Bestaande elementen

Ons kenmerk DGKE-E / 20023501

Onrendabele top subsidie Per techniek wordt enkel de “onrendabele top” gesubsidieerd. Dat is het verschil tussen de kostprijs van de techniek die de CO₂ reduceert (het “basisbedrag”) en de marktwaarde van het product dat de techniek oplevert (het “correctiebedrag”). Het basisbedrag wordt voor de gehele subsidielooptijd vastgelegd, terwijl het correctiebedrag jaarlijks wordt vastgesteld. Als de marktwaarde stijgt, dan neemt de onrendabele top af en dus de te ontvangen subsidie. Gefaseerde openstelling Het doel van de rangschikking van technologieën is om een eerlijke concurrentie te realiseren tussen diverse technieken. Daarom wordt het budget in fases opengesteld. Tijdens de eerste fase kunnen alleen projecten met een subsidiebehoefte tot een bepaald subsidiebedrag / ton CO₂ indienen. Vervolgens wordt de SDE++ stapsgewijs opengesteld voor duurdere projecten tot aan de hogere fasegrenzen. Gedurende de openstelling van de SDE++ hebben aanvragers de mogelijkheid om hun projecten in te dienen met een lagere subsidiebehoefte dan het vastgestelde maximum voor de betreffende techniek. Marktpartijen worden zo geprikkeld om projecten voor een lagere prijs in te dienen en daarmee meer kans te maken op subsidie. In de kamerbrief van 26 april jl. (Kamerstuk 31239, nr. 300) is aangegeven dat in het ontwerp van de SDE++ de rangschikking plaatsvindt op de maximale subsidiebehoefte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10089158/1