Ontwerp-Nota Ruimte webversie
Tekst van het document
Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodem positief benut wordt en dat bij de inrichting en het gebruik de toestand van de bodem zoveel mogelijk verbeterd wordt. We benutten de potentie van bodem en ondergrond voor onder andere bodemenergiesystemen, geothermie, winning en opslag van delfstoffen en CO2 en de aanleg van infrastructuur. Door de ondergrond ruimtelijk te ordenen, kan deze duurzaam benut worden voor activiteiten
100 | Ontwerp-Nota Ruimte
zoals geothermie en worden tegelijkertijd drinkwaterbronnen, grondwatervoorraden en grondwaterkwaliteit beschermd. Voor landbouw en natuur wordt gezocht naar een duurzame aanpassing aan de (toekomstige) condities van het water- en bodemsysteem. Dit maakt het systeem als geheel robuuster. We bevorderen kansen voor het verbinden van natuurontwikkeling aan maatregelen binnen het water- en bodemsysteem. Combinaties kunnen bijvoorbeeld gevonden worden bij de inzet op meer groenblauwe dooradering of met maatregelen vanuit het programma Ruimte voor de Rivier 2.0. We zetten in op herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit en infiltratie. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferzones aan beide zijden van de beek. We verhogen de grondwaterpeilen in de hoge zandgronden met, zo mogelijk en als uitgangspunt, 10 tot 50 centimeter. Onder andere de bodemsamenstelling, omstandigheden van het watersysteem en gebiedsspecifieke behoeften zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden. Daarnaast verbeteren we de hydrologische condities en beperken we grondwateronttrekkingen in en rond Natura 2000-gebieden op de hoge zandgronden. Deze combinatie van maatregelen dient ter voorkoming van verdroging.
In de veenweidegebieden wordt toebewogen naar hogere (grond)waterstanden, met het oog op de Europese water-, natuur- en klimaatdoelstellingen en om negatieve effecten van en afwenteling door bodemdaling tegen te gaan. Belangrijk daarbij is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de agrariërs in het gebied. Door gebiedsgericht verantwoord toe te bewegen naar een hoger waterpeil met een grondwaterstand van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie en de omstandigheden van het watersysteem, wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en de uitstoot van broeikasgassen wordt gereduceerd.
• •
•
•
•
•
Bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving wordt systematisch rekening gehouden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Gevolgbeperkingen bij de locatiekeuze van ruimtelijke plannen worden expliciet van tevoren inzichtelijk gemaakt en worden meegenomen in de ruimtelijke afwegingen. Vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, worden bij voorkeur op plekken gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Het ontwerp is minimaal gericht op het voorkomen van uitval bij (zware) wateroverlast en vooral op snel herstel na een overstroming. Er wordt ingezet op klimaatadaptieve ontwikkeling in het hele land, niet alleen op plekken met verhoogde risico’s vanuit het water- en bodemsysteem. In bestaand stedelijk gebied dient schade door bodemdaling zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door te investeren in ander grondwaterbeheer of het vervangen van schadegevoelige elementen door bodemdalingsbestendige alternatieven. We streven bij nieuwe bebouwing naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Daarbij zetten we in op zoveel mogelijk hergebruik van grond en realisatie van (inheems) stedelijk groen.
Zo bevorderen we de vitaliteit van bodems, verbeteren we de leefbaarheid van de stedelijke omgeving en benutten we kansen voor toekomstbestendig bouwen en functiecombinaties met natuur en recreatie. Voor de gebouwde omgeving helpt het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving bij klimaatadaptieve ontwikkeling. Het is bedoeld als ondersteunend instrument voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Specifiek voor nieuwe ontwikkelingen biedt de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving handvatten. Niet zozeer voor bouwtechnische eisen aan het gebouw zelf, maar vooral voor gebiedsmaatregelen en om de inpassing van het gebouw. De beschikbaarheid van voldoende drinkwater en de zuiveringscapaciteit van rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn belangrijke randvoorwaarden bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties. We zetten daarom versterkt in op besparen van zoetwater en we beschermen grondwaterbeschermingsgebieden, en verbeteren de grondwaterkwaliteit ten behoeve van drinkwaterproductie en stimuleren de ontwikkeling van nieuwe drinkwaterbronnen. Drinkwaterbedrijven dienen tijdig bij ruimtelijke planvorming te worden betrokken.
Ontwerp-Nota Ruimte | 101
Gebiedsgerichte uitwerking Water en bodem Het Rijk werkt met de medeoverheden aan lokaal en regionaal passende ruimtelijke oplossingen. Dit doen we onder andere via het programma NOVEX, met ruimtelijke arrangementen, in NOVEX gebieden en verstedelijkingsstrategieën. Ruimtelijke arrangementen zijn interbestuurlijke afspraken gericht op afstemming van beleid op middellange termijn (2040/2050) tussen Rijk en provincies (zie hoofdstuk 14.2.3). NOVEX-gebieden en verstedelijkingsstrategieën zijn gericht op uitvoering van een ontwikkelperspectief of strategie, gezamenlijk vastgesteld door het Rijk en medeoverheden. Dat richt zich op de meest complex gestapelde fysieke opgaven op korte en middellange termijn (zie hoofdstuk 14.2.1).
Ook in de NOVEX-verstedelijkingsgebieden is er aandacht voor water en bodem in en rond bebouwd gebied. Zo is het NOVEX-gebied Zwolle de verstedelijkingsstrategie Warme Harten in een Klimaatadaptieve Delta vastgesteld als ontwikkelperspectief. De centrale opgave van dit NOVEX-gebied is het klimaatadaptief accommoderen van de stedelijke en economische groei van de regio, mét behoud en ontwikkeling van de kwaliteit van de leef omgeving en bereikbaarheid.
Voor haven- en industriegebieden zijn de hoofdopgaven de energie-, grondstoffen-en materialentransitie en verduurzaming van de industrie, in samenhang met leefomgevingskwaliteit (gezondheid, milieu, water, landschap en natuur), de vaak schaarse ruimte en duurzame bereikbaarheid en logistiek. Water is hier dus ook een belangrijk onderdeel van.
In dit kader wordt geen ruimtelijk beleid beschreven, maar inzicht gegeven in de bestuurlijke afspraken die met provincies, NOVEX- en verstedelijkingsgebieden tot juli 2025 zijn gemaakt om aan uitvoering van beleid te werken. Hieronder volgt een korte samenvatting van de gemaakte afspraken in relatie tot het thema Water en bodem.
Ruimtelijke arrangementen Met de provincies zijn voor het thema Water en bodem – in samenhang met andere ruimtelijke opgaven – in de eerste ruimtelijke arrangementen onder andere afspraken gemaakt over (zoet)watervraagstukken, drinkwatervoorziening in relatie tot nieuwe woningbouw en regionale water- en bodemsystemen. Met de veenweideprovincies zijn afspraken gemaakt over ruimtelijke keuzes in veenweidegebieden (zie thema Landbouw en natuur). Specifiek met Overijssel is afgesproken de bestaande samenwerking rond de IJssel-Vechtdelta te verbreden, om de watervraagstukken te integreren met de complete ruimtelijke opgave in het gebied. De vernatting van het veenweidegebied is regionaal verschillend en moet leiden tot een regionaal gewogen watervraag. Er is afgesproken dat deze kan worden geagendeerd in het Deltaprogramma in het kader van de herijking. Met verschillende provincies is afgesproken om binnen het Deltaprogramma Zoetwater gebiedsspecifieke water en -bodemkwesties te onderzoeken met het oog op toekomstbestendige water- en bodemsystemen. Dit in samenhang met andere ruimtelijke opgaven, bijvoorbeeld op de hoge zandgronden in Noord-Brabant en Overijssel (Twente) en op de Veluwe in Gelderland.
Samen met de provincies die een sterke relatie met het IJsselmeer kennen – waaronder Noord-Holland, Flevoland, Utrecht, Gelderland, Fryslân, Groningen en Drenthe – onderzoeken we hoe de zoetwatervoorraad van het IJsselmeer optimaal kan worden benut en behouden, nu en in de toekomst.
102 | Ontwerp-Nota Ruimte
We trekken samen op met de provincies in het zoet waterbeschikbaarheid-, waterveiligheid- en wateroverlastvraagstuk. In het bijzonder is afgesproken met Gelderland dat het afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving in provinciaal beleid wordt over genomen. Voor de regio Centraal Holland (Delta programma) is met betrokken provincies afgesproken om, samen met de regionale partners, de ruimtelijke impact van de waterbergingsgebieden inzichtelijk te maken, ten behoeve van een integrale afweging tussen de verschillende opgaven en kwaliteiten in dit gebied. In Limburg is men reeds samen met het Rijk aan de slag met de invulling van concrete maatregelen en ruimtelijke instrumenten op het gebied van wateroverlast en waterveiligheid in het regionaal watersysteem. Met provincies is vroegtijdige betrokkenheid van drinkwaterbedrijven bij nieuwe woningbouwontwikkelingen afgesproken, naast de algemene gezamenlijke inzet op besparing en gebiedsspecifiek robuustere winningen en alternatieve oplossingen.
NOVEX-gebieden In vrijwel alle 16 NOVEX-gebieden is het thema Water en bodem meegenomen in de Ontwikkelperspectieven en de bijbehorende Uitvoeringsagenda’s. Met name in de landelijke gebieden, te weten Arnhem-Nijmegen-Foodvalley, De Peel en het Groene Hart, is water en bodem één van de hoofdopgaven. De Peel staat bijvoorbeeld voor uitdagingen zoals verdroging en waterbeheer, waarbij oplossingen worden gezocht die bijdragen aan bio diversiteit en een veerkrachtig landschap.
Ontwerp-Nota Ruimte | 103
Hoofdstuk 7
Landbouw en natuur Landbouw en natuur Opgaven en ambities Effecten extremer weer en zeespiegelstijging
Teruglopende waterbeschikbaarheid
Ontoereikende waterkwaliteit
Borging waterveiligheid
Bodemdegradatie en ruimtedruk in de ondergrond
Richting voor de toekomst Toekomstbestendige land- en tuinbouw
Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond
Vrijkomende agrarische bebouwing
Landgebruik meebewegen met veranderende wateren bodemcondities
Een leefbaar, gezond en vitaal landelijke gebied
Waardevolle cultuurlandschappen 2.0
Ruimtelijk beeld 2050 Sturende ruimtelijke bouwstenen Regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem
Gebieden rond Natura 2000-gebieden
(Landbouw)gebieden met meervoudige opgaven
Veenweidegebieden
Beekdalen
Clusteren van glastuinbouw
Robuust Natuursysteem
Grondwaterbeschermingsgebieden
Structuur van het hoofdstuk over het integrale thema Landbouw en natuur
Ontwerp-Nota Ruimte | 105
7.1
Opgaven en ambitie
Veranderende condities water- en bodemsysteem
Landbouw en natuur zijn de belangrijkste dragers van het Nederlandse cultuurlandschap. De huidige vorm van het landelijk gebied en de natuur daarin, is ontstaan door de wisselwerking tussen landschap, water, menselijk gebruik en bewoning door de eeuwen heen. Voor zowel landbouw als natuur is het van belang om meer rekening te houden met de veranderende condities van het water- en bodemsysteem. Het Rijk voelt een grote verantwoordelijkheid om een vitale en productieve landbouwsector te behouden die bijdraagt aan voedselzekerheid, de biodiversiteit versterkt, klimaatrobuust wordt en bijdraagt aan een schone en gezonde leefomgeving. Ook het behouden en versterken van de herkenbaarheid en kwaliteit van onze waardevolle cultuurlandschappen is belangrijk, om deze door te kunnen geven aan de volgende generaties. Daarom zijn er verschillende uitdagingen die het hoofd moeten worden geboden.
Voldoende water van goede kwaliteit en een gezonde bodem zijn van oudsher belangrijke redenen waarom zich in Nederland een succesvolle landbouwsector heeft kunnen ontwikkelen. Tegelijkertijd is het water- en bodemsysteem in het verleden steeds verder aangepast aan de behoeften en optimalisaties in het water- en landgebruik. Deze aanpassingen hebben bijgedragen aan het succes van de landbouw, maar hebben onder meer geleid tot verdrogingsrisco’s en tot een vicieuze cirkel van ontwatering van veenpolders, met bodemdaling tot gevolg. Deze bodemdaling heeft consequenties, zoals de uitstoot van CO2 door veenoxidatie, funderingsproblemen van gebouwen en oplopende kosten voor onderhoud van verzakkende infrastructuur (wegen, spoor-, vaar-, en waterwegen), riolering en openbare ruimte. Bodemdaling maakt het ook lastiger om gebieden waterveilig te houden. Daarnaast hebben de steeds vaker voorkomende perioden van droogte effect op landbouw en natuur.
Landbouw
Cultuurlandschappen
De Nederlandse land- en tuinbouw is van groot belang, zowel nationaal als internationaal. Ze produceert kwalitatief goed voedsel op een zeer efficiënte en innovatieve wijze. De sector draagt in hoge mate bij aan voedselzekerheid in Nederland en daarbuiten. Dat is in toenemende mate van strategisch belang. In de hoogproductieve en ontwikkelde landbouwgebieden zijn agrarische sectoren actief waarin Nederland wereldwijd een belangrijke speler is. Een belangrijke succesfactor van landbouw is de goede organisatie van de ketens van toeleveranciers en verwerkers, en de aanwezigheid van een goed ontwikkelde (kennis)infrastructuur die is ingericht op agrarische activiteiten.
In de samenleving is veel waardering voor het gevarieerde Nederlandse cultuurlandschap. Cultuurlandschappen zijn ontstaan door aanpassing en gebruik van ons land en daarmee niet statisch. Mensen voelen zich betrokken bij en verbonden met het landschap in hun omgeving: het draagt bij aan identiteit, er wordt in gerecreëerd en het kan houvast geven bij ruimtelijke veranderingen. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als die van Nederland, in combinatie met een sterke verstedelijking, is ook de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van belang. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor recreatie en toerisme. Dat is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen.
Naast het economische belang van de Nederlandse land- en tuinbouw levert de sector een cruciale bijdrage aan verschillende maatschappelijke waarden en is de sector belangrijk als beheerder van het landelijk (buiten)gebied. Boeren dragen tevens bij aan de biodiversiteit en de natuur(kwaliteit) van Nederland.
Ruimtelijke ontwikkelingen zoals de veranderingen in het water- en bodemsysteem, de landbouw, natuur, energie en woningbouw hebben impact op de kenmerken van cultuurlandschappen.
Committeren aan internationale natuur-, water- en klimaatdoelen Tegelijkertijd leiden neveneffecten van de hoge intensiteit van de landbouwproductie ook tot opgaven in de leefomgeving. Zo staat de landbouwsector, net als andere sectoren, voor belangrijke uitdagingen op het gebied van natuur, water, bodem en klimaat.
De inspanningen om te komen tot een vitaal en leefbaar landelijk gebied zijn niet los te zien van de internationale verplichtingen op het gebied van natuur, water, bodem en klimaat. Het gaat daarbij om de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV), de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de klimaatverplichtingen zoals de Europese en Nederlandse Klimaatwet en het internationale Klimaatakkoord van Parijs. Door te voldoen aan deze verplichtingen dragen we bij aan de draagkracht van het water- en bodemsysteem voor toekomstige maatschappelijke en economische activiteiten in het landelijk gebied. Tegelijkertijd zorgen deze verplichtingen in de juridische uitwerking steeds vaker voor knellende situaties, gezien de schaarse ruimte in ons dichtbevolkte land. Behoud en verbetering van natuur en biodiversiteit in Nederland dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de directe leefomgeving.
Omdat landbouw in Nederland de grootste ruimtegebruiker is, zal uitbreiding van andere functies meestal op landbouwgrond plaatsvinden. Dit gaat bijvoorbeeld om functiewijzingen naar woningbouw, economie, industrie, energie, defensie en waterveiligheid. Daarom ligt er een opgave om te zorgen voor voldoende ruimte voor een vitale landbouw die de voedselzekerheid van Nederland borgt. Tot slot wordt als gevolg van de schaalvergroting binnen de landbouw en een tekort aan opvolgers een blijvende afname van het aantal agrarische bedrijven voorzien, waardoor bijvoorbeeld meer mogelijkheden kunnen ontstaan voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Hierdoor kan er meer ruimte voor de blijvende agrarische bedrijven komen, maar ontstaat ook het risico op ondermijning en verrommeling door leegstand van vrijgekomen agrarische bebouwing in het landelijk gebied.
Natuur Wereldwijd neemt de biodiversiteit af. Ook in Nederland is de biodiversiteit de afgelopen decennia sterk afgenomen in kwaliteit en in kwantiteit. Door het verlies van dieren- en plantensoorten worden natuurlijke systemen steeds kwetsbaarder. Dit is niet alleen voor de natuur zelf problematisch, maar heeft ook een bredere impact op bijvoorbeeld de bestuiving van gewassen en de natuurlijke plaagbestrijding in de landbouw. Als natuurlijke systemen kwetsbaarder worden, heeft dat ook zijn weerslag op de voedselzekerheid en op het landschap. Om de kwaliteit van leefgebieden van dieren- en plantensoorten te waarborgen, moeten druk factoren gemitigeerd worden. Daarbij gaat het om drukfactoren als verdroging, stikstof, onvoldoende water- en bodemkwaliteit, versnippering, verzuring en overmatige recreatiedruk op de natuur. Het mitigeren van deze drukfactoren is onder andere urgent om Nederland van het (stikstof) slot te krijgen en vergunningverlening voor projecten weer makkelijker te maken. Het beschermen en verbeteren van de condities voor gezonde natuur en biodiversiteit zijn, naast een opgave in de natuurgebieden, zelf ook een bredere opgave in de fysieke leefomgeving.
106 | Ontwerp-Nota Ruimte
7.2
Richting voor de toekomst Toekomstbestendige land- en tuinbouw Het Rijk werkt aan een goed toekomstperspectief voor de land- en tuinbouw, zodat deze kwalitatief hoogwaardige en voldoende voedselproducten kan blijven leveren voor onze voedselvoorziening binnen de Europese verplichtingen. Met technologische oplossingen worden hierin belangrijke stappen gezet. Dit gebeurt in alle sectoren: van de veehouderij tot de glastuinbouw. Voor de toekomst zorgen we voor voldoende ruimte voor voedselproductie en een sterke, veerkrachtige landbouwsector. Kenmerken van deze toekomstbestendige land- en tuinbouw zijn de goede organisatie van de ketens van toeleveranciers en verwerkers en de aanwezigheid van een goed ontwikkelde (kennis) infrastructuur ingericht op agrarische activiteiten. Om de duurzame en kwalitatief hoogwaardige agrarische productie op peil te houden, is het van belang dat productieketens in stand blijven. Met behoud en verdere ontwikkeling van goede logistieke verbindingen, zowel nationaal als internationaal. Aan de hand van innovaties wordt in de land- en tuinbouw ingespeeld op de effecten van veranderende watercondities. Dankzij innovatieve manieren van telen en de inzet van kunstmatige
Ontwerp-Nota Ruimte | 107
intelligentie en precisietechnieken is daarbij minder zoetwater nodig. Daarmee kan de landbouw de uit- en afspoeling van mest en gewasbeschermingsmiddelen beperken. Sinds jaar en dag wordt door boeren zelf in hun bedrijfsvoering rekening gehouden met zilte, droge en/of natte omstandigheden. In alle regio’s ontstaan voor boeren mogelijkheden voor dienstverlening gekoppeld aan natuurontwikkeling, landschapsbeheer, economische ontwikkeling en verstedelijking. Voor deze dienstverlening ontvangen boeren een marktconforme vergoeding. Dit draagt ook bij aan de instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen voor de lange termijn. En aan de aantrekkelijkheid en onderscheidende kwaliteit van de verschillende regio’s. Tot slot is de beschikbaarheid van arbeid belangrijk, waarbij de woon- en leefomstandigheden en neveneffecten natuurlijk zorgvuldig beschouwd moeten worden.
Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond Landbouw en natuur hebben ruimte nodig voor een economisch en ecologisch perspectief. Tegelijkertijd neemt de druk op de ruimte toe. Hierbij geldt dat uitbreiding van andere functies meestal op landbouwgrond plaatsvindt. We zullen daarom sturing moeten geven aan de ruimtelijke keuzes die we nu maken, zodat we borgen dat er voldoende ruimte behouden blijft voor voedselproductie en een sterke, veerkrachtige landbouwsector. Vanwege het grote belang van voedselproductie en de diverse andere waarden die landbouwgrond biedt, gaan (mede)overheden zorgvuldig om met eventuele functiewijziging van landbouwgrond naar andere functies. Er komt een afwegingskader voor het onttrekken van landbouwgrond, waarbij (mede)overheden eerst naar de mogelijkheden kijken om functies te combineren, of naar de mogelijkheid om grond met andere functies beschikbaar te stellen. Dit kader wordt vastgelegd in bestuurlijke afspraken met (mede)overheden, zonder juridische borging en met beperkte bureaucratische lasten. Deze aanpak wordt zodanig opgesteld dat landbouwgronden met beperkte opgaven zoveel mogelijk ontzien worden van functiewijziging. De eenduidige aanpak wordt door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in afstemming met alle departementen in de fysieke leefomgeving met grote ruimtelijke opgaven ontwikkeld.
Aspecten die bij deze afweging een rol spelen, zijn de landbouwstructuur en kwaliteit van de leefomgeving in een gebied. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat andere grote ruimtelijke opgaven, zoals woningbouw, de ontwikkeling van bedrijventerreinen de energietransitie en ruimte voor defensie, door deze afweging vertraging oplopen. Met provincies, gemeenten en waterschappen worden nadere bestuurlijke afspraken gemaakt over de doorwerking van deze inzet naar een uniforme provinciale werkwijze.
bodem, een hoge productiecapaciteit, omgang met verzilting en het voorkomen van bodemdaling. Een gezonde bodem werkt als spons voor waterbuffering, is beter bestand tegen hitte en verdroging, slaat koolstof op, houdt stikstof vast en draagt bij aan de biodiversiteit en waterkwaliteit. Vanzelfsprekend is een gezonde bodem daarmee essentieel voor de agrarische sector. Er is meer ruimte nodig voor het vasthouden van water. Bij de inrichting nemen we maatregelen om water te infiltreren en te bergen en tegelijkertijd, waar nodig, te kunnen hergebruiken. Het verbeteren van de waterkwaliteit is noodzakelijk om te voldoen aan Europese doelstellingen. De landbouw heeft een belangrijke rol in de verbetering van de water- en bodemkwaliteit door onder andere het terugdringen van uit- en afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Samen met de provincies, gemeenten en waterschappen maken we een integrale beschrijving en een strategie voor de regionale water- en bodemsystemen (in relatie tot hoofdwatersysteem en hydrologie), de structuur van de landbouw en de landschappelijke kenmerken. Deze beschrijving en strategie dienen als uitgangspunt om rekening te houden met het water- en bodemsysteem en bij te dragen aan een toekomstige robuuste voedselzekerheid. Juist agrariërs worden in deze processen goed betrokken en kunnen meedenken.
Zij zijn immers belangrijke gebruikers van het gebied.
Een breder natuurbegrip Natuur vormt de basis van ons bestaan is overal in onze woon-, werk- en leefomgeving. Daarom beschouwen we natuur breder dan alleen de beschermde natuurgebieden. Door ook in te zetten op natuur buiten de bestaande en beschermde natuurgebieden, en in te zetten op functiecombinaties, beperken we de benodigde ruimtelijke uitbreiding van natuurareaal. Om tot een robuuste en gezonde natuur te komen, is het dus niet alleen noodzakelijk om de natuur binnen bestaande en beschermde natuurgebieden adequaat te beschermen, maar ook om natuur te verbinden aan functies buiten de natuurgebieden. Dit leidt tot ‘natuurinclusiviteit’ en een ‘basiskwaliteit natuur’. Op die manier kunnen we de biodiversiteit ook vergroten door functiecombinaties met natuur voor andere ruimtevragers. Voorbeelden zijn groenblauwe dooradering in het landelijk gebied en groen in en om de stad. En het combineren van natuur met uitbreiding van defensie en maatregelen die nodig zijn voor de rivieren, de grote wateren en de dijken.
Een leefbaar, gezond en vitaal landelijk gebied Het Rijk zorgt voor een landelijk gebied waar, naast ruimte om te boeren, mensen ook prettig, gezond en veilig kunnen wonen, werken, ondernemen en recreëren. Met vitale en veerkrachtige regio’s, waarbij de regionale identiteit van het Nederlandse landschap herkenbaar blijft. Een vitaal landelijk gebied krijgt vorm door een levend en aantrekkelijk landschap, waarin ruimte is voor landbouw, natuur en andere functies.
Vrijkomende Agrarische Bebouwing – nieuw wonen in het buitengebied Het aantal agrarische bedrijven neemt naar verwachting af, waardoor het risico op leegstand van agrarische bebouwing toeneemt. Een aanpak hiervoor is nodig om de risico’s op verrommeling van het landelijk gebied, ondermijning (criminele activiteiten) en een afnemende waardering van burgers voor het landelijk gebied en het landschap tegen te gaan. Er zijn kansen voor bijvoorbeeld extensiveren, wonen, zorg, recreatie of een andere economische functie. Op sommige locaties kunnen deze benut worden voor het versterken van de natuur en het landschap, en het bijdragen aan water- en klimaatopgaven. Tegelijkertijd is een zorgvuldige aanpak nodig. Meer wonen in het landelijk gebied kan juist ook de belangen van zittende boeren raken, als bijvoorbeeld door extra woningen in het buitengebied hun bedrijfsvoering wordt belemmerd. Daarom geldt bij vrijkomende agrarische bebouwing als uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen geen negatieve afwenteling hebben op de activiteiten van bestaande land- en tuinbouwbedrijven.
Landgebruik meebewegen met de veranderende water- en bodemcondities Om hoogwaardige landbouw, biodiversiteit en natuur te behouden en te verbeteren, moeten we ons water- en bodemsysteem toekomstbestendiger maken. De inrichting van landbouw en natuur moet rekening houden met het natuurlijk systeem van water en bodem op basis van gebiedsspecifieke kenmerken. Afhankelijk van het gebied kan sprake zijn van een verhoogd grondwaterpeil met meer infiltratie- en waterbergingsgebieden voor opvang van wateroverschotten en -tekorten. Per gebied verschillen de specifieke wijzen van landbouwkundig gebruik met oog voor een gezonde
108 | Ontwerp-Nota Ruimte
De verschillende opgaven om te komen tot een leefbaar, gezond en vitaal landelijk gebied hangen met elkaar samen. Het landelijk gebied bezit veel kwaliteiten die het waard zijn om te koesteren en te behouden. Voor de (toekomstige) landbouw in het landelijk gebied geldt dat het daarbij niet alleen gaat om het bruto binnenlands product (bbp) en de economische waarde die de landbouw levert, maar ook om het belang van de bijdrage aan de voedselproductie en het kunnen wonen en werken op het platteland. Het gaat om de woonomgeving, de landschappelijke waarde en om de veelvuldige maatschappelijke diensten die de landbouw levert. Maatschappelijke diensten zoals bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer, ecosysteemdiensten, waterberging, recreatie en zorg. Deze diensten dragen bij aan de herkenbare cultuurlandschappen en wateren die mede de identiteit van de regio vormen.
Waardevolle cultuurlandschappen 2.0 Het waarborgen en versterken van de identiteit en kernkwaliteiten van stad, land en regio’s is van nationaal belang. Nederland heeft een aantal vanuit cultuurhistorisch oogpunt zeer unieke landschappen. Er zijn 27 waardevolle cultuurlandschappen geselecteerd op basis van onder andere hun gaafheid, uniciteit en afleesbaarheid. De wisselwerking tussen mens en natuur is vandaag de dag nog nadrukkelijk afleesbaar in deze waardevolle cultuurlandschappen. Deze landschappen zijn niet statisch, maar transformeren met de tijd. Een gebiedsgerichte aanpak biedt zowel mogelijkheden voor het realiseren van voorliggende beleidsopgaven als kansen om de diversiteit van de landschappen te bewaken en te versterken. We werken samen met de provincies de kernkwaliteiten uit en benutten deze om de transities voor de fysieke leefomgeving zodanig vorm te geven dat ze
Ontwerp-Nota Ruimte | 109
zo goed mogelijk worden ingepast, zoveel mogelijk bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit of waar mogelijk ook nieuwe kwaliteiten toevoegen. Op deze manier kunnen we de identiteit en herkenbaarheid doorgeven aan de volgende generaties. Tegelijkertijd weten we ook dat de opgaven zo groot zijn dat dit niet overal zal lukken, en beseffen we dat landschappen niet statistisch zijn, dus we moeten ook accepteren dat op plekken de kwaliteiten kunnen veranderen. Zo kunnen we met een ontwikkelgerichte benadering helpen de transities en andere nationale ruimtelijke opgaven te realiseren. Belangrijk is daarbij dat we geen extra regelgeving introduceren en bestaande regel geving zoveel mogelijk inzetten om ontwikkelgericht te werken.
7.3
Beeld 2050
De natuurgebieden en de natuur in de steden zullen bijdragen aan een prettige leefomgeving en verkoeling, helpen bij de waterregulering en bieden een gezonde leefomgeving voor mens en dier. Netwerken van stadsnatuur zullen aansluiten op het buitengebied door onder andere doorlopende groenblauwe dooradering. In 2050 blijft de visserij een bijdrage leveren aan de voedselzekerheid en vervult deze sector op een duurzame wijze nog altijd een belangrijke economische en culturele rol in visserijgemeenschappen. De sector is innovatief in zowel de manier van vissen als in de plekken waar gevist kan worden. Zoals vormen van visserij tussen windmolens op zee. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor nieuwe bedrijven op het gebied van (plantaardige) aquacultuur. Zo kan de sector ook in de toekomst een bijdrage blijven leveren aan de aloude Nederlandse visserijcultuur en levert de visserij een bron van gezonde eiwitten.
De landbouw is een belangrijke leverancier van voedsel, uitgangsmateriaal voor voedselproductie (binnen en buiten Nederland), grondstoffen voor de voedselindustrie en de circulaire economie. Nederland voorziet in 2050 voor het grootste deel in zijn eigen, betaalbare voedsel en is ook internationaal een belangrijke speler. De belangrijkste afzetmarkten zijn nog steeds Nederland en West-Europa, maar ook daarbuiten wordt een deel van de landbouwproducten uit Nederland afgezet. De land- en tuinbouw blijft in 2050 de grootste grondgebruiker van Nederland. Vanwege het grote belang van voedselproductie en de diverse andere waarden die landbouwgrond biedt, zijn (mede)overheden zorgvuldig omgegaan met eventuele functiewijziging van landbouwgrond naar andere functies. In 2050 produceert een deel van de landbouw-, tuinbouw- en veehouderijbedrijven op hoogtechnologische, innovatieve intensieve wijze (in kassen en stallen, maar ook in de volle grond). Andere bedrijven kiezen voor extensieve vormen van land- en tuinbouwproductie (waaronder op biologische wijze) en weer een ander deel van de bedrijven werkt op basis van mengvormen van hoogtechnologische, innovatieve en extensieve productiewijzen. Met name in regio’s waar maatschappelijke opgaven het grootst zijn, zal een ontwikkeling plaatsvinden naar meer extensieve vormen van landbouw.
De glastuinbouw is in Greenports geconcentreerd, waarbij zoveel mogelijk slimme combinaties zijn gemaakt met andere sectoren in het gebruik van restwarmte en andere reststromen. In de hooginnovatieve land- en tuinbouw maken bedrijven in 2050 gebruik van innovaties die passen bij hun productiewijze om de emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te minimaliseren. Dit doen bedrijven onder andere door optimale inzet van nieuwe technologie (zoals kunstmatige intelligentie en precisietechnieken) en onderzoek. Nederland is hierin dan nog steeds een koploper in de wereld. De landbouw voldoet (onder andere via doelsturing) aan de internationale doelen die zijn gesteld. Water wordt vastgehouden voor periodes van droogte en is er ruimte om bij wateroverlast tijdelijk te bergen. In onder andere de kustgebieden is de gewaskeuze en/of productiewijze aangepast aan de zoutere omstandigheden en in het veenweidegebied is de landbouw aangepast aan nattere omstandigheden. Landbouwbedrijven zijn ingesprongen op veranderingen in de vraag naar landbouwproducten en de veranderende water- en bodemomstandigheden, met wijzigingen in hun bedrijfsactiviteiten en teeltplannen. Zo wordt er bijvoorbeeld gebruik gemaakt van lichtere landbouwmachines om bodemverdichting te voorkomen.
Landbouw en natuur gaan hand in hand, zijn samen de vormgever van het landschap en maken het water- en bodemsysteem robuust. De Nederlandse deltanatuur is uniek in en onlosmakelijk verbonden aan het Europese natuurnet werk langs de stroomgebieden van de Rijn, Maas en Schelde. De natuur is versterkt en gecombineerd met verschillende andere functies waardoor de Nederlandse natuur robuuster is geworden, bestand is tegen de klimatologische omstandigheden en helpt om klimaatverandering tegen te gaan. De Nederlandse delta is een belangrijke foerageerplek voor trekvogels op hun routes naar het noorden en zuiden. Een robuuste en veerkrachtige natuur als onderdeel van een Noordwest-Europees netwerk is en blijft daarnaast essentieel voor de voedselproductie, een gezonde leefomgeving en een aantrekkelijk landschap. Het Natuurnetwerk Nederland is inmiddels gerealiseerd en de Natura 2000-gebieden zijn hersteld. Er zijn overgangszones met hoofdzakelijk agrarisch grondgebruik dat aansluit bij het betreffende Natura 2000-gebied. Hier combineren ondernemers extensievere landbouw met andere activiteiten.
110 | Ontwerp-Nota Ruimte
Ontwerp-Nota Ruimte | 111
Noordwest-Europese context voor Landbouw en natuur De natuur in Nederland is onderdeel van een internationaal systeem. Er zijn bijzondere ecosystemen in Nederland, in de Noordwest-Europese context. Door Nederland lopen internationale migratieroutes voor vogels en vissen. Dat zijn de weidegebieden, de kustduinen en zandige kust, de estuaria en de rivieren. De landbouw in de delta beschikt over buitengewoon vruchtbare gronden. De hogere zandgronden behoren tot een zone met overwegend schrale gronden die tot in Oost-Europa doorloopt.
Migratieroutes en rustplaatsen Indicatie internationale trekvogelmigratieroute (Afrikaans-Europese luchtweg) Indicatie internationale trekvismigratieroute (onder andere zalm, paling, steur) Rivieren en stroomgebieden Grote rivieren Waterscheiding stroomgebied Bijzondere ecosystemen in Nederland in Europese context Natte graslanden Gematigde graslanden Droge graslanden Kustduinen en zandige kusten Estuaria
112 | Ontwerp-Nota Ruimte
Integrale themakaart Landbouw en natuur Op deze kaart staan de vier bouwstenen die samen de hoofdlijn vormen voor de ontwikkelrichting voor landbouw en natuur: een regionale samenhang van landbouw en natuur met water en bodem, de (landbouw)gebieden met meervoudige opgaven, een robuust natuursysteem en het clusteren van glastuinbouw.
Regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem Toekomstbestendige landbouw passend bij landschapstype en veranderende condities: Hogere (zand)gronden Rivierklei Zeeklei Veenbodems Duinlandschap Beschermde natuur duurzaam in stand houden en versterken Natura 2000-gebieden op land Natuurnetwerk Nederland (indicatie van grote gebieden) Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland op grote wateren en zee, en KRM-gebieden (Kaderrichtlijn Mariene Strategie) Gebieden met bijzondere opgaven Op deze kaart worden indicatief de gebieden weergegeven waarin en/of rondom meervoudige opgaven spelen: de gebieden rondom de Natura 2000-gebieden, de veenweidegebieden, de beekdalen en de grondwaterbeschermingsgebieden. De precieze selectie, prioritering en uitwerking in gebieden vindt plaats in lopende trajecten tussen Rijk en provincies. Dit zijn dus niet ‘aangewezen’ gebieden, dat is niet de status die aan deze kaart kan worden ontleend.
Natura 2000-gebieden Veenweidegebieden Beken Grondwaterbeschermingsgebieden Clusteren van glastuinbouw Bestaand glastuinbouwcluster Greenports Robuust natuursysteem, kansen voor combinaties met natuur rond: Waardevolle cultuurlandschappen Unesco-Werelderfgoed op land Nationale Parken (Landbouw)gebieden met meervoudige opgaven: (veenweide- gebied, gebieden rond Natura 2000-gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, beekdalen) Kansen voor combinatie met maatregelen hoofdwatersysteem: Rond de grote wateren en kustzone Rond de rivieren 114 | Ontwerp-Nota Ruimte
Sturende ruimtelijke bouwstenen
7.4.1
Bouwsteen: regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem Richting Zowel het landbouwperspectief als de benodigde inzet om de natuur te herstellen, zijn onder meer afhankelijk van de condities van het water- en bodemsysteem en de klimaatbestendigheid daarvan. De condities van het water- en bodemsysteem, de historisch gegroeide karakteristieken van de landbouw en de uitdagingen voor natuur, water, bodem en klimaat verschillen per gebied. En daarmee zijn ook de oplossingen per gebied verschillend. Boeren, tuinders en natuurbeheerders zullen door veranderende condities als gevolg van onder andere klimaatverandering steeds meer rekening moeten houden met het water- en bodem systeem. En met veranderende condities zoals heftige neerslag, hitte en langdurige droogte, verzilting, wateroverlast en verslechterde waterkwaliteit. Om hier goed op voorbereid te zijn, kunnen ze putten uit de kennis- en beleidsontwikkeling van provincies en waterschappen, waaronder de water- en bodemanalyses. Voor de landbouw betekent dit onder meer dat de teeltkeuzes steeds belangrijker worden. Door de bouwplannen van de landbouwsector aan te passen op de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater, neemt de kans op oogstschade af. En door innovatieve teelttechnieken en veredeling worden gewassen beter bestand tegen klimaatverandering.
Het gaat daarbij om geleidelijke veranderingen, waarbij boeren zelf de afweging maken in teeltkeuze en op basis van de randvoorwaarden die aanwezig zijn. In het ene gebied is dit urgenter dan in het andere gebied, waar meer om een aanpassing op de langere termijn wordt gevraagd. Ook voor (het behalen van) de natuurdoelen is de relatie tussen de landbouw en de hydrologische condities van natuurgebieden of oppervlaktewater van belang.
Bouwsteen: regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem Opgaven per landschaptype
Regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem Opgaven per landschapstype
Ho ge Be r e ( e k za d n De ale d)g kz n e r o n a St nd n br den uw ge oe w bie kg Oo al e d st len en bied en Ke Ned ile e r l e Lö m- and sP ss te en l Ri rra dek atea ss za vi e e nd u Ko rkle n ge m i bi ed g St ebi en ro ed om en Ri r u vie g r ge Ri terr n vie as se r Ze vlak n ek te n l Jo ei ng ez Kw e e l e kle d Ni erb ipo e u e k ld w k e Ou lan en rs dl dp s en a Dr ndp olde -w al oo o r le g ld s n Ve ma ers en ke r ij b Ve od en en em d Ve eri s e n je n g W eb e s ie d te No Ne n v or der an d- la de Du Ne nd W in de s v aa Jo land rlan een rde on n ng s d e ch s t St du ap vee ginn r a in no in nd en nt gs gi Du wa nn land in lle in en n gs scha e en n la nd p W oud ad sc ha de e du p n in en
7.4
Zoetwaterbeschikbaarheid Beperken doorspoelvraag Omgaan met droge omstandigheden Versterken waterbufferfunctie Versterken watervasthoudend vermogen Slimme omgang met wegzijging en kwel Wateroverlast Omgaan met wateroverlast Omgaan met nattere omstandigheden Omgaan met beperkt waterbergend vermogen Waterkwaliteit Beperken emissies nutriënten Beperken emissies gewasbeschermingsmiddelen Beperken opwarming oppervlaktewater Bodemkwaliteit Beperken gevoeligheid erosie door afspoeling Beperken gevoeligheid erosie door wind Beperken uitspoelingsgevoeligheid
Een gezonde bodem vraagt om duurzaam bodembeheer door het optimaliseren van nutriëntentoevoer en chemische middelen, en door het tegengaan van bodemverstoring, afdekking, verontreiniging en verdichting. In verziltingsgevoelige gebieden zullen zouttolerante gewassen een prominentere rol spelen. Rond de grote wateren, de rivieren en de Noordzee benutten we koppelkansen voor landbouw en natuur, zoals natuurlijke inrichting van oevers, uiterwaarden en het watersysteem, natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer.
Verhogen organisch stofgehalte Tegengaan ondergrondverdichting Bodemdaling Vernatten om bodemdaling door veenoxidatie te beperken Tegengaan bodemdaling door zetting
Keuzes regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem •
•
•
Om te vertrekken vanuit de condities van een gebied en de functies en het gebruik daarop aan te passen waar nodig, werken we met regionale aanpakken op basis van de structuur van de landbouw (inclusief ketens). Die laten we beter aansluiten op condities vanuit water- en bodemsysteem en landschappelijke kenmerken. Ook voor natuur zijn goede water- en bodemcondities van belang. Het gaat daarbij zowel om het in beeld brengen van de feiten, als het maken van bestuurlijke afwegingen en keuzes. Een goede samenwerking tussen provincies, gemeenten en waterschappen is hierbij essentieel, net als dat juist agrariërs in deze processen goed worden betrokken en mee kunnen denken. Zij zijn immers de belangrijke gebruikers van het gebied. Sectoren en agrarisch ondernemers moeten rekening houden met veranderende water- en bodemcondities (door onder andere toenemende droogte en/of verzilting) door zelf veranderingen in hun bedrijfsvoering door te voeren. Het Rijk schrijft niet voor hoe. Alle zoetwatergebruikers moeten rekening houden met een verminderde beschikbaarheid van water. Zij zullen zowel zelf als gezamenlijk maatregelen moeten nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten, wateroverlast en verzilting. Het Rijk werkt met provincies aan het opstellen van een grondwateronttrekkingsplafond.
Met dit plafond is het mogelijk te bepalen hoeveel grondwater er in een bepaald gebied, in een bepaald systeem en in een bepaalde periode duurzaam onttrokken kan worden. Dit biedt het startpunt voor het vraagstuk rondom de verdeling van het beschikbare grondwater. We willen doorgaan met aanleggen van (piek)waterberging en regionale waterbuffers en inzetten op waterbergend vermogen van de bodem.
116 | Ontwerp-Nota Ruimte
Ontwerp-Nota Ruimte | 117
Bouwsteen: regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem (water) Deze kaart duidt de veranderende condities van het water- en bodemsysteem met nadruk op de watercondities. De kaart toont daarnaast een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden die indicatief is voor een nog verder uit te werken regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem.
Veranderende condities van het water- en bodemsysteem Toenemende vernatting (door kwel en peilopzet) Toenemende bodemdaling Toenemende verzilting Toenemende verdroging Hoe groter en dikker de cirkel, hoe meer lagen met bovenstaande kenmerken op één plek samenkomen. De cirkels laten dus zien waar meerdere van deze thema’s tegelijk spelen.
We werken toe naar een regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Ter illustratie is een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden (binnen Nederland) weergegeven. Landschapstypen Hogere (zand)gronden Beekdalen en broekgebieden Dekzandgebieden Stuwwalgebieden Oost-Nederlands Plateau Keileem- en dekzandgebieden Lössterrassen Rivierklei Komgebieden Stroomruggen Rivierterrassen Riviervlakten Zeeklei Jonge zeekleipolders Kwelderbekkens en -wallen Nieuwlandpolders Oudlandpolders Droogmakerijen
118 | Ontwerp-Nota Ruimte
Veenbodems Veenderijen Veengebieden van de waarden Noord- en West-Nederlands veenlandschap Duinlandschap Jonge duinen Strandwallen en oude duinen Duinen en wadden
Bouwsteen: regionale samenhang landbouw en natuur met water en bodem (bodem) Deze kaart duidt de veranderende condities van het water- en bodemsysteem met nadruk op de bodemcondities. De kaart toont daarnaast een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden die indicatief is voor een nog verder uit te werken regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem.
Veranderende condities van het bodemsysteem Toenemende bodemdaling door oxidatie veen Dalende bodemvruchtbaarheid en verslechterende bodemstructuur Toenemend risico op wind- en/of watererosie Toenemende ondergrondverdichting Toenemend risico op verzuring Toenemende uitspoelingsgevoeligheid grond Toenemende verzilting Hoe dikker de cirkel, hoe sterker de veranderende conditie is op die locatie. De grootte van de cirkels helpt om zichtbaar te maken waar er meerdere veranderende condities spelen in één gebied, en geeft niet per se een prioritering aan. We werken toe naar een regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Ter illustratie is een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden (binnen Nederland) weergegeven. Landschapstypen Hogere (zand)gronden Beekdalen en broekgebieden Dekzandgebieden Stuwwalgebieden Oost-Nederlands Plateau Keileem- en dekzandgebieden Lössterrassen Rivierklei Komgebieden Stroomruggen Rivierterrassen Riviervlakten Zeeklei Jonge zeekleipolders Kwelderbekkens en -wallen Nieuwlandpolders Oudlandpolders Droogmakerijen
120 | Ontwerp-Nota Ruimte
Veenbodems Veenderijen Veengebieden van de waarden West-Nederlands veenontginningslandschap Noord-Nederlands veenontginningslandschap Duinlandschap Jonge duinen Strandwallen en oude duinen Duinen en wadden
7.4.2
Bouwsteen: (landbouw)gebieden met meervoudige opgaven
Gebieden met bijzondere opgaven
Richting In veel gebieden zetten we in op hoogwaardige landbouw en natuur die voldoet aan internationale wet- en regelgeving. In andere gebieden in het landelijk gebied kiezen we juist voor een strategie waarbij landbouw een extra bijdrage levert aan natuur en andere maatschappelijke doelstellingen. Dit gebeurt met name in de (landbouw)gebieden met meervoudige opgaven: de gebieden rondom Natura 2000-gebieden, de veenweidegebieden, beekdalen en de grondwaterbeschermingsgebieden. Enkele typen gebieden kennen een gecombineerde en daardoor complexe problematiek. In deze gebieden zijn de opgaven urgent. Het gaat om gebieden die (ook in de het rijksbeleid voor agrarisch natuurbeheer) op extra inzet van het Rijk kunnen rekenen of die door middel van de NOVEX-aanpak al een geïntensiveerde samenwerking kennen. Voor veel boeren biedt het kansen om hun verdienmodel te verbreden met het leveren van maatschappelijke diensten. Diensten zoals agrarisch natuurbeheer of andere functies zoals zorgboerderijen of zonnepanelen boven zacht fruit. Samen met medeoverheden stimuleren we in gebieden met meervoudige opgaven dat landbouw een extra bijdrage levert aan maatschappelijke doelstellingen. Met toekomstbestendig bodem- en watergebruik en teeltbeheer dat past bij de opgaven die in het gebied liggen, zoals toenemende weersextremen, waterkwaliteitsopgaven en verzilting.
Dit kan bijdragen aan de opgave vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV) en Kaderrichtlijn Water (KRW). Een uitbreiding en versterking van agrarisch natuurbeheer in deze gebieden kan daar ook bijdragen aan het beschermen en versterken van waardevolle cultuur(historische) landschappen. Groei van biologisch landbouwareaal kan voor een belangrijk deel in deze gebieden plaatsvinden. Als Rijk stimuleren we deze beweging met onder meer het stelsel voor agrarisch natuurbeheer (ANB), waar al veel gebruik van wordt gemaakt. Ingezet wordt op een uitbreiding van in totaal 180.000 hectare van het oppervlak waarop agrarisch natuurbeheer plaatsvindt. Dit is bovenop de huidige 161.000 hectare. De inzet van het agrarisch natuurbeheer wordt geconcentreerd in deze gebieden. Hiermee kunnen extensievere bedrijfsvormen zich ontwikkelen in deze gebieden. Dit wordt ook gestimuleerd door het ontwikkelen van grondinstrumentarium, zodat de juiste ontwikkeling op de juiste plek landt. Denk daarbij aan inzet van middelen voor bijvoorbeeld herverkavelingen, maar ook aan pachtvormen met bijvoorbeeld voorwaarden op het gebied van bodembeheer. Ook provincies zetten instrumenten in om deze beweging te maken, waarbij vrijwilligheid centraal blijft staan.
Keuzes (landbouw)gebieden met meervoudige opgave Hieronder volgen de specifieke keuzes per type gebied. Gebieden rond Natura 2000 • Rondom Natura 2000-gebieden is het van belang om het gebruik passend te laten zijn bij de condities die nodig zijn voor dit Natura 2000-gebied. Voor een deel van de stikstofgevoelige gebieden zal in de directe nabijheid van het gebied extra worden gewerkt aan de verlaging van stikstofemissies naar de lucht. Voor veel natuurgebieden is stikstof niet de enige drukfactor. Gebiedsspecifiek zal ook een bijdrage moeten worden geleverd aan andere drukfactoren, zoals bijvoorbeeld hydrologie. Denk hierbij aan het verminderen van de aanvoer van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het gebied via grond- en oppervlaktewater, peilopzet en het verminderen van de onttrekking van water die voor een gezonde natuur nodig is. • Er is een eerste stap gezet voor een regionale maatwerkaanpak die zich ook richt op de nabijheid van natuurgebieden. Zo wordt er verdere uitwerking gegeven aan inzet op de juiste plekken, waaronder het instellen van stroken rond natuurgebieden, startend met de Veluwe en de Peel, in lijn met de kamerbrief “Startpakket Nederland van het slot”. De in deze brief aangekondigde aanvullende maatregelen vormen ook nadrukkelijk onderdeel van de aanpak van de opgaven in zones rond Natura 2000-gebieden.
122 | Ontwerp-Nota Ruimte
Op deze kaart worden indicatief de gebieden weergegeven waarin en/of rondom meervoudige opgaven spelen: de gebieden rondom de Natura 2000-gebieden, de veenweidegebieden, de beekdalen en de grondwaterbeschermingsgebieden. De precieze selectie, prioritering en uitwerking in gebieden vindt plaats in lopende trajecten tussen Rijk en provincies. Dit zijn dus niet ‘aangewezen’ gebieden, dat is niet de status die aan deze kaart kan worden ontleend.
Natura 2000-gebieden Weergegeven zijn Natura 2000-gebieden op land. Rondom Natura 2000-gebieden is het van belang om het gebruik passend te laten zijn bij de condities die nodig zijn voor het Natura 2000gebied. Uitwerking hiervan is regionaal maatwerk. Veenweidegebieden In de veenweidegebieden wordt, met het oog op de Europese water-, natuur-, en klimaatdoelstellingen en om negatieve effecten van afwenteling van en afwenteling door bodemdaling tegen te gaan, toebewogen naar hogere (grond)waterstanden. Op basis van verschillen in bijvoorbeeld bodemcompositie en de omstandigheden van het watersysteem kan worden gedifferentieerd en in uitzonderlijke gevallen afgeweken. (Mede)overheden, in het bijzonder de waterschappen, geven hier met betrokkenheid van agrariërs en anderen invulling aan. Beken In veel beekdalen staat het realiseren van de wettelijke normen voor oppervlaktewaterkwaliteit onder druk. Voor de vitaliteit van beeksystemen is het belangrijk om aan deze normen te voldoen. Welke maatregelen er vanuit welke sector precies nodig zijn, verschilt per gebied. Op de kaart zijn de beken uit de KRW-oppervlaktewateren weergegeven inclusief ecologisch waardevolle beken aan de oostzijde van de Veluwe. Grondwaterbeschermingsgebieden We zetten in op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit in de grondwaterbeschermingsgebieden zodat we onze drinkwaterbronnen veiligstellen.
Daarbinnen pakken we de gebieden met grote complexiteit en meervoudige opgaven met prioriteit aan. De prioritering doen we samen met provincies en waterschappen.
Ontwerp-Nota Ruimte | 123
Veenweidegebieden • We willen het laagveenlandschap in de toekomst behouden. Een belangrijke economische en cultuurhistorische drager van het landschap is en blijft de landbouw. Ook in de toekomst blijft het laagveengebied een belangrijk agrarisch gebied. In de veenweidegebieden wordt, met het oog op de Europese water-, natuur- en klimaatdoelstellingen en om negatieve effecten van en afwenteling door bodemdaling tegen te gaan, toebewogen naar hogere (grond)waterstanden. Belangrijk daarbij is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de agrariërs in het gebied. Door gebiedsgericht verantwoord toe te bewegen naar een hoger waterpeil met een grond waterstand van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie en de omstandigheden van het watersysteem, wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en de uitstoot van broeikasgassen wordt gereduceerd. Daarbij geldt nadrukkelijk dat, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied, kan worden gedifferentieerd. Dit betekent dat in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd naar beneden kan worden afgeweken van het uitgangspunt van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld. (Mede)overheden, in het bijzonder de waterschappen die verantwoordelijk zijn voor de peilbesluiten, geven hier met betrokkenheid van agrariërs en anderen invulling aan.
Zij beschikken met elkaar immers over de benodigde kennis van het gebied. Met deze gebiedsgerichte aanpak wordt daarmee ook bijgedragen aan het realiseren van een reductie van één megaton CO2-equivalent in 2030 aan broeikasgasuitstoot uit veenbodems. • Bij deze ontwikkeling minimaliseren we de aanvoer van gebiedsvreemd water. En door het realiseren van ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water, waardoor de afhankelijkheid van de zoetwateraanvoer vanuit het hoofdwatersysteem in droge perioden beperkt is. • Het opzetten van de waterpeilen vraagt om andere afwegingen in peilbesluiten en om het ontwikkelen van landbouw die past bij wat nodig is voor het realiseren van de opgaven in het gebied. Daarbij is er verschil tussen gebieden ten aanzien van de urgentie/timing en impact van peilopzet op de functies en verandering in een gebied. Aanpassing naar een peil van 40 centimeter onder maaiveld is de eerste stap. Verder heeft aanpassing van de peilen in bufferzones rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden prioriteit. Provincies en waterschappen wegen samen en met betrokkenheid van agrariërs de locatie en het tempo af. • Het toekomstperspectief voor de melkveehouderij in het veenweidegebied wordt ondersteund door meer inzet van middelen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en door het ontwikkelen van grondinstrumentarium.
Daarnaast kan het verdienvermogen worden aangevuld met andere functies zoals agroforestry, zorg, CO2-vastlegging in veen, energieopwekking of recreatie. • We realiseren aaneengesloten kansgebieden voor weidevogels op de locaties die hiervoor geschikt zijn. Daarbij vormen aaneengesloten kerngebieden met optimaal beheer voor weidevogels, met daaromheen een substantiële schil van gebieden met openheid en rust in het broedseizoen en kruidenrijk grasland, het streefbeeld. Vrijwilligheid staat hierbij centraal. Beekdalen • In veel beekdalen staat het realiseren van de wettelijke normen voor oppervlaktewaterkwaliteit onder druk. Voor de vitaliteit van beeksystemen is het belangrijk om aan deze normen te voldoen. Vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) geldt daarbij een deadline voor 2027. Het reduceren van de uit- en afspoeling van nutriënten, diergeneesmiddelen, biociden en gewasbeschermingsmiddelen vanuit de landbouw is daarvoor van belang. Ook zijn beekdalen in sommige gevallen van groot belang voor instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. • In de beekdalen kijken we voor een deel naar aanpassingen in het landbouwkundig grondgebruik in bovenstroomse en benedenstroomse gebieden. Vertrekpunt zijn stimulerende maatregelen.
Extensiever landgebruik met minder gebruik van mest en gewasbeschermingsmiddelen, behoud van grasland, in sommige gevallen omzet van bouwland naar grasland en de juiste condities voor natuur in deze gebieden helpen om te voldoen aan de KRW. Zo liggen hier in sommige situaties ook kansen voor uitbreiding van (beekbegeleidend) bos, waarbij samenhang bestaat met de uitvoering van de Bossenstrategie. Welke maatregelen er precies nodig zijn, verschilt per gebied. Bovendien wordt ingezet op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit en infiltratie. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferzones aan weerszijden van de beek. Zo draagt dit bij aan het bereiken van waterkwaliteitsdoelen, gecombineerd met andere doelstellingen op het gebied van natuur en waterberging.
124 | Ontwerp-Nota Ruimte
•
•
•
Provincies hebben de ruimte voor een afweging over de te nemen landbouwkundige en/of ruimtelijke maatregelen voor het realiseren van de opgave. Lokale uitwerking zal concreter uitwijzen waar aanpassingen in het ruimtegebruik gewenst zijn. Beekdalen behoren tot de prioritaire gebieden voor uitbreiding van agrarisch natuurbeheer. De uitbreiding van het agrarisch natuurbeheer biedt kansen voor boeren om bij te dragen aan de gebiedsopgaven door bijvoorbeeld het aanleggen en beheren van natuurvriendelijke oevers, landschapselementen en kruidenrijk grasland. We zetten in op uitbreiding van agrarisch natuurbeheer waardoor – naast het verbeteren van de waterkwaliteit – ook bijgedragen kan worden aan andere opgaven zoals het versterken/ verhogen van de waterkwantiteit en het verbeteren van de natuurwaarde van het gebied. Boeren kunnen zo natuurvriendelijke oevers, kruidenrijk grasland en landschapselementen aanleggen en beheren.
Grondwaterbeschermingsgebieden • We zetten in op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit in de grondwaterbeschermings gebieden zodat we onze drinkwaterbronnen veiligstellen. Daarbinnen pakken we de gebieden met grote complexiteit en meervoudige opgaven met prioriteit aan. De prioritering doen we samen met provincies en waterschappen. Het gaat voor nutriënten onder andere om de 34 meest kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden, voornamelijk op de zand- en lössgronden, waarin al langere tijd gewerkt wordt aan het reduceren van de nitraatuitspoeling uit agrarische bronnen door aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast ligt in verschillende grondwaterbeschermingsgebieden een opgave om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen. Dit doen we door met provincies en waterschappen tot een uitwerking van maatregelen te komen die de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbescherming verminderen, afhankelijk van de opgave per gebied. De effectiviteit van maatregelen verschilt van gebied tot gebied en vraagt dus om een gebiedsgerichte uitwerking. • Een andere maatregel in dit verband is het verhogen van de grondwaterpeilen in de hoge zandgronden met, zo mogelijk en als uitgangspunt, 10 tot 50 centimeter. Onder andere de bodemsamenstelling, omstandigheden van het watersysteem en gebiedsspecifieke behoeften zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden.
Daarom geldt ook hier dat (mede)overheden met betrokkenheid van agrariërs gebiedsgericht tot invulling komen van het verhogen van het grondwaterpeil en hier in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd van kunnen afwijken. • We zetten in op uitbreiding van agrarisch natuurbeheer waardoor – naast het verbeteren van de waterkwaliteit – ook bijgedragen kan worden aan andere opgaven zoals het versterken/ verhogen van de waterkwantiteit en het verbeteren van de natuurwaarde van het gebied.
7.4.3
Bouwsteen: clusteren van glastuinbouw Richting De Nederlandse glastuinbouwsector behoort tot de absolute wereldtop en zal die positie de komende jaren verder uitbouwen. Dankzij de inzet van kunstmatige intelligentie, datagestuurde teelt en robotisering kan onze tuinbouw aan de internationale top blijven. We zetten in op een blijvend sterke en innovatieve glastuinbouwsector waar ook onder veranderende klimatologische omstandigheden gecontroleerd geteeld kan worden. Hiertoe moet de glastuinbouwssector klimaatneutraal en circulair produceren, met (nagenoeg) nul emissie van meststoffen, gewas beschermingsmiddelen en broeikasgassen. Om dit mogelijk te maken, zetten we als uitgangspunt in op groei via intensivering, innovatie en clustering van glastuinbouwbedrijven in de bestaande clustergebieden, zodat bedrijven kunnen blijven investeren in moderne technologie en intensivering van activiteiten mogelijk blijft op bestaande plekken. Als dit niet mogelijk blijkt, dan gaan we de mogelijkheid naar nieuwe clusters met voldoende duurzame energiebronnen verkennen, waarbij het uitgangspunt is dat we versnippering voorkomen. Omdat juist in deze gebieden ook andere sectoren naar ruimte en energie zoeken, wordt dit integraal gewogen.