CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoek Joods vastgoed samenvatting

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 8 september 2022, gemeente Delft1.952 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

4762870

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft Samenvatting van het onderzoeksverslag Ingrid van der Vlis en Kees van der Wiel

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

1

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

Samenvatting van onderzoeksverslag Gemeentelijk beleid t.a.v. Joods onroerend goed in Delft Ingrid van der Vlis en Kees van der Wiel

Opdracht De gemeente Delft gaf het Stadsarchief Delft in 2021 opdracht om onderzoek te laten doen naar het gemeentelijk beleid ten aanzien van onteigening en aankoop van Joods onroerend goed tijdens de Tweede Wereldoorlog, en het rechtsherstel daarvan na de oorlog. En in verband daarmee het gemeentelijk beleid ten aanzien van (na)heffingen voor lokale belastingen.

Conclusie De gemeente Delft heeft tijdens de oorlog geen onteigende Joodse woningen gekocht, wel vijf percelen land van twee Joodse eigenaren die door de Duitse bezetter gedwongen waren hun bezit te verkopen. Over deze percelen vond in 1948 met een schikking rechtsherstel plaats. Het lijkt erop dat specifiek gemeentelijk beleid voor Joodse teruggekeerden of hun erfgenamen in Delft afwezig was. Rechtsherstel volgde louter de nationale wetgeving. Het duurde vaak jaren – soms tot tien jaar toe – voordat rechtsherstel was verleend. De inning van lokale belastingen ging al die tijd gewoon door. Het lijkt erop dat net als in andere steden ook hier de gemeentelijke (belasting)portefeuille leidend was. Zover nu bekend voelde de gemeente geen enkele noodzaak om eventueel ontstane belastingschulden kwijt te schelden en voerde zij dus een strikt juridische redenatie. Dit in tegenstelling tot het Rijk die in bepaalde gevallen wel de onroerendgoedbelasting kwijtschold. De vraag of er ook specifiek náheffingen werden geheven, kan op basis van dit onderzoek niet beantwoord worden.

2

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

Inleiding Het voor u liggende stuk is een samenvatting van een door de historici Ingrid van der Vlis en Kees van der Wiel samengesteld onderzoeksverslag. Omdat er in Delft niet eerder onderzoek is verricht naar dit specifieke onderwerp en gezien de beschikbare onderzoektijd zijn de conclusies uit het onderzoeksverslag indicatief. Het verslag geeft voor zover mogelijk antwoord op de volgende deelvragen: 1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? 2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? 3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? 4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? 5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog beschouwden 34 inwoners van Delft zichzelf lid van de Joodse gemeente. Toen in januari 1941 het nazibestuur verordende dat alle Joden en personen met ten minste één Joodse grootouder zich moesten laten registreren, telde Delft ongeveer 300 Joodse burgers. De nazibezetter ging immers niet uit van lidmaatschap van een Joodse gemeente, maar van afstamming. Deze 300 Delftenaren vielen ten prooi aan de anti-Joodse maatregelen die gedurende de oorlogsjaren uitgevaardigd werden.

Van het niet mogen meerijden met de tram tot het uiteindelijk weggevoerd en vermoord worden in de vernietigingskampen. Met een reeks maatregelen werd Joden alles afgepakt wat zij bezaten. Voor dit onderzoek zijn vooral twee maatregelen uit 1941 van belang: - de gedwongen verkoop van landbouwgrond (Verordnung 102/1941) Joden die landbouwgrond bezaten, moesten dat laten registreren en vóór 1 september 1941 verkopen. Het geld dat zij daarvoor ontvingen, vloeide via onder beheer gestelde rekeningen naar de Duitse bezetter. - de gedwongen registratie van grond- en huizenbezit (Verordnung 154/1941) Joodse eigenaren moesten hun huizenbezit inclusief hypotheken laten inschrijven bij de Niederländische Grundstücksverwaltung, waarna ze er geen enkele zeggenschap meer over hadden. Voor het te gelde maken van het geconfisqueerde huizenbezit nam de bezetter beheerders in de arm. Deze beheerders verhuurden of verkochten het onroerend goed, vaak aan NSB-sympathisanten. Bij verkoop werd de transactie vermeld in de zogenoemde Verkaufsbücher.

3

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

1. Wie waren de Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft? De Verkaufsbücher vermelden 19 verschillende Joodse eigenaren die samen 29 Delftse panden bezaten. In de boeken staan echter alleen de verkochte panden, terwijl uit andere onderzoeken blijkt dat lang niet al het onteigende onroerend goed verkocht werd. Ook bleken er foutieve vermeldingen te zijn van panden die niet verkocht waren of ontbraken de gegevens van panden die juist wel verkocht waren. Grondbezit stond evenmin in de Verkaufsbücher vermeld, terwijl ook daar na de oorlog rechtsherstel op van toepassing was. Aanvullend onderzoek in de kohieren van de gemeentelijke straat- en rioolbelasting (Stadsarchief Delft), in dossiers van ontrechte eigenaren en oorlogskopers bij het Beheersinstituut van de Raad voor het Rechtsherstel (Nationaal Archief), in het kadaster en op het digitale platform Joods Monument leverde bij elkaar een vrijwel volledig overzicht van het onteigende onroerend goed van Joodse eigenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Delft op. Het is mogelijk dat bij nader onderzoek nog een enkel perceel of een nu nog onbekende eigenaar opduikt, maar het lijkt uitgesloten dat dit om meer dan een marginaal aantal zal gaan.

In totaal waren er 32 Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft: 30 eigenaren van in totaal 73 kadastrale percelen (soms meerdere woningen) 17 Delftenaren 12 hebben de oorlog niet overleefd 5 hebben de oorlog overleefd 13 niet-Delftenaren 4 hebben de oorlog niet overleefd 9 hebben de oorlog overleefd 2 eigenaren van in totaal 16 percelen grond 2 niet-Delftenaren 2 hebben de oorlog overleefd Het overzicht leidt tot de volgende constateringen. Huiseigenaren vormden een kleine minderheid binnen de groep van ca. 300 Joodse inwoners. Onder de eigenaren bevonden zich Joodse burgers met enkel een eigen woonhuis, maar ook Joodse burgers met meerdere huizen, winkelpanden en/of percelen grond. Van de Joodse eigenaren woonde bijna de helft buiten Delft, veelal in Den Haag, Rijswijk of Rotterdam. De helft van de 32 ontrechte eigenaren is tijdens de oorlog vermoord; een enkeling stierf een natuurlijke dood. In totaal betrof het onteigende Joods onroerend goed in Delft: 73 kadastrale woningen (die soms meerdere woonadressen konden bevatten) 29 werden na onteigening verkocht 44 werden na onteigening niet verkocht 16 percelen grond 16 werden na registratie gedwongen verkocht Het merendeel van de onteigende bezittingen werd niet verkocht, maar alleen verhuurd. Het onderscheid tussen Delftse en niet-Delftse eigenaren leek hierbij geen doorslaggevende rol te spelen.

4

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

2. Hoe was het beheer en de teruggave van Joods bezit na de oorlog formeel geregeld? De door de Nederlandse regering ingestelde Raad voor het Rechtsherstel was vanaf augustus 1945 verantwoordelijk voor de afwikkeling van het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer. Deze wet regelde het ongedaan maken van Duitse verordeningen, waardoor onder meer koopovereenkomsten van onteigend onroerend goed nietig werden verklaard. Door de eigendomspositie te herstellen, kwam het bezit met terugwerkende kracht terug bij de rechtmatige eigenaar. Dat hield in dat ook alles wat ná de ontrechting was gebeurd weer op conto van de eigenaar kwam. Deze had recht op alle huur- en pachtinkomsten vanaf het moment van ontrechting, maar was ook verantwoordelijk voor de gemaakte kosten aan afgeloste hypotheken, onderhoud en gemeentelijke belastingen. De regeling was gericht op herstel, niet op compensatie. Wanneer een rechtsherstelprocedure was afgerond, betrof dat een administratieve correctie: administratief rechtsherstel, niet automatisch moreel rechtsherstel. Voor een goed inzicht in de complexe materie van rechtsherstel en de impact op individuele Delftse Joodse burgers en hun nabestaanden, zijn zeven cases zo volledig mogelijk uitgewerkt. Uit deze persoonlijke verhalen blijkt dat na vaak lange en taaie procedures de status quo meestal niet hersteld was.

Los van alle persoonlijke verliezen en emotionele schade bleek het vermogen danig aangetast. Of het onroerend tijdens de oorlog verkocht was, maakte daarbij niet zoveel uit. Ook nietverkochte eigendommen werden immers in mei 1945 veelal door anderen bewoond of waren zodanig onttakeld dat de kosten voor achterstallig onderhoud nauwelijks te dragen waren voor wie berooid en beroofd terugkeerde.

3. Hoe ging de gemeente Delft om met Joodse teruggekeerden en hun nabestaanden? Bij het rechtsherstel speelde de gemeentelijke overheid geen formele rol. Dat neemt niet weg dat Joodse overlevenden of hun erfgenamen vaak wel in eerste instantie voor praktische hulp bij gemeentelijke diensten aanklopten. Zover nu uit de onderzochte cases blijkt, liepen de Delftse teruggekeerden daarbij soms tegen een muur van bureaucratie aan. De gemeente maakte – net als de landelijke overheid – bewust geen uitzondering voor Joodse slachtoffers. Zij wilde niet discrimineren zoals de Duitse bezetter had gedaan. Iedereen stond aan hetzelfde loket bij terugkomst. De gemeentelijke instanties deden wat tot hun takenpakket hoorde, maar ook niet meer dan dat. De zeven cases geven met elkaar een goede eerste indruk van de naoorlogse situatie voor teruggekeerde Joden in Delft. Het is met nadruk een ‘eerste indruk’. Enerzijds omdat het onderzoek laat zien dat vrijwel iedere zaak unieke elementen kende, en anderzijds omdat gezien de beschikbare tijd het onderzoek niet uitputtend kon zijn. Voor dit onderzoeksverslag is bijvoorbeeld niet systematisch gekeken naar de wijze van bejegening door politieagenten, gemeenteambtenaren of andere vertegenwoordigers van de gemeente Delft.

Bij het zoeken naar gegevens over de rechtsherstelprocedures is wel een aantal toevallige vondsten gedaan, die laten zien dat het zinvol kan zijn om de naoorlogse opvang in zijn totaliteit nader te onderzoeken.

5

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

4. Heeft de gemeente Delft tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht van Joodse burgers en heeft daarover rechtsherstel plaatsgevonden? De gemeente Delft heeft tijdens de oorlog geen onteigende Joodse huizen opgekocht. Wel heeft de gemeente in 1941 vijf percelen land gekocht van twee nietDelftse Joodse eigenaren die hun land gedwongen moesten verkopen. Hoewel het wetsbesluit Herstel Rechtsverkeer ook op dergelijke transacties van toepassing was, probeerde het gemeentebestuur in 1945 onder een minnelijke schikking uit te komen. Het redeneerde dat het verlies van de eigenaren niet ten laste van de gemeente mocht komen. Omdat een eenvoudige minnelijke schikking niet lukte, werd de zaak voorgelegd aan de Raad voor het Rechtsherstel. Dat leidde in 1948 alsnog tot een schikking, waarbij de eigenaren en de gemeente Delft het verlies deelden. Geen van beide partijen werd volledig gecompenseerd.

5. Heeft de gemeente Delft de Joodse eigenaren naheffingen opgelegd? Na rechtsherstel waren de rechtmatige Joodse huiseigenaren of hun erfgenamen weer verantwoordelijk voor gemeentelijke aanslagen van straat- en rioolbelasting, ook voor de periode dat hun bezit onteigend was geweest. Uit de bewaard gebleven kohieren blijkt dat de gemeente altijd de opgelegde belastingen ontving, in ieder geval bij de zeven uitgezochte cases. Tijdens de oorlog diende de gemeente de rekeningen in bij de opkopers of bij de beheerder van nog onverkochte panden. Na de oorlog nam het Nederlands Beheersinstituut indien nodig de betalingsverplichting over, in afwachting van teruggave van het onroerend goed aan de rechtmatige eigenaar. Bij de schikkingen na rechtsherstel werden de belastingkosten meegenomen in de kosten-batenanalyse. De gemeente heeft dus gedurende en na de oorlog de gewone heffingen ontvangen en heeft die niet kwijtgescholden. In hoeverre de gemeente achteraf bij rechtsherstelzaken eventuele boetes voor te late betaling oplegde of juist kwijtschold, vraagt nader onderzoek.

Verantwoording Deze samenvatting is gebaseerd op het 22 pagina’s tellende onderzoeksverslag Gemeentelijk beleid t.a.v. Joods onroerend goed in Delft, dat is samengesteld door Ingrid van der Vlis en Kees van der Wiel, d.d. 27-11-2021. Onlosmakelijk onderdeel van dat verslag zijn de bijlagen: A. Overzicht van Joods onroerend goed in Delft B. Overzicht Joodse eigenaren van onroerend goed in Delft C. Zeven cases van Joodse eigenaren van Delfts onroerend goed D. Bronnenoverzicht, incl. overzicht afkortingen. Het volledige onderzoeksverslag inclusief de bijlagen ligt ter inzage bij het Stadsarchief Delft

6

Gemeentelijk beleid naar Joods onroerend goed in Delft

Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Delft Postbus 78, 2600 ME Delft Telefoon 14015 Internet www.delft.nl Februari 2022

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11570155/2