CConstaterende datCastricum
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij beantwoording technische vragen - de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Castricum

Raadsplein 24 oktober 2024, gemeente Castricum36.098 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

in MI n u mi

RAAD14/147 AAN DE RAAD Raadsvergadering d.d Voorstelnummer Portefeuillehouder Carrousel d.d. Afdeling Opsteller

4 december 2014 wethouder E. Hollenberg 20 november 2014 Welzijn V.l. Massée

Onderwerp

Vaststelling nieuwe Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015.

Voorgesteld besluit

De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015 inclusief de bijbehorende bijlagen vast te stellen;

Aanleiding en beoogd effect Op 1 januari 2015 treedt de Wet tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in de onderwijshuisvesting van gemeente naar school in werking. Deze wet is op 6 mei 2014 door de Eerste Kamer aangenomen. De wetswijziging betekent voor de gemeenten dat de zorgplicht voor onderhoud en aanpassing van schoolgebouwen voor primair en speciaal onderwijs vervalt. Voor het voortgezet onderwijs was dat al sinds 1 januari 2005 het geval. Vanaf 1 januari 2015 ontvangen de schoolbesturen de hiervoor benodigde vergoeding rechtstreeks van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Om te voldoen aan de wetswijzingen dient een nieuwe Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015 (hierna te noemen de verordening) vastgesteld te worden. De voorgestelde wijzigingen in de verordening hebben als basis de modelverordening van de VNG en zijn gebaseerd op de afdelingen 'Voorziening in de huisvesting' van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

De verordening is gelijk aan de modelverordening van de VNG waarbij de VNG niet alleen de modelverordening heeft herzien in het kader van de wetswijziging maar ook in tekstueel opzicht en heeft daar waar mogelijk de modelverordening gedereguleerd en vereenvoudigd. De modelverordening van de VNG is in mei-juni 2014 besproken in de Commissie Onderwijs, Cultuur en Sport en de Adviescommissie Gemeenterecht en is vervolgens vastgesteld door de directieraad. De voorgestelde wijzigingen zijn besproken met de PO-raad en VO-raad. Beide organisaties hebben meegedeeld te kunnen instemmen met de voorgenomen wijziging. Ondanks deze instemming is het noodzakelijk dat de voorgenomen wijziging van de verordening wordt voorgelegd aan de schoolbesturen in onze gemeente in het kader van op overeenstemming gericht overleg (OOGO), dat de verordening voorschrijft, én dat de verordening vóór 1 januari 2015 door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Het bedoelde OOGO heeft op 23 september plaats gevonden in BUCH-verband. Het verslag hiervan is als bijlage bij dit raadsvoorstel gevoegd. In de volgende paragrafen leest u meer informatie over: 1. Wijzigingen ten opzichte van oude verordening; 2. Keuzemogelijkheden; 3. Aanvullende toelichting en voorbeelden; 4. Renovatie; 5. kwaliteitsimpuls; 6. Aanpassingen in het kader van het IHP; 7. Toeslag liftinstallatie basisonderwijs; 8. Financiële toelichting.

P a g i n a 1 van 6

1. Wijzigingen ten opzichte van oude modelverordening Wijzigingen als gevolg van de wetswijziging De wetswijziging betekent dat in de verordening de bepalingen vervallen die betrekking hebben op onderhoud en aanpassen van schoolgebouwen en lokalen bewegingsonderwijs. Dit betreft de volgende bepalingen uit de oude verordening: - artikel 2, onderdelen b en c; - artikel 7, lid 2, onder c.2; - bijlage I, deel A, onder 1.9,1.10, 2.9 en 2.10; - bijlage I, deel B, onder 1.9,1.10, 2.9 en 2.10, - bijlage V, onder 1, 2.2 en 2.3. Algehele herziening verordening Voor de algehele herziening van de verordening is uitgangspunt dat de verordening wordt beperkt tot die zaken die in de onderwijswetten worden gevraagd. Als gevolg hiervan is o.a. het artikel dat de mogelijkheid bood om een krediet 'Bouwvoorbereiding' aan te vragen niet meer in de verordening is opgenomen. In plaats daarvan is nu in artikel 3 van de verordening de mogelijkheid opgenomen dat een schoolbestuur een voorbereidingskrediet aanvraagt. Hier wordt later in het raadsvoorstel nader op in gegaan. Daarnaast zijn, in het kader van de deregulering, de bijlagen van de verordening herzien. De bijlagen waren tot op heden per onderwijssector opgesteld.

Nu vanaf 1 januari 2015 geen onderscheid meer bestaat tussen de voorzieningen die een bevoegd gezag van een school voor primair onderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs bij de gemeente kan aanvragen zijn in de nu aangeboden verordening de bijlagen I, III en IV opgesteld op basis van de voorzieningen. Voor zover de criteria die van toepassing zijn voor het beoordelen en vaststellen van de noodzaak van de voorziening niet gelijk zijn, zijn de verschillen tussen de voorzieningen opgenomen. Tot slot is gekozen voor een algehele tekstuele herziening van de verordening.

2. Keuzemogelijkheden De VNG heeft bij het opstellen van de modelverordening keuzemogelijkheden gegeven. Dit om per gemeente lokaal maatwerk mogelijk te maken maar ook om per gemeente de verordening nog verder te dereguleren als het gaat om het weglaten van onderwijssectoren die niet in de gemeente zijn gehuisvest. Hierbij heeft de VNG voorkeursmogelijkheden gegeven die aansluiten bij de 'oude' verordening als het bijvoorbeeld gaat om data, termijnen en afstanden. In de verordening zoals deze nu ter besluitvorming voor u ligt, hebben wij de voorkeuren van de VNG overgenomen waarmee de verordening gelijk is aan de modelverordening van de VNG. Tijdens het BUCH-OOGO is dit besproken. Schoolbesturen zijn hiermee akkoord gegaan. Het gaat om de volgende zaken: Data, termijnen en afstanden: In de oude verordening staan veel data, termijnen en afstanden genoemd. De VNG laat de gemeente de ruimte deze af te stemmen op de eigen wensen en het proces. In overleg met de schoolbesturen is gekozen om dezelfde data, termijnen en afstanden te hanteren. De verschillende onderwijssectoren: In de verordening zijn alleen die onderwijssectoren opgenomen die in de gemeente Castricum aanwezig zijn. Dit is ook de wens vanuit de VNG.

Voor Castricum betekent dit dat in de verordening alleen bepalingen zijn opgenomen voor de volgende onderwijssoorten: school voor basisonderwijs (zoals De Sokkerwei, De Klimop en De Cunera); school voor speciaal onderwijs (De antoniusschool (beschikt over groep 1 t/m 8); school voor voortgezet onderwijs (Jac. P. Thijsse college en het Bonhoeffer College); Leerlingprognoses Artikel 7 stelt dat het bevoegd gezag van een schoolbestuur de aanvraag voor het bekostigen van bepaalde voorzieningen moet onderbouwen met in ieder geval een leerlingenprognose. Om welke voorzieningen het gaat is aangegeven in het eerste lid, onderdeel e, onder 1". In de modelverordening van de VNG is de keuze gegeven om voor het basisonderwijs het bevoegd gezag of het college

Pagina 2 van 6

verantwoordelijk te stellen voor het actualiseren van de leerlingprognoses. Uitgangspunt van de modelverordening is dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor het opstellen van een leerlingprognose. In de verordening zoals deze u wordt aangeboden is deze verantwoordelijkheid dan ook bij de schoolbesturen neergelegd. Dit neemt niet weg dat wij als gemeente ook zelf prognoses laten maken om de ontwikkelingen binnen het onderwijs in de gaten te houden en daarmee in te spelen op de gevolgen van de ontwikkelingen van de krimp van het aantal leerlingen op de basisscholen. In het BUCH-OOGO is hier positief op gereageerd door de schoolbesturen.

3. Aanvullende toelichting en voorbeelden Hieronder wordt een aantal andere onderdelen uit de modelverordening toegelicht en/of voorzien van voorbeelden. Het gaat hier niet om keuzemogelijkheden. Het gaat hier om nieuwe zaken/bepalingen of uitleg van belangrijke procedures die wellicht in de toekomst kunnen gaan spelen. Artikel 3. Voorbereidingskrediet In de herziene verordening is de mogelijkheid tot het aanvragen van het bekostigen van 'bouwvoorbereiding' vervallen omdat dit geen voorziening huisvesting onderwijs is. Wel is in artikel 3 van de herziene verordening de mogelijkheid tot voorbereidingskrediet opgenomen. Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.

Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet. Bouwvoorbereiding betreft de kosten voor het laten onderzoeken (opstellen van een rapport) of het realiseren van een schoolgebouw in een nog te bouwen wijk, mogelijk is. Deze kosten worden dus niet vergoed. Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering Nieuw in dit artikel is de mogelijkheid dat het college heeft om in het overleg over de uitvoering van het programma het feit te bespreken dat het college in de procedure tot het goedkeuren van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Dit kan voor het college aanleiding zijn te besluiten het eerder genomen besluit te herzien. Voorbeeld: Op het programma voorzieningen huisvesting onderwijs 2016 is opgenomen een voorziening die is gebaseerd op het aantal leerlingen (250) op de teldatum 1 oktober 2014 en de op grond van de leerlingenprognose verwachte toename van het aantal leerlingen in de komende jaren. Op de teldatum 1 oktober 2015 blijkt dat het aantal leerlingen niet is toegenomen maar gedaald naar 230.

Op grond van deze afwijkende ontwikkeling kan het college op dat moment het eerder genomen besluit heroverwegen. Een andere mogelijkheid is dat de toegekende (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding kan worden gerealiseerd in een schoolgebouw dat aan het college is overgedragen, maar dat niet bekend was op het moment dat het programma is vastgesteld. In de oude verordening was een dergelijke bepaling niet opgenomen. Artikel 27. Verzoek toestemming college (inzake verhuur) In lid 3 is opgenomen dat het college aan de toestemming tot verhuur de voorwaarde kan verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd. Op dit moment staat dit ook in de oude verordening. W e gaan naar een toekomstbeeld dat veel lokalen leeg komen te staan. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid de lege lokalen te verhuren. Het college kan onder bepaalde voorwaarden een huur voor deze verhuur in rekening brengen bij het bevoegd gezag. Op grond van diverse jurisprudentie is gebleken dat dit zeer moeilijk is. De voorwaarden zijn weergegeven in de toelichting op de verordening en luiden als volgt: 1. het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de huur de gemeente een financieel nadeel leidt; 2. de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies aan inkomsten door de gemeente

P a g i n a 3 van 6

en; 3. de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan onderwijshuisvesting. In BUCH-verband zullen wij in 2015 deze regeling tegen het licht houden en gezamenlijk kijken welke mogelijkheden er zijn en bij welke situaties/scholen aan de voorwaarden kan worden voldaan. Artikel 28. Staat van onderhoud In dit artikel wordt, net als het oude artikel 37, gesproken over achterstallig onderhoud. Achterstallig onderhoud is in principe aan de orde als blijkt dat bepaalde zaken bouwkundig in zo'n slechte staat verkeren dat dit al had moeten zijn uitgevoerd, men constateert bijvoorbeeld vervolgschade. Is het onderhoud uitgevoerd op basis van een meerjarenonderhoudsplan, dan is over het algemeen geen sprake van achterstallig onderhoud. Voorbeeld: - in de meerjarenonderhoudsplanning (MOP) is opgenomen dat een schilderbeurt over één jaar moet worden uitgevoerd; - uit de schouwing van het gebouw blijkt ook niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden (MOP is en blijft een indicatie met een indicatief jaar van uitvoering), - conclusie is dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud. Blijkt echter dat het schilderwerk in zo'n slechte staat verkeert dat het schilderwerk al had moeten zijn uitgevoerd, dan is sprake van een andere situatie en is sprake van achterstallig onderhoud.

Nieuw in dit artikel is de mogelijkheid van het college om te bepalen welk deel van het achterstallig onderhoud voor rekening komt van het bevoegd gezag of dat het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Bijlage I-A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden Vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij het bekostigen van vervanging van (een deel van) het schoolgebouw na een brand kan bijvoorbeeld het totaal afgebrande schoolgebouw, dat geschikt was voor het huisvesten van 250 leerlingen (genormeerde bruto vloeroppervlakte 1.458 m2) worden vervangen door een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte, omdat is vastgesteld dat het aantal leerlingen dat op de betreffende school staat ingeschreven bijv. 210 leerlingen bedraagt en uit de prognose blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren door meer dan 200 leerlingen wordt bezocht.

Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Nieuw in de toelichting op dit artikel is dat nu ook een zinsnede is opgenomen over schade veroorzaakt door nalatigheid. Als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag komen. 4. Renovatie Renovatie is geen voorziening huisvesting onderwijs. Door de staatssecretaris van OC&W is dit ook als zodanig erkend in de toelichting bij de voorgenomen wetswijziging. Achtergrond is dat onderhoudsactiviteiten die op dit moment behoren tot de gemeentelijke zorgplicht vallen onder het begrip 'renovatie'. Te denken valt aan o.a. het vervangen van de kozijnen, leidingen, dak, etc. en de vergoeding voor functionele verbeteringen. De rijksvergoeding voor deze activiteiten wordt met ingang van 1 januari 2015 ondergebracht in de vergoeding materiele instandhouding, die de bevoegde gezagsorganen rechtstreeks van de minister van OCW ontvangen. 5. Kwaliteitsimpuls De toeslag kwaliteitsimpuls zoals deze nu in de oude verordening is opgenomen is wederom opgenomen in de nieuwe verordening. Op deze wijze geven we invulling aan het vastgestelde IHP 2012 én het streven van de gemeente naar een C02-neutrale gemeente.

Het gaat hier om lokaal maatwerk dat niet in de modelverordening van de VNG is opgenomen. Deze bepaling is opgenomen in Bijlage IV onder A.3.7 Toeslag kwaliteitsimpuls duurzaamheid. Het betreft hier een extra normbepaling en is gemeentelijke vrijheid.

Pagina 4 van 6

6. Aanpassingen in het kader van het IHP In de oude verordening was opgenomen dat op grond van de onderwijswetten een schoolbestuur in aanmerking kon komen voor vergoeding van aanpassingen aan een school. Om welke aanpassingen het ging, stond aangegeven in de verordening. Hier stonden niet de aanpassingen bij die waren genoemd in het vastgestelde IHP 2012. Uitvoering van het IHP had daardoor geen juridische grondslag. In juni 2014 is de verordening onder meer op dit punt gewijzigd. Hierdoor is het wel mogelijk om de aanpassingen genoemd in het IHP, via de verordening aan te vragen. De wetswijziging per 1 januari 2015, stelt dat gemeenten niet meer financieel verantwoordelijk zijn voor aanpassingen. Bepalingen over aanpassingen worden dan ook uit de verordening gehaald (zie punt 1 van dit raadsvoorstel) om zo te voldoen aan het gestelde in de wet. Dit betekent dat de aanpassingen uit het IHP ook geen grondslag meer vinden in de verordening. De toevoeging die in juni 2014 is gedaan t.a.v. dit onderwerp, is dan ook nu verwijderd uit de nieuwe verordening. Hierdoor heeft uitvoering van het IHP opnieuw geen juridische grondslag. De wetswijziging is pas op 6 mei door de Eerste Kamer vastgesteld. De modelverordening is daarom pas in augustus naar de gemeenten verstuurd. Dit model heeft tot voor kort nog de nodige juridische wijzigingen ondergaan.

Doordat de definitieve versie van de modelverordening pas in het laatste kwartaal bekend is geworden, is het niet haalbaar een gedegen juridisch onderbouwd voorstel aan u te doen, hoe nu om te gaan met de uitvoering van het IHP. Wij zullen u vóór 31 maart 2015 een voorstel doen omtrent de uitvoering van het IHP. Het gaat hier met name om de volgende voorzieningen: Bouw van twee brede scholen in Castricum oost; Verhuizing van het Kleurenorkest; Brede school ontwikkeling in sporthal De Lelie in Akersloot. Hierbij zullen wij niet alleen ingaan op de juridische staat van het IHP maar ook op de ontwikkelingen van deze onderwerpen sinds de vaststelling van het IHP. 7. Toeslag liftinstallatie basisonderwijs In de oude verordening in bijlage IV was er alleen bij speciaal onderwijs de mogelijkheid om een toeslag voor de bouw van een liftinstallatie toe te kennen. Voor het basisonderwijs was dat niet aan de orde. Bij de bouw van de Paulusschool is gekozen voor het realiseren van een liftinstallatie zodat een extra bouwlaag gerealiseerd kon worden. Normbedrag was hiervoor C 25.000,-. Tegenover deze uitgave stonden meer inkomsten doordat er nu een groter oppervlakte grond vrij kwam voor verkoop voor bouw van woningen. Daarnaast is dit, met het oog op de wetswijziging in het kader van passend onderwijs wenselijk.

Door de komst van passend onderwijs kun je op die manier bij nieuwbouw een gebouw direct rolstoeltoegankelijker maken. Deze toevoeging is ook geadviseerd door de VNG tijdens een landelijke VNG-bijeenkomst en is in elke BUCH-gemeente doorgevoerd. E.e.a. is terug te vinden in Bijlage IV onder A.3.2. (bouwkosten school voor basisonderwijs bij nieuwbouw) en B.3.2. (bouwkosten school voor basisonderwijs bij uitbreiding). NB: Voor het speciaal onderwijs is de hoogte van deze bedragen respectievelijk č 97.598,87 en C 117.312,07. 8. Financiële toelichting De overheveling van het buitenonderhoud en aanpassing aan gebouwen in het primair onderwijs gaat gepaard met de uitname van 158,8 miljoen euro uit het gemeentefonds die rechtstreeks aan de lumpsum van het primair onderwijs wordt toegevoegd. Voor Castricum betekent dit een uitname van C 260.000,-. Dit is al verwerkt in de begroting 2015. De hoogte van de reserve onderwijshuisvesting bedraagt naar schatting op 1 januari 2015 C 3.706.306,-. Hieruit wordt in 2015 C 171.000,- onttrokken voor: Bereikbaarheid scholen Limmen (C 45.000,-) en; Kosten onderhoud gymzalen ( f 126.000,-). Het resterende bedrag van C 3.535.306,- blijft beschikbaar voor de onderwijshuisvesting als het gaat om de ontwikkelingen in het kader van het in 2012 vastgestelde IHP. Dit plan stelt onder meer voor de bouw van twee brede scholen in Castricum oost.

Zoals bij punt 6 besproken is het aan de raad te beslissen over de uitvoering van het IHP.

Pagina 5 van 6

Politieke keuzeruimte De wetswijziging zelf laat weinig politieke keuzeruimte. Door de wetswijziging is de raad verplicht de verordening aan te passen met als uitgangspunt de modelverordening van de VNG. Lokaal beleid/maatwerk is alleen mogelijk als het gaat om normvergoedingenAbepalingen zoals verwoord in Bijlage IV van de verordening, bijvoorbeeld kwaliteitsimpuls. Maar ook als het gaat om de punten hierboven omschreven bij punt 2. Uitvoering geven aan het IHP zoals dat bij vaststelling van de vorige verordening nog werd verwoord in de verordening/bijlagen, daar is juridisch gezien geen plek voor in de verordening. Wel kan de raad o.b.v. het hierboven geschetste voorbeeld bij punt 6, bepalen alsnog uitvoering te geven aan deze zaken. De verordening zoals deze nu voor u ligt, voldoet aan de eisen van de wet, geeft in tegenstelling tot het verleden, ruimte aan het college om eerder genomen besluiten te heroverwegen indien er nieuwe, gewijzigde informatie beschikbaar is en is helderder geformuleerd. Wij stellen u voor om deze verordening als zodanig vast te stellen. Overwegingen van het college Het college stelt u voor akkoord te gaan met dit raadsvoorstel en de nieuwe verordening onderwijshuisvesting vast te stellen.

Communicatie I Vervolgproces Na vaststelling van de verordening door de raad, wordt de verordening digitaal bekendgemaakt via het gemeenteblad van Castricum op www.officielebekendmakinqen.nl. De verordening treedt in werking op 1 januari 2015. De betreffende schoolbesturen ontvangen hier een brief over. Bijlagen Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2014; Verslag BUCH-OOGO 23 september 2014; Vast te stellen nieuwe verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015. Toelichting bij de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015. Achterliggende documenten n.v.t.

Pagina 6 van 6

De raad van de gemeente Castricum gelezen het voorstel van college van 4 november 2014; gezien het advies van de raadscarrousel van 20 november 2014; gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de schoolbesturen van 23 september 2014; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs; besluit vast te stellen de: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Castricum 2015 HOOFDSTUK

1

Algemene

bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet; Aanvrager:: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient; Advies onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; Bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; Lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs; Minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; Overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het primair onderwijs, artikel 94 Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voorgezet onderwijs; Permanent gebouw:

ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; Programma: programma als bedoeld in artikel 96 Wet op het primair onderwijs, artikel 94 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voorgezet onderwijs; School: 1 . school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; 2 . school voor speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; 3 . school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; Tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; Verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; Voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar

noodzakelijk is; Voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is; Voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2. 0

D

C

1 van 28

Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 1". nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 2". uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 3 . het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; 4 . verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school; 5 . terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4 ; 6". inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 7". inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 8 . medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs; b.

herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; d. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening. C

0

0

0

0

0

Artikel 3. Voorbereidingskrediet Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en 2 , kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. C

D

Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen 1. Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1", 2 , 6 en 7 , wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen. 2. Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten. 3. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op BVo (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlak van 2500 m ) respectievelijk 5Jo (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. 0

0

C

2

Artikel 5. Informatieverstrekking Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. HOOFDSTUK

2

Programma

en

overzicht

Parasraaf 2.1 Aanvrasen programma Artikel 6. Indienen aanvraag 1. Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. 2. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling. 3. Aanvragen voor schadevergoeding die volgen uit artikel 2 lid c worden afgehandeld conform de vastgestelde schadeprocedure van de gemeente Castricum.

2 van 28

Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1. Een aanvraag vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd; d. de voorziening die wordt aangevraagd; e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit: 1 . een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 , 2 , 3 , 6 , 7 of 8 , onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld; 2 . als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder V, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld; 3 .

als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting. f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en met 5 , de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd. 2. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 3. Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 0

c

0

C

D

D

0

D

0

D

C

Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 april een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen. Paragraaf

2.2 Overleg

voorafgaand

aan vaststellen

programma

en

overzicht

Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 1. Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid. 2. Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast. 3. Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3: a. de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en b. als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 1. Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 3 van 28

2. Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. 3. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis. 4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 5. Een bevoegd gezag en/of het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting.

Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid. 6. Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid. 7. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies. 8. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid. Parasraaf

2.3 Vaststellen bekostigingsplafond,

programma

en overzicht

Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1. Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening. 2. Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft. Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1. De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten. 2. De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd. Paragraaf

2.4 Uitvoeren

programma

Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering 1. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: a. het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs; b. het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend; c. als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; d. de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien; 4 van 28

e. de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen; f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt; g. de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 Zo (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlak van 2500 m ) respectievelijk 5 Zo (bij grotere projecten) van het geraamde investeringsbedrag. 2. De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 3. Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing. 4.

Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort. a

2

Q

Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes 1. Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend. 2. Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.

Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis. 3. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving. Artikel 15. Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening. Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging 1. Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. 2. De in het eerste lid bedoelde: a. bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk; b. bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd; c.

huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst; d. koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop. 3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door: a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en b. de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college. 5 van 28

4. Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd. HOOFDSTUK Parasraaf

3

Aanvragen

met spoedeisend

karakter

3.1 Aanvraag

Artikel 17. Indienen aanvraag Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 1 week na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Artikel 18. Inhoud aanvraag 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. 2. Het college stelt de aanvrager binnen 1 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. Parasraaf

3.2 Beoordelen aanvraas;

uitvoeren

besluit

Artikel 19. Tijdstip beslissing 1. Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. 2. Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3. Het college stelt de aanvrager binnen 1 week na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis. Artikel 20. Uitvoeren beslissing 1. Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19 eerste lid waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt. 2. Binnen 2 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen een termijn van 2 weken een afschrift aan het college.

De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. HOOFDSTUK Parasraaf

4

Medegebruik

4.1 Medesebruik

en

verhuur

voor onderwijs of educatie

Artikel 21. Aanduiden omstandigheden Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als: a. door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend; b. sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; c. leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school; d. leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of e. een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. 6 van 28

Artikel 22. Omschrijving leegstand 1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte. 2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als: a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren; b. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren. Artikel 23.

Nalaten vorderen Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit. Artikel 24. Overleg en mededeling 1. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10. 2. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen. 3. Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. 4. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval: a. de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd; b. een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; c. het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; d.

het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt; e. de periode waarvoor gevorderd wordt, en f. de ingangsdatum van het medegebruik. Artikel 25. Vergoeding De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd. Paragraaf

4.2 Medegebruik

voor culturele,

maatschappelijke

of recreatieve

doeleinden

Artikel 26. Overleg en mededeling 1. Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag. 2. In het overleg komt in ieder geval aan de orde: a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; c. of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; d. wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen. 3. Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige 7 van 28

overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt. Paragraaf 4.3 Verhuur Artikel 27. Verzoek toestemming college 1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten. 2. Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte. 3. Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd. HOOFDSTUK

5

Einde gebruik

gebouwen

en

terreinen

Artikel 28. Staat van onderhoud 1. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. 2. Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt. 3. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college. 4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. 5. Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt. 6. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is. HOOFDSTUK

6

Slotbepalingen

Artikel 29. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. Artikel 30. Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling. Artikel 31. Intrekken oude verordening De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2014 wordt ingetrokken. Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onderwijshuisvesting 2015 Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 december 2014. de griffier

de voorzitter drs. A. Mans

8 van 28

Bijlage I

Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen

Deel A - Lesgebouwen De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden. A.1 Nieuwbouw Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1 . als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of 2 . als het een voortijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en D

0

d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.2 V e r v a n g e n d e bouw De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: a. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 20 jaar; b. dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; c. dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en: 1 . als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of 2 . als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en e. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en Q

C

f. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.3 Uitbreiding A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als: a. de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en b. daarnaast: 1 . als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, 2 . als het een voortijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of 3 . de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en c.

geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en 9 van 28 C

D

C

d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als: a. de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid; b. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: 1 . als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of 2". als het een voortijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen wor­ den verwacht, en c. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; d. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en e. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. 0

A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als: a. er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien; b. geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; c. het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en d. de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur. A.6 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en met 4 , en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D. 0

0

A.7 Eerste inrichting 1. De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd. 2. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen. A.8 Medegebruik 1. De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en b. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is. 2. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van 1000 meter gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14689029/1