CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Nota Ruimte webversie

Commissie Ruimte en Verkeer 15 januari 2026, gemeente DelftBij agendapunt: 2551795 College van B&W - Raadsinformatie Zienswijze Nota Ruimte67.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 8 van 9

11 alinea's met “uitwisseling”: 544 711 715 1329 1354 1359 1374 1384 1418 1491 1504

Denk daarbij bijvoorbeeld aan de moeilijker in te passen economische activiteiten die wel cruciaal zijn voor een samenhangend systeem, zoals grootschalige bedrijfsvestigingen voor productie, maakindustrie en logistiek; – Ten slotte is het in beeld brengen van de benodigde randvoorwaarden voor de toekomstig ruimtelijk-economische ontwikkeling van de werkmilieus van belang zoals de benodigde infrastructuur en de beschikbaarheid van energie en water. We kijken en denken als Rijk mee vanuit de samenhang tussen regio’s, voldoende ruimte voor moeilijker in te passen economische activiteiten en het bijdragen aan de benodigde randvoorwaarden. We dragen als Rijk bij aan het stimuleren van de gezamenlijke (ruimtelijk-economische) ontwikkelrichting door te sturen met ruimtelijke randvoorwaarden. Daarbij richten we ons op opgaven als bereikbaarheid, energie en woningbouw via mobiliteitsnetwerken (via MIRT), energienetwerken (via PEH, nMIEK/pMIEK, Waterstofbackbone), verstedelijkingslocaties (woonmilieus, arbeid). Regionaal-economische ontwikkeling wordt expliciet meegewogen in de besluitvorming daarover. Daarbij zetten we vooral in op het zo goed mogelijk benutten van wat er al is, gezien de beperkte middelen voor investeringen in economie en mobiliteit.

Ten aanzien van gerichte investeringen in netwerken voor goederen en grondstoffen kan gedacht worden aan ‘structuurversterkende infrastructuur’, die op deze manier voor personenvervoer al verder uitgewerkt zijn. Daarnaast kunnen we specifieke op de economie gerichte impulsen geven, zoals gebeurd is in Eindhoven met Project Beethoven en met het Nationaal Programma Groningen, waarbij ook voorzien is in een aanzienlijke regionaal economische impuls. Daarnaast is voorzien in een economische impuls in Zuid-Limburg. Voor de Einstein Telescoop in Zuid-Limburg is een bijdrage gereserveerd in het Nationaal Groeifonds van in totaal 870 miljoen. euro. Een definitief besluit over de locatie van de Einstein Telescoop wordt genomen in 2026. Ook wordt bezien of vanuit het Rijk meer sturing gewenst is bij de totstandkoming van een vierde hyperconnectiviteitscluster in bijvoorbeeld de Metropoolregio Amsterdam. Voor keuzes over defensie-industrie sluiten we aan bij de kansen van regionale ruimtelijk-economische ecosystemen, regionale kenmerken en gezamenlijk gewenste ontwikkelrichtingen. In de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda zetten we als Rijk en regio gezamenlijk in op meer samenhang tussen vraag en aanbod en het benutten van de regionale kansen en kenmerken voor het decentrale energiesysteem.

In het decentraal energiesysteem van de toekomst zal veel meer lokale uitwisseling, opwek en opslag plaatsvinden en worden vraag en aanbod beter op elkaar aangesloten. We richten het energiesysteem zo in dat we een weerbare energievoorziening hebben, en dat we verantwoord omgaan met hoeveel publieke netten er moeten worden aangelegd. Op plekken waar veel energiefuncties samen komen onderzoeken we een programmatische aanpak.

Keuzes voor beschermen en doorontwikkelen van (inter)nationale corridors en overslagpunten •

De huidige corridors en clusters beter beschermen en benutten door de doorontwikkeling daarvan en het toevoegen van economische en maatschappelijke waarde door investeringen van het Rijk om te voorzien in uitstekende randvoorwaarden. De categorisering van het

Ontwerp-Nota Ruimte | 175

•

•

•

•

•

•

•

•

•

hoofdwegennet zal bijdragen aan het inzichtelijk maken van het ontwikkelperspectief van de corridors, en van wat voor aanpassingen er nodig zullen zijn richting 2050. Doorontwikkeling gaat verder gepaard met randvoorwaardelijke uitbreiding van netwerken voor energie (waaronder waterstof en elektriciteit), goederen en grondstoffen, overslag, laadfaciliteiten voor elektrisch vrachtvervoer en verzorgingsplaatsen, en de ruimtelijke reserveringen. Met de provincies inzetten op het intensiever benutten en meer multifunctioneel gebruiken van bestaande clusters van grootschalige bedrijven door bijvoorbeeld kansen voor de opwek van energie (wind en zon) en natuurinclusief en klimaatadaptief verder te ontwikkelen. Het Rijk wijst een aantal nationale knooppunten aan voor bescherming, ontwikkeling en zoekgebieden voor strategische uitbreiding. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaat, energie, natuur, water, verduurzaming en de verstedelijkingsopgave. De aanwijzing gaat gepaard met noodzakelijke rijksbrede investeringen en ruimtelijke reserveringen. Het gaat hier om knooppunten die van belang zijn op de (inter)nationale corridors én de belangrijke schakels met transport binnen Nederland.

Ten aanzien van gerichte investeringen in netwerken voor goederen en grondstoffen kan gedacht worden aan ‘structuurversterkende infrastructuur’ die op deze manier voor personenvervoer al verder uitgewerkt zijn. Het rijk zal deze in samenspraak met provincies en gemeenten verkennen, om een zorgvuldige afweging te maken tussen lokale, regionale en nationale effecten en belangen. De huidige corridors en knooppunten zullen daarbij de voorkeur hebben tenzij de omstandigheden sterk wijzigen (ja, mits). Het is te voorzien dat voor het gros van het internationale vervoer de huidige west-oost-hoofdtransportroutes in stand blijven, terwijl voor het nationale vervoer dit niet de meest voorkomende transportassen zijn. Maar veranderen die omstandigheden (nu of later), dan is heroverweging ook nodig. Daarnaast vraagt de groei van de economie ruimte, op de (vervoers)netwerken maar ook fysiek. We werken met betreffende regio’s uit wat dit voor opgave met zich meebrengt. Behoud van binnenvaartroutes, bewust van verminderde vervoerscapaciteit bij droogte, en het verkennen van de noodzakelijke uitbreiding van spoor- en wegcapaciteit. Maatregelen voor waterveiligheid, waterbeschikbaarheid, binnenvaart en havens kunnen elkaar versterken, mits daar voldoende fysieke ruimte wordt genomen. We geven prioriteit aan de uitdaging om onze energie-infrastructuur fors uit te breiden en te verzwaren.

Dit is immers randvoorwaardelijk voor het behalen van de ambities op het gebied van onder andere woningbouw, mobiliteit en economie. Als Rijk zetten we er op in de benodigde (ruimtelijke) processen en procedures te versoepelen en te versnellen. En werken we samen met provincies aan (experimenteer)ruimte in regelgeving, zoals voor het versnellen van netbewuste nieuwbouw. Door vervoer via buisleidingen in een multimodaal goederenvervoersysteem te stimuleren (langjarig voor grote volumes) willen we zo het bovengronds transport van gevaarlijk stoffen te voorkomen. Het bovengrondse vervoer van gevaarlijke stoffen zal daarbij niet volledig verdwijnen; bovengrondse modaliteiten blijven een belangrijke complementaire rol spelen. Het Rijk faciliteert de Delta Rhine Corridor om daarmee nieuwe ondergrondse infrastructuur tussen de Rotterdamse Haven en de grens met Duitsland, bij Venlo, te realiseren. Richting 2032/2033 zullen in de DRC een waterstof- en twee CO2-leidingen worden gerealiseerd. In de PEH strook, waarvan de Delta Rhine Corridor gebruik maakt, blijft ruimte voor andere buisleidingen, bijvoorbeeld voor het vervoer van ammoniak of andere gevaarlijke stoffen. Met het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) kiest het Rijk voor gegarandeerde havencapaciteit voor de taken in het teken van Host Nation Support (HNS).

Aanvullend moet ook rekening gehouden worden met infrastructuur in het achterland voor de doorvoer van militair materieel en personeel. Bij investeringen in de infrastructuur voor defensieactiviteiten kijken we hoe die tegelijkertijd ook ten goede komen aan andere opgaven en meer koppelkansen zoals goederenvervoer.

• •

•

•

•

Haven- en industriële functies en grootschalige energiefuncties krijgen in en waar mogelijk rond de vijf industrieclusters voorrang boven andere functies. We kiezen ervoor om geen nieuwe woningbouw in of aan de randen van de vijf industrieclusters te plannen die de (milieu)ruimte voor de economische en energie-activiteiten kan inperken. We werken dit gebiedsgericht uit, waarbij uitgangspunt is dat vastgestelde woningbouwplannen niet ter discussie komen te staan. We zetten in op meer multifunctioneel ruimtegebruik, het intensiever benutten van huidige kavels en het efficiënter gebruiken van nieuwe kavels. We zetten in op het zorgvuldig omgaan met hoogwaardige locaties, zoals locaties met milieuzonering of multimodale bereikbaarheid. Vanwege verwachte ruimteschaarste kijken we naar (potentiële) strategische uitbreidingslocaties. In Moerdijk, Rotterdamse Haven, Noordzeekanaalgebied en Noord-Nederland lopen reeds concrete projecten of verkenningen. We werken de mogelijkheden uit om binnen de clusters versnellingsgebieden aan te wijzen in het kader van de Europese Clean Industrial Deal en Net Zero Industry Act.

Keuzes voor optimaal benutten van de Noordzee voor economie en energie •

• • • •

•

Borgen en reserveren van voldoende ruimte voor de ontwikkeling van een nieuw energiesysteem, met daarin een grote rol voor wind op zee, maar ook voor benodigde kabels, buisleidingen, opslag en mogelijk in de toekomst conversie naar waterstof. Aanvullende aanlandingsroutes en -locaties via het programma VAWOZ en het traject diepe aanlandingen. Ruimte voor aanlanding van nieuwe datazeekabels en aansluiting van digitale en telecomkabels. Benodigde ruimte voor scheepvaartroutes of clearways (clearway Esbjerg-Hull, om de clearway richting de Northern Sea Route en de SN10 richting het Kattegat). Zorgen voor voldoende winbaar zand voor zandsuppleties, vanwege groeiende vraag naar zand voor de kustveiligheid bij een stijgende zeespiegel. Reserveringszone voor zandwinning is aangewezen, en een afwegingskader is te vinden in Programma Noordzee 2022-2027. Behouden en uitbreiden van de huidige ruimte voor defensie (NPRD), zowel om te oefenen als voor de verdediging van eigen territoriale wateren en kritieke infrastructuur.

Keuzes voor verduurzamen, beschermen en versterken van energie intensieve industrie clusters •

•

De vijf energie-intensieve clusters zijn gebieden van nationaal belang. We versterken de rijksregie op de ruimtelijke ordening in en om de clusters. We kiezen ervoor om, samen met de clusters, een scherpere lange termijnstrategie op te stellen, waarmee we ook borgen dat de cruciale (nationale) functies tot hun recht komen. We gaan de fysieke contouren en milieucontouren van de industrieclusters van rijkswege vastleggen.

176 | Ontwerp-Nota Ruimte

Ontwerp-Nota Ruimte | 177

Gebiedsgerichte uitwerking energie en economie Het Rijk werkt met de medeoverheden aan lokaal en regionaal passende ruimtelijke oplossingen. Dit doen we onder andere via het programma NOVEX, met ruimtelijke arrangementen, in NOVEX gebieden en verstedelijkingsstrategieën. Ruimtelijke arrangementen zijn interbestuurlijke afspraken gericht op afstemming van beleid op middellange termijn (2040/2050) tussen Rijk en provincies (zie hoofdstuk 14.2.3). NOVEX-gebieden en verstedelijkingsstrategieën zijn gericht op uitvoering van een ontwikkelperspectief of strategie, gezamenlijk vastgesteld door het Rijk en medeoverheden. Dat richt zich op de meest complex gestapelde fysieke opgaven op korte en middellange termijn (zie hoofdstuk 14.2.1). In dit kader wordt geen ruimtelijk beleid beschreven, maar een inzicht gegeven in de bestuurlijke afspraken die met provincies, NOVEX- en verstedelijkingsgebieden tot juli 2025 zijn gemaakt om aan uitvoering van beleid te werken. Hieronder volgt een korte samenvatting van de gemaakte afspraken in relatie tot het thema Economie en energie.

NOVEX-gebieden Zes NOVEX-gebieden en Powerport Moerdijk richten zich voornamelijk op opgaven rond de energie- en grondstoffentransitie en verduurzaming van de industrie, in samenhang met leef­omgevingskwaliteit (gezondheid, milieu, water, landschap en natuur) en duurzame bereikbaarheid en logistiek. Deze gebieden hebben een sleutelrol bij de beweging naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving in 2050. Maar ook in de andere NOVEX-gebieden zijn afspraken gemaakt over economische ontwikkeling en de uitdagingen die de energietransitie met zich meebrengt

opgaven. Dit vraagt om een grensoverstijgende samenwerking tussen de Rijksoverheid en de regio, aan beide kanten van de grens. Met de uitvoerings­agenda 1.0 structureren de gezamenlijke partijen de grensoverstijgende samen­werking rond de integrale gebiedsontwikkeling van het NSPD. Daarmee geven zij invulling aan de strategische ruimtelijke opgaven die zij hebben vastgelegd in het Ontwikkelperspectief North Sea Port District (2023). De focus van de uitvoerings­agenda ligt op grensoverstijgende sleutel­ projecten op het gebied van wonen, bereikbaarheid, wateren bodem, verduurzaming van de industrie en economie en energie.

Groningen

Ruimtelijke arrangementen Met de provincies zijn voor het thema Economie en energie – in samenhang met andere ruimtelijke opgaven – in de eerste ruimtelijke arrangementen onder andere afspraken gemaakt over ruimte voor economie, energie infrastructuur en strategische keuzes voor industrie­clusters en uitbreiding van defensie. Er zijn afspraken gemaakt over het nader versterken van de ruimte voor economische activiteit. Zo zijn er met meerdere provincies samenwerkingsafspraken opgenomen waarbij zowel Rijk als de regio zich gezamenlijk inspannen voor behoud van ruimte voor economie. Bijvoorbeeld door gezamenlijke inspanningen voor het beter benutten, beschermen en reserveren van ruimte voor economie en door samen op te trekken in onderzoeken naar de economie van de toekomst. In verschillende provincies, onder andere de oostelijke en noordelijke provincies, Utrecht, Noord-­Holland en Zuid-Holland, zijn bijvoorbeeld afspraken gemaakt over ofwel (milieu)ruimte voor (circulaire) economie, strategische keuzes voor industrieclusters, innovatielocaties en kennisintensieve clusters zoals campussen, of uitbreiding van productiegerelateerde activiteiten.

Met provincies zijn afspraken gemaakt om ruimtelijk toe te zien op ruimtelijke reserveringen voor het energiesysteem, zoals vestigingsplaatsen voor grootschalige elektriciteits­ opwekking en buisleidingenstroken, de inpassing van hoogspanningsverbindingen en deze integraal te wegen in de provinciale Omgevingsvisie. Specifiek met Noord-­ Holland is afgesproken ruimtelijke regie ten aanzien van digitale infrastructuur af te stemmen en het gesprek te (her) openen over een nieuw hyperconnectiviteitscluster buiten de provincie Noord-­Holland. Specifiek met Noord-Brabant is afgesproken dat naast de bestaande DRC-procedure (Delta Rhine Corridor) Rijk en de regio verkennen hoe

178 | Ontwerp-Nota Ruimte

buisleidingenstroken efficiënter kunnen worden benut voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals ammoniak. Daarbij kijken ze naar de samenhang met andere ruimtelijke opgaven. We zijn strategisch in gesprek met provincies over het slim organiseren – bundelen en clusteren – van goederenvervoer op de grote internationale corridors van nationaal belang met regionale impact, ieder binnen eigen rol en verantwoordelijkheden, om een gezamenlijk beeld te ontwikkelen, onder andere in relatie tot verstedelijking, veiligheid en het waterverdelingsvraagstuk.

In het NOVEX-gebied Groningen werken de Rijksoverheid en de regio samen aan het versterken van de leef­omgeving in gebieden die worden beïnvloed door aardbevingen als gevolg van gaswinning. Ook opgaven op het gebied van de energietransitie, natuurherstel en de versterking van de infrastructuur worden meegenomen. In samenwerking met woningcorporaties en lokale gemeenschappen wordt gewerkt aan het toekomstbestendig maken van de woningvoorraad en het verbeteren van leefbaarheid en economische kansen. Verder wordt nauw samengewerkt met landbouworganisaties en natuurorganisaties om duurzame landbouw en beter water- en bodembeheer te realiseren.

Noordzeekanaalgebied Specifiek werken Rijk en regio samen aan de strategische uitbreiding van het haven- en industriecluster van Moerdijk, met versterking van brede welvaart en leefbaarheid in de regio. Ook zijn met Drenthe specifieke aandachtspunten afgesproken voor de economische ontwikkeling van Emmen als onderdeel van het industrieel cluster Noord-­ Nederland. Met provincie Limburg werken we samen verder aan de ontwikkeling van de regionaal, nationaal en internationaal belangrijke energieknooppunten Maasbracht en Graetheide/Chemelot. Verder zijn er afspraken gemaakt met provincies over het uitwisselen van onderzoeks­ resultaten rondom de inzet van waterstof voor clusters van bedrijven buiten de vijf clusters aan de waterstofbackbone. In het kader van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie zijn met provincies afspraken gemaakt over gebiedsspecifieke uitwerkingen, bijvoorbeeld met Brabant en Limburg aan een integrale gezamenlijke ontwerptafel Vrede en Veiligheid en met Flevoland (onder andere kazerne Zeewolde), Noord-Holland (Maritiem Cluster Den Helder) en Gelderland over de koppeling aan economische ontwikkelingen in de provincies. Voor de defensieopgave op de oostflank van de Utrechtse Heuvelrug is afgesproken om rijksopgaven en -middelen te bundelen.

Het NOVEX-gebied Noordzeekanaalgebied (NZKG) is het haven- en industriegebied van de Metropoolregio Amsterdam. In het NZKG werken Rijk, regio en partners samen aan de noodzakelijke transities op het gebied van energie en verduurzaming van de economie. Rijk en regio hebben gezamenlijk een ontwikkelperspectief en een uitvoerings­agenda opgesteld, met als doel het gebied onderdeel te maken van de nieuwe groene energiehoofdstructuur van Nederland. In de uitvoerings­agenda zijn zeven sleutelprojecten aangewezen die van bijzonder belang zijn om de koers van het ontwikkelperspectief in uitvoering te brengen. Dit legt de basis voor het bieden van voldoende ruimte voor haven- en industriële activiteiten en de transities die daarin gemaakt moeten worden. Daarnaast is er in de regio een grote behoefte aan het verbeteren van de kwaliteit van de leef­omgeving, in combinatie met woningbouw en het versterken van nabijgelegen groene gebieden.

Rotterdamse haven In het NOVEX-gebied Rotterdamse haven werken de Rijksoverheid en de regio samen met het (haven)bedrijfsleven en natuur- en milieuorganisaties. Zij zetten zich in voor de transitie naar een duurzaam, klimaatneutraal en circulair havenindustrieel complex dat in balans is met de opgaven in de omgeving. Het Rotterdamse havengebied staat voor grote veranderingen: de ombouw van de bestaande haven naar een duurzame en toekomstbestendige haven en daarnaast nationale ambities zoals aanlanding van windenergie en koppeling met elektrolyse, het maken van groene waterstof en ruimte voor defensie. Een toekomstbestendige Rotterdamse haven kan niet zonder een krachtige metropoolregio met een goed woon- en leef­klimaat en omgekeerd. Hierbij wordt ook gekeken naar omgevings­veiligheid.

Schiphol In het NOVEX-gebied Schipholregio werken de Rijksoverheid, provincies en gemeenten in de omgeving van luchthaven Schiphol samen aan een duurzame balans tussen de bijdrage van de luchtvaart aan welvaart en welzijn enerzijds, en de impact op de leefomgeving anderzijds (ruimte voor woningbouw en economische functies). Dit vraagt om regie en een integrale afweging van programma’s en opgaven in de Schipholregio. In de uitvoeringsagenda staan verschillende acties geformuleerd. Deze zijn ondergebracht in vier hoofdthema’s: governance en samenhang, verbeteren van de leefomgevingskwaliteit, vitaal maken van beperkt en belast gebied, en bewaken van de samenhang en vinger aan de pols houden.

Zuid-Limburg North Sea Port District Het NOVEX-gebied North Sea Port District (NSPD) is een unieke Vlaams-Nederlandse combinatie. In dit gebied werken een aantal Nederlandse en Vlaamse gemeenten, de provincies Oost-Vlaanderen en Zeeland en het havenbedrijf North Sea Port (NSP) samen aan (strategische) ruimtelijke

In het NOVEX-gebied Zuid-Limburg werken de Rijksoverheid en de regio samen aan belangrijke keuzes om de regio leefbaar en toekomstbestendig te maken. Bij de transitie naar een circulaire economie staan afvalvermindering en hergebruik centraal. Met aandacht voor circulair bouwen, het slim inzetten van grondstoffen en met impact op

Ontwerp-Nota Ruimte | 179

de inrichting van onze leef­omgeving en economische clusters zoals Chemelot. Een concentratie van woningen, werkplekken en voorzieningen rondom strategische mobiliteitsknooppunten maakt de regio toegankelijker en stimuleert duurzaam vervoer. Verder is het van belang om een aantrekkelijke, groenblauwe omgeving te behouden die bijdraagt aan de biodiversiteit en leefbaarheid. Hiervoor wordt ruimte gemaakt voor waterbeheer, natuurherstel en het beschermen van landschappen.

Powerport-regio Moerdijk De Powerport-regio Moerdijk is geen NOVEX-gebied, maar wel onderdeel van het haven- en industriecluster Rotterdam-Moerdijk van nationaal belang. De groei van het haven en industriecluster is onafwendbaar, omdat Rijk en regio de strategische autonomie van Nederland willen vergroten, concurrerend willen blijven en duurzamer willen worden. Rijk en regio besluiten daarom om – naast maximale inzet op inbreiding en herstructurering – het haven- en industriecluster van Moerdijk en het Amer­ terrein in Geertruidenberg strategisch uit te breiden en de brede welvaart en leefbaarheid in de regio te versterken. Daarbij is een rechtvaardige en menselijke aanpak nodig. Daarom worden inwoners van het gebied, het havenbedrijf, industrie en de agrarische sector actief betrokken en wordt de indexatie van de Moerdijkregeling weer in werking gesteld. Daarnaast werken Rijk en regio een nationaal strategisch profiel uit, in samenhang met de andere havenen industrie­clusters, zodat in de toekomst selectief ruimte geboden kan worden aan economische activiteiten.

180 | Ontwerp-Nota Ruimte

Ontwerp-Nota Ruimte | 181

Hoofdstuk 9

Wonen, werken en bereikbaarheid Wonen, werken en bereikbaarheid Opgaven en ambities Opgaven in bestaand bebouwd gebied

Bevolkingsgroei

Sterkte en concurrerende economie

Behoud en verbetering van bereikbaarheid

Richting voor de toekomst Een sterk netwerk van krachtige regio’s en hoge kwaliteit van leven

Verdergaande concentratie van wonen en werken in het economisch kerngebied en gebundelde deconcentratie in strategisch gelegen steden daarbuiten

Benutten van autonome ontwikkelingen

Strategie: VISTA Versterken

Initiëren

Stimuleren

Transformeren

Accomoderen

Ruimtelijke beeld 2050 Sturende ruimtelijke bouwstenen Nationaal Een ontwikkelgericht nationaal netwerk

Regionaal Sterke en onderscheidende regio’s

Lokaal Complete en prettige leefomgevingen

Structuur van het hoofdstuk over het integrale thema Wonen, werken en bereikbaarheid

Ontwerp-Nota Ruimte | 183

9.1

Opgaven en ambitie

9.1.1

Opgaven Nederland telt op dit moment meer dan achttien miljoen inwoners. Dat zijn er een 1,3 miljoen meer dan tien jaar geleden. De woningvoorraad, werklocaties, nutsvoorzieningen en infrastructuur zijn niet in gelijke mate meegegroeid. Alleen al het woningtekort is nu ongeveer 400.000. Als Nederland tot 2050 gematigd doorgroeit naar twintig miljoen inwoners, zijn er tot 2050 ongeveer van 1,65 miljoen extra woningen nodig. Dat betekent een toevoeging van twintig procent bovenop de acht miljoen woningen die er nu zijn in ons land. De groei van de bevolking betekent ook een vraag naar meer ruimte voor werken, voorzieningen, sport en groene, toegankelijke plekken voor recreatie en natuurbeleving. En om het meegroeien van de infrastructuur voor mobiliteit, energie en drinkwater. Dit in 30 jaar tijd voor elkaar krijgen, behelst de grootste ontwikkelopgave in de Nederlandse geschiedenis. De opgaven zijn bovendien anders dan voorheen. We kunnen niet zomaar terugvallen op beproefde concepten en oplossingen. In 2050 maken bijvoorbeeld ouderen en jongere alleenstaanden een nog groter deel uit van de bevolking dan nu al het geval is. Deze ontwikkeling stelt andere eisen aan de woningvoorraad, het voorzieningenaanbod en de inrichting en het gebruik van de leef­ omgeving.

Het tekort aan betaalbare woningen op de juiste plaats zorgt er nu al voor dat grote groepen mensen geen geschikte woning kunnen vinden. Daarnaast hebben alle regio’s een opgave in bestaande woningvoorraad: deze voldoet niet altijd aan de vraag en is vaak ook anderszins verouderd. Ruimte vinden voor zoveel nieuwe woningen, werken en infrastructuur, en voor voorzieningen en groen, lukt alleen als elke regio zijn aandeel neemt. En als we lokaal durven te kiezen voor vernieuwende oplossingen. Ook de vestigingsvoorwaarden voor de economie veranderen deels. Een sterk en concurrerend bedrijfsleven is nodig om onze collectieve voorzieningen in stand te houden, het welvaartniveau te garanderen en om de transities en aanpassingen aan een veranderend klimaat te realiseren. Nieuwe economische groeisectoren, zoals de digitale economie en hightechindustrie stellen heel specifieke vestigingsvoorwaarden, ook voor het behouden en aantrekken van talent. Sommige economische sectoren, waar Nederland en Europa van oudsher sterk in zijn en waar we nu ons geld mee verdienen, staan onder druk. Het is belangrijk dat we ruimte vinden voor bedrijven en hun werknemers, maar ruimte wordt schaarser en de vraag ernaar neemt alleen maar toe.

Om een goed vestigingsklimaat en het toekomstig verdienvermogen van Nederland te garanderen, moeten we voorzien in de ruimtelijke condities voor een innovatieve, duurzame en weerbare economie, waarvan de hele samenleving profiteert. Daarbij gaat het naast bedrijventerreinen en gemengde stedelijke plekken ook om innovatiemilieus, waaronder scienceparken, innovatiedistricten en in het bijzonder campussen als plekken voor innovatie. Onze steden en regio’s kunnen alleen als samenhangend geheel functioneren dankzij nationale netwerken over weg en spoor. Door de bevolkingstoename en toegenomen verplaatsingen ontstaan mobiliteitsknelpunten. Op deze plekken is er sprake van meer reizigers en goederentransport dan de infrastructuur aankan, met veiligheidsrisico’s en vertragingen als gevolg. Elders staat de nabijheid en toegankelijkheid van voorzieningen als zorg, onderwijs en cultuur onder druk door afnemend aanbod van openbaar vervoerverbindingen, maar ook door toenemende kosten van mobiliteit. Dit speelt in landelijke gebieden en kleinere kernen, waar de afstand tot voorzieningen zo groot is, dat een auto vereist is om je dagelijkse bestemmingen te bereiken. In de steeds drukkere steden wordt intussen gekozen voor ruimte-efficiënte vormen van mobiliteit: fiets en openbaar vervoer (ov).

Hierdoor ontstaat er een mobiliteitsmismatch: een steeds slechtere aansluiting van auto-afhankelijke gebieden waar veel mensen wonen, en autoluwe stedelijke gebieden waar werkgelegenheid en voorzieningen zich concentreren.

Klimaatverandering en extremer weer hebben ook op de regionale ontwikkeling invloed. Het reserveren van ruimte rond het hoofdwatersysteem en voor het ophogen van waterkeringen, beperkt soms de ruimte voor woningbouw en economie. Bodemdaling en verdroging leidt tot funderingsschade en brengt extra opgaven met zich mee bij nieuwe ontwikkeling. In de directe leef­omgeving vraagt een klimaatbestendige inrichting om meer ruimte voor groen. Tegelijk zorgt intensiever gebruik van de leef­omgeving voor een toenemende drukte in de ondergrond. Meer ruimte voor bomen, waterberging en -infiltratie zal hier verenigd moeten worden met ondergrondse ruimte­ vragers, zoals buisleidingen, nutsvoorzieningen en archeologische waarden.

9.1.2

Ambitie Richting 2050 willen we door een evenwichtige regionale ontwikkeling voorzien in de grote vraag naar ruimte voor wonen, werken, voorzieningen en bereikbaarheid. Daarbij willen we de ontwikkeling zo vormgeven dat deze bijdraagt aan een goede leef­omgevingskwaliteit, met binnen regio’s een goede balans tussen wonen, werken en voorzieningen en een hoge kwaliteit van de inrichting van bebouwd gebied en landschap. Dat betekent dat we niet alleen maar woningen bouwen, maar dat er nabij die woningen voldoende ruimte is voor werken en ondernemerschap, dat de bereikbaarheid en het voorzieningenniveau op peil blijft en nutsvoorzieningen, groen en ruimte voor sport en ontspanning meegroeien. Door het benutten van kansen in verschillende regio’s willen we dat alle regio’s op passende wijze bijdragen aan de ontwikkelopgaven en er ook van profiteren. Op die manier draagt ruimtelijke ontwikkeling bij aan meer balans tussen regio’s binnen Nederland. Om die ambities waar te maken, willen we zoveel mogelijk autonome ontwikkelingen benutten en lokaal kansen aangrijpen. Nederland heeft binnen Europa een specifieke rol te vervullen. Die rol wordt ingegeven door de ligging, als poort van Europa, maar ook door het sterk verstedelijkte karakter, waardoor hier specialistische economische sectoren bloeien in zowel industrie als dienstensector.

Daarmee verbonden kent ons land een uitstekende kennisinfrastructuur van universiteiten, hogescholen, beroepsopleidingen en instituten. Nederland behoort tot de Europese top als het gaat om het aantrekken van bedrijven, investeringen en talent, maar ook in het zelf ontwikkelen van nieuwe goederen en diensten en het opleiden van mensen.

Een sterk netwerk van krachtige regio’s en een hoge kwaliteit van leven Een sterk Nederland bestaat uit sterke regio’s die bijdragen aan de nationale welvaart en ontwikkeling. Vergroten van de netwerkkracht van heel Nederland binnen Europa is nodig om die regio’s op nationaal niveau als een geheel te laten functioneren. Daarvoor willen we sturen op complementariteit tussen regio’s: ze moeten elkaar zoveel mogelijk aanvullen door onderscheidend te zijn. Ook verbeteren we de verbindingen tussen regio’s, zodat ze meer als een geheel kunnen functioneren. Die interregionale verbindingen vallen idealiter samen met snelle Europese verbindingen, die het Stedelijk Netwerk Nederland en de omliggende regio’s weer verankeren in de bredere Noordwest-Europese context. Dankzij de concentratie en nabijheid van mensen, werk, kennis en cultuur zijn krachtige steden de trekpaarden van de regio’s. Om regio’s sterker te maken, richten we daarom ruimtelijke ontwikkeling binnen regio’s waar mogelijk op het vergroten van de agglomeratiekracht. Ook hiervoor zijn verbindingen onmisbaar, zowel binnen als tussen grote en kleine kernen. Een hoge kwaliteit van de leef­omgeving is onmisbaar voor welvaart. Zowel voor individueel welbevinden en het functioneren van de samenleving, als voor het vestigingsklimaat en daarmee de economie.

Ontwikkelingen in het bebouwd gebied en in het landschap moeten bijdragen aan die kwaliteit van de leef­omgeving. Dat is geen luxe, maar noodzaak. Milieukwaliteit moet op orde zijn. Dat gaat om luchtkwaliteit, maar ook om schoon oppervlaktewater.

Benutten van autonome ontwikkelingen en trends Er bestaan grote verschillen in welzijn en gezondheid tussen bevolkingsgroepen. Deze komen mede tot uiting in leefbaarheidsscores, die binnen en tussen regio’s flink kunnen verschillen. De leef­ omgeving speelt hierin een rol, aangezien die ons welzijn en onze gezondheid zowel in positieve als negatieve zin beïnvloedt. De leef­omgevingskwaliteit is niet overal Nederland even goed. Daarnaast zijn er verschillen in de impact die de leef­omgeving heeft. Sommige mensen en groepen zijn gevoeliger voor omgevingsfactoren in hun directe leef­omgeving. Dit is een factor om rekening mee te houden op zowel nationaal als lokaal niveau.

184 | Ontwerp-Nota Ruimte

De belangrijkste autonome ontwikkelingen die we willen benutten voor regionale ontwikkeling zijn die van concentratie en de daaruit voorvloeiende deconcentratie. Er is sprake van een voortgaande concentratie van mensen en werk in aantrekkelijke steden. Deze richt zich in de huidige economie als vanzelf op de grootste, aantrekkelijkste en meest dynamische metropoolregio’s. Hieraan willen we tegemoetkomen door het bouwen van meer stedelijke woon-werkmilieus op goed bereikbare plekken in de grote steden. De ruimte hiervoor vinden we vooral door slimme verdichting en zorgvuldige transformatie. De concentratie van mensen heeft door de oplopende druk op de ruimte een

Ontwerp-Nota Ruimte | 185

deconcentratiebeweging tot gevolg: op zoek naar passende woonruimte trekken mensen vanuit de steden naar kernen in de omgeving en naar aangrenzende regio’s. Ook deze beweging willen we benutten. Door de trek vanuit de steden in goede banen te leiden, kunnen we de ontwikkeling van strategisch gelegen regio’s stimuleren. Steden op grotere afstand van de metropoolregio’s zijn dankzij de goede bereikbaarheid namelijk aantrekkelijk als luwere, maar nog steeds stedelijke woonomgevingen. Hier kan voorzien worden in een groot deel van de woningbouwopgave. Maar wel aansluitend bij de daadwerkelijke vraag, oftewel op goed bereikbare plekken, met voldoende voorzieningen in de buurt en direct aansluitend op bestaande steden, met hun goed geoutilleerde stadscentra. De komst van nieuwe inwoners maakt deze regio’s vervolgens ook weer aantrekkelijker voor bedrijven.

•

•

• Een trend die we ook willen benutten, is het binnen Europa en Nederland actiever meesturen op de ontwikkeling van nieuwe economische sectoren. Dit biedt kansen voor regio’s op grotere afstand van de metropolen. Dat zo’n ontwikkeling tot groei en zelfs een schaalsprong kan leiden, bewijst Brainport Eindhoven, dat op de vleugels van de hoogwaardige maakindustrie uitgroeit tot een nieuwe metropool binnen Nederland, met een belangrijke rol in de nationale economische ontwikkeling via groeimarkten als de microchipindustrie. We zien de biotech-industrie zich sterk ontwikkelen in plaatsen als Leiden en Oss. Daarnaast zorgt de defensie-industrie voor hernieuwde groei in Vlissingen, Born en Hengelo. In veel regio’s in het noorden, oosten en zuiden van het land liggen kansen voor meer regionale ontwikkeling. Maar een schaalsprong kan alleen slagen waar de uitgangspositie zowel ruimtelijk als economisch gunstig is. Dat wil zeggen, een ligging op nationale en internationale netwerken en voldoende aanwezige stedelijke massa en een ontwikkeld kennisecosysteem met universiteit, specialistische instituten en bedrijven, inclusief de bijbehorende onderzoeks- en test­ faciliteiten en infrastructuren.

Bij het aansluiten en meesturen op autonome ontwikkelingen en trends, zullen we zoveel mogelijk bestaande ontwikkelruimte op goed bereikbare plekken benutten, naast de ruimte op bestaande nationale en regionale infrastructuurnetwerken. Tegelijk willen we de netwerken aansluitend op de gekozen koers versterken en uitbreiden.

9.2

Richting voor de toekomst: VISTA-strategie Richting 2050 draagt elke regio in ons land bij aan de grote opgaven. Elke regio heeft eigen kenmerken, opgaven, ambities en bijbehorende ontwikkelmogelijkheden. Voor de kortere termijn voeren we gemaakte afspraken voor bijvoorbeeld woningbouw uit en zetten we de bestaande inzet in NOVEX-verstedelijkingsgebieden voort. Wel verbreden we deze naar een integrale verstedelijking met, naast woningbouw, een inzet op economische ontwikkeling en groen in en om de stad, rekening houdend met het water- en bodemsysteem en met aandacht voor bestaande en nieuwe culturele en landschappelijke kwaliteiten. Daarnaast breiden we het stedelijk netwerk Nederland uit en is de uitwerking door Rijk en regio’s in drie nieuwe verstedelijkingsgebieden gestart. Voor de langere termijn wil het Rijk voor alle regio’s – met provincies, gemeenten en stakeholders – werken aan onderscheidende ontwikkelstrategieën. Daartoe onderscheiden we verschillende ruimtelijk-economische strategieën op hoofdlijnen. Op basis van basis van data, ontwerpend onderzoek en ruimtelijke analyse zien we verschillende ontwikkelrichtingen voor regio’s.

Daarbij zijn onder andere ligging in het nationale mobiliteitsnetwerk, stedelijke massa, ontwikkeling van het aantal inwoners en banen, sociale opgaven, economische sectoren, aanwezigheid van kennisinstellingen en kansen en beperkingen vanuit landschap, water en bodem gewogen. In combinatie met de hierboven geschetste ambitie ten aanzien van stedelijke en regionale ontwikkeling voor 2050, komen we tot vijf strategieën: Versterken, Initiëren, Stimuleren, Transformeren en Accommoderen. Deze vragen allemaal om een actieve rol van de Rijksoverheid, in samenwerking met regio’s provincies en gemeenten om samen door ontwerpend onderzoek aan een ontwikkelperspectief te werken, maar ook door een gerichte inzet van instrumenten en middelen. Dit krijgt in de Uitvoerings­agenda en de diverse ruimtelijke programma’s van het Rijk zijn uitwerking.

186 | Ontwerp-Nota Ruimte

•

•

Versterken in gebieden met een minder omvangrijke autonome economische ontwikkeling en bevolkingsgroei, gericht op het ontwikkelen van wonen en werken, passend bij de maat en schaal van de regio, aansluitend op de regionale vraag en met behoud en ontwikkeling van voorzieningen. (Regio’s Noord-Holland Noord, Zeeland, Groene Hart, Rivierenland, Achterhoek, omgeving Harderwijk-Zeewolde, Zuidoost-Drenthe, Noordoostpolder en Friesland) Initiëren in gebieden, verder weg van het economisch kerngebied, met een potentie voor een schaalsprong in economie en bevolking. Hier zetten we in op een ontwikkeling van de regionale economie, gekoppeld aan kennisinstellingen en campussen, daarna volgen meer kansen voor grootschalige woningbouw, voorzieningen, et cetera. (Regio’s Groningen-Assen, Twente en Zuid-­Limburg) Stimuleren in gebieden, in nabijheid van het economisch kerngebied, waar nu ook al groei plaatsvindt. Inzet hier is erop gericht om deze gebieden in balans (wonen, werken en voorzieningen) verder door te laten groeien, waarbij vooral de groei in werkgelegenheid verder wordt gestimuleerd. (Regio’s Zwolle, Lelystad, Stedendriehoek, Arnhem-Nijmegen, Noord-Brabant (buiten regio Eindhoven) en Noord- en Midden-Limburg) Transformeren van het ruimtelijk-economisch systeem van de Zuidelijke Randstad.

Inzet hier is gericht op het toekomstbestendig maken van de economie, aantrekkelijker maken van de leef­ omgeving en tegelijkertijd blijven voorzien in de vraag naar woningen door toekomstbestendige verstedelijking. (Regio Zuidelijke Randstad) Accommoderen van de sterke groei van economie en bevolking in de meest dynamische metropoolregio’s. Inzet hier is het blijven faciliteren van de sterke groei, maar wel in balans met de kwaliteit van de leef­omgeving en gecombineerd met een groei in voorzieningen en structuur, en inzet op betaalbaarheid van woningen en bedrijfslocaties. (Regio’s Amsterdam, Utrecht en Eindhoven)

Versterken Juist in regio’s waar de autonome groei laag is, of waar de basis voor een veel sterkere groei ontbreekt, willen we de grote nationale opgaven aanwenden om de kwaliteit van leven te behouden en de regionale economie te versterken. We versterken de luwere regio’s Fryslân, Noordoostpolder, Zuidoost-Drenthe, Noord-Holland Noord, Harderwijk-Zeewolde, Achterhoek, Rivierenland, het Groene Hart en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Ook dit vraagt weer om een gedifferentieerde aanpak die past bij de lokale ambities en mogelijkheden. Ingrediënten van deze strategie zijn in ieder geval het versterken van regionaal economisch systeem, het verbeteren van verbindingen ten behoeve van het dagelijks leven en het werken aan de kwaliteit en economische functie van het landschap. Ook kunnen in veel van deze regio’s grote nationale opgaven, zoals defensie en energie, een vliegwiel vormen voor economische ontwikkeling en verbeteren van de leefbaarheid. Kazernes en de bouw van energiecentrales brengen bijvoorbeeld een nieuwe vraag naar woningen en ondersteunende diensten met zich mee in Flevoland en Zeeland. Met gerichte investeringen geven we een extra impuls aan regionale verstedelijkings­ ambities. Onder andere met de aanleg van grootschalige infrastructuur zoals de Nedersaksenlijn en mogelijk de Lelylijn.

Nationale opgaven voor water, bodem en natuur bieden kans voor het vergroten van landschappelijke en ecologische kwaliteit, en daarmee voor het toerisme als drager van de regionale economie. Leefbaarheid van het landelijk gebied en versterken van kleinere kernen is een hoofdopgave in de Noordoostpolder, Achterhoek, Rivierenland en delen van Zeeland. Een verstedelijkingsinzet, gericht op economische ontwikkeling en woningbouw, is passend voor de Friese steden, Zuidoost-Drenthe, Noord-Holland Noord, Harderwijk-Zeewolde en de Zeeuwse steden. Overal speelt het zorgen voor voldoende geschikte en betaalbare woningen, passend bij de veranderende demografische omstandigheden en de toekomstige werkgelegenheid, tot in de kleinste kernen. Het toevoegen van passend woningaanbod om talent voor de regio te behouden is met name een opgave in de regiokernen. Dat kan hand in hand gaan met herstructurering van de bestaande woningvoorraad. Het is belangrijk om geschikte woningen toe te voegen in de directe nabijheid van voorzieningen, zodat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, binnen hun eigen netwerk. En met betaalbare woningen bieden we jongeren de gelegenheid in hun dorp te blijven wonen.

Ontwerp-Nota Ruimte | 187

VISTA Op deze kaart staat een indeling van regio’s met een lokaal passende strategie: Versterken, Initiëren, Stimuleren, Transformeren of Accommoderen.

Regionaal gedifferentieerde strategie voor ruimtelijk-economische ontwikkeling Versterken Initiëren Stimuleren Transformeren Accommoderen Opbouw van de dagelijkse stedelijke systemen (Indicatief): Metropool Centrumstad Regiokern Lokale kern

188 | Ontwerp-Nota Ruimte

Ook zetten we in deze gebieden in op het behouden en vernieuwen van bestaande bedrijvigheid. Bij een goed vestigingsklimaat en hoge kwaliteit van leven horen voldoende voorzieningen en groene kwaliteit. Daarvoor zijn regiokernen en steden met een diversiteit aan voorzieningen onmisbaar, waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en verblijven. We zetten daarom in op concentratie van regionale en bovenregionale voorzieningen, gekoppeld aan woningbouw. Zo ondersteunt ruimtelijke ordening het behoud van vitale kernen voor de regio en blijven afstanden tot voorzieningen in heel Nederland beperkt.

Initiëren We initiëren een schaalspong met onderscheidende ruimtelijk-economische ontwikkeling in de regio’s Groningen-Assen, Twente en Zuid-Limburg. De nu al aanwezige grote steden, een regionaal onderscheidende economische potentie en de topvoorzieningen voor kennis, hoger onderwijs en cultuur zijn hierbij het vertrekpunt. Op termijn kunnen deze regio’s een aanzienlijk groter aandeel krijgen in de verstedelijkingsopgaven dan alleen op basis van de huidige omvang en autonome ontwikkeling voor de hand zou liggen. In de regio Groningen-Assen wordt nu al voortvarend gewerkt aan de uitvoering van het NOVEX-ontwikkelperspectief. We zien hier op de langere termijn een grotere ontwikkelpotentie. Aanleg van de Nedersaksenlijn en mogelijk de Lelylijn kan deze verder ondersteunen. Naast Groningen-Assen liggen allereerst in Twente, en op langere termijn ook in Zuid-Limburg, kansen voor een grotere rol in de verstedelijkingsopgave, op basis van een regionale economische ontwikkeling. In beide regio’s werken Rijk en regio daarom aan een verstedelijkingsstrategie. De regio’s waar we een schaalsprong willen initiëren, kennen duidelijke sterktes. Ze liggen op grotere afstand van het economisch kerngebied, maar zijn goed aangesloten op de (inter)nationale infrastructuur.

Deze ligging en de regionale verbindingen bieden mogelijkheden tot verdere ontwikkeling, ook via grensoverschrijdende samenwerking. De regio’s kennen een hoge woonkwaliteit, mede dankzij aantrekkelijke landschappen en grotere steden met een groot voorzieningenaanbod. Groningen-Assen, Twente en Zuid-Limburg beschikken daarnaast over goed georganiseerde kennis- en innovatie-ecosystemen die extra economische ontwikkeling kansrijk maken. We werken in deze regio’s aan een eigenstandige en onderscheidende ruimtelijk-economische strategie. Op de korte termijn is al inzet nodig in het bestaande bebouwde gebied, zoals herstructurering en verduurzaming van de woningvoorraad. Ook bestaat er een autonome woningbehoefte in deze regio’s. Het gaat onder andere om ontbrekende vormen van stedelijk wonen en om woningen voor ouderen. Hierin kan op kortere termijn al voorzien worden door in te zetten op concentratie en verdichting. In Zuid-Limburg en Twente trekken de universiteiten relatief veel internationale studenten. Dit vergroot de aantrekkingskracht en daarmee de vitaliteit van de regio’s. De internationalisering van het hoger onderwijs in de regio kan positieve effecten hebben op de regionale arbeidsmarkt en de regionale kennisinfrastructuur. Tegelijkertijd blijkt dat het lastig is om het talent vast te houden.

Een extra impuls op het terrein van economie in deze regio’s kan veel opleveren: versterking van de sociale samenhang, benutting van het arbeidspotentieel en het op peil houden van het welvaarts­ niveau. We willen dit samen met de regio’s uitwerken in de integrale verstedelijkingsstrategieën. Daarin komen economie, wonen, bereikbaarheid, voorzieningen, energie, groen en cultureel erfgoed samen.

Stimuleren We stimuleren ruimtelijk-economische ontwikkeling in de Brabantse stedenrij, de regio Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, de Stedendriehoek (Apeldoorn-Deventer-Zutphen), Zwolle en de regio Noord-Limburg. Deze regio’s liggen strategisch ten opzichte van economisch dynamische metropoolregio’s. Bedoeling van een steviger ruimtelijk-economische focus is, dat ze zich in de toekomst verder doorontwikkelen naar meer complete regio’s met een evenwichtige mix aan wonen, werken, voorzieningen en groen. De regio’s waar we stimuleren, liggen centraal in het stedelijk netwerk en kennen een sterke mix van wonen en werken en aanwezigheid van hoger onderwijs. Ze liggen vaak landschappelijk aantrekkelijk, met grote natuurgebieden en waardevolle landschappen in de directe omgeving. Ze kennen nu al autonome groei en zijn daarom ook logische plekken voor woningbouw.

190 | Ontwerp-Nota Ruimte

Met de meeste van deze regio’s werken we al aan de uitvoering van verstedelijking via een ontwikkelperspectief en uitvoerings­agenda voor een NOVEX-verstedelijkingsgebied. Voor de Stedendriehoek en de Limburgse steden werken we samen met de regio’s aan een verstedelijkingsstrategie. De regionale inzet op verdere verstedelijking is afhankelijk van kansen en uitdagingen vanuit water, bodem, landschap, erfgoed, natuur en mobiliteit. Er zit in veel van de hier genoemde regio’s nog ruimte in het mobiliteitssysteem. Maar op de hoofdwegen en spoorlijnen binnen en richting de Randstad dreigen al snel knelpunten te ontstaan. Uitgangspunt is daarom dat verplaatsingen over langere afstanden worden voorkomen. De beschikbare ruimte in het mobiliteitssysteem benutten we optimaal door meer geconcentreerde verstedelijking rond mobiliteitsknopen, waarmee het gebruik van openbaar vervoer, en voor kortere afstanden lopen en fietsen, wordt gestimuleerd. Daarmee ontlasten we het autonetwerk zoveel mogelijk. Een breed palet aan werkgelegenheid, voor zowel theoretisch als praktisch geschoolden, kan zorgen voor versterking van de economische dynamiek. Allereerst zetten we in op het borgen en beter benutten van bestaande ruimte voor bedrijvigheid.

Daarnaast is het toevoegen van extra ruimte voor bedrijvigheid mogelijk, gebaseerd op een eenduidige en heldere ruimtelijke structuur voor bedrijfslocaties, kantoorlocaties en commerciële voorzieningen.

Transformeren De achterblijvende economische dynamiek en stapeling van sociale en fysieke opgaven vraagt om het transformeren van het ruimtelijk-economisch systeem in de Zuidelijke Randstad. Hoewel deze regio tot het hoogstedelijk kerngebied van ons land behoort, zijn de opgaven heel anders dan in de regio’s Amsterdam, Utrecht en Eindhoven. Bestaande woonmilieus, werkgebieden en infrastructuur sluiten onvoldoende aan bij de ruimtelijke condities van de eenentwintigste-eeuwse samenleving en economie. Tegelijk is de druk op de ruimte hier blijvend zeer hoog. De Zuidelijke Randstad heeft ook voor de lange termijn grote potentie. Maar om die te benutten is een ingrijpende herstructurering en herontwikkeling nodig, zodat deze regio kan doorgroeien en weer functioneert op het niveau dat past bij de status van grootste metropoolregio van ons land. De Zuidelijke Randstad kan daarbij profiteren van sterke bestaande economische sectoren, een uitstekende ligging in Nederland en Europa, van de aanwezige hoogwaardige verbindingen en kennisclusters en van de landschappelijke kwaliteit van de kustzone, het rivierengebied en het Groene Hart. Ook de komende jaren geldt, net als in andere metropoolregio’s, dat vanwege de grote druk op de ruimte niet meer alle ruimtevragers zomaar een plek kunnen krijgen.

In de Zuidelijke Randstad dient er een afweging gemaakt te worden welke ontwikkelingen bijdragen aan een balans tussen de mens, de omgeving en de economie. De komende jaren werken we met de provincies en gemeenten aan het realiseren van al gestelde ambities op het gebied van verstedelijking. Dat gaat om zowel nieuwe woningbouw als over stedelijke vernieuwing, met een focus op de steden aan de spoorlijn Dordrecht-Leiden. Op langere termijn dient de inzet in de Zuidelijke Randstad zich te verbreden naar het toekomstbestendig maken van het hele gebied, zowel ruimtelijk als economisch. Er is na 2030 zeker nog ruimte voor ontwikkeling, maar dan wel hoofdzakelijk door transformatie, herstructurering en verdichting. Ontwikkeling moet zich bovendien verhouden tot onder andere de milieuruimte in haven- en industriegebieden, en opgaven zoals waterveiligheid en -berging binnen het water- en bodemsysteem in deze regio. Een succesvolle transformatie van de Zuidelijke Randstad kent in ieder geval een aantal ingre­ diënten. Er is een slimme ruimtelijke strategie nodig voor de transitieopgaven in de Rotterdamse haven en in de tuinbouwclusters. Hier kan ruimte ontstaan voor nieuwe economische dragers of kunnen bestaande economische dragers zich doorontwikkelen dankzij specialisatie en intensivering.

Voor het benutten van agglomeratievoordelen moet bestaand stedelijk gebied toekomstbestendig gemaakt worden. Zo kan in voormalige groeikernen zoals Zoetermeer en Spijkenisse de vernieuwing van de bestaande woningvoorraad hand in hand gaan met verdichting en versterking van de economische structuur en ruimtelijke kwaliteit. Een verdere integratie van de Rotterdamse en Haagse agglomeraties is mogelijk door het versterken van regionale verbindingen. Deze nieuwe verbindingen kunnen vervolgens bijdragen en structurerend zijn voor ontwikkeling van nieuwe verstedelijking. In het landschap ligt een opgave voor het realiseren van een robuuste groenblauwe structuur. Tussen de steden krijgt een landschapspark vorm, met groene verbindingen en routes, recreatiegebieden aan de stadsranden en grotere groene buffers, zoals Midden-Delfland.

Ontwerp-Nota Ruimte | 191

Accommoderen We accommoderen de autonome trend tot concentratie van mensen en economie in de metropoolregio’s Amsterdam, Utrecht en Brainport Eindhoven. De groei van deze regio’s is onmisbaar voor het in stand houden van het Nederlandse verdienvermogen op langere termijn. Dit zijn immers de economisch meest dynamische regio’s, waar dankzij agglomeratievoordelen en innovatieve bedrijven de werkgelegenheid sterk groeit en veel banen zijn per inwoner, gemiddeld ook met een hoge economisch toegevoegde waarde. Maar accommoderen betekent niet dat we overal plek aan kunnen bieden. En zeker niet op de wijze waarop we dat gewend waren. De druk op de ruimte en leefbaarheid is in deze regio’s simpelweg te groot. Uitgegaan wordt van ruimte-efficiënte verstedelijking met voldoende plek voor werken en voorzieningen, verbetering van infrastructuur voor mobiliteit en energie, ruimtelijke kwaliteit, erfgoed, een gezonde, en veilige leef­omgeving en groen in en om de stad. De woningbouwopgave is in deze regio’s is door de snelle banengroei urgent en omvangrijk. Die willen we grotendeels opvangen binnen de grenzen van het bestaand bebouwd gebied van metropoolkernen, centrumsteden en de regiokernen.

Als we naast enkele grootschalige buitenstedelijke locaties kiezen voor slimme verdichting en transformatie, is er ook op langere termijn nog ruimte om substantieel woningen toe te voegen in de huidige economische groeiregio’s. Dat vraagt om het benutten van verdichtingskansen in naoorlogse wijken en rond ov-knopen, en waar mogelijk het transformeren van eenzijdig of extensief gebruikte stadsgebieden. Op die manier maken we gemengde stedelijke milieus, die aansluiten bij de metropolitane vraag naar stedelijk wonen en naar de vraag van bedrijven in de specialistische dienstensector. Belangrijk is ook het effectiever en efficiënter gebruiken van bedrijventerreinen. Het is nodig om goed te kijken naar mogelijkheden van functieverandering, -menging en vernieuwing, zodat de terreinen geschikt worden gemaakt voor de werkgelegenheid van de toekomst, waaronder de circulaire economie. Tegelijk is het belangrijk dat er voldoende praktische banen in de buurt beschikbaar zijn en er passend aanbod aan bedrijfslocaties is om diverse economische sectoren in deze regio’s te behouden. De verstedelijking dient zich in locatie en omvang te verhouden tot kansen en beperkingen van het water- en bodemsysteem.

Zeker in kwetsbare en waardevolle landschappen rond Amsterdam en Utrecht, zoals het veenweidegebied, de waterlinies en diepliggende polders, betekent dat een beperktere mogelijkheid tot buitenstedelijke ontwikkeling. Ook zoeken we hier naar balans tussen verstedelijking en de mainports en greenports, met een minder negatieve invloed op de leef­ omgeving. Verstedelijking vindt bij voorkeur plaats op plekken die goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer. Maar optimaal benutten van bestaande infrastructuur alleen is niet voldoende. In deze regio’s kan het mobiliteitssysteem van auto en ov de groei niet bijbenen. Daarom zijn er afspraken gemaakt om de komende jaren in deze regio’s flink te investeren in het mobiliteitsnetwerk. Daarnaast zullen lopen en fietsen een belangrijkere rol gaan vervullen. Elektrisch fietsen zal op regionale schaal belangrijker worden. Een inrichting van de steden die meer gericht is op lopen, fietsen en openbaar vervoer geeft ruimte voor verdichting en vergroening, bijvoorbeeld langs verkeersroutes die van functie veranderen, en biedt kansen voor een gezondere leef­omgeving en een meer aantrekkelijke, groene openbare ruimte. De groei van het aantal inwoners vergroot de druk op parken, recreatie- en natuurgebieden buiten de stad, maatschappelijke en culturele voorzieningen, de drinkwatervoorziening en de energienetwerken.

Op groene kwaliteit is een inhaalslag nodig. Het gaat daarbij ook om het beschermen en doorontwikkelen van de grotere groenblauwe structuren naar regionale landschapsparken, zoals de scheggen in Amsterdam en nieuw groen in en om de stad. Deze regio’s hebben ook een opgave op het gebied van gezondheid, bijvoorbeeld als het gaat om bescherming tegen luchtvervuiling en geluidsoverlast.

192 | Ontwerp-Nota Ruimte

9.3

Ruimtelijk beeld 2050 Nederland is onderdeel van een Noordwest-Europees netwerk van regio’s, met mondiaal toonaangevende metropolen zoals Parijs, Londen, Brussel, Hamburg en het Ruhrgebied. Deze liggen op slechts een paar uur reizen en zijn via hogesnelheidslijnen en het Europese snelwegennet met Nederland verbonden. Goede interregionale en internationale verbindingen versterken straks de positie van onze regio’s binnen Noordwest-Europa. Qua spoor ligt binnen ons land de focus op de reguliere spoorwegen voor verplaatsingen tussen steden, richting de metropolen in Noordwest-Europa op hogesnelheidstreinen. Daarnaast blijft de auto een belangrijke rol vervullen voor zowel lokaal, regionaal als internationaal verkeer. Naast de grote steden zijn onze lucht- en zeehavens belangrijke internationale scharnierpunten voor stromen van goederen, mensen en technologie. Voor verbindingen met metropolen wereldwijd blijft de luchtvaart het belangrijkst. In 2050 vormen alle regio’s en steden gezamenlijk een stedelijk netwerk Nederland. Binnen het stedelijk netwerk Nederland blijft er sprake van een grote variatie in typen steden en afzonderlijke stedelijke regio’s. Van metropoolregio’s bestaande uit een grote centrumstad en daarmee verbonden kernen en regionale landschapsparken, via regionale netwerken van middelgrote steden tot lokale kernen.

Het stedelijk netwerk vormt dus geen aaneengegroeid geheel. In 2050 hebben we de trend tot concentratie en uitdijing van het stedelijk kerngebied van ons land benut om de economische kracht van de metropoolregio’s Amsterdam, Utrecht, Eindhoven te versterken. Rotterdam-Den Haag draait ook mee in de top van Europese metropoolregio’s. De Randstad en de stedelijke regio’s die daar van Zwolle via de Stedendriehoek, Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en de Brabantse stedenrij omheen liggen, zullen een meer samenhangend geheel vormen. Op grotere afstand hiervan liggen regio’s die zich ontwikkelen op basis van onderscheidende ruimtelijk-economisch profielen. Specifiek de regio’s Groningen-Assen, Twente en Zuid-Limburg hebben naar het voorbeeld van Eindhoven een schaalsprong gemaakt in inwoners en economie, en positioneren zich nadrukkelijk grensoverschrijdend. In heel Nederland draagt kleinschaligere ontwikkeling bij aan het versterken van lokale kernen. Meer samenhang binnen de Randstad en de omliggende regio’s betekent zeker niet dat deze steden en hun regionale kernen aan elkaar zullen groeien. Ook willen we voorkomen dat er eenzijdige afhankelijkheidsrelaties voor wonen en werken ontstaan. Wonen en werken moeten zoveel mogelijk met elkaar in balans blijven. Nieuwe groeiregio’s elders in het land behouden hun eigen karakter.

Identiteit, erfgoed en landschappelijke waarde zijn onmisbaar voor kwaliteit. We versterken daarom de bestaande kwaliteiten van steden, dorpen en landschappen, juist ook als er sprake is van nieuwe ontwikkeling en verdichting in bestaand bebouwd gebied. In de vier grote steden en hun omliggende metropoolregio’s gaat het dan om meer hoogstedelijke kwaliteit bij wonen, werken, voorzieningen en groen. Hiermee komen we tegemoet aan de vraag naar vestigingsmilieus voor de grootstedelijke specialistische dienstensector en haar werknemers. Dat kan door verdichting, inbreiding en functiecombinaties, hoofdzakelijk binnen het bestaande bebouwd gebied, waardoor ook bestaande buurten meeprofiteren van wat we toevoegen. Dat vraagt extra aandacht voor een veilige en gezonde inrichting van straten en pleinen, met meer ruimte voor lopen, fietsen, ontmoeten, spelen en sporten. Die stedelijke kwaliteit gaat gepaard met een flinke kwaliteitsimpuls in het groen in en om de stad. De effecten van lucht- en zeehavens, industrie- en glastuinbouwclusters zijn in meer balans gebracht met de leef­omgevingskwaliteit. Overlast door geluid, geur of andere schadelijke emissies is verminderd, onder andere door stiller en schoner vliegen. Anderzijds beschermen we de bestaande milieuruimte voor mainports, bedrijven en de groeiende circulaire economie.

Binnen de steden en dorpen is voldoende ruimte behouden voor stadsverzorgende bedrijvigheid die, indien mogelijk, gemengd is met andere functies. Natuur, water- en bodemopgaven in en rondom grote steden worden benut om de recreatieve functie van de landschappen te vergroten. Stadsranden en regionale landschapsparken zijn, door het maken van verbindingen en het slechten van barrières, nieuwe voorkanten aan het landschap geworden.

Ontwerp-Nota Ruimte | 193

Noordwest-Europese context voor Wonen, werken en bereikbaarheid Op deze kaart laten we voor Wonen, werken en bereikbaarheid zien hoe Nederland onderdeel is van een Noordwest-Europees netwerk van regio’s en steden. Op de kaart staan de belangrijke stedelijke en economische kerngebieden en de belangrijke mobiliteitsnetwerken die deze plekken onderling verbinden.

Een onderling verbonden Europees netwerk Bestaande corridor spoor en weg in Nederland Gewenste corridor spoor/weg in Nederland 01. Corridor richting Bremen 02. Corridor richting Hannover 03. Corridor richting Ruhrgebied / Keulen / Frankfurt 04. Corridor richting Luik / Aken 05. Corridor richting Brussel / Parijs / Londen Bestaande corridor spoor en weg in rest van Europa (TEN-T-kernnetwerk) wegennetwerk (TEN-T uitgebreid netwerk) spoornetwerk (TEN-T uitgebreid netwerk) Haven Vliegveld (> 10 miljoen passagiers) Regionaal vliegveld (< 10 miljoen passagiers) Regionale eenheden van dagelijkse stedelijke systemen Een stedelijk gebied dat bestaat uit een stad en de omliggende regio's, gebaseerd op dagelijkse woon-werkverkeer en economische integratie (ook bekend als een stad en zijn commuting zone). Bron: European Commission, Joint Research Centre (JRC) Sterke innovatieve regio’s Regio's die meer dan 125% van het Europese gemiddelde scoren op het gebied van innovatiecapaciteit. Dit wordt gemeten aan de hand van prestaties op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (O&O), innovatie en ondernemerschap, een leven lang leren (LLL) en internationale samenwerking. Bron: Europese Commissie: Directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16416579/1