CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Conceptverslag commissie BVM 210125

Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen 25 januari 2021, gemeente Capelle Ad Ijssel11.127 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verslag van de digitale vergadering van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen, gehouden op maandag 25 januari 2021, digitaal via het programma Pexip, aanvang 20.00 uur Aanwezig zijn als: voorzitter volksvertegenwoordigers

de heer mr. P.M.D. Weijers; de heer A. van Bart, raadslid Leefbaar Capelle; de heer drs. M.G. Jaliens, raadslid Leefbaar Capelle; de heer J. Janson, raadslid Leefbaar Capelle; de heer P.G. Holkamp, raadslid D66; de heer M.N. Landzaad MSc LLM, raadslid VVD; de heer dr. M.W. van Buuren, raadslid SGP; de heer S. Geissler, raadslid PvdA, de heer ing. J.F. Breepoel, raadslid SP; mevrouw H.A. Groenendijk-de Vries Med, raadslid ChristenUnie; de heer dr. V. Stevens, burgerraadslid CDA; de heer J.M. Snijders, raadslid GroenLinks;

secretaris

de heer S.G.V. Schouten

griffie

mevrouw drs. T.A. de Mik;

portefeuillehouders

mevrouw A.J. Hartnagel, wethouder; de heer mr. P. Oskam, burgemeester; de heer M. Struijvenberg, wethouder de heer N.C. van Veen, wethouder; mevrouw H.D. Westerdijk LLM, wethouder; de heer M.E. Wilson, wethouder;

Rekenkamer

mevrouw M. Giesen MSc, onderzoeker Rekenkamer; de heer G.J. van Eijk MA, onderzoeker Rekenkamer; de heer drs. P. Hofstra, RO CIA, directeur Rekenkamer;

notulist

de heer A. de Krom (Notuleerservice Dictum).

Op de publieke tribune zijn bij de aanvang van de vergadering geen personen aanwezig.

1. Opening, mededelingen en vaststelling agenda De VOORZITTER opent de digitale vergadering en heet eenieder van harte welkom. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 2. Vaststellen verslagen: - raadsbrede commissie van 24 november 2020; - commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 30 november 2020; - commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 30 november 2020 (besloten) De verslagen worden ongewijzigd vastgesteld.

408485/408500

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 2 van 15

4. Gemeenschappelijke regelingen (MRDH, Veiligheidsregio Rotterdam-Den Haag, IJSSELgemeenten, politie) en corona Veiligheidsregio Rotterdam-Den Haag Burgemeester OSKAM deelt mee dat de brandweercommandant een andere betrekking in Arnhem heeft gevonden. Hij is daarom met de directeur van de Veiligheidsregio in gesprek over een opvolger. 5. Rekenkamerrapport ‘Grip op inkoop’ De VOORZITTER deelt mee dat het rekenkamerrapport conclusies trekt en aanbevelingen doet. Het gehele college is vanavond vertegenwoordigd, evenals de heer Hofstra van de Rekenkamer. Ook een tweetal onderzoekers van de Rekenkamer is ingelogd, mevrouw Giesen en de heer Van Eijk. Eerste termijn commissie De heer JALIENS maakt enkele algemene opmerkingen, staat stil bij enkele hoofdconclusies uit het rapport, de reactie van het college op de aanbevelingen van de Rekenkamer en sluit ten slotte zijn eerste termijn af met enkele opmerkingen. Het college onderschrijft de conclusies van het rapport niet. Een belangrijke kanttekening van het college is dat er onderzoek is gedaan naar vier concrete aanbestedingen. Conclusies kunnen volgens het college dan ook enkel betrekking hebben op de vier onderzochte trajecten en zijdelings op de verbouwing van het gemeentehuis en niet op de algemene inkooppraktijk binnen de gemeente Capelle aan den IJssel.

Hij is van mening dat de uitvoering van het inkoopbeleid en het aanbestedingsprotocol meer omvat dan de vier onderzochte casussen. Het trekken van algemene conclusies uit het uitvoeren van het inkoopbeleid en aanbestedingsprotocol kan en mag naar zijn mening ter discussie worden gesteld. In het algemeen is het de vraag of je naar aanleiding van een onderzoek van vier concrete casussen kan extrapoleren naar algemene conclusies over het algemene inkoopbeleid. Het college geeft in zijn reactie naar zijn mening valide argumenten waarom het voorliggende onderzoek en de daaraan verbonden conclusies zich zouden moeten beperken tot de vier onderzochte casussen. Verder is hij van mening dat de onderzoeksresultaten op vier concrete casussen en de door de Rekenkamer gehanteerde politiek geladen classificaties als ‘onverantwoord’, ‘onvoldoende’, ‘niet goed’, ‘bewust informatie achtergehouden’ en ‘informatie verzwegen’ naar zijn mening en de mening van de fractie van Leefbaar Capelle geenszins gerechtvaardigd zijn. De fractie van Leefbaar Capelle deelt de mening van het college dan ook dat de door de Rekenkamer geuite suggesties ongegrond zijn. Evenals het college is Leefbaar Capelle van mening dat de bestuursstijl in Capelle zich juist kenmerkt door openheid, transparantie en het delen van informatie.

Gezien de aard van de conclusies en de gedane aanbevelingen is het heel goed te begrijpen dat het college de conclusies niet onderschrijft, maar zich wel kan vinden in de aanbevelingen. Dat neemt niet weg dat de zakelijke bevindingen in het rapport kunnen leiden tot aanbevelingen die van meerwaarde kunnen zijn voor het verbeteren van het inkoopbeleid en het aanbestedingsprotocol. Dit dient een continu proces te zijn in een dynamische markt en de evaluatie van uitgevoerde aanbestedingen kan van meerwaarde zijn in dit continue proces. Vervolgens gaat hij in op de hoofdconclusies van de Rekenkamer, waarvan hij enkele de revue laat passeren. Hoofdconclusie 1 is dat het college in een aantal aanbestedingen de opdrachtnemers op onjuiste wijze heeft geselecteerd. Bij de onderzochte bouwwerken verliep de selectie op onverantwoordelijke wijze, met als risico het contracteren van een slechte aannemer. Als de aanbestedingen binnen de geldende aanbestedingsregelgeving, het inkoopbeleid en het aanbestedingsprotocol hebben plaatsgevonden, zoals het college ook aangeeft, vraagt hij zich af wat er dan onjuist en onverantwoordelijk aan is. De dienstverlening rondom de Wmo-hulpmiddelen was gericht op het uitsluiten van een specifieke partij. In de aanbeveling met betrekking tot aanbestedingen beveelt de Rekenkamer aan om passende geschiktheidseisen en uitsluitingsgronden op te stellen.

Bij het aanbesteden van Wmo-hulpmiddelen heeft het college als zodanig gehandeld om uit te sluiten dat slechte partijen zouden inschrijven. Niettemin concludeert de Rekenkamer dat het college een bepaalde partij heeft willen uitsluiten. Hier vindt hij de conclusie en de aanbeveling van de Rekenkamer nogal inherent tegenstrijdig.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 3 van 15

Hoofdconclusie 2 is dat het college onvoldoende lerend vermogen toont ten aanzien van aanbestedingen. Het aanbestedingstraject dat vooraf ging aan de verbouwing van het gemeentehuis is nooit geëvalueerd. Hij vraagt of de Rekenkamer het met hem eens is dat lerend vermogen niet slechts gestoeld hoeft te zijn op een evaluatie. Een evaluatie kan daartoe bijdragen, maar is niet allesbepalend voor het lerend vermogen. Hoofdconclusie 3 is dat het college de bouwkosten van het sportcomplex Aquapelle niet goed heeft beheerst, waardoor mogelijk te veel is betaald voor de bouw. Bij afronding van het bestek was het college al op de hoogte van 41% van de uiteindelijke bouwkostenoverschrijding. Na zijn mening blijkt uit de beantwoording van technische vragen van met name de SGP en de daarbij gevoegde informatie duidelijk dat het college nadrukkelijk stuurde op de bouwkosten, maar geen invloed had op de autonome kostenontwikkeling in een dynamische markt. De kostenontwikkeling is bovendien steeds bezien in relatie tot de kwaliteit van de diverse bouwonderdelen van het bouwwerk. Er is wel degelijk gekeken naar mogelijke bezuinigingsmogelijkheden, blijkt ook uit de informatie, die er nauwelijks waren, zeker bezien in relatie tot de gewenste kwaliteit, veiligheid en de dynamische kostenontwikkeling.

Hij vraagt of de Rekenkamer nader kan toelichten waarom de conclusie is dat de bouwkosten van sportcomplex Aquapelle niet goed zijn beheerst. Hoofdconclusie 4 is dat het college bewust informatie heeft achtergehouden toen de gemeenteraad vroeg om een aanvullend krediet voor de bouw van Aquapelle. Het verzweeg dat in de eigen begroting behorend bij het bestek de bouwkosten al werden overschreden. Dat vindt hij nogal wat: bewust info achterhouden en die verzwijgen. Dat zijn naar zijn mening nogal grote en politiek geladen uitspraken waar Leefbaar Capelle zich volledig van distantieert, zeker gezien de reactie van het college, maar ook de op verzoek van de SGP verstrekte informatie. Naar zijn mening mist de Rekenkamer hier de sensitiviteit van de Capelse politieke cultuur, een cultuur van openheid en transparantie gericht op samenwerking. Hoofdconclusie 5 is dat het college in twee aanbestedingen de kwaliteit onvoldoende heeft gewaarborgd. Bij Aquapelle is niet vastgesteld dat het bouwontwerp voldoet aan alle kwaliteitseisen, voordat het project in de markt werd gezet. Wat deze hoofdconclusie betreft verwijst hij naar zijn opmerkingen over het niet beheersen van de bouwkosten. Vervolgens gaat hij in op de reactie van het college op de aanbevelingen van de Rekenkamer. Aanbeveling 1 is bij aanbestedingen aandacht besteden aan de kwaliteit van de opdrachtnemers.

Dit deel van de aanbeveling acht het college als ondersteuning van het beleid en het zegt toe de beoordeling van de referentieprojecten en tevredenheidsverklaringen beter vast te leggen en op te nemen in het aanbestedingsdossier. Ook de aanbeveling om ook bij andere opdrachtgevers na te gaan of informatie klopt neemt het college over voor zover daar aanleiding toe is en dat ook praktisch mogelijk is. Leefbaar Capelle kan zich vinden in die nuancering van het college. Aanbeveling 2 is aanbestedingsdocumenten te voorzien van passende verantwoordingsafspraken en sancties en na gunning toezicht houden op opdrachtnemers en zo nodig sancties toe te passen. Het college acht deze aanbeveling een ondersteuning van het beleid. Hij vraagt het college hoe het zit in de huidige uitvoering van het inkoopbeleid en aanbestedingsprotocol met de vastlegging waar het gaat om deze aanbeveling en of dat ook onderdeel is van het aanbestedingsdossier. Aanbeveling 3 is zorgen dat aanbestedingen altijd geëvalueerd worden en dit ook als verplichting in het beleid opnemen en protocollen rondom aanbestedingen. Het college neemt die aanbeveling over voor alle EU-aanbestedingen.

In het licht van zijn eerdere opmerking over de dynamische aard van het aanbestedingsbeleid in een dynamische markt, waarin evaluatie een bijdrage kan leveren aan het continu verbeteren van het beleid, doet zich de vraag voor naar de onderbouwing van het college om de evaluatie en de vastlegging daarvan te beperken tot de EU-aanbestedingen. Aanbeveling 4 is een procesbeschrijving voor gemeentelijke taken rondom grote bouwprojecten te ontwikkelen. Het college neemt deze aanbeveling over. Aanbeveling 5 is zorgen dat bij quasi inbesteding afspraken worden gemaakt met betrekking tot de doelstellingen in het beleid en de kosten, zodat ook hier op deze kernzaak gestuurd kan worden. Het college neemt die aanbeveling over bij een volgende quasi aanbesteding, voor zover relevant. Hij vraagt het college wat zijn onderbouwing is om deze aanbeveling niet ook reeds bij de huidige quasi inbesteding alsnog toe te passen. Het college heeft toegezegd de overgenomen aanbevelingen te zullen oppakken en in de eerstvolgende herziening van het inkoopbeleid over te nemen. Hij vraagt het college wanneer die eerstvolgende herziening van het inkoopbeleid en aanbestedingsprotocol is voorzien. In geval van aanbesteding is hij van mening dat altijd financiële gegevens opgevraagd en beoordeeld moeten worden, ook al is sprake van een momentopname. Dan heb je in elk geval dat moment afgedekt.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 4 van 15

Ook bij grote bouwwerken moet altijd de directiebegroting voorafgaand aan het in de markt zetten van het bestek aan de raad worden voorgelegd. Het is zinvol de raad ook te informeren over de indicatieve kostenontwikkeling. De heer STEVENS is benieuwd wat de heer Jaliens vindt van de selectie van de vier casussen. Zijns inziens laten die het wel toe om complexe materie goed uit te diepen. Met de selectie op verschillende typen aanbestedingen en verschillende afdelingen binnen het ambtelijk apparaat is hij wel blij. De heer JALIENS antwoordt dat het begint met wat je gaat onderzoeken. Daar zijn door de Rekenkamer stemkastsessies georganiseerd waaruit een selectie is gemaakt. Opmerkingen maakte hij over conclusies uit vier concrete casussen, die diverse onderdelen uit het inkoopbeleid afdekten. Er blijft echter altijd discussie mogelijk over het extrapoleren van conclusies uit die vier casussen naar algemene conclusies voor het algemene inkoopbeleid. Hij vindt dat het college in dezen valide argumenten aandraagt. De heer HOLKAMP hoorde dat de heer Jaliens zei dat het goed is directiebegrotingen met de raad te delen, wat niet is gebeurd bij Aquapelle. Omdat dat niet is gebeurd stelt de Rekenkamer dat de raad onvolledig is ingelicht.

Hij vraagt of de heer Jaliens van mening is dat het college de directiebegrotingen bij de sporthal-/zwembadcombinatie aan de raad had moeten voorleggen. De heer JALIENS slaat in zijn eerste termijn met name aan op de kwalificatie van bewust informatie achterhouden en verzwijgen. Het was beter geweest als het college de raad over de indicatieve kostenontwikkeling had geïnformeerd. Hij gaat echter niet uit van het door het college de raad bewust onthouden van informatie. Daarom adviseert hij het college in het vervolg directiebegrotingen te delen met de raad om dergelijke kwalificaties in de toekomst te voorkomen. Dat is ook niet de praktijk en not done, gezien de politieke cultuur in Capelle. Met het veranderen van de sfeer in de raad en de openheid van het college is alles gericht op samenwerken. Die politieke cultuur mist hij als het om die kwalificaties gaat. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES hoorde van de heer Jaliens dat er een politieke kleuring is in de manier waarop de Rekenkamer zaken vermeldt. Die benoemt echter feiten die het orgaan is tegengekomen. Als een rekenkamer iets feitelijks ziet zal die dat moeten benoemen. Dat is dan niet meteen politiek gekleurd. De heer Jaliens zegt dat lerend vermogen alleen wordt gekoppeld aan een evaluatie, maar lerend vermogen veel breder is.

De Rekenkamer heeft het volgens haar niet alleen over het lerend vermogen met het oog op die specifieke evaluatie. In de afgelopen jaren heeft zij steeds rekenkamerrapporten voorbij zien komen waarin is gezegd aan de voorkant afspraken te maken, tijdens het proces na te denken over informatievoorziening en vooraf na te denken over mogelijke en nodige sancties. Zij meent dat het juist is dat de Rekenkamer op dat lerende vermogen wijst. De heer JALIENS heeft gesproken over politiek geladen kwalificaties van de Rekenkamer en heeft daarmee niet gezegd dat het rekenkamerrapport politiek gekleurd is. Hij heeft kritiek op de kwalificaties, die hij politiek geladen noemt, met ‘bewust informatie achterhouden’ en ‘bewust de raad niet informeren’. Het gaat er bij hem niet in dat dat bewust is. Daarom maakt hij ook onderscheid tussen politiek geladen kwalificaties van de Rekenkamer en gedane zakelijke aanbevelingen. Het college neemt die zakelijke aanbevelingen ook over, hier en daar met een nuancering. Een evaluatie kan aan het lerend vermogen bijdragen en hij vraagt waarom die niet is gehouden. Het college heeft ook, gezien de antwoorden op de technische vragen van de SGP, aangeboden om de aanbesteding van het gemeentehuis alsnog te evalueren. Dat is wellicht een beetje laat, maar daar bevindt zich ook het lerend vermogen van het college.

Het college geeft ook aan dat ondanks het niet evalueren van die aanbesteding wel degelijk uit de gang van zaken lering is getrokken. Gezien het lerend vermogen bij het inkoopbeleid van de gemeente Capelle, waarbij er een aantal aanbestedingen is geweest volgens de laagste inschrijving en er één ervan fout is gegaan, de aanbesteding van het gemeentehuis. Dan vindt hij dat je uit de voorgaande aanbestedingen wel degelijk kan leren. Dat lerend vermogen komt niet slechts uit de evaluatie van de aanbesteding van het gemeentehuis. Het had goed geweest om dat wel te evalueren, maar op grond van die ene aanbesteding kan met niet constateren dat geen sprake is van lerend vermogen. De heer VAN BUUREN hoorde de heer Jaliens zeggen dat het in andere gevallen goed gaat en vraagt op basis waarvan de conclusie te trekken is dat het alleen in de vier casussen niet goed gaat en in andere gevallen wel. De heer JALIENS stelt de heer Van Buuren dan een wedervraag. Hij zou kunnen vragen waarom op grond van die aanbestedingen men niet zou kunnen concluderen dat ze wel goed zijn gegaan. Uit de aanbesteding van het gemeentehuis weten allen dat het niet goed is gegaan. Dat is echter niet te zeggen van 25 andere aanbestedingen, die op basis van de laagste prijs zijn gebeurd.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 5 van 15

De heer VAN BUUREN vindt die manier van redeneren geruststellend, maar ook discutabel en zal de Rekenkamer hierover straks een vraag stellen. De heer LANDZAAD neemt met interesse kennis van de antwoorden op gestelde vragen door de Rekenkamer en het college. Het voorwoord van het rekenkamerrapport vermeldt dat juist omdat het publiek geld betreft er aan het einde van de dag geen issues meer moeten zijn over de doelmatigheid en rechtmatigheid van de bestede middelen. Toch blijken er in algemene zin vooral met betrekking tot Europese aanbestedingen tal van issues, ook gezien de opmerkingen daarover van de accountant. Aanbestedingen zijn in het algemeen bij veel gemeenten namelijk een speerpunt van de accountant. Hij vraagt of er bij dit onderzoek contact was tussen de Rekenkamer en de gemeentelijke accountant, die een rol speelt bij het beoordelen van rechtmatigheid en doelmatigheid. Verder vraagt hij het college of de accountant ooit vraagtekens heeft gezet bij de rechtmatigheid of doelmatigheid van Europese aanbestedingen van de gemeente. Voorts informeert hij hoe de uiterst kritische bevindingen van dit onderzoek zich verhouden tot de bevindingen van de accountant, die zegt dat het aanbestedingstechnisch in Capelle vaak beter verloopt dan in andere gemeenten die de accountant ook ziet.

De Rekenkamer is kritisch op de wijze van aanbesteden van Aquapelle, op basis van de laagste prijs, die de Rekenkamer onverantwoord noemt. Het college geeft aan dat het op grond van de Aanbestedingswet is toegestaan en noemt ook een drietal argumenten voor deze wijze van gunning: ‘Alle details van de opdracht, kwaliteit, specificaties etc. waren bekend en eenduidig vastgelegd. Er werden nauwelijks of geen kwaliteitsverschillen in de markt verwacht en het ging om standaard werk’. Dat lijken hem valide argumenten om in dit geval voor een gunning op basis van laagste prijs te gaan, maar de Rekenkamer is het daarmee oneens en vraagt zich zelfs af of dat onverantwoord is. Hij vraagt waarom de Rekenkamer een dergelijke vorm van aanbesteding onverantwoord vindt, omdat die ook niet ingaat op de argumenten van het college. Het verbaast hem eens te meer dat de Rekenkamer aangeeft die wijze van aanbesteden onverantwoord vindt, terwijl die wettelijk is toegestaan. Hij is dus benieuwd naar de visie van de Rekenkamer op de inhoudelijke argumentatie van het college op dit punt, welke inhoudelijke reactie hij in het rapport mist.

Bij de vier casussen viel hem een zin op pagina 32 op: ‘Om iets over het inkoopbeleid te kunnen zeggen maakt het dan ook niet uit of je een, vier of twintig casussen onderzoekt.’ Hij vraagt zich af of men uit één casus volgens de Rekenkamer algemene conclusies kan trekken. De heer STEVENS weet dat de Rekenkamer eerst ambtelijke hoor en wederhoor toepast ten behoeve van het vinden van feitelijke onjuistheden. De Rekenkamer geeft aan dat er geen feitelijke onjuistheden zijn geconstateerd. Hij vraagt hoe de heer Landzaad er tegenover staat dat het college geen enkele van de conclusies overneemt, terwijl ambtenaren aangeven dat er geen feitelijke onjuistheden in het rapport staan. De heer LANDZAAD antwoordt dat men onderzoek doet naar feiten en op basis daarvan conclusies trekt. Dat verheft de conclusie zelf nog niet tot feit. Hij heeft een illustratieve vraag gesteld, waarop het college een onderbouwde reactie geeft waarom het een bepaald type aanbestedingsvorm heeft gekozen, met argumenten onderbouwd. In een nawoord is daarop niet gereageerd. Het college heeft niet alle conclusies onderschreven, maar de koppeling met de feiten ziet hij niet helemaal. Er zijn stevige conclusies getrokken op basis van feiten, zoals het bewust achterhouden van informatie en een onjuiste wijze van aanbesteden. Maar niet alle feiten rechtvaardigen misschien die conclusies.

De heer HOLKAMP denkt dat het rapport een totaalbeeld geeft van het reilen en zeilen rondom inkoop en aanbesteding in de gemeente. In de casus over Irado wordt alleen naar de dienstverleningsovereenkomst gekeken, wat volgens hem inkoop op een meer tactisch en uitvoerend niveau is. In het traject daarvoor, de strategische keuze om bij Irado uit te komen, is er wel het een en ander fout gegaan. Hij vraagt waarom die kant van inkoop en aanbesteding juist niet is meegenomen. Er ligt wat hem betreft een scherp rekenkamerrapport voor, met conclusies en aanbevelingen die er niet om liegen. Dat vraagt wat D66 betreft om de inkoop te verbeteren. De vraag is of die maatregelen genomen zullen worden. De stelling dat als de beleidsdoelstellingen gehaald worden de manier waarop er niet toe doet gaat D66 te ver. Het college stelt in hoofdconclusie 1 dat referenties wel worden gecontroleerd en hij vraagt wat er dan wordt gecontroleerd en wordt nagevraagd, hoe dat gebeurt en wat er wordt vastgelegd. Ook vraagt hij waarom de vastleggingen niet in het dossier te vinden zijn.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 6 van 15

Het nagaan van de financiële positie van de opdrachtnemer is naar zijn mening wat gebagatelliseerd. Dat zou een momentopname zijn of moet in verhouding tot de opdracht staan. Hij denkt dat die financiële positie van opdrachtnemers wel altijd nagegaan moet worden, omdat de gemeente wel vaker met aannemers te maken heeft gehad die failliet zijn gegaan. Hij vraagt waarom het college daarop niet strakker wil zitten. Bij hoofdconclusie 1 stelt het college ook zonder evaluatie het geleerde mee te nemen naar nieuwe aanbestedingstrajecten. Hij vraagt hoe het college dan zorgt voor verspreiding van het geleerde in de organisatie, hoe het geleerde zonder vastlegging ervan wordt geborgd en hoe door de jaren heen de rode draad uit de eerdere inkooptrajecten wordt bepaald. Bij de hoofdconclusies 3 en 4 speelt voor D66 de vraag bij de hogere bouwkosten voor Aquapelle waarom wel een directiebegroting is gemaakt, maar met de resultaten daarvan niets is gedaan. Terugkijkend vindt de D66-fractie dat het beter zou zijn geweest de raad van de overschrijdingen van het budget in kennis te stellen. Uit de reactie van het college blijkt een zekere dubbelhartigheid. Dat zegt open en transparant te zijn en informatie te delen, maar juist die tegenbegroting is niet met de raad gedeeld. In de stuurgroep zat wel een scenario om zaken wel terug te melden aan de raad, wat niet is gebeurd.

Hij vraagt hoe dit college een volgende keer zou omgaan met een dergelijke situatie en of het de informatie van een directiebegroting dan wel zou delen. Hij begrijpt niet goed waarom het college de positieve kant van hoofdconclusie 5 niet onderschrijft. De Rekenkamer geeft aan dat het college wel aandacht heeft voor de kwaliteit van de uitvoering, maar het college is het daarmee niet eens. Hij vraagt daarop een toelichting van de wethouder. Informeel informatie verzamelen en het toepassen van sancties zijn de onderwerpen van hoofdconclusies 6 en 7. Soms is het informele passend en soms is het goed zaken formeel vast te leggen, wat blijkbaar onvoldoende gebeurt. Niet goed vastleggen komt hij ook op andere gebieden tegen, zoals bij evaluaties en referenties checken. Zijn vraag is wat het college gaat doen om de inkoop verder te professionaliseren en te zorgen dat vastlegging wel gaat plaatsvinden. Op hoofdconclusie 8 komt hij bij zijn afsluitende opmerkingen terug, met name op het lerend vermogen. De aanbevelingen neemt het college soms deels over, soms geheel. Dat is een positief signaal, wat hij waardeert. Tegelijkertijd bevreemdt het hem wel een beetje. De aanbevelingen komen voort uit de conclusies en hij vraagt waarom het college die dan niet erkent. Dat hoort hij graag van de wethouder.

In het rapport blijkt op een aantal plaatsen de reactie van het college niet aan te sluiten op de constateringen van de Rekenkamer op basis van de ambtelijke input en wederhoor. Dat betekent dat de beleving blijkbaar nogal verschilt tussen het college en de ambtenaren en hij vraagt de wethouder daarop te reflecteren. Als de D66-fractie kijkt naar de reactie van het college op de conclusies en aanbevelingen ziet zij die niet als bereidheid om te leren van het rekenkamerrapport. Geen van de conclusies is geaccepteerd en de aanbevelingen worden soms deels en een enkele keer geheel overgenomen. Dat toont geen college dat voluit bereid is om veel te leren van het rekenkamerrapport. Het college bevestigt daarmee wat hem betreft hoofdconclusie 8, waarin de Rekenkamer stelt dat het college een beperkt lerend vermogen heeft. Dat leidt tot twijfel bij de D66-fractie over hoe het college daadwerkelijk verbeteringen op het gebied van inkoop gaat realiseren. Hij wil daarom dat het college binnen vier maanden een plan van aanpak maakt voor de realisatie van alle aanbevelingen van het rekenkamerrapport, zoals vastgelegd in artikel 10, lid 6 van de Rekenkamerverordening. Dat is dan te bespreken door de commissie en daarna te implementeren. Hij vraagt om een toezegging daarop.

Het persbericht vermeldt dat het college stelt dat de Capelse regels rondom inkoop en aanbesteding bijdragen aan de kwaliteit en de realisatie van de gemeentelijke doelstelling. Het mooie, nieuwe en goed functionerende zwembadcomplex Aquapelle en de continuïteit van de Wmo-ondersteuning laten dat duidelijk zien. Dat klinkt alsof het college niet erom geeft hoe iets tot stand komt als het uiteindelijke resultaat maar goed is. Daarmee heeft hij wat moeite. Van het college als bestuurders van een overheidsorganisatie verwacht hij meer, zoals het tijdig informatie verstrekken aan de raad, doelmatigheid en rechtmatigheid. Wethouder Van Veen gaf aan dat de gemeenteraad altijd goed is geïnformeerd, waarmee naar buiten het beeld is neergezet dat de raad wel degelijk is geïnformeerd over de verwachte budgetoverschrijding van € 1,96 miljoen. Hij vraagt waarom het college zo’n beeld heeft neergezet. De heer STEVENS vraagt of artikel 10 lid 6 van de Rekenkamerverordening genoeg garantie geeft om een terugkoppeling te krijgen over het doorvoeren van dergelijke aanbevelingen als een plan van aanpak wordt opgesteld. Het gaat om monitoren bij een plan van aanpak.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 7 van 15

De heer HOLKAMP antwoordt dat een plan van aanpak laat zien wat het college kan gaan doen, met daarbij een tijdplanning. Als dat in een commissievergadering aan de orde komt kan worden bepaald wanneer een terugrapportage is gewenst. De heer VAN BUUREN vraagt op basis waarvan de Rekenkamer tot de selectie vier casussen is gekomen. Die selectie wordt namelijk gebruikt om een deel van de zeggingskracht van het rapport in twijfel te trekken. Hij vraagt op basis waarvan de vier casussen iets zeggen over de wijze van aanbesteden, de inrichting daarvan en de mate waarom die deugt. Hij vraagt de Rekenkamer toe te lichten hoe ze te werk is gegaan. Hij hecht eraan de Rekenkamer te vragen de kernaanbeveling uit het rapport voor college en raad te formuleren. Wat is het belangrijkste dat raad en college uit het rapport moeten meenemen? Hij vraagt de Rekenkamer vervolgens toe te lichten waarom bij de aanbesteding van Wmo-hulpmiddelen een uitsluitingsgrond verkeerd is geïnterpreteerd. Vervolgens gaat hij in op de wat zuinige reactie van het college op de aanbevelingen. Hij vraagt waar de terughoudendheid vandaan komt om niet breed te kijken naar het hanteren van geschiktheids- en uitsluitingsgronden. Hij is blij met de oproep van de heer Jaliens om meer systematisch te evalueren en vraagt waarom het college het op dat punt zo beperkt.

Ook vraagt hij om de evaluatie van de aanbesteding van het gemeentehuis. Ook aanbesteding via loting vindt hij evalueerbaar. Bij verantwoording van inkoop- en aanbestedingsprocessen en toezicht daarop is het zijn vraag waarom het college niet van plan is die te verbeteren. Ook hij vraagt bij aanbeveling 5 welk deel volgens het college wel en niet relevant is. Verder vraagt hij wat voor het college de belangrijkste call for action (boodschap) uit het rapport is. Zorgen maakt de SGP zich over de wijze van opstelling van de gemeente in zakelijke relaties: informeel en soft. Er wordt weinig opgetreden op basis van gemaakte afspraken. Wellicht heeft het college meer dan voldoende aanwijzingen dat dat niet altijd voldoende is. Waarom verdedigt het college die softe aanpak, terwijl die de gemeente in de weg staat? Voorts baart het hem zorgen dat er geen systematisch zicht is op de kwaliteit van de dienstverlening en de klanttevredenheid, wat heel sterk te zien is bij de Wmo-hulpmiddelen. Er wordt gestuurd op binnenkomende signalen, waarmee veel onder de radar blijft, omdat niet iedereen een raadslid of wethouder belt. Daarom is systematisch zicht op kwaliteit van dienstverlening en klanttevredenheid nodig en hij vraagt waarom daarvoor niet is gekozen. Daarvan kan in de toekomst meer werk gemaakt worden.

Als de kwaliteit achterblijft lijkt het erop dat er weinig zakelijkheid is in het sanctioneren van de contractpartner. Hij informeert of het college het gevaar erkent dat die relatie wat zachtaardig blijft, waardoor het belang van de burgers in het gedrang kan komen. Ook wil hij weten welke lessen het college trekt uit de wijze van selecteren van de aannemer van het gemeentehuis en welke mogelijkheden het ziet om het proces van kwaliteitscontrole en de wijze van kiezen uit inschrijvende partijen te verbeteren. Hij heeft de Rekenkamer gevraagd om een extra onderbouwing van het punt dat de selectiecriteria bij de Wmo-hulpmiddelen gericht waren op het uitsluiten van een specifieke partij. Daarop wil hij ook een reactie van het college, dat van mening is dat dat pertinent niet het geval was en waarom de Rekenkamer wel tot die conclusie komt. In het geval van Irado heeft de gemeente te beperkt werk gemaakt van het vaststellen van het servicenormen. Hij vraagt of het college bereid is daarover na te denken en meer servicenormen vast te stellen, bijvoorbeeld over het percentage van afval scheiden en of met aanvullende normen meer te sturen is op de kostenontwikkeling bij Irado. De SGP was nooit enthousiast over het zwembad Aquapelle.

Het gevoteerde taakstellende budget bleek in 2017 bijna € 2 miljoen te laag en hij vraagt waarom toen al wel direct is gezocht naar bezuinigingen en waarom die vervolgens niet meteen in het bestek zijn verwerkt of aan de raad is gevraagd een andere opdracht te geven. De SGP vermoedt dat ook de politieke lading van een dossier een rol speelt in de afweging om met die informatie al dan niet naar de raad te stappen. Achteraf is gesteld dat sprake was van prijsstellingen vanwege een overspannen bouwmarkt, terwijl vooraf al duidelijk was dat een aantal elementen in het bestek zou zorgen voor hogere kosten. De vraag is dan waarom het college de conclusie van de Rekenkamer zo raar vindt. Prijsstijging had niets te maken met algehele prijsstijging in de bouw, maar in het bestek zat een aantal zaken die de aanbesteding überhaupt duurder zouden laten uitvallen.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 8 van 15

Duurdere installaties en hogere algemene kosten voor winst en risico waren al uit de directiebegroting duidelijk. Toen die hogere kosten naar de raad kwamen werk gezegd dat die te maken hadden met een algemene prijsstijging in de markt. Hij vraagt zich evenals de heer Holkamp af hoe het college nu zou handelen en nu lessen zou trekken. Zeker als het gaat om de wijze waarop het college de kaderstellende rol van de raad en het budgetrecht wil honoreren, ook bij minder politiek gevoelige dossiers als het zwembad. De heer GEISSLER verneemt graag hoe de Rekenkamer de juistheid en volledigheid van haar bewoordingen in het rapport waarborgt als geen separate casestudie naar de verbouwing van het gemeentehuis is uitgevoerd. Verder vraagt hij hoe het college wat betreft de Wmo-hulpmiddelen op andere wijze zijn doelen had kunnen verwezenlijken, zoals door het hanteren van scherpere voorwaarden. Voorts informeert hij of de Rekenkamer meer inzicht heeft gekregen in de redenen waarom de aanbesteding van het gemeentehuis niet is geëvalueerd en dat geen brief is opgesteld waarin leerpunten en aanbevelingen zouden worden verwerkt. Op het gebied van inkoop gaat er volgens de Rekenkamer veel goed in Capelle, maar hij gaat vooral in op de verbeterpunten. Uiteindelijk gaat het erom info te gebruiken om er beter van te worden.

Vaak komt terug dat conflicten gemeen hebben dat onvoldoende afspraken gemaakt zijn om sturend op te treden en om als gemeente op te treden als partijen zich niet aan afspraken houden. Strakke evaluaties ontbreken vaak en overeenkomsten voorzien niet in sancties. Daardoor moet de gemeente terugvallen op wettelijke bepalingen om iets geregeld te krijgen, zoals taakverwaarlozing en wanprestatie. Hij wil daarnaar een keer scherp naar laten kijken om het beter te doen. Bij aanbesteding van werken geeft de Rekenkamer aan dat het college een onverantwoorde aanbestedingsstrategie hanteerde en geen bewijs is getoond dat referenties zijn ingewonnen. De verbouwing van het gemeentehuis is gegund aan een opdrachtnemer die niet aan de minimumeisen voldeed. De evaluatie vond niet plaats terwijl daartoe wel alle aanleiding was. Hij vraagt hoe het mogelijk is dat aangeleverde referenties niet zijn nagegaan en als dat wel is gebeurd, waarom ze niet aan de Rekenkamer getoond konden worden. Hetzelfde geldt voor de aanbesteding van diensten, waarbij de Rekenkamer dezelfde opmerking maakte. Verder vraagt hij of de gemeente vaker een dienst aan een partij gunt terwijl die niet voldoet aan een van de gestelde minimumeisen. Er was alle aanleiding om de aanbesteding van het gemeentehuis te evalueren en hij vraagt waarom dat niet is gedaan en wat het college daarvan leert voor de toekomst.

Over het zwembad schrijft de Rekenkamer dat het budgetrecht in zekere zin werd uitgehold door niet tijdig een extra krediet aan de raad te vragen en het verloop van de aanbesteding af te wachten. De raad kon pas na een half jaar, nadat de aanbesteding al in gang was gezet, bijsturen en versoberen. Maar dan moest wel de aanbesteding worden overgedaan, wat zou leiden tot enorme vertraging in de tijd. Het college verwerpt die vrij wezenlijke conclusie en hij vraagt om het college daarop nog eens te reflecteren en te beoordelen of het dat in de toekomst op een andere manier in te vullen. De PvdA heeft het zwembad altijd gesteund, maar college had de raad wel moeten informeren als bij de directiebegroting al sprake was van een kredietoverschrijding. Daardoor had de raad zijn sturende rol volledig kunnen vervullen. In de onderzochte aanbestedingen is de kwaliteit goed vastgelegd, maar werd nog wel op informele wijze gestuurd. Daarbij ontbreken zaken op schrift, waardoor het lastig is sancties op te leggen en te handelen bij conflicten. Daarop is verbetering nodig. Het college neemt niet alle aanbevelingen over en hij vraagt hoe het college aanbevelingen gaat uitwerken als het raadsvoorstel wordt aangenomen. Dat bevat namelijk een bredere uitleg. Ook wil hij weten hoe het college staat ten opzichte van een opvolgingsonderzoek, waartoe de raad kan besluiten.

De heer BREEPOEL vindt de conclusies ernstig en frappeert het dat het college die niet onderschrijft, maar de aanbevelingen wel, waarop hij een toelichting vraagt. Door de conclusies niet te onderschrijven lijkt het erop dat bij het college het aan lerend vermogen ontbreekt. De heer STEVENS vraagt of het klopt dat ambtenaren geen feitelijke onjuistheden hebben geconstateerd en als dat wel zo is die zodanig zijn verwerkt dat ze in het rapport zijn weggewerkt. Verder vraagt hij de Rekenkamer of een vergelijking nodig was tussen de aanbesteding van het gemeentehuis en de aanbesteding van Aquapelle en waarom het nodig was om die op te nemen.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 9 van 15

Het valt op dat geen enkele conclusie door het college wordt onderschreven, ondanks dat blijkt dat geen ambtelijke onjuistheden zijn geconstateerd, wat hem bevreemdt. Feiten zijn in conclusies omgezet. Uiteindelijk gaat het erom dat zaken al dan niet goed verlopen. Aanbevelingen zijn ondersteunend aan het collegebeleid en hij vraagt wat het daarmee bedoelt (aanbevelingen 1 en 2). Tot slot zijn er geen procedures betreffende het terugkoppelen van het overnemen en doorvoeren van aanbevelingen van de Rekenkamer. De gemeente Utrecht heeft dat terugkoppelingsmechanisme wel. Het college rapporteert daar jaarlijks bij de jaarstukken aan de raad over de stand van zaken van de uitvoering van de raadsbesluiten genomen naar aanleiding van rekenkamerrapporten. Hij vraagt hoe de commissieleden staan tegenover het opnemen van een dergelijke terugkoppelingsbepaling in de Rekenkamerverordening. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES gaat het ook om het lerend vermogen van de raad, die misschien scherper had moeten zijn. Daarbij zou het helpen om à la de gemeente Utrecht te werken met een terugkoppelingsmechanisme. Zij is zeer geïnteresseerd in een evaluatie van de aanbesteding van het gemeentehuis. De Rekenkamer heeft zich stevig uitgedrukt en zij is benieuwd naar een reactie op de suggestie van politieke kleuring van de bewoordingen. Vragen aan het college heeft zij over conclusies 3, 4, 6 en 7.

Het budget voor bouwkosten van een sporthal/zwembadcombinatie was € 10,5 miljoen en de directiebegroting was € 2 miljoen duurder. Bij 10% afwijking moet vooraf afstemming plaatsvinden of een aanbesteding wel door kan en zou men terug moeten gaan naar de raad. De stuurgroep heeft bewust besloten door te gaan op die weg. De markt ontwikkelde zich negatief, zodat een aanbestedingsvoordeel niet was voorzien. Blijkbaar was de realisatie van het zwembad belangrijker dan vooraf het budget goed regelen. Wat voor haar belangrijk is, is te weten wie er heeft besloten door te gaan met het proces. Wellicht heeft het college de raad te laat geïnformeerd. Zij vraagt of het college wist van de overschrijding van € 2 miljoen op de budgetraming en waarom de raad niet is geïnformeerd en om extra budget heeft gevraagd. Het lijkt erop dat het college willens en wetens informatie heeft achtergehouden. Conclusies 6 en 7 gaan over de informatieve verhouding tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer. De Rekenkamer heeft vaker de tip gegeven om vooraf na te denken over ‘zwaar weer’. Een meer zakelijke houding helpt dan. De heer SNIJDERS is best wel geschrokken van het rapport van de Rekenkamer, dat het beeld schetst dat de gemeente niet altijd even verantwoordelijk met aanbestedingen omgaat. Dat beeld probeert het college in zijn reactie te ontkrachten. GroenLinks vindt die reactie zorgelijk.

Allereerst krijgt hij de indruk dat het college en de gemeente aan een gezonde portie reflecterend vermogen ontbreekt. De ambtenaar toetst ook zelf of prestatieafspraken wel worden gehaald, vergelijkbaar met een slager die zijn eigen vlees keurt. Het lijkt hem daarom lastig dat die een goede toetsing kan doen. Het college lijkt zich in geen enkele door de Rekenkamer getrokken conclusie te herkennen, wat hem bevreemdt, aangezien het rapport over de gemeente Capelle aan den IJssel gaat. Verder vraagt hij hoe het kan zijn dat er bij toezicht op de aanbestedingen niet voldoende wordt gerapporteerd. Door de informaliteit is toezicht slecht te toetsen en de raad kan daardoor niet goed worden ingelicht en zijn controlerende taak niet goed uitvoeren. Ook wil hij weten in hoeverre de gemeente contractmanagement gebruikt, waardoor een interne of externe partij kan controleren of afspraken binnen aanbestedingen worden nagekomen, waardoor de kwaliteit beter te waarborgen is en een neutralere schets mogelijk is van zaken die spelen. De suggestie van het CDA en D66 over artikel 10 lid 6 van de Referendumverordening onderschrijft hij. 3. Spreekrecht inwoners De heer WEKKER spreekt in over de Hoven en stelt dat er een aantal inwoners is die vast zitten en niet verder kunnen. Heel jammer is dat bewoners aan hun lot worden overgelaten en geen voortgang ontstaat.

De uitspraak van het kort geding met Havensteder wacht hij nog af en ook vanuit het college is daarvan niets meer te horen. Van de gemeente uit wacht hij eigenlijk op de mogelijkheid weer aan tafel te zitten. Vanuit wethouders ziet of hoort hij echter niets meer. De rechtsprocedure is nu nog de enige weg, wat niet echt is wat hij zich voorstelde en welke route hij wil volgen. Wellicht is er nog persoonlijk contact met raads- en commissieleden mogelijk en hij vraagt in hoeverre de gemeente nog bij de kwestie betrokken is.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 10 van 15

Schorsing 21.45 – 21.55 uur. 5. Rekenkamerrapport ‘Grip op inkoop’ (vervolg) De heer HOFSTRA ziet de kwalificaties ‘onverantwoord’ en ‘bewust niet delen van informatie met de raad’ in het licht van de bevindingen die de Rekenkamer heeft gedaan. Die bevindingen gaan verder dan documentstudie en daarbij gaat het ook om interviews en e-mail. De Rekenkamer heeft een buitengewoon goed beeld van de uitvoering van aanbestedingen en op die basis zijn kwalificaties gekozen. Die kunnen soms hard overkomen, maar ze zijn niet politiek van aard, omdat ze zijn gestoeld op de feitelijke bevindingen van de Rekenkamer. Bij elk onderzoek krijgt de Rekenkamer altijd veel informatie. Er is ook veel medewerking, zodat de Rekenkamer ook een goed beeld heeft. Onverantwoord heeft met name betrekking op het feit dat in de aanbestedingen het loten gecombineerd werd met het gunnen op de laagste prijs. Dat gunnen op de laagste prijs is alleen maar verstandig als alle aanbiedingen kwalitatief gelijk zijn, wat bij loten niet aan de orde is. Daarom heeft de Rekenkamer hier gekozen voor de kwalificatie ‘onverantwoord’. Loten is goed en gunnen op de laagste prijs ook, maar de combinatie van loten en gunnen op laagste prijs vindt de Rekenkamer onverantwoord. Bij de aanbesteding van Wmo-hulpmiddelen was er een sanctiemechanisme gericht op het uitsluiten van een specifieke marktpartij.

Dat is op basis van feiten vastgesteld. Er was een boete in de aanbestedingsstukken opgenomen die in de ogen van de betrokken ambtenaren disproportioneel was. die boete had als doel om één partij te ontmoedigen. Dat is niet in de geest van de Aanbestedingswet. De heer LANDZAAD ziet in het nawoord van het rekenkamerrapport niets over onverantwoord zijn van een combinatie van gunning via loting en de laagste prijs. Alleen is vermeld dat gunning op de laagste prijs van Aquapelle onverantwoord is. De heer HOFSTRA laat weten dat er bij Aquapelle maar één aanbieder was wat niet de intentie is van een aanbesteding. Bedoeld was een combinatie te maken van gunning tegen de laagste prijs en loting en dat is onverantwoord. Hij snapt de gevoeligheid rondom de constatering dat er bewust informatie is achtergehouden. Die constatering is echter niet politiek bedoeld, maar gebaseerd op de feiten, zodat er maar één te hanteren kwalificatie voor is. De Rekenkamer heeft die gebaseerd op bevindingen die zijn gedaan op basis van documentstudie, e-mail en interviews. Het is mogelijk dat in bepaalde gevallen de aanbesteding en contractbeheer goed zijn verlopen. Het is echter een misvatting dat de Rekenkamer slechts conclusies kan trekken over onderzochte casussen. Bewust heeft de Rekenkamer gezocht naar een goede spreiding van de te onderzoeken casussen.

Die zijn gespreid naar type aanbesteding (werken en diensten), de aanbestedingssom (klein en groot), de wijze van aanbesteding (quasi-inbesteding, Europese aanbesteding en meervoudig onderhandse aanbesteding) en aanbestedingsstrategieën (openbaar en niet openbaar). Daarnaast zijn casus-specifieke conclusies, zoals 3 en 4 over Aquapelle, ook gemeentebrede conclusies getrokken (5, 6 en 7). Die laatste conclusies steunen op patronen die in casussen naar voren komen, wat het waarschijnlijk maakt dat ze ook in brede vorm naar voren komen, ook bij niet onderzochte casussen. Om in brede zin iets te zeggen over het aanbestedingsbeleid maakt het dan eigenlijk niet uit of je een, vier of twintig casussen onderzoekt. Als het beleid en de uitvoering in brede zin op orde zouden zijn, dan had dat moeten blijken uit de onderzochte casussen. Elke tekortkoming is aanleiding om het inkoop- en aanbestedingsbeleid en de uitvoering aan te passen. Het bestaande beleid heeft die niet kunnen voorkomen. Daarom heeft de Rekenkamer conclusies 5, 6 en 7 naar de gehele organisatie verbreed, omdat het daar gaat om patronen. Dat geldt niet over de specifieke conclusies 3 en 4 over Aquapelle, die niet breder zijn getrokken. De heer Jaliens vroeg of een evaluatie eigenlijk wel nodig is.

De Rekenkamer vindt de evaluatie buitengewoon belangrijk om het transparant en zichtbaar te maken en daarover te communiceren. Het college kan van mening zijn dat het beter kan, maar dat moet dan wel gestoeld zijn op een duidelijke analyse op basis van waarvan richtingen worden aangegeven hoe het beter kan. In een communicatieslag heb je nadrukkelijk evaluaties nodig. Een evaluatie is dus nadrukkelijk nodig om het lerend vermogen verder invulling te kunnen geven, wat in dezen niet is gebeurd. De heer Landzaad stelde een vraag over eventueel contact met de accountant, ook naar aanleiding van het voorwoord, dat hijzelf als directeur heeft geschreven. Het voorwoord is een beetje vanaf afstand geschreven om het Capelse onderzoek in een bredere context te plaatsen. In algemene zin is de problematiek rond aanbestedingen vaak aanleiding voor accountants om een niet goedkeurende verklaring of een verklaring met beperkingen af te geven. Die problematiek is geschetst. Niet is geschetst of bedoeld dat het op dit punt mis zou zijn in Capelle.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 11 van 15

Capelle heeft namelijk een goedkeurende controleverklaring van de accountant gekregen, maar in zijn algemeenheid is dat wel een behoorlijk issue. Daarbovenop komt nog een aantal zaken die niet goed zijn verlopen en verbetering behoeven. Het was niet nodig om contact met de accountant te zoeken. Hij wijst er ook op dat onverantwoord en niet verstandig niet hetzelfde betekent als onrechtmatig en in strijd met de wet. Daarop is hij zojuist als uitvoerig ingegaan in de aanbestedingsprocedure bij de combinatie tussen loting en aanbesteden tegen de laagste prijs. Dat is wel in lijn met de Aanbestedingswet. De heer Van Buuren heeft gevraagd naar de belangrijkste aanbevelingen voor raad en college. Essentieel is de informatievoorziening aan de raad. Het college, dat de uitvoering doet, kan altijd fouten maken, maar in het kader van het besturingsgeheel, checks and balances, is het essentieel dat de informatievoorziening naar de raad zonder problemen plaatsvindt. De Gemeentewet spreekt over een passieve informatieplicht voor het college en een actieve informatieplicht voor de raad, wat wil zeggen dat het college alles moet leveren waarvan het het gevoel heeft dat het belangrijk is voor de raad. Zonder een goed lopende informatievoorziening van college naar de raad gaan checks and balances minder goed werken.

Daarnaast is er sprake van een wat informele wijze van sturing, een conclusie die de Rekenkamer niet voor de eerste keer trekt. Aan die sturingswijze zitten ook goede kanten. De Rekenkamer wijst erop dat er ook een downside zit aan informele sturing, die te maken heeft met gebrek aan zakelijkheid. Het gebruik van sancties en klachtenregelingen is nodig om een goed beeld te krijgen bij de doelgroepen. Dat is ook een belangrijk verbeterpunt de komende tijd. Als je zaken die niet helemaal goed zijn verlopen niet goed evalueert leer je niets. Er worden altijd fouten gemaakt. Lerend vermogen is buitengewoon belangrijk en kan optreden bij evaluaties. Dat is de kern van de verbeterslagen voor de toekomst. De heer Geissler heeft een vraag gesteld over de evaluatie van de aanbesteding van het gemeentehuis en waarom daarover geen brief is gestuurd. De stuurgroep, met daarin de verantwoordelijke wethouder, zou een brief sturen over een toekomstige verbetering aan de hand van een evaluatie. Die brief is uiteindelijk niet geschreven en het is de Rekenkamer niet bekend waarom dat niet is gebeurd. In de toekomst zou dat wel moeten om de gemeenteraad een en ander duidelijk te maken. De heer Stevens heeft gevraagd om toelichting op ambtelijke hoor en wederhoor. Die is voor de Rekenkamer heel belangrijk. Het gaat om de vraag of de feiten juist zijn.

Als daarover tot op zekere hoogte vragen worden gesteld, kan de discussie niet meer gaan over conclusies en aanbevelingen. De feiten moeten de kern zijn van het debat tussen college en raad. Voor hoor en wederhoor staat drie weken en soms meer bij een vakantieperiode. De uitkomst was dat er geen onduidelijkheden zijn rond de feiten, wat met ambtenaren is afgestemd. Eventuele fouten in eerdere concepten zijn in het kader van hoor en wederhoor weggehaald. Die procedure geldt overal. Mevrouw GIESEN gaat in op de vraag van de heer Jaliens waarom de bouwkosten niet goed zijn beheerst. Bij budgetoverschrijding is niet gekozen om in te grijpen op basis van de directiebegroting, die de raad graag wilde ontvangen. Daarom ging het de Rekenkamer ook, wat de onderbouwing van de derde conclusie is. D66 informeerde naar de strategische keuze om bij Irado een quasi inbesteding toe te passen en waarom die niet meegenomen in het onderzoek. De Rekenkamer heeft een korte toelichting gegeven op het afvalbeheer en het verloop van het proces, maar heeft daarop geen inhoudelijke toets losgelaten, omdat het een ambtelijk doorlopen procedure is. Die procedure was niet te toetsen en was niet te vergelijken met de andere casussen. Dit punt valt eigenlijk buiten de scope van het onderzoek. De SGP informeerde naar de uitsluitingsgrond bij de Wmo. Zij denkt dat daar sprake is van een misverstand.

De Rekenkamer heeft inderdaad gezegd dat een bepaalde partij is ontmoedigd om in te schrijven en zo is uitgesloten. Dat was niet op basis van een uitsluitingsgrond, maar op grond van een heel hoge boete van € 250,- per dag die per gebeurtenis kan oplopen tot € 25.000,-. Die boete is ingezet om een bepaalde partij te ontmoedigen om mee te doen aan de aanbesteding. Het doel van de Aanbestedingswet is om de aanbesteding zo in te kleden dat de gemeente precies aan de markt vraagt wat zij nodig heeft en dat de markt daarop antwoord geeft. Als je dat goed omschrijft zul je vanzelf de marktpartijen treffen die daaraan het beste kunnen voldoen. Een disproportionele boete, waaraan men eigenlijk niets heeft, past daarin eigenlijk niet. Een andere wijze om je doelen zo goed mogelijk te behalen is de opdracht zo goed mogelijk beschrijven met kwaliteitseisen, uitsluitingsgronden en een goede beredenering van de gunningwijze. De Rekenkamer is niet tegen het heffen van boetes of het opnemen van sanctiemiddelen, maar zij zou die zo inzetten dat ze ook te gebruiken zijn en niet disproportioneel zijn.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 12 van 15

De casussen Aquapelle en het gemeentehuis zijn vergeleken en die keuze maakte de Rekenkamer al bij de onderzoeksopzet. Om het verbouwde gemeentehuis was al een en ander te doen, zodat die casus is geselecteerd. Die verbouwing was bij die keuze al compleet. Wellicht was het nuttig om een andere bouwcasus te bekijken om te bezien of er parallellen daartussen zijn. Die andere casus is Aquapelle geworden. De heer LANDZAAD vraagt of de Rekenkamer of ambtenaren de boete van € 250,- disproportioneel vinden. Mevrouw GIESEN antwoordt dat ambtenaren dat aangaven en de boete ook niet is toegepast. De Rekenkamer heeft geen onderzoek gedaan welke boeten al dan niet disproportioneel zijn. Wethouder VAN VEEN deelt mee dat hij de heer Hofstra zal missen als die de Rekenkamer dit jaar vanwege diens pensionering zal hebben verlaten. In het rekenkamerrapport over het Capelse inkoop- en aanbestedingsbeleid kan het college zich niet vinden, wat ook terug te zien in de reactie van het college. De wijze van aanbesteden en inkopen draagt volgens het college bij aan het realiseren van gemeentelijke doelstellingen. De conclusies onderschrijft het college niet. Een aantal aanbevelingen vindt het college ondersteunend aan de wijze van werken en ziet het als aanvullend en ruimtegevend voor optimalisatie van de processen.

De Rekenkamer bevreemdt de reactie van het college, omdat het college aanbevelingen overneemt. Dat vindt hij echter niet zo vreemd, omdat dat juist het lerend vermogen van het college laat zien. De aanbevelingen zijn overgenomen, onderschrijven de werkwijze en voorzien in de optimalisering en aanscherping van beleid. Een college dat niet open staat voor progressie en optimalisatie zou dit niet oppakken. Het college ziet de toegevoegde waarde van een deel van de aanbevelingen en voert deze door ter verdere verbetering van de processen. Hier laat het college professionaliteit en flexibiliteit zien die nodig zijn in de snel veranderende wereld. Antwoorden op vragen over Irado en de Wmo zal hijzelf niet geven. In de beantwoording van de Rekenkamer is hem het gezegde over de rechtmatigheid en doelmatigheid tegengevallen. De Rekenkamer spreekt eigenlijk een soort motie van onvermogen uit over Deloitte. Het accountantsrapport van Deloitte vermeldt echter dat de gemeente wel degelijk rechtmatig en doelmatig werkt. Hij vraagt zich daardoor af of de Rekenkamer boven de accountant staat. Het college hecht in dezen meer waarde aan de opmerking van Deloitte als aan opmerkingen van de Rekenkamer. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES verbaast de opmerking van de wethouder dat de Rekenkamer zou hebben gezegd de accountant in twijfel te trekken. Zij vraagt daarover om uitleg.

Wethouder VAN VEEN ziet in het rekenkamerrapport spreken over rechtmatigheid en doelmatigheid, die volgens de Rekenkamer anders moeten worden. De accountant stelt echter Capelle qua doelmatigheid en rechtmatigheid als voorbeeld. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES hoorde de heer Hofstra zeggen niet te twijfelen aan de rechtmatigheid gezien de goedkeurende accountantsverklaring, wat iets anders is dan de doelmatigheid. Wethouder VAN VEEN weet dat de accountant ook naar de doelmatigheid kijkt. De VOORZITTER hoorde van rekenkamerdirecteur Hofstra dat die niet twijfelde aan het accountantsrapport ten aanzien van rechtmatigheid en doelmatigheid, maar dat de Rekenkamer van oordeel is dat bepaalde gemaakte keuzen van het college niet verstandig of niet verantwoord waren, waarop mevrouw Groenendijk volgens hem ook doelde. De heer HOFSTRA voegt toe dat de Rekenkamer geen onderzoek naar de rechtmatigheid van aanbestedingen heeft gedaan en de accountant een verklaring afgeeft over de rechtmatigheid en getrouwheid van de cijfers, maar niet over de doelmatigheid, waarover de Rekenkamer wel een opmerking heeft gemaakt. Wethouder VAN VEEN is blij dat de gemeente Capelle rechtmatig handelt en er daarover geen twijfel is. Als raadslid was hij betrokken bij de totstandkoming van het zwembad Aquapelle.

De gemeente kwam uit een enorm diepe depressie waarbij het toenmalige college bezig was met de aanbesteding van het zwembad. De door aannemers afgegeven prijzen waren dagkoersen die elke dag veranderden. Van een architect ontving de gemeente een directiebegroting die door het toenmalige college te laag werd bevonden. Daarna is een nieuwe directiebegroting opgemaakt. Directiebegrotingen gaan in principe niet naar de raad. De raad kreeg een voorstel over het zwembad voorgelegd. In een commissievergadering BVM van 27 juni 2018. Toen kreeg de heer Geissler van wethouder Van Sluis te horen dat de raad tot 9 juli nog keuzen kon maken, waardoor die in positie kwam voor het maken van keuzen en het budgetrecht, welke mogelijkheid ook werd benut. De heer Landzaad zag op 9 juli geen reden om de voorbereidingskosten van een kleine miljoen euro weg te gooien en andere plannen te maken.

Behorende bij commissieverslag BVM, nummer: 408485/408500

pagina: 13 van 15

Het CDA twijfelde lang over het kiezen van een optie uit de drie mogelijkheden, waarbij het geen inferieure materialen wilde kiezen. De heer Holkamp refereerde aan de uitvoerige bespreking van het zwembad in de vorige commissievergadering. Met uitzondering van de fracties van de ChristenUnie en de SGP werd ingestemd met een krediet van € 3,9 miljoen. De heer GEISSLER bevestigt dat de Rekenkamer ook concludeerde dat de raad in juli 2018 nog keuzemogelijkheden had om bij te sturen, maar ook dat er met het kennen van de directiebegroting meer mogelijkheden waren geweest om dat te doen. Hij vraagt of de wethouder ook van mening is dat het college met de directiebegroting toentertijd naar de raad had moeten teruggaan. Wethouder VAN VEEN antwoordt dat er een directiebegroting was van een architect en een directiebegroting opgemaakt op initiatief van het college. Insiders hebben hem gezegd dat directiebegrotingen in geen enkele gemeente nimmer aan de raad worden voorgelegd. De heer GEISSLER gaat het erom dat er toen bij het tekort in een directiebegroting al duidelijkheid was over een tekort, wat aanleiding zou moeten zijn terug te gaan naar de raad. Wethouder VAN VEEN reageert dat destijds de prijzen omhoog spoten en het college heeft besloten het eindbedrag in totaliteit aan de raad voor te leggen. De raad had daarmee ook niet kunnen instemmen.

De heer GEISSLER vraagt of bij een gepresenteerd tekort naar de raad terug had moeten worden gegaan, om aan de raad de keuze daarover te laten en die niet te confronteren met vertraging als dat tekort later zou blijken. Wethouder VAN VEEN herinnert aan drie voorliggende ontwerpen met meer- en minderkosten. Een directiebegroting heeft hij als raadslid ook nooit gezien, maar het college heeft een eindplaatje aan de raad voorgelegd. In het rekenkamerrapport komt niet voor dat het college het bouwproces minutieus heeft gevolgd. Het zwembad kwam keurig op tijd af met een overschot van een kleine miljoen euro. Mevrouw GROENENDIJK-DE VRIES herinnert zich dat destijds over veiligheid is gesproken en ontkent niet dat het college zijn best heeft gedaan om de bouw te volgen. Het gaat haar echter om de informatievoorziening. Zij vraagt of er destijds een moment was om nog met de bouw van het zwembad te kunnen stoppen. Wethouder VAN VEEN heeft daarover gesproken en dat had gekund toen de € 3,9 miljoen voorlag. In de periode tussen de directiebegroting en het voorstel van € 3,9 miljoen is er echter niets veranderd. Een eerder besluit had dus niets veranderd. De heer VAN BUUREN wijst op het door de Rekenkamer gemaakte punt dat relevante informatie tijdig met de raad gedeeld wordt.

Nu wordt het belang van de directiebegroting sterk gerelativeerd, maar blijkbaar was er toch voldoende aanleiding om alvast naar bezuinigingsopties op zoek te gaan. Hij vraagt wat dat zegt over de status van de directiebegroting. Ook vraagt hij de wethouder te reflecteren op in hoeverre de ervaren ruimte anders was geweest in plaats van tot na de verkiezingen en collegeonderhandelingen te wachten. De toelichting bij de kostenoverschrijding was volgens de Rekenkamer onvolledig, omdat al in december duidelijk was dat het bedoelde bestek duurder zou uitvallen en niet alleen te maken had met fluctuaties van kosten in de bouwsector. Wethouder VAN VEEN memoreert dat het college alles heeft opgestapeld tot de € 3,9 miljoen waarop de raad ja of nee kon zeggen. Die beslissing had volgens hem eerder genomen kunnen worden. Er waren drie aanbieders, waarvan er een er al gelijk geen zin meer had. De keuze was beperkt, omdat bouwers ervaring moeten hebben met het bouwen van zwembaden. Tussen de twee overgebleven bouwers was er weinig concurrentie, terwijl de gemeente ook het beste van het beste wilde hebben. Na het voortraject had het wellicht verstandiger geweest te zeggen dat kosten de pan zouden uitrijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9726964/1