Overzicht technische vragen 25 juni 2026
Tekst van het document
Technische vragen bij Raadsplein donderdag 25 juni 2026 Steller D66
Onderwerp Bijgesteld ruimtelijk kader IKC Cunera
D66
Bijgesteld ruimtelijk kader IKC Cunera
D66
Bijgesteld ruimtelijk kader IKC Cunera
Lokaal Vitaal
Bijgesteld ruimtelijk kader IKC Cunera
Vraag De bouwkosten worden met de BDB-index jaarlijks bijgesteld tot aan het moment van de aanbesteding. Wie is er financieel verantwoordelijk (Tabijn of de gemeente) als de inschrijvingen van de aannemers bij de aanbesteding onverhoopt fors hoger uitvallen dan het maximaal geïndexeerde budget? Tabijn treedt op als bouwheer voor het gehéle gebouw, inclusief de gymzaal. Ligt het financiële risico voor bouwoverschrijdingen van specifiek dit gemeentelijke gymzaaldeel ook 100% bij Tabijn, of blijft de gemeente hier als uiteindelijke financier toch deels risicodragend? De wet eist streng gescheiden geldstromen voor het onderwijsdeel en het kinderopvangdeel. Omdat Tabijn als bouwheer één geïntegreerd gebouw neerzet, hoe is in de afrekening financieel-technisch geborgd dat een eventuele kostenoverschrijding in de private kinderopvang niet ongemerkt wordt weggestreept tegen het publieke bouwbudget voor de school? Er wordt in de stukken gerefereerd aan de kappen op de daken. Wat is de onderliggende keuze om hiertoe over te gaan? En wat zou de hoogte zijn zonder de kappen in beide gepresenteerde plannen.
Pagina 1 van 4
Antwoord Tabijn dient als bouwheer te bezuinigen tot de aanbesteding binnen budget valt. Alleen bij echte grote onvoorziene omstandigheden (zoals de inval in Oekraïne in 2002) zal de raad worden gevraagd extra budget toe te kennen.
Realisatie gymzaal behoort tot het risico van de gemeente.
Vanaf het begin van het ontwerpproces worden de kosten naar rato van de m2's verdeeld over school en kinderopvang.
De afmetingen van het ikc met gymzaal binnen het ruimtelijke kader met een plat dak: De minimaal benodigde hoogte voor een bouwlaag van een IKC bedraagt 3,8 meter van bovenkant vloer tot bovenkant vloer. Hierbij is dan onder de constructieve vloeren beperkte ruimte om installaties in de vorm van luchtkanalen aan te
brengen. Op de bovenste bouwlaag komt vervolgens isolatie en een dakrand waarmee de totale minimale hoogte uitkomt op circa 8 meter voor 2 bouwlagen. Daarboven op komen de luchtbehandelingskasten. Deze zijn doorgaans circa 3 meter hoog. Totale hoogte komt hiermee op 8 meter met plaatselijk 11 meter. De afmetingen van een ikc met verdiepte gymzaal en een plat dak. Ook hier gelden de maten zoals hierboven waarbij een deel van het ikc circa 2 meter hoger komt te liggen omdat hieronder de gymzaal gepositioneerd is. De totale hoogte bij dit deel komt daarmee op circa 10 meter. De luchtbehandelingskasten worden op het lage deel geplaatst zodat dat deel in basis 8 meter hoog is en tpv de luchtbehandelingskasten 11 meter. De keus voor een dak met kapvormen is gemaakt om 3 redenen. Ten eerste geven de kapvormen een dorpskarakter en een vriendelijke uitstraling zoals gevraagd in het ruimtelijk kader. Een tweede argument is het ruimtelijk en technisch inpassen van de luchtbehandelingskast. Deze kan opgenomen worden in de kapvormen. Dit is esthetisch fraaier en zorgt voor minder geluid richting omwonenden. Als laatste is gekeken naar de zichtlijnen vanuit de omwonenden. Aan de buitenzijde van een IKC is de benodigde ruimte tussen plafond en vloer kleiner mbt de installaties. Hiermee kan de kap lager beginnen dan een recht doorlopend plat dak.
Vanuit de directe omwonenden links en rechts van het IKC, de omwonenden die het dichtstbij wonen, is de zichtlijn daarmee beter. Pagina 2 van 4
De hoogtes voor het programma binnen het ruimtelijke kader met kapvorm komen op circa 10 meter hoog tpv de nok, en 8 meter hoog tpv de kilgoot. De hoogtes van het model met verdiepte gymzaal zijn circa 11 meter tpv de hoogste nok en circa 9,5 meter tpv de kilgoot. De nokken tpv het deel waar geen gymzaal zit zijn lager. Ter verduidelijking, het verhoogde deel is tpv het deel waar de gymzaal verdiept zit. Dit is grofweg de helft van het gebouw. We hebben dus niet over de volledige massa de extra hoogte nodig. PRO
Aanvraag vangnetuitkering BUIG 2025
PRO
Aanvraag vangnetuitkering BUIG 2025
Raadsbesluit: in punt 1 onder c is sprake van een kwantitatieve dan wel kwalitatieve beschrijving. In de aanwijzingen van de VNG (zie de link onderaan pag. 2 van de Aanvraag zelf) staat onderaan dat de toelichting zowel kwantitatief als kwalitatief moet zijn. Vanwaar dit verschil en is het niet beter aan te sluiten bij de aanwijzingen van de VNG? De Aanvraag zelf: Pagina 4, Samenvatting onderdeel A: in regel 7 zijn een paar woorden weggevallen die in het Raadsvoorstel wel zijn opgenomen, nl. bij het woord 'taakstelling', t.w. 'huisvesting vergunninghouders' )(dan wel 'statushouders'). Is het niet duidelijker die woorden hier ook op te nemen? Pagina 3 van 4
De maatregelen in de aanvraag zijn zowel kwalitatief als kwantitatief beschreven. Er is dus geen verschil met de VNG.
In de aanvraag wordt de koppeling tussen taakstelling en statushouders duidelijk gemaakt: “Daarnaast gaat het verdeelmodel nog uit van verouderde cijfers met betrekking tot de taakstelling. Deze wordt onvoldoende gecorrigeerd. Voor 2025 betekende dit dat de statushouders die in 2024 en 2025 zijn gehuisvest niet worden meegenomen in de verdeling van het buigbudget. Dit zorgt vooral bij kleinere gemeenten zoals Castricum met relatief weinig bijstandsgerechtigden voor financiële tekorten.”
PRO
Aanvraag vangnetuitkering BUIG 2025
Pagina 8: onderaan deze pagina staat dat de gemeente de objectieve factoren niet kan beïnvloeden en dat d a a r d o o r het budget niet goed aansluit op het werkelijk aantal uitkeringsgerechtigden. Kan nader inzicht gegeven worden in deze gedachtensprong? Betekent dit dat de bedoelde objectieve factoren geen rol zouden mogen spelen?
Pagina 4 van 4
Bedoeld wordt dat het verdeelmodel onvoldoende aansluit bij de werkelijkheid voor de relatief kleinere gemeenten zoals Castricum. Op blz. 4 staat hierover het volgende: “In 2025 laat de gemeente Castricum opnieuw een tekort op de BUIG zien dat de drempel voor een vangnetaanvraag overstijgt en het resultaat is van meerdere samenhangende factoren. Deze factoren zijn grotendeels structureel van aard en deels afhankelijk van regionale en landelijke ontwikkelingen. De nadelige uitwerking van het verdeelmodel leidt voor Castricum al jaren tot een lagere toekenning dan op basis van het aantal bijstandsontvangers verwacht mag worden. Castricum ondervindt grote nadelen van dit verdeelmodel omdat Castricum een kleine gemeente is met een zeer lage bijstandsdichtheid.”