Ontwerp-Nota Ruimte webversie
Tekst van het document
De drie bouwstenen die we in de paragrafen hieronder uitwerken zijn: • Bouwsteen 1: Op nationaal schaalniveau werken we aan een toekomstbestendig hoofdwatersysteem (paragraaf 6.4.1); • Bouwsteen 2: Op regionaal schaalniveau zorgen we voor regionale systemen in balans (paragraaf 6.4.2); • Bouwsteen 3: Op lokaal schaalniveau zorgen we voor een klimaatadaptieve inrichting van alle functies (paragraaf 6.4.3).
6.4.1
Bouwsteen: een toekomstbestendig hoofdwatersysteem Richting In de door het Rijk beheerde wateren van het hoofdwatersysteem wordt het water vanuit de grote rivieren gestuurd naar de plekken waar het nodig is. Zo vindt in het IJsselmeer en Markermeer berging plaats voor onder andere waterpeilbeheer en de beregening van landbouwgronden, is er voldoende water in de kanalen, rivieren en meren voor de scheepvaart en leveren de rivieren voldoende water om interne (kwel) en externe (zee)zoutindringing te bestrijden en bodemdaling tegen te gaan. Voorheen was het beheer vooral gericht op het afvoeren van een teveel aan water vanwege de waterveiligheid. De laatste decennia is het waterbeheer ook steeds meer gericht op het vasthouden van water en voorkomen van tekorten. Vanuit het hoofdwatersysteem worden de grote opgaven op het gebied van waterveiligheid (denk ook aan kustbescherming), zoetwaterbeschikbaarheid en wateroverlast niet alleen steeds meer in onderlinge samenhang bekeken, maar ook in relatie tot het overige ruimtegebruik. Vanuit die integraliteit bezien, worden keuzes gemaakt voor een toekomstbestendig hoofdwatersysteem.
Ruimte voor het hoofdwatersysteem Waterveiligheid is van cruciaal belang voor Nederland: een land dat voor een groot deel onder zeeniveau ligt, door grote rivieren wordt doorkruist en in toenemende mate geconfronteerd wordt met de effecten van klimaatverandering. Met behulp van technische ingrepen hebben we een hoge mate van waterveiligheid en bescherming tegen wateroverlast kunnen creëren. Tegelijkertijd groeit de maatschappelijke behoefte en noodzaak om beter aan te sluiten bij de natuurlijke werking van het water- en bodemsysteem. Natuurlijk blijven technische maatregelen en ruimte voor de primaire keringen en het hoofdwatersysteem nodig. Maar het benutten van kansen om het systeem af te stemmen op hoe water zich van nature gedraagt, leidt uiteindelijk tot kleinere inspanningen om het systeem passend te houden bij de maatschappelijke behoeften. Nu en in de toekomst zal voldoende ruimte gereserveerd moeten worden voor de afvoer van hoogwater en het voorkomen van overstromingen. Die binnen- en buitendijkse ruimtereservering is bijvoorbeeld nodig voor rivierverruimingen en dijkversterkingen. Daarbij vraagt de ruimtelijke inrichting achter de waterkeringen ook aandacht. Besluiten over aanpassing van de huidige systematiek voor de berging en afvoer van de rivieren en de bescherming tegen de zee zijn nog niet direct aan de orde.
Inzichten vanuit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging en het Deltaprogramma tonen dit aan. Wel moeten we nu alvast de op kortere termijn benodigde maatregelen doorvoeren en voldoende ruimte reserveren, zodat toekomstige aanpassingen en ontwikkelingen ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden.
80 | Ontwerp-Nota Ruimte
De komende tijd wordt in het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 gewerkt aan het toekomstbestendig maken van het rivierengebied. Daarbij worden keuzes voorbereid over de rivierbodemligging, de afvoerverdeling bij hoog- en laagwater, en de binnendijkse ruimte die hiervoor nodig is. Het is van belang om flexibiliteit te behouden, zodat ook in de toekomst de benodigde ruimtelijke keuzes gemaakt kunnen worden, en om kansen te benutten om combinaties te maken met andere passende ruimtelijke functies, bijvoorbeeld natuur of recreatie. Een toekomstbestendig rivierengebied vergt niet alleen binnendijks maar ook buitendijks voldoende ruimte om de afvoer- en bergingscapaciteit te kunnen vergroten. De Beleidslijn Grote Rivieren (BGR) zorgt ervoor dat nieuwe activiteiten of objecten in het rivierbed toekomstige verruiming van de rivier niet duurder of onmogelijk maken. Ook voorkomt deze maatregel dat schade bij hoge waterstanden of overstromingen verder toeneemt. We staan daarom geen nieuwe bebouwing meer toe in de uiterwaarden die vallen onder de BGR. Tijdelijke functies of passende functiecombinaties, zoals voor energie-infrastructuur, kunnen onder voorwaarden wel toegestaan worden. In het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) werken de waterschappen en het Rijk samen aan het versterken van de dijken.
Het doel van het HWBP is dat in 2050 alle primaire keringen zijn versterkt, zodat deze voldoen aan de wettelijke normen die als omgevingswaarde in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. Daarnaast is rondom waterkeringen voldoende ruimte nodig om versterkingen uit te voeren, ook na 2050. Deze ruimte wordt een reserveringszone (of ‘profiel van vrije ruimte’) genoemd. Deze reserveringszones dienen gevrijwaard te blijven van ruimtelijke ontwikkelingen die belemmerend werken voor toekomstige versterking van de kering. Permanente bebouwing is daarom in deze zones in principe niet toegestaan. Tegelijkertijd moeten er geen onevenredig grote beperkingen ontstaan voor andere ruimtelijke ontwikkelingen in de reserveringszones. Passende functiecombinaties of tijdelijk ruimtegebruik zijn daarom in principe wel mogelijk, bijvoorbeeld door slimme combinaties te maken met ruimtelijke functies zoals natuur of recreatie. Op basis van de meest recente informatie uit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging worden de reserveringszones van de primaire waterkeringen de komende jaren geactualiseerd. Ruimtelijke plannen en instrumenten van gemeenten en provincies worden vervolgens hierop aangepast. Voor het behoud van de kust houden we het kustfundament in stand als drager van alle functies in het kustgebied.
Om achteruitgang van de kust te voorkomen, blijven we de Basiskustlijn handhaven door middel van zandsuppleties en dynamisch kustbeheer. We blijven werken volgens het principe ‘zacht waar het kan, hard waar het moet’. Met het oog op zeespiegelstijging is ongehinderd transport en het doorstuiven van zand langs en dwars op de kust én het behoud van voldoende zand voor de toekomstige waterveiligheid van Nederland belangrijk. Kustuitbreiding wordt vooralsnog niet toegestaan. Hiervoor is geen noodzaak vanuit kustveiligheid. Wel wordt momenteel een startbeslissing voorbereid voor een verkenning naar het ruimtegebrek in de Rotterdamse haven en het versterken van de leefomgeving. Daarbij is een zeewaartse uitbreiding één van de te onderzoeken oplossingsrichtingen, naast het intensiveren en optimaliseren van de bestaande ruimte en de potentie van het benutten van bestaande bedrijventerreinen in de regio.
Ruimte voor waterberging Een robuust en toekomstbestendig hoofdwatersysteem vereist ook voldoende ruimte voor (piek) waterberging. De gebieden voor waterberging zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen. Het doel wordt daarom nagestreefd om in diepe polders 5-10% ruimte te reserveren voor waterberging, en ontwikkelingen op gronden die bijzonder geschikt zijn voor infiltratie te vermijden. Specifiek voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn de zoekgebieden voor waterberging op de kaart aangegeven omdat ze een belangrijke rol vervullen in de beheersmogelijkheden van wateroverlast. Een deel van het zoekgebied bij het Noordzeekanaal betreft de Houtrakpolder waar opgaven vanuit energie, economie en water en bodem samenkomen. Dit gebied is op dit moment gereserveerd voor uitbreiding van de haven. Het opgeven van deze reservering is pas mogelijk als wordt voldaan aan de afspraken in het Ontwikkelperspectief NOVEX Noordzeekanaalgebied. De locatiebepaling voor waterberging rond het Noordzeekanaal wordt nader uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak van het regionale Deltaprogramma Centraal Holland. De integrale besluitvorming vindt plaats in de gebiedsgerichte aanpak in het NOVEX Noordzeekanaalgebied.
Ontwerp-Nota Ruimte | 81
Vraag en aanbod binnen het hoofdwatersysteem
Keuzes
Schoon en voldoende water hebben we dagelijks nodig, op het juiste moment en op de juiste plaats, voor natuur, scheepvaart, landbouw, industrie, erfgoed, drinkwater, energievoorziening, recreatie en visserij. Maar beschikbaarheid van zoetwater is niet altijd en overal vanzelfsprekend. Klimaatverandering veroorzaakt een teruglopend aanbod, terwijl we een toename aan de vraagkant zien. Soms is er sprake van lange natte periodes en soms van lange periodes van droogte. Dat zorgt voor een toenemende disbalans, zowel in het hoofdwatersysteem als in het regionale systeem.
•
Er wordt volop ingezet op het optimaliseren van de zoetwaterverdeling binnen de mogelijkheden van het hoofdwatersysteem. Daar zijn wel grenzen aan. Niet aan iedere watervraag kan vanuit het hoofdwatersysteem worden voldaan en de keuze voor het één zal steeds vaker ten koste van het ander gaan. Er moet bovendien voldoende ruimte blijven om in te kunnen spelen op extreme omstandigheden. Dit betekent dat de bestaande verdeling in principe wel geoptimaliseerd wordt, maar niet fundamenteel aangepast. En het betekent dat er niet geïnvesteerd wordt in nieuwe technische maatregelen om (zoet)water te brengen naar gebieden waar dat (op termijn) niet houdbaar is. Dit heeft met name gevolgen voor de gebieden in Nederland die geen of beperkte aanvoer van zoetwater vanuit het hoofdwatersysteem hebben, zoals delen van de Zuidwestelijke Delta of de hoge zandgronden. Dit betekent niet dat hier geen perspectief meer is voor bijvoorbeeld landbouw, maar het betekent wel dat bij keuzes ten aanzien van landgebruik (onder andere teeltkeuze), bedrijfsvoering (onder andere besparingsmaatregelen) en ruimtelijke inrichting, de watervraag beter moet aansluiten op de (teruglopende) beschikbaarheid vanuit het systeem.
Dit verandert niet van de ene op de andere dag, maar het is van belang dat sectoren en agrarisch ondernemers anticiperen op deze verandering en hun bedrijfsvoering hier gaandeweg op aanpassen. De overheid zal niet voorschrijven hoe ondernemers dit moeten doen, maar kan wel faciliterend optreden door bijvoorbeeld innovaties ten behoeve van klimaatadaptatie te stimuleren of specifieke regelingen op te tuigen. Een ander belangrijk deel van de oplossing ligt bij het zoveel mogelijk opslaan van water. Doordat regionaal meer ruimte wordt gemaakt voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk zoetwater, blijft vanuit het hoofdwatersysteem meer zoetwater beschikbaar om in te kunnen spelen op de veranderende omstandigheden, zoals een toenemende watervraag voor het tegengaan van verzilting of peilopzet, en om gebieden die al sterk afhankelijk zijn van het hoofdwatersysteem te kunnen blijven voorzien.
•
•
Om in de toekomst ruimte te hebben voor de afvoer van hoogwater en het voorkomen van overstromingen, wordt er voldoende binnen- en buitendijkse ruimte gereserveerd voor het hoofdwatersysteem. Die ruimte is bijvoorbeeld nodig voor rivierverruimingen en dijkversterkingen. Er wordt geen nieuwe bebouwing meer toegestaan in de uiterwaarden die vallen onder de BGR. Tijdelijke functies of passende functiecombinaties, zoals voor energie-infrastructuur, kunnen onder voorwaarden wel toegestaan worden. Hierdoor wordt voorkomen dat toekomstige rivierverruimingen of dijkversterkingen niet onnodig duur of zelfs onmogelijk worden gemaakt. Om wateroverlast, ook door afwatering van het regionale systeem op het hoofdwatersysteem, tegen te gaan wordt (lokaal) voldoende ruimte gereserveerd voor (piek)waterberging, onder meer aan de hand van de zoekgebieden bij het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal. Er wordt naar gestreefd om in diepe polders 5-10% ruimte te reserveren voor (piek)waterberging, en ontwikkelingen op gronden die geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Het hoofdwatersysteem zal in een andere verhouding komen te staan tot de regionale watersystemen: – Dit betekent dat er in principe niet geïnvesteerd wordt in technische maatregelen om vanuit het hoofdwatersysteem (zoet)water te brengen naar gebieden waar dat (op termijn) niet houdbaar is; – Doordat regionaal meer ruimte wordt gemaakt voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk water, blijft vanuit het hoofdwatersysteem meer zoetwater beschikbaar om in te kunnen spelen op de veranderende omstandigheden, zoals een toenemende watervraag voor het tegengaan van verzilting of peilopzet, en om gebieden die al sterk afhankelijk zijn van het hoofdwatersysteem te kunnen blijven voorzien. – Voor onze zoetwatervoorziening en waterveiligheid is het van belang dat de huidige zoetwatervoorraad en de waterbergingscapaciteit van het IJsselmeer en Markermeer niet te veel wordt verkleind, en dat er kansen worden verkend voor het vergroten van de buffercapaciteit. Terughoudend zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen is daarom geboden. Binnendijks wat binnendijks kan. Tegelijkertijd zijn woningbouwinitiatieven langs de randen van de meren mogelijk. De huidige regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bieden hiervoor de kaders aan gemeenten.
Voor onze zoetwatervoorziening en waterveiligheid is het van belang dat de huidige zoetwatervoorraad en de waterbergingscapaciteit van het IJsselmeer en Markermeer niet te veel wordt verkleind en dat er kansen worden verkend voor het vergroten van de buffercapaciteit. De meren zijn immers de belangrijkste zoetwaterbron voor Noord-Nederland en er moet ruimte blijven voor het verhogen en/of verder kunnen laten uitzakken van het peil. Terughoudend zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen is daarom geboden. Binnendijks wat binnendijks kan. Tegelijkertijd zijn woningbouwinitiatieven langs de randen van de meren mogelijk. De huidige regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bieden hiervoor de kaders aan gemeenten. De ruimte voor landaanwinning en bouwactiviteiten is hierin begrensd tot een maximaal aantal hectare per gemeente in verband met de zoetwater- en waterbergingsfunctie.
Grote wateren en Noordzee De grote wateren (Zuidwestelijke Delta, IJsselmeergebied, Waddengebied en de grote rivieren) en het Nederlandse deel van de Noordzee vormen samen het overgrote deel van het hoofdwatersysteem. Ze zijn sterk verweven met de opgaven ten aanzien van het water- en bodemsysteem en hebben een belangrijk aandeel in de oplossingsrichtingen om het water- en bodemsysteem robuuster en toekomstbestendig te maken. De grote rivieren zijn bijvoorbeeld cruciaal voor onder meer scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en natuur maar hebben meer ruimte nodig om toekomstbestendig te zijn. Het IJsselmeergebied draagt onder meer bij aan ruimte voor waterberging en het vergroten van de zoetwaterbeschikbaarheid, maar heeft te maken met frequentere en grotere peilfluctuaties en knelpunten ten aanzien van waterkwaliteit en ecologie. De Noordzee is essentieel voor onder andere natuur, visserij, scheepvaart, olie- en gaswinning, zandwinning, defensie en de opwerk van duurzame energie, maar zorgt ook voor risico’s op het gebied van waterveiligheid en indringing van zeewater via de grote rivieren en zoute kwel. In paragraaf 10.14 wordt nader ingegaan op de rol van de grote wateren en de Noordzee.
82 | Ontwerp-Nota Ruimte
Ontwerp-Nota Ruimte | 83
Bouwsteen: een toekomstbestendig hoofdwatersysteem Deze kaart laat indicatief de plekken en gebieden zien die van belang zijn voor het hoofdwatersysteem, waaronder de buitendijkse gebieden en (binnendijkse) ruimte rond waterkeringen, ruimte rond de rivieren voor mogelijke rivierverruiming, de grootschalige zoekgebieden voor (piek)waterberging bij het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaalgebied en de belangrijke bergingsgebieden voor zoetwater: het IJsselmeer, Markermeer en Volkerak-Zoommeer.
Ruimte voor waterveiligheid Reserveer ruimte rondom primaire keringen (dijken en duinsysteem) voor toekomstige versterkingsopgaven Reserveer ruimte rondom primaire keringen IJsselmeer en Markermeer en houd buitendijks rekening met toekomstige peilstijging Voorlopig geen kustuitbreiding Zoekgebieden voor (piek)waterberging langs NZK/ARK Ruimte reserveren voor het hoofdwatersysteem Rekening houden met buitendijkse adaptatie bij hogere waterstanden in de toekomst Trajecten waar wordt onderzocht of, en waar binnendijkse ruimte nodig is voor toekomstige rivierverruiming Optie voor een andere afvoerverdeling grote rivieren Amsterdam-Rijnkanaal en Noordzeekanaal als belangrijke waterafvoerroute Beperkingen landaanwinning en bouwwerken IJsselmeergebied Bestaande reserveringszone voor binnendijkse ruimte rivieren* * In het kader van programma Ruimte voor de Rivier 2.0 zal de ruimtelijke reservering geactualiseerd worden Hoofdsysteem: vraag en aanbod Ruimte nationale waterbergingsgebieden (IJsselmeer en Markermeer, Volkerak-Zoommeer) behouden Gebieden zonder aanbod vanuit het hoofdwatersysteem Verzilting via de rivier- en kanaalmondingen Hoofdwatersysteem
84 | Ontwerp-Nota Ruimte
6.4.2
Bouwsteen: regionale systemen in balans Richting Door groeiende druk van klimaatveranderingen moeten we niet alleen nationaal, maar ook regionaal, meer gaan kijken naar hoe we met veranderende water- en bodemcondities om kunnen gaan en de natuurlijke systeemwerking meer in balans kunnen krijgen. Het is essentieel dat de regionale water- en bodemcondities worden verbeterd en versterkt, zodat we beter rekening kunnen houden met periodes van droogte, wateroverlast en verzilting en de daaruit volgende veranderingen zoals verminderde waterbeschikbaarheid. Samen met de provincies, gemeenten en waterschappen maken we daarom een integrale beschrijving van, en een strategie voor, de regionale water- en bodemsystemen (in relatie tot het hoofdwatersysteem), waarmee de condities – nu en toekomstige – eenduidig worden vastgesteld. Voor de landsdekkende beleidsinzet op de regionale systemen zijn enkele nationale programma’s van belang. Zo beschrijft het Rijk in het Nationaal Waterprogramma (NWP) nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur en scheepvaart. Het NWP vormt daarmee het kader voor de regionale waterplannen. Sinds 2015 wordt er binnen het Nationaal Deltaprogramma ook gewerkt aan een regionale uitwerking van de thema’s waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie.
Er zijn afzonderlijke strategieën opgesteld voor de volgende regio’s: IJsselmeergebied, Rijnmond-Drechtsteden, rivieren Rijn en Maas, Zuidwestelijke Delta, Kust, Waddengebied, Hoge Zandgronden en Centraal Holland.
moeten gaan met concrete besparingsdoelen voor alle sectoren en aanpassing van bedrijfsvoering, zoals een slimmere omgang met koelwater. Nationale programma’s zoals het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing en een nieuw Nationaal Kader Oppervlaktewatervragers bieden handvatten om een zuinige omgang met water te stimuleren. Het ruimtegebruik passend maken bij de waterbeschikbaarheid zal onder meer moeten leiden tot teeltaanpassingen in de landbouw en het beter benutten van grijswater bij de verstedelijkingsopgave. Ook locatiekeuze speelt een belangrijke rol. We moeten ervoor zorgen dat de watervraag beter aansluit op de (teruglopende) beschikbaarheid van water vanuit het systeem, waarmee ook de afhankelijkheid van zoetwater wordt beperkt. Grote nieuwe watervragers worden niet gepland op locaties waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd. Zo worden grote elektrolysers nu al bij voorkeur aan de kust gepland, omdat hier zout en brak water kan worden ontzilt en gebruikt als koel- en proceswater. Wat vervolgens precies onder grote watervragers wordt verstaan wordt nog nader uitgewerkt, maar belangrijk is dat de beweging richting passende locatiekeuze op basis van zoetwaterbeschikbaarheid wordt ingezet.
In de herijking van de Deltabeslissingen in 2026 wordt bezien hoe partijen meer vanuit de voorkeursvolgorde kunnen werken, om dat vervolgens ook een vertaling te geven in de nationale en regionale zoetwaterstrategieën, met doorwerking naar ruimtelijke plannen. Gebiedsgerichte aanpassingen grondwaterpeil Een integrale aanpak op het regionaal versterken van de watercondities, betekent ook dat we inzetten op gebiedsgerichte aanpassingen in het grondwaterpeil.
Verbeteren van de regionale watercondities Vraag en aanbod van zoetwater regionaal in balans De beschikbaarheid van zoetwater verschilt sterk per regio. Dit wordt voor een belangrijk deel bepaald door de fysisch-geografische kenmerken van een gebied en regionale verschillen in watertoevoer. Nederland kent een verscheidenheid aan landschapstypen, ieder met hun eigen karakteristieke bodemeigenschappen en hydrologische condities. Zo zijn zandgronden doorgaans kwetsbaar voor droogteschade, omdat die gebieden worden gekenmerkt door een snelle infiltratie en afvoer van water, terwijl de zeekleilandschapen juist worden gekenmerkt door een lage waterdoorlatendheid en een hoge waterretentie. Bovendien wordt niet elk deel van Nederland van zoetwater voorzien vanuit het hoofdwatersysteem. In deze gebieden is men daarom in hoge mate afhankelijk van lokale zoetwaterbronnen, zoals regenwater en grondwater, om de zoetwatervoorziening te garanderen. Deze regionale verschillen vragen om gebiedsgericht maatwerk, waarbij uitgangspunt is dat het hoofdwatersysteem zoveel mogelijk wordt ontlast. Vraag en aanbod van zoetwater moeten dus, aan de hand van passende gebiedsindelingen en gebiedsprocessen, regionaal in balans worden gebracht. Als leidraad geldt daarbij ‘besparen, vasthouden en bergen’. We houden daarbij vast aan de voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer.
Uitgangspunt van die voorkeursvolgorde is dat de vraag naar water wordt afgestemd op de beschikbaarheid van water, door bij de toedeling van watervragende functies aan gebieden rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden, en door in te zetten op een zuinige omgang met water door watervragende functies. Tegelijkertijd wordt ingezet op het voorkomen van wateroverlast. Gebiedsgericht wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: • Beter vasthouden van water om wateroverlast te voorkomen en zoetwaterbeschikbaarheid zeker te stellen; • Bij dreigende wateroverlast zijn de vervolgstappen: 1) Bergen, en 2) Afvoeren. Bij een dreigend tekort aan zoetwater is de vervolgstap: slimmer verdelen over de watervragende functies in een gebied; • Tot slot moeten we als samenleving accepteren dat er (rest)schade kan optreden die na het nemen van preventieve of adaptieve maatregelen resteert. De implementatie van deze voorkeursvolgorde vergt gerichte inzet op de verschillende elementen van die aanpak, omdat de inspanningen en investeringen in de zoetwaterregio’s in de praktijk vooral gericht blijken te zijn op slim verdelen en water vasthouden. Het ontbreekt tot dusverre nog dikwijls aan voldoende besparingsmaatregelen en de daadwerkelijke omslag naar passend landgebruik wordt maar spaarzaam gemaakt. De inzet op het zuinig omgaan met zoetwater zal gepaard
86 | Ontwerp-Nota Ruimte
In de veenweidegebieden wordt daarom toebewogen naar hogere (grond)waterstanden, met het oog op de Europese water-, natuur- en klimaatdoelstellingen en om negatieve effecten van en afwenteling door bodemdaling tegen te gaan. Belangrijk daarbij is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de agrariërs in het gebied. Door gebiedsgericht verantwoord toe te bewegen naar een hoger waterpeil met een grondwaterstand van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie en de omstandigheden van het watersysteem, wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en de uitstoot van broeikasgassen wordt gereduceerd. Daarbij geldt nadrukkelijk dat, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied, kan worden gedifferentieerd. Dat betekent dat in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd naar beneden kan worden afgeweken van het uitgangspunt van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld. (Mede)overheden, in het bijzonder de waterschappen die verantwoordelijk zijn voor de peilbesluiten, geven hier met betrokkenheid van agrariërs en anderen invulling aan. Zij beschikken met elkaar immers over de benodigde kennis van het gebied. Bij deze ontwikkeling minimaliseren we de aanvoer van gebiedsvreemd water.
En door het realiseren van ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water waardoor de afhankelijkheid van de zoetwateraanvoer vanuit het hoofdwatersysteem in droge perioden beperkt is. Een andere maatregel in dit verband is het verhogen van de grondwaterpeilen in de hoge zandgronden met, zo mogelijk en als uitgangspunt, 10 tot 50 centimeter. Onder andere de bodem samenstelling, omstandigheden van het watersysteem en gebiedsspecifieke behoeften zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden. Daarom geldt ook hier dat (mede)overheden met betrokkenheid van agrariërs gebiedsgericht tot invulling komen van het verhogen van het grondwaterpeil en hier in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd van kunnen afwijken. Daarnaast verbeteren we de hydrologische condities en beperken we grondwateronttrekkingen in en rond Natura 2000-gebieden op de hoge zandgronden. Deze combinatie van maatregelen dient ter voorkoming van verdroging. Bovendien wordt ingezet op herstel van beekdalen op zandgronden, voor het verbeteren van de waterbeschikbaarheid, waterkwaliteit en infiltratie. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferzones aan weerszijden van de beek en waar mogelijk een meer natuurlijke waterloop door hermeandering. Kennis van historische bekensystemen kunnen daarbij behulpzaam zijn.
Zo draagt dit bij aan het bereiken van waterkwaliteitsdoelen gecombineerd met andere doelstellingen op het gebied van natuur en waterberging. Duurzame relatie met de (toekomstige) water- en bodemcondities Er wordt gestreefd naar een duurzame relatie tussen ruimtelijke functies en de (toekomstige) condities van het water- en bodemsysteem. Dit maakt het systeem als geheel robuuster. Door bijvoor-
Ontwerp-Nota Ruimte | 87
beeld bij landbouw versterkt in te zetten op maatregelen die de beschikbaarheid van zoetwater vergroten of de water- en bodemkwaliteit verbeteren, wordt niet alleen het water- en bodemsysteem toekomstbestendig, maar verbeteren ook de condities voor de landbouw zelf. Groenblauwe dooradering speelt daarbij een belangrijke rol. Door een robuuster en breder verbonden watersysteem, met ruimte voor natuurlijke oevers, verbetert bovendien de waterkwaliteit.
Verbeteren van de regionale bodem- en ondergrondcondities Een gezonde, veerkrachtige bodem Naast het regionaal in balans brengen van zoetwatervraag en -aanbod, willen we ook dat de gezondheid van de bodem op orde is. Er is sprake van toenemende bodemdegradatie vanwege structurele verstoringen door grondbewerking, verdichting, verontreiniging, verzuring en afdekking. Een gezonde bodem werkt juist als spons voor een grotere bergingscapaciteit van oppervlakte- en grondwateren, is beter bestand tegen hitte en verdroging, houdt koolstof en stikstof vast en draagt bij aan de biodiversiteit en waterkwaliteit. Om dit te kunnen bereiken, is het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodem positief benut wordt en dat bij de inrichting en het gebruik de toestand van de bodem zoveel mogelijk verbeterd wordt. Zo wordt toegewerkt naar gezonde bodems. Tevens is van belang dat we inzetten op het beperken van bodemdaling, onder andere om funderingsschade en maatschappelijke kosten te beperken. Bovendien moet er sprake zijn van een goede balans tussen beschermen en benutten van de bodem. Hierin is ook goede afstemming met de ruimtelijke inrichting en ordening bovengronds en ondergronds nodig. We beschermen grondwaterbeschermingsgebieden voor de drinkwaterproductie en we zetten er in op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit, zodat we onze drinkwaterbronnen veiligstellen.
De grondwaterbeschermingsgebieden worden uitgebreid, het aantal gebieden neemt toe en we stimuleren de ontwikkeling van nieuwe drinkwaterbronnen om te voldoen aan de stijgende drinkwatervraag. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van grondwater, oppervlaktewater en alternatieve bronnen. We voorkomen verontreiniging van (grond)water en behouden zo mogelijk de aanwezige afsluitende en filterende bodemlagen. Voor een bestendige grondwateronttrekking werkt het Rijk met provincies aan het opstellen van een grondwateronttrekkingsplafond, waarmee te bepalen is hoeveel grondwater er in een bepaald gebied en in een bepaalde periode onttrokken kan worden. Dit biedt het startpunt voor het vraagstuk rondom de verdeling van het beschikbare grondwater. Regie op de ondergrond In de ondergrond wordt het steeds drukker. We werken daarom aan meer regie op de ruimtelijke ordening van de ondergrond. Hierdoor kan de diepe en ondiepe ondergrond duurzaam benut worden voor activiteiten zoals geothermie en bodemenergie en worden drinkwaterbronnen, grondwatervoorraden voor toekomstig gebruik en de grondwaterkwaliteit beschermd. We zetten in op het slim scheiden van functies om daarmee méér maatschappelijke opgaven te realiseren.
Voorbeelden van een slimme scheiding zijn het schuin boren voor geothermie onder grondwatervoorraden voor drinkwater en warmteopslag (< 500 meter) in combinatie met diepe geothermie (> 1.500 meter). Het Rijk continueert en herijkt de Structuurvisie Ondergrond in de programma’s Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond en Bodem, Ondergrond en Grondwater (BOG). Daarnaast zal het programma BOG vanaf 2026 werken aan gezonde bodems, een efficiënt en duurzaam ingerichte ondergrond en een duurzame balans van het grondwatersysteem. Hierbij wordt verdere invulling gegeven aan de structurerende keuzes en maatregelen voor bodem, ondergrond en grondwater en worden de Nationale Grondwaterreserves geborgd. Ook wordt benodigde regelgeving aangepast via het Programma Herijking Bodemregelgeving.
Aanpassen aan veranderende water- en bodemcondities Het verbeteren van de water- en bodemcondities is slechts een deel van de oplossingsrichting. Een ander deel gaat over het aanpassen aan de veranderende (toekomstige) condities. De veranderende gebiedskenmerkende watercondities zijn ten behoeve van het kaartbeeld bij deze bouwsteen grofweg onderverdeeld in ‘nattere omstandigheden’, ‘drogere omstandigheden’ en ‘zoutere omstandigheden’. Overal is sprake van combinaties van deze opgaven. En hoewel er regionaal grote verschillen kunnen bestaan, zijn aan de hand van een stapeling van de conditiebepalende factoren (denk aan gebieden met veel kwel, of juist een hoge capaciteit voor wegzijging, of gebieden met verzilting) wel dominante richtingen te herkennen. Neem als voorbeeld ‘zoutere omstandigheden’. Verzilting komt in Nederland vooral door indringend zeewater en door zout of brak grondwater dat
88 | Ontwerp-Nota Ruimte
omhoogkomt (zoute kwel). Door zeespiegelstijging neemt de kweldruk op het grondwatersysteem bovendien toe. Plekken waar zoute omstandigheden (gaan) domineren zijn dus vaak te vinden aan de kust en in droogmakerijen. Tegelijkertijd kunnen dit ook gebieden zijn die steeds droger worden, bijvoorbeeld omdat er zeer beperkte aanvoer van zoetwater is vanuit het hoofdwatersysteem. Of juist natter, omdat er bijvoorbeeld sprake is van veel kwel of een relatief hoge grondwaterstand, met een beperkte bergingscapaciteit als gevolg. Voor de bodemcondities wordt in het kaartbeeld bij deze bouwsteen onderscheid gemaakt naar ‘bodemdaling door veenoxidatie’, ‘bodemvruchtbaarheid en bodemstructuur’, ‘gevoeligheid voor erosie’, ‘verdichtingsrisisco’ en ‘uitspoelingsgevoeligheid’. Ook daarvoor geldt dat tijdig aanpassen aan de veranderende condities is vereist, om zeker te zijn van een duurzaam landgebruik en toekomstbestendige bedrijfsvoering. Om tijdig te kunnen anticiperen, vragen we alle land- en watergebruikers om rekening te houden met periodes van extreme droogte, watertekorten, wateroverlast en verzilting, en zelf maatregelen te nemen om daar beter tegen bestand te zijn. Bijvoorbeeld door aanpassing van landgebruik of bedrijfsvoering.
Hiertoe worden regio’s gevraagd om samenhangende strategieën op te stellen aan de hand van passende gebiedsindelingen, waarmee de samenhangen in het water- en bodemsysteem hanteerbaar kunnen worden gemaakt voor een meer integrale regionale en lokale afweging. We kijken en denken als Rijk mee vanuit de samenhang tussen regio’s, regio-overstijgende vraagstukken en het bijdragen aan de benodigde randvoorwaarden. Aan de hand van de hierboven aangekondigde integrale beschrijving van de regionale water- en bodemsystemen (in relatie tot het hoofdwatersysteem, kunnen de condities en uitdagingen per deelgebied en de onderlinge samenhang tussen gebieden in verband worden gebracht met het landbouw- en natuurperspectief ter plaatse. Op die manier kunnen landgebruik en natuurontwikkeling daadwerkelijk worden aangepast aan de fysieke condities. Bij dit alles is van belang dat landbouwgronden op de juiste wijze worden beheerd. Beheer dat gericht is op het verminderen van verontreinigingen, verstoring en verdichting en streven naar extra koolstofvastlegging. Zo wordt uitspoeling van nutriënten en chemische stoffen tegengegaan, onder meer om een goede kwaliteit van (drink)waterbeschikbaarheid te borgen.
Om zich goed aan te passen aan de (veranderende) water- en bodemcondities, is het voor de sectoren energie en economie van belang dat slimme locatiekeuzes van nieuwe grote (industriële) watervragers worden bevorderd. Jaarrond kan de beschikbaarheid van (brak/zout) (koel) water alleen gegarandeerd worden langs de kust. Landinwaarts kunnen tijdens warme, droge zomers zoetwatertekorten ontstaan en kunnen beperkingen gelden voor het lozen van koelwater vanwege waterkwaliteit en -temperatuur. Watergebruikers kunnen hierop inspelen, bijvoorbeeld door bij locatiekeuze locaties te mijden waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd. Zo worden grote elektrolysers nu al bij voorkeur aan de kust gepland. Hierdoor kan bijvoorbeeld versterkt worden ingezet op het gebruik van (gedemineraliseerd) brak of zout water als koel- en proceswater. Watergebruikers kunnen bovendien met de bedrijfsvoering inzetten op minder watergebruik (bijvoorbeeld door technieken als circulair watergebruik en alternatieve koelsystemen), waardoor ook watergebruikers landinwaarts weerbaarder worden tegen zoetwatertekorten. Wat precies onder grote watervragers wordt verstaan, is nog onderdeel van een nadere uitwerking.
Nieuwe industriële bedrijvigheid moet bovendien rekening houden met minder mogelijkheden voor grondwateronttrekking en (koel)waterlozingen en strengere regelgeving voor bodembescherming. Aanpassen aan de condities van het water- en bodemsysteem betekent ook dat vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen of bepaalde energievoorzieningen, bij voorkeur op plekken worden gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling, en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Of zo worden ontworpen dat met deze omstandigheden optimaal rekening wordt gehouden, doordat het ontwerp minimaal gericht is op het voorkomen van uitval bij (zware) wateroverlast en op snel herstel na een overstroming. Daarnaast moet goed rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor (piek)waterberging. Die gebieden zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen.
Ontwerp-Nota Ruimte | 89
Regionale systemen in balans (water) Deze kaart duidt de veranderende condities van het water- en bodemsysteem met nadruk op de watercondities. De kaart toont daarnaast een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden, die indicatief is voor een nog verder uit te werken regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem.
Veranderende condities van het water- en bodemsysteem Toenemende vernatting (door kwel en peilopzet) Toenemende bodemdaling Toenemende verzilting Toenemende verdroging Hoe groter en dikker de cirkel, hoe meer lagen met bovenstaande kenmerken op één plek samenkomen. De cirkels laten dus zien waar meerdere van deze thema’s tegelijk spelen.
We werken toe naar een regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Ter illustratie is een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden (binnen Nederland) weergegeven. Landschapstypen Hogere (zand)gronden Beekdalen en broekgebieden Dekzandgebieden Stuwwalgebieden Oost-Nederlands Plateau Keileem- en dekzandgebieden Lössterrassen Rivierklei Komgebieden Stroomruggen Rivierterrassen Riviervlakten Zeeklei Jonge zeekleipolders Kwelderbekkens en -wallen Nieuwlandpolders Oudlandpolders Droogmakerijen
90 | Ontwerp-Nota Ruimte
Veenbodems Veenderijen Veengebieden van de waarden Noord- en West-Nederlands veenlandschap Duinlandschap Jonge duinen Strandwallen en oude duinen Duinen en wadden
Regionale systemen in balans (bodem) Deze kaart duidt de veranderende condities van het water- en bodemsysteem, met nadruk op de bodemcondities. De kaart toont daarnaast ter illustratie een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden, waarmee we de opgave om toe te werken naar een regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem duiden.
Veranderende condities van het bodemsysteem Toenemende bodemdaling door oxidatie veen Dalende bodemvruchtbaarheid en verslechterende bodemstructuur Toenemend risico op wind- en/of watererosie Toenemende ondergrondverdichting Toenemend risico op verzuring Toenemende uitspoelingsgevoeligheid grond Toenemende verzilting Hoe dikker de cirkel, hoe sterker de veranderende conditie is op die locatie. De grootte van de cirkels helpt om zichtbaar te maken waar er meerdere veranderende condities spelen in één gebied, en geeft niet per se een prioritering aan. We werken toe naar een regionale gebiedsindeling op basis van de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Ter illustratie is een aan het PBL ontleende indeling van afwateringsgebieden (binnen Nederland) weergegeven. Landschapstypen Hogere (zand)gronden Beekdalen en broekgebieden Dekzandgebieden Stuwwalgebieden Oost-Nederlands Plateau Keileem- en dekzandgebieden Lössterrassen Rivierklei Komgebieden Stroomruggen Rivierterrassen Riviervlakten Zeeklei Jonge zeekleipolders Kwelderbekkens en -wallen Nieuwlandpolders Oudlandpolders Droogmakerijen
92 | Ontwerp-Nota Ruimte
Veenbodems Veenderijen Veengebieden van de waarden West-Nederlands veenontginningslandschap Noord-Nederlands veenontginningslandschap Duinlandschap Jonge duinen Strandwallen en oude duinen Duinen en wadden
Waterkalender Het is belangrijk dat overheden, burgers en bedrijven tijdig worden voorzien van informatie over veranderende water- en bodemomstandigheden, zodat zij rekening kunnen houden met water en bodem. Een waterkalender kan daarbij helpen, zoals de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) adviseert. Dit instrument kan tijdig publiek beschikbare informatie over veranderende waterstaatkundige condities samenbrengen, met als doel overheid en samenleving in staat te stellen toekomstbestendige ruimtelijke keuzes te maken in het licht van klimaatverandering. Het is van groot belang dat de beschikbare data ook zorgen voor betrouwbare en bruikbare informatie. Voor strategische keuzes van overheden, burgers en bedrijven is het van belang om te zorgen voor een gelijk speelveld waarbinnen de interpretaties van de informatie tot een zorgvuldige en geaccepteerde afweging leiden en zorgen voor gelijke kansen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de mogelijkheden voor betaalbare hypotheken, verzekeringen en investeringsmogelijkheden toegankelijk blijven voor alle betrokkenen.
Keuzes •
• •
•
•
•
•
• •
•
•
•
Omdat zoetwater niet meer vanzelfsprekend overal en altijd beschikbaar is, is het van belang dat, in lijn met de voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer, wordt ingezet op besparen, vasthouden en bergen. De regionale systemen zijn hierbij het uitgangspunt. Vraag en aanbod van zoetwater worden regionaal meer in balans gebracht. Gelet op de beperkingen ten aanzien van zoetwaterbeschikbaarheid, dienen alle watergebruikers rekening te houden met periodes van extreme droogte, watertekorten, wateroverlast en verzilting, en zelf maatregelen te nemen om daar beter tegen bestand te zijn. Bijvoorbeeld door aanpassing van landgebruik of bedrijfsvoering. Bij de ruimtelijke inrichting moet de watervraag beter aansluiten op de (teruglopende) beschikbaarheid vanuit het systeem. Grote nieuwe watervragers worden niet gepland op locaties waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd. Zo worden grote elektrolysers nu al bij voorkeur aan de kust gepland, omdat hier zout en brak water kan worden ontzilt en gebruikt. Het is van belang om grondwaterbeschermingsgebieden ten behoeve van drinkwaterproductie te beschermen, de grondwaterkwaliteit te verbeteren en aanvullende nieuwe drinkwaterbronnen te ontwikkelen. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van grondwater, oppervlaktewater en alternatieve bronnen.
Om de veerkracht van de regionale systemen te vergroten, dient de gezondheid van de bodem op orde te zijn. Dit betekent dat bij de ruimtelijke inrichting en het gebruik de toestand van de bodem zoveel mogelijk verbeterd wordt. We benutten de potentie van bodem en ondergrond voor onder andere bodemenergiesystemen, geothermie, winning en opslag van delfstoffen en CO2 en de aanleg van infrastructuur. Door de ondergrond ruimtelijk te ordenen, kan deze duurzaam benut worden voor activiteiten zoals geothermie en worden tegelijkertijd drinkwaterbronnen, grondwatervoorraden en grondwaterkwaliteit beschermd. Voor landbouw en natuur wordt gezocht naar een duurzame aanpassing aan de (toekomstige) condities van het water- en bodemsysteem. Dit maakt het systeem als geheel robuuster. We bevorderen kansen voor het verbinden van natuurontwikkeling aan maatregelen binnen het water- en bodemsysteem. Combinaties kunnen bijvoorbeeld gevonden worden bij de inzet op meer groenblauwe dooradering, of met maatregelen vanuit het programma Ruimte voor de Rivier 2.0. We zetten in op herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit en infiltratie. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferzones aan beide zijden van de beek. We verhogen de grondwaterpeilen in de hoge zandgronden met, zo mogelijk en als uitgangspunt, 10 tot 50 centimeter.
Onder andere de bodemsamenstelling, omstandigheden van het watersysteem en gebiedsspecifieke behoeften zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden. Daarnaast verbeteren we de hydrologische condities en beperken we grondwateronttrekkingen in en rond Natura 2000-gebieden op de hoge zandgronden. Deze combinatie van maatregelen dient ter voorkoming van verdroging. In de veenweidegebieden wordt toebewogen naar hogere (grond)waterstanden, met het oog op de Europese water-, natuur- en klimaatdoelstellingen en om negatieve effecten van en afwenteling door bodemdaling tegen te gaan. Belangrijk daarbij is om perspectief te kunnen blijven bieden aan de agrariërs in het gebied. Door gebiedsgericht verantwoord toe te bewegen
94 | Ontwerp-Nota Ruimte
naar een hoger waterpeil met een grondwaterstand van 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie en de omstandigheden van het watersysteem, wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en de uitstoot van broeikasgassen gereduceerd.
6.4.3
Bouwsteen: klimaatadaptieve inrichting Richting Een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting We hebben steeds vaker te maken met extreme weersomstandigheden, zoals lange periodes van droogte of juist overvloedige neerslag. Door klimaatverandering zullen deze weersextremen naar verwachting nog vaker voorkomen. We zullen daardoor nog vaker te maken krijgen met wateroverlast, hitte en droogte. Dat is van grote invloed op de leefomgeving en levert risico’s op voor onder andere economie, gezondheid en veiligheid. Extreme neerslag kan bijvoorbeeld leiden tot schade aan gebouwen en (vitale) infrastructuur, vaker voorkomende langdurige hittegolven zetten de gezondheid en leefbaarheid in de bebouwde omgeving onder druk, en droogte kan leiden tot problemen met de zoetwaterbeschikbaarheid en schade aan funderingen. We moeten hierop voorbereid zijn en ons, indien nodig, aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Een sterke inzet op klimaatadaptieve ruimtelijke ordening en inrichting helpt ons daarbij. In 2026 wordt een geactualiseerde Nationale Klimaatadaptatie Strategie (NAS) opgeleverd. De NAS schetst een samenhangende aanpak, richting en routes om Nederland klimaatbestendig te maken. In de NAS zijn doelen geformuleerd voor infrastructuur, zoetwaterbeschikbaarheid, gezondheid, wonen, cultureel erfgoed, landbouw en natuur. Daarbij is samenwerking met de medeoverheden essentieel.
In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie werken gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen aan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Daarbij is bijzondere aandacht voor vitale en kwetsbare functies, omdat bij een overstroming of door extreem weer belangrijke voorzieningen kunnen uitvallen. Klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting houdt in dat bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving systematisch rekening wordt gehouden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Het doel is om de negatieve maatschappelijke gevolgen te beperken en een goede kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. Dit vraagt om een integrale benadering waarbij sectorale opgaven, onder meer op het gebied van water, bodem, landbouw, natuur, erfgoed, economie, energie, mobiliteit en verstedelijking, nauw met elkaar worden verbonden. Het betekent ook dat gevolgbeperkingen bij de locatiekeuze van ruimtelijke plannen expliciet van tevoren inzichtelijk worden gemaakt en worden meegenomen in de ruimtelijke afwegingen. Klimaatadaptieve inrichting is bovendien niet alleen beperkt tot de (dicht)bebouwde omgeving, maar geldt net zozeer voor het landelijk gebied.
Er wordt dan ook ingezet op klimaatadaptieve ontwikkeling in het hele land, niet alleen op plekken met verhoogde risico’s vanuit het water- en bodemsysteem. Voor de gebouwde omgeving helpt het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving daarbij. Het is bedoeld als ondersteunend instrument voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het instrument dient als hulpmiddel en maakt inzichtelijk waar het beste gebouwd kan worden, gegeven de plaatsgebonden risico’s vanuit het water- en bodemsysteem (wateroverlast, bodemdaling, et cetera). Specifiek voor nieuwe ontwikkelingen biedt de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving handvatten. Die definieert voor nieuwbouw wat onder klimaatadaptief bouwen en inrichten wordt verstaan en bestaat uit kwalitatieve doelen, kwantitatieve prestatie-eisen en richtlijnen voor de thema’s overstromingen, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling. De maatlat geeft dus aan hoe er klimaatbestendig ingericht en gebouwd kan worden. Het gaat dan niet zozeer om bouwtechnische eisen aan het gebouw zelf, maar vooral om gebiedsmaatregelen en om de inpassing van het gebouw. Bij een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting is van belang dat de veerkracht van de fysieke leefomgeving wordt vergroot.
Bijvoorbeeld door bij de inrichting van de openbare ruimte voldoende groenvoorzieningen op te nemen die zowel ruimte bieden voor recreatie, als voor wateropvang en hittereductie. Uitwerking hiervan vindt plaats in de programmatische aanpak Groen in en om de
Ontwerp-Nota Ruimte | 95
Bouwsteen: klimaatadaptieve inrichting Deze kaart duidt indicatief de verschillende type plekken en verschillende typen condities op basis waarvan maatregelen voor een klimaatadaptieve inrichting kunnen worden genomen.
Houd rekening met het reserveren van ruimte Reserveer ruimte rondom primaire keringen (dijken en duinsysteem) voor toekomstige versterkingsopgaven Beperkingen landaanwinning en bouwwerken IJsselmeergebied Bestaande reserveringszone voor binnendijkse ruimte rivieren* * In het kader van programma Ruimte voor de Rivier 2.0 zal de ruimtelijke reservering geactualiseerd worden Zoekgebieden voor (piek)waterberging langs NZK/ARK Klimaatadaptief ontwikkelen Gebieden die > 20 centimeter kunnen overstromen Bodemdalingsgevoelige gebieden In dichtbebouwde stedelijke gebieden Kwetsbare (vrij afwaterende) stedelijke gebieden Bedrijventerreinen, inclusief havens en kassen Kansen voor infiltratie regenwater (aanvullen grondwater en verhogen waterbergend vermogen) Bij bestaande en toekomstige infrastructuur (wegennet) Bij bestaande en toekomstige infrastructuur (spoornet) Bij bestaande en toekomstige infrastructuur (hoofdstructuur energie-infrastructuur)
96 | Ontwerp-Nota Ruimte
Stad (GIOS). Of denk aan inzet op een robuuste groenblauwe dooradering van het landelijk gebied, waarbij landbouw en natuur meer verweven zijn en de condities zowel voor het water- en bodemsysteem als voor de landbouw en natuur verbeteren.
Keuzes • •
Klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting heeft gevolgen voor de keuze waar we nationaal sturen op gewenste ruimtelijke ontwikkeling, waar we regionaal de gewenste bouwopgaven organiseren en hoe we geplande projecten vormgeven. Nieuw te ontwikkelen bouwlocaties moeten beter bestand zijn tegen problematiek als wateroverlast, waterveiligheid, bodemdaling, hittestress en drinkwaterbeschikbaarheid. Daarnaast is toenemend van belang dat we een gezonde bodem behouden door efficiënt ruimtegebruik, minimaliseren van bodemafdekking en daar waar mogelijk herstellen van de bodemkwaliteit. Door de bodem duurzaam te beheren zijn we daarnaast beter bestand tegen klimaateffecten door verbeterde sponswerking, wordt meer CO2 opgeslagen en wordt bijgedragen aan de vastlegging van stikstof. Daarbij zetten we in op zoveel mogelijk hergebruik van grond en realisatie van (inheems) stedelijk groen. Zo bevorderen we de gezondheid van bodems, verbeteren we de leefbaarheid van de stedelijke omgeving en benutten we kansen voor toekomstbestendig bouwen en functiecombinaties met natuur en recreatie. Dit draagt bij aan de strijd tegen wateroverlast en hittestress en daarmee vergroten we de leefbaarheid. Door op plekken met gunstige water- en bodemcondities te bouwen, kunnen we sneller en goedkoper woningen of andere functies ontwikkelen.
Bouwen op locaties met een grote(re) uitdaging blijft mogelijk, maar hier is dan vaak extra tijd, geld en expertise voor nodig om een project te realiseren. Bouwen op verstandige locaties betekent dat we locaties zoals buitendijkse gebieden vermijden wanneer daar ruimte voor de rivier moet zijn, net als andere gebieden die zeer kwetsbaar zijn. Dit kan bijvoorbeeld een beekdal zijn, of een plek met een groot risico op wateroverlast en bodemdaling. Daarnaast accepteren we voorwaarden voor locaties die kwetsbaar zijn. Hier kiezen we voor klimaatadaptief bouwen en inrichten om klimaateffecten op de omgeving te minimaliseren.
•
• •
•
•
•
• Niet alleen uitbreidingslocaties vragen om aandacht. In steden een dorpen merken we nu al de gevolgen van hitte, droogte, wateroverlast, verminderde biodiversiteit en bodemdaling. In bestaand stedelijk gebied dient schade door bodemdaling zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door te investeren in ander grondwaterbeheer of het vervangen van schade gevoelige elementen door bodemdalingsbestendige alternatieven.
Bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving wordt systematisch rekening gehouden met de huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Gevolgbeperkingen bij de locatiekeuze van ruimtelijke plannen worden expliciet van tevoren inzichtelijk gemaakt en worden meegenomen in de ruimtelijke afwegingen. Vitale en kwetsbare functies, zoals ziekenhuizen, worden bij voorkeur op plekken gepland die minder kwetsbaar zijn voor wateroverlast en bodemdaling en zo min mogelijk overstromingsrisico’s kennen. Het ontwerp is minimaal gericht op het voorkomen van uitval bij (zware) wateroverlast en op snel herstel na een overstroming. Er wordt ingezet op klimaatadaptieve ontwikkeling in het hele land, niet alleen op plekken met verhoogde risico’s vanuit het water- en bodemsysteem. In bestaand stedelijk gebied dient schade door bodemdaling zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door te investeren in ander grondwaterbeheer of het vervangen van schadegevoelige elementen door bodemdalingsbestendige alternatieven. We streven bij nieuwe bebouwing naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Daarbij zetten we in op zoveel mogelijk hergebruik van grond en realisatie van (inheems) stedelijk groen.
Zo bevorderen we de vitaliteit van bodems, verbeteren we de leefbaarheid van de stedelijke omgeving en benutten we kansen voor toekomstbestendig bouwen en functiecombinaties met natuur en recreatie. Voor de gebouwde omgeving helpt het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving bij klimaatadaptieve ontwikkeling. Dit is bedoeld als ondersteunend instrument voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Specifiek voor nieuwe ontwikkelingen biedt de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving handvatten. Niet zozeer voor bouwtechnische eisen aan het gebouw zelf, maar vooral voor gebiedsmaatregelen en om de inpassing van het gebouw. De beschikbaarheid van voldoende drinkwater en de zuiveringscapaciteit van rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn belangrijke randvoorwaarden bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties. We zetten daarom versterkt in op het besparen van zoetwater, beschermen grondwaterbeschermingsgebieden en verbeteren de grondwaterkwaliteit ten behoeve van drinkwaterproductie en stimuleren de ontwikkeling van nieuwe drinkwaterbronnen. Drinkwaterbedrijven dienen tijdig bij ruimtelijke planvorming te worden betrokken.
Naast ruimtelijke ordening en een slimme, klimaatbestendige inrichting van onze (openbare) ruimte, vraagt ook de bescherming van de vitale en kwetsbare functies (zoals netwerken en ziekenhuizen) en crisisbeheersing extra aandacht in stedelijk gebied, waar niet middels preventie de risico’s naar een acceptabel niveau verminderd kunnen worden. Drinkwatervoorziening en stedelijke waterkwaliteit De beschikbaarheid van voldoende drinkwater en de zuiveringscapaciteit van rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn belangrijke randvoorwaarden bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties. Het is belangrijk dat provincies en gemeenten bij verstedelijking, woningbouw- en gebiedsplannen vroegtijdig aandacht hebben voor de beschikbaarheid van drinkwater in de regio. Dit vraagt om afstemming met de drinkwaterbedrijven en het bevoegd gezag in hun regio, vanwege hun plannen voor het uitbreiden van drinkwaterbronnen. Vroegtijdige afstemming is nodig, omdat het proces om nieuwe bronnen te selecteren en te benutten en de productiecapaciteit te vergroten veel tijd vergt. Daarbij is het belangrijk dat nieuwe drinkwaterbronnen voor grondwater en oppervlaktewater op tijd worden aangewezen, en voor optimaal gebruik ruimte wordt gemaakt voor bescherming van deze drinkwaterbronnen. Hierbij moeten ruimtelijke keuzes en afwegingen worden gemaakt tussen landbouw, natuur, woningbouw, economie en energie.
We verbeteren en beschermen de waterkwaliteit ook in stedelijk gebied. Er wordt uitvoering gegeven aan de strengere kwaliteitseisen voor de inzameling en behandeling van stedelijk afvalwater. Hiermee dragen we bij aan de KRW-doelen, de verbetering van zwemwater en de bescherming van drinkwaterbronnen. Dit betekent meer inspanningen voor gemeenten (riolering) en waterschappen (zuivering van rioolwater). Het Rijk zal de komende jaren werken aan de implementatie van de herziene richtlijn in nationale wetgeving.
98 | Ontwerp-Nota Ruimte
Ontwerp-Nota Ruimte | 99
6.5
Overzicht integrale keuzes Water en bodem Bouwsteen: toekomstbestendig hoofdwatersysteem •
•
•
Om in de toekomst ruimte te hebben voor de afvoer van hoogwater en het voorkomen van overstromingen, wordt er voldoende binnen- en buitendijkse ruimte gereserveerd voor het hoofdwatersysteem. Die ruimte is bijvoorbeeld nodig voor rivierverruimingen en dijkversterkingen. Er wordt geen nieuwe bebouwing meer toegestaan in de uiterwaarden die vallen onder de BGR. Tijdelijke functies of passende functiecombinaties, zoals voor energie-infrastructuur, kunnen onder voorwaarden wel toegestaan worden. Hierdoor wordt voorkomen dat toekomstige rivierverruimingen of dijkversterkingen niet onnodig duur of zelfs onmogelijk worden gemaakt. Om wateroverlast, ook door afwatering van het regionale systeem op het hoofdwatersysteem, tegen te gaan, wordt (lokaal) voldoende ruimte gereserveerd voor (piek)waterberging, onder meer aan de hand van de zoekgebieden bij het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal. Er wordt naar gestreefd om in diepe polders vijf tot tien procent ruimte te reserveren voor (piek) waterberging, en ontwikkelingen op gronden die geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Het hoofdwatersysteem zal in een andere verhouding komen te staan tot de regionale watersystemen: – Dit betekent dat er in principe niet geïnvesteerd wordt in technische maatregelen om vanuit het hoofdwatersysteem (zoet)water te brengen naar gebieden waar dat (op termijn) niet houdbaar is; – Doordat regionaal meer ruimte wordt gemaakt voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk water, blijft vanuit het hoofdwatersysteem meer zoetwater beschikbaar om in te kunnen spelen op de veranderende omstandigheden zoals een toenemende watervraag voor het tegengaan van verzilting of peilopzet en om gebieden die al sterk afhankelijk zijn van het hoofdwatersysteem te kunnen blijven voorzien. – Voor onze zoetwatervoorziening en waterveiligheid is het van belang dat de huidige zoetwatervoorraad en de waterbergingscapaciteit van het IJsselmeer en Markermeer niet te veel wordt verkleind en dat er kansen worden verkend voor het vergroten van de buffercapaciteit. Terughoudend zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen is daarom geboden. Binnendijks wat binnendijks kan. Tegelijkertijd zijn woningbouwinitiatieven langs de randen van de meren mogelijk. De huidige regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bieden hiervoor de kaders aan gemeenten.
• •
•
•
•
Bouwsteen: klimaatadaptieve inrichting • • •
Bouwsteen: regionale systemen in balans •
• •
•
•
•
•
Omdat zoetwater niet meer vanzelfsprekend overal en altijd beschikbaar is, is het van belang dat, in lijn met de voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer, wordt ingezet op besparen, vasthouden en bergen. De regionale systemen zijn hierbij uitgangspunt. Vraag en aanbod van zoetwater worden regionaal meer in balans gebracht. Gelet op de beperkingen ten aanzien van zoetwaterbeschikbaarheid, dienen alle watergebruikers rekening te houden met periodes van extreme droogte, watertekorten, wateroverlast en verzilting, en zelf maatregelen te nemen om daar beter tegen bestand te zijn. Bijvoorbeeld door aanpassing van landgebruik of bedrijfsvoering. Bij de ruimtelijke inrichting moet de watervraag beter aansluiten op de (teruglopende) beschikbaarheid vanuit het systeem. Grote nieuwe watervragers worden niet gepland op locaties waar op lange termijn de zoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd. Zo worden grote elektrolysers nu al bij voorkeur aan de kust gepland omdat hier zout en brak water kan worden ontzilt en gebruikt. Het is van belang om grondwaterbeschermingsgebieden ten behoeve van drinkwaterproductie te beschermen, de grondwaterkwaliteit te verbeteren en aanvullende nieuwe drinkwaterbronnen te ontwikkelen. Om de veerkracht van de regionale systemen te vergroten, dient de gezondheid van de bodem op orde te zijn.