CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

05.03 - Ruimtelijke onderbouwing incl bijlagen

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 18 oktober 2022, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de realisatie van het bouwproject Fascinatioboulevard kavel 2K4 (Studentenhuisvesting)29.114 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1 alinea's met “opening”: 278

Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

Relatie tot ontwikkeling Binnen de projectlocatie en in de directe omgeving zijn voor zover bekend geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Volledigheidshalve wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een klic-melding gedaan. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met eventuele aanwezige kabels en leidingen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 50

Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is geen sprake van de realisatie van 1.500 woningen bij één ontsluitende weg. Derhalve mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie de NIBM-rekentool gebruikt. De verwachting is dat in de praktijk sprake zal zijn van een lagere verkeergeneratie, zie paragraaf 4.10. Op basis van de berekende verkeersgeneratie kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 51

Figuur 31. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 4 februari 2022)

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

410

Aandeel vrachtverkeer

2,0%

3

NO2 in μg/m

0,32

3

0,07

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

1,2

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 4 februari 2022). Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl) Jaar Totale concentratie locatie rekenpunt 15954403 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

26.1

17.5

9.4

2030

20.0

15.8

8.2

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 52

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien de projectlocatie in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door IDDS een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 22 februari 2021 is bijgevoegd in de bijlage 4 bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Binnen de projectlocatie kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart - 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Ten behoeve dan de ontwikkeling zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 53

Gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Stikstof In het kader van gebiedsbescherming is het aspect stikstof tevens van belang. Ten behoeve van de ontwikkeling is door Mees Ruimte & Milieu een stikstofdepositie berekening uitgevoerd en een rapportage opgesteld. De rapportage van 14 februari 2022 is opgenomen in de bijlage 5 bij voorliggende onderbouwing. Na berekening van de stikstofdepositie concludeert de AERIUS-calculator dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de gebruiksfase.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel beschikt over eigen parkeerbeleid en parkeernormen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de Parkeernormen 2015 van Capelle aan den IJssel. De parkeernormen zijn op 14 december 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze parkeernormen vormen een doorvertaling van de landelijke parkeercijfers (CROW) naar de Capelse situatie. Het parkeerbeleid is in de bestemmingsplannen van de gemeente Capelle aan den IJssel opgenomen door middel van de parapluherziening 'Parkeren' (vastgesteld 9 juli 2018). Deze herziening geldt ook voor de projectlocatie aan de Fascinatio Boulevard.

Relatie tot ontwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (2018). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Parkeernormen 2015, gemeente Capelle aan den IJssel). Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in de schil/rest bebouwde kom aangehouden, de gemeente heeft een sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. Uitgangspunt is dat de berekende parkeerbehoefte op eigen terrein dient te worden opgelost. 4.10.2.1 Parkeren auto In deze (sub)paragraaf wordt eerst ingegaan op de toe te passen parkeernorm. Aan de hand van deze parkeernorm kan de normatieve parkeerbehoefte worden bepaald. Vervolgens wordt door middel van het toepassen van aanwezigheidspercentages inzichtelijk gemaakt wat het maatgevende parkeermoment in de week is. Hieruit volgt de parkeerbehoefte waarin op eigen terrein moet worden voorzien. Dat hierin kan worden voorzien wordt behandeld onder het kopje 'parkeeraanbod’. Omdat de parkeervraag in de praktijk lager kan uitvallen, wordt in deze (sub)paragraaf tot slot ingegaan op de mogelijkheid om in de toekomst, onder strikte voorwaarden, parkeerplaatsen te laten vervallen en daarvoor in de plaats de locatie verder te vergroenen.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 54

Toe te passen (gemeentelijke) parkeernorm en de normatieve parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van de beoogde woningbouw (13 woonfuncties met daarin ruimte voor 342 studentenkamers bedoeld voor kamergewijze verhuur) en daarbij behorende ondergeschikte functies dient te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen en moet binnen de plangrenzen worden opgelost. In figuur 32 zijn de gemeentelijke parkeernormen opgenomen. Aangezien de bij de woningen behorende functies alleen beschikbaar zijn voor de toekomstige bewoners zullen deze op zichzelf geen parkeerbehoefte met zich meebrengen. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan. Figuur 32. Parkeernormen ‘Wonen (inclusief bezoekers)’ (Nota Parkeernormen 2015)

Bij het bepalen van de parkeernorm voor kamerverhuur zijn in het gemeentelijk parkeerbeleid alleen normen opgenomen voor niet zelfstandige eenheden (waarbij geen sprake is van de specifieke doelgroep studenten(woningen/kamers)). Voor niet zelfstandige eenheden geldt een norm van 0,25 parkeerplaatsen per woning. Dit komt overeen met de gemiddelde parkeernorm uit de CROW voor kamerverhuur, studenten, nietzelfstandig (minimale norm van 0,2 en een maximale norm van 0,3 per kamer). Omdat de locatie zeer gunstig is gelegen ten opzichte van het openbaar vervoer, de Erasmus Universiteit en de Hogeschool van Rotterdam, wordt geen groot onderscheid verwacht tussen het autobezit van zelfstandige en niet-zelfstandige (studenten)kamers. Het uitgaan van de (voor de CROW gemiddelde) parkeernorm van 0,25 is derhalve gerechtvaardigd. De normatieve parkeerbehoefte bedraagt in dat geval 86 parkeerplaatsen (342 kamers * 0,25). Het toepassen van aanwezigheidspercentages en de parkeerbehoefte op het maatgevende moment De parkeerplaatsen voor de woningen zullen niet allemaal op dezelfde momenten worden gebruikt, omdat bewoners en bezoekers niet gelijktijdig aanwezig zijn.

Hierdoor is op bepaalde momenten dubbelgebruik van de te realiseren parkeerplaatsen mogelijk (het parkeerterrein wordt weliswaar afgesloten middels een slagboom, maar is te allen tijde voor bewoners en bezoekers toegankelijk, zie ook onder ‘parkeeraanbod’). Aan de hand van aanwezigheidspercentages zoals genoemd in het gemeentelijk parkeerbeleid is het maatgevende moment bepaald voor de parkeerbehoefte. Dit is weergegeven in tabel 3. In tabel 3 is eveneens een onderscheid gemaakt in een bezoekers- en bewonersaandeel. Het bezoekers- en bewonersaandeel voor de voor onderhavige ontwikkeling te hanteren parkeernorm van 0,25 is echter niet gespecificeerd in het gemeentelijk parkeerbeleid. In de CROW-richtlijn is dit wel gedaan. Uitgaande van de maximale norm uit de CROW-richtlijn voor de groep ‘kamerverhuur, studenten, niet-zelfstandig’ geldt een maximale norm van 0,3 parkeerplaatsen per kamer, waarvan het aandeel bezoek conform de CROW 0,2 parkeerplaatsen per kamer bedraagt. Dit bezoekersaandeel uit de CROW is naar rato toegepast op de voor onderhavige ontwikkeling vastgestelde (voor de CROW gemiddelde) parkeernorm van 0,25. Het bezoekersaandeel waar in onderhavige ontwikkeling rekening moet worden gehouden bedraagt derhalve 0,15 parkeerplaatsen per kamer.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 55

Tabel 3. Aanwezigheidspercentages en maatgevende parkeerbehoefte in geval van het realiseren van 342 studentenwoningen

Uit tabel 3 volgt dat door toepassing van de aanwezigheidspercentages de zaterdagavond maatgevend is, wat leidt tot een totale parkeerbehoefte van 79 parkeerplaatsen. Opgemerkt wordt dat in de praktijk mogelijk een ander piekmoment maatgevend zal zijn, namelijk een werkdag (ochtend, middag en/of avond). Dat zal namelijk het moment zijn dat de beoogde doelgroep veelal aanwezig is. Parkeeraanbod Hiervoor is geconcludeerd dat op de zaterdagavond de parkeervraag het hoogst is, te weten 79 parkeerplaatsen (zie hiervoor ook tabel 3). In deze parkeerplaatsen moet op eigen terrein worden voorzien. Op eigen terrein is hier voldoende ruimte voor en initiatiefnemer legt derhalve ook 79 parkeerplaatsen aan. Dit is op onderstaand figuur weergegeven. Figuur 33. Situatietekening beoogde ontwikkeling met 79 parkeerplaatsen (bron: White House Development en Rotterdamse Ontwikkelings Maatschappij (ROM))

Het parkeerterrein wordt afgesloten middels een slagboom, maar zal zowel voor bewoners als bezoekers toegankelijk zijn. Het systeem dat hiervoor gehanteerd wordt (bijvoorbeeld het registreren van kentekens Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 56

en/of het werken met een intercom) zal nog nader worden uitgewerkt. Uitgangspunt is echter dat het parkeerterrein te allen tijde voor zowel bewoners als bezoek van de bewoners toegankelijk is. Vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen na monitoring De hiervoor berekende (maatgevende) parkeerbehoefte van 79 parkeerplaatsen zal naar verwachting in de praktijk lager uitvallen. Aanleiding voor deze aanname is de goede bereikbaarheid van de locatie met het openbaar vervoer, de specifieke doelgroep bestaande uit studenten en het relatief lage autobezit dat gepaard gaat met deze doelgroep. Naar verwachting zullen de studenten zich voornamelijk per fiets en OV naar de hogescholen en universiteiten in de omgeving verplaatsen. Voor het autobezit geldt het volgende. Ervan uitgaande dat in Capelle aan den IJssel circa 1 op de 10 studenten een eigen auto bezit en er een klein deel bezoekersparkeren nodig is, is een norm van 0,15 parkeerplaats per studentenwoning verdedigbaar. Een dergelijke parkeernorm wordt bijvoorbeeld ook inde schil van de binnenstad van Delft gehanteerd (Bron: Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Delft).

In Rotterdam wordt voor woningen < 40 m2 uitgegaan van een norm van 0,1 parkeerplaatsen per woning (Bron: Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018) en in Amsterdam geldt eenzelfde norm voor woningen tot 30 m2 (Bron: Nota Parkeernormen Auto 2017). Ondanks dat dit andere locaties zijn, is wel sprake van een vergelijkbare doelgroep. Een norm van 0,15 parkeerplaatsen per woning lijkt daarmee goed aan te sluiten bij de praktijk. Door Mees Ruimte & Milieu is een verkeer- en parkeren memo opgesteld, waarin nader op de parkeerbehoefte en lagere normering wordt ingegaan. Het memo is opgenomen in bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op het moment dat wordt uitgegaan van een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per studentenkamer bedraagt de normatieve parkeerbehoefte 52 parkeerplaatsen voor de 342 studentenkamers (0,15 x 342 = 51,3). Rekening houdend met dubbelgebruik en de reductie die vanwege de ligging nabij het openbaar vervoer mag worden toegepast, zal dit zelfs nog minder zijn. Indien de lagere norm wordt gehanteerd, ontstaat de mogelijkheid om de projectlocatie extra te vergroenen. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de toegepaste norm van 0,25 parkeerplaats per kamer weliswaar conform het gemeentelijk beleid is, maar gelet op voorgaande argumenten ook gezien kan worden als een worst-case variant.

Omdat de praktijk eerst zal moeten uitwijzen of de hierboven nader toegelichte lagere norm daadwerkelijk gerechtvaardigd is, maar het wel wenselijk is de locatie verder te vergroenen indien mogelijk, is in overleg met het bevoegd gezag het volgende overeengekomen: -

In de omgevingsvergunning wordt opgenomen dat initiatiefnemer een aantal parkeerplaatsen kan laten vervallen en daarvoor in de plaats de locatie verder kan vergroenen indien uit monitoring blijkt dat de parkeerbehoefte in de praktijk lager uitvalt. Hiervoor is noodzakelijk dat uit monitoring volgt dat sprake is van een parkeerdruk lager dan 80% in de ochtend, middag, avond en nacht. Monitoring dient vier keer per jaar, gelijkmatig over het jaar verspreid, plaats te vinden gedurende de ochtend, middag, avond en nacht. Verkeerd geparkeerde voertuigen dienen te worden meegeteld. De resultaten van de parkeerdrukmetingen worden schriftelijk vastgelegd, waarbij eveneens wordt vastgelegd hoeveel van het totaal aantal woningen/kamers op het moment van monitoring zijn verhuurd. Op basis van de getelde bezetting van het aantal parkeerplaatsen, wordt de parkeerdruk bepaald, voor elk van de hiervoor genoemde momenten. Indien niet alle kamers verhuurd zijn, vindt een correctie plaats naar het totale aantal kamers. De parkeerdruk wordt afgerond op een geheel getal. Indien blijkt dat sprake is van een parkeerdruk lager dan 80% op alle momenten, kan een verzoek worden gedaan tot het laten vervallen en vergroenen van een aantal parkeerplaatsen. Als gevolg van het laten vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen mag de parkeerdruk in geen geval hoger zijn dan 80%.

Na het vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen dient een te hoge parkeerdruk (= een parkeerdruk hoger dan 90%) te allen tijde te worden voorkomen. Is er sprake van een parkeerdruk die boven de 90% uitkomt, dan dient initiatiefnemer (op eerste verzoek van de gemeente) binnen een termijn van één maand extra parkeerplaatsen aan te leggen

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 57

zodat de parkeerdruk daalt tot onder de 90%. Het totaal van 79 parkeerplaatsen kan echter niet worden overschreden. Het laten vervallen en vergroenen van parkeerplaatsen is dus enkel mogelijk wanneer bovenstaande stappen zijn doorlopen en door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Conclusie parkeren auto De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de aanleg van 79 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarmee wordt voldaan aan de maatgevende parkeerbehoefte. Wanneer conform het in overleg met de gemeente vastgestelde systeem van monitoring wordt gevolgd, kan de mogelijkheid ontstaan om een aantal parkeerplaatsen te laten vervallen en daarvoor in de plaats te vergroenen. Dit is enkel mogelijk indien de parkeerdruk lager is dan 80% en indien de gemeente het verzoek hiertoe goedkeurt. 4.10.2.2 Parkeren fiets In het gemeentelijk parkeerbeleid zijn fietsparkeernormen opgenomen. Voor studentenkamers geldt een norm van 1 per kamer en voor appartementen (zonder fietsenberging) geldt een norm van 0,5 – 1 per woning. De variant met studentenkamers is daarmee maatgevend voor de fietsparkeerbehoefte. Er is een minimale fietsparkeerbehoefte van 342 stallingsplaatsen (342 * 1). De fietsparkeerbehoefte dient geheel op eigen terrein te worden gerealiseerd, waarbij de behoefte voor bezoekers voorzien dient te worden in de openbare ruimte en de behoefte voor bewoners bij voorkeur inpandig.

Fietsparkeerbehoefte bezoekers In de gemeentelijke fietsparkeernormen is niet aangegeven of de fietsparkeernorm van minimaal 1 fietsparkeerplek per woning in- of exclusief bezoekersparkeren is. Door de gemeente is aangegeven dat aanvullend rekening moet worden gehouden met een parkeernorm voor bezoekers van minimaal 0,15 per woning (in totaal zou de norm dan uitkomen op 1,15 fietsparkeerplekken per woning). Dit leidt tot een behoefte aan 51,3 stallingsplekken voor bezoekers (0,15 x 342). De stallingsplekken dienen op eigen terrein in de openbare ruimte gerealiseerd te worden en dienen vrij toegankelijk te zijn. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hierin. Fietsparkeerbehoefte bewoners Voor bewoners dienen minimaal 342 stallingsplaatsen voor fietsen te worden gerealiseerd(1 x 342). De stallingsplaatsen voor bewoners van de studentenkamers mogen conform het geldende bouwbesluit (2012) in een gemeenschappelijke fietsenberging worden gerealiseerd. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat alle studentenkamers inpandig een stallingsplaats toegewezen krijgen. Inpandig wordt eveneens voldoende ruimte gerealiseerd voor het stallen van scooters.

Conclusie parkeren fiets Binnen de grenzen van het plan dienen (uitgaande van een norm van minimaal 1,15 fietsparkeerplaatsen per woning, waarvan 1 fietsparkeerplek voor de bewoners en 0,15 voor bezoekers) 393,3 stallingsplaatsen voor fietsen te worden gerealiseerd. Dit betreffen 342 stallingsplaatsen voor bewoners, welke inpandig worden gerealiseerd, en 51,3 stallingsplaatsen voor bezoekers, waar in de openbare ruimte in wordt voorzien. 4.10.2.3 Verkeersgeneratie- en afwikkeling Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is berekend met kencijfers van het CROW, aan de hand van dezelfde uitgangspunten als voor de parkeernormen (kamerverhuur, studenten, niet-zelfstandig, rest bebouwde kom, sterk stedelijk). In tabel 4 is de berekende verkeersgeneratie weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 58

Tabel 4. Verkeersgeneratie

Functie

Aantal

Categorie CROW

Kencijfer

Verkeersgeneratie

Kamerverhuur, zelfstandig

342 woningen

Kamerverhuur, studenten, niet- 0,8 - 1,2 per 273,6 - 410,4 zelfstandig woning mvt/etmaal 273,6 - 410,4 mvt/etmaal

Totaal

Uit tabel 4 volgt dat de verkeersgeneratie van de ontwikkeling op een gemiddelde weekdag 273,6 – 410,4 mvt/etmaal bedraagt. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag bedraagt de verkeersgeneratie 303,7 – 455,5 mvt/etmaal. Wanneer de verkeersgeneratie wordt afgezet tegen de verkeersgeneratie die gepaard gaat met de functies die mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan, is de verwachting dat geen sprake is van een toename van verkeer. Planologisch gezien kent de locatie immers de bestemming ‘Bedrijf’, waarbinnen diverse functies mogelijk zijn. Zo kan planologisch gezien zich een bedrijf tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zich vestigen op de locatie of een kantoor, die elk een eigen verkeersaantrekkende werking hebben. De ontwikkeling zorgt feitelijk dus voor een toename van de verkeersgeneratie (feitelijk ligt de projectlocatie immers braak), maar planologisch gezien zal gelet op de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het perceel op basis van het geldende bestemmingsplan geen sprake zijn. Verkeersafwikkeling Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in het drukste uur maatgevend, waarin gemiddeld 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld.

Dit betekent vanuit de ontwikkeling een toename van 30 – 46 mvt in het drukste uur in het onderliggend wegennet (= 10% van de verkeersgeneratie van 303,7 – 455,5 mvt/etmaal). Gezien de ontwikkeling de realisatie van studentenkamers betreft zal het drukste uur niet gelijk zijn met de reguliere ochtend- of avondspits, maar meer over de dag verspreid zijn. Voor de ontsluiting van het perceel wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit. De bijdrage van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ontwikkeling aan de bereikbaarheid van de wijk is zeer beperkt. De verkeersgeneratie wordt afgewikkeld over de Fascinatio Boulevard en vervolgens de N210. De Fascinatio Boulevard ontsluit voornamelijk bestemmingsverkeer van het noordelijk deel van het Rivium. Op deze weg zal voldoende restcapaciteit aanwezig zijn om de (zeer) beperkte verkeerstoename zonder knelpunten te kunnen afwikkelen. Opgemerkt wordt dat in het kader van de MIRT wordt gewerkt aan de oplossingen voor de bereikbaarheid van de wijk op de drukke momenten. Dit staat los van de voorgenomen ontwikkeling, te meer nu het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de bereikbaarheid van de wijk nihil is. De N210 is een belangrijke gebiedsontsluitingsweg en verwerkt dagelijks meer dan 50.000 mvt/etmaal (bron: RVMK 2030).

In een maatgevend spitsuur zullen circa 5.000 mvt/etmaal worden verwerkt (circa 10% van de etmaalwaarde). Aangezien de verkeerstoename vanuit het plan 46 mvt in het drukste uur bedraagt, hoofdzakelijk buiten de reguliere spits, zal dit niet merkbaar zijn in de huidige doorstroming van de N210.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 59

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Waterbeheer en watertoets De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Zij zijn verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor de projectlocatie relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Omgevingsvisie Zuid‐Holland  Omgevingsverordening Zuid‐Holland Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016‐2021 'Met mensen en water', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater‐ en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de vigerende Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.

Relatie tot ontwikkeling

Huidige situatie De projectlocatie betreft een perceel dat op dit moment voorzien is van een bedrijfsbestemming. Binnen deze bestemming zijn bedrijven, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en horeca toegestaan. De projectlocatie is gelegen binnen het bouwvlak dat geldt voor het perceel en omliggende percelen. Het gehele bouwvlak mag voor 85% worden bebouwd. Waterkwantiteit In de projectlocatie zijn geen primaire watergangen of beschermingszones daarvan aanwezig. Zie figuur 34.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 60

Figuur 34. Uitsnede legger waterkeringen en oppervlaktewatersystemen (bron: HHSK)

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen de projectlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de projectlocatie. Riolering De projectlocatie is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van één woongebouw met 13 woonfuncties, die ruimte bieden voor 342 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Daarnaast wordt in het gebouw voorzien in bij de studentenkamers behorende faciliteiten. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. In de huidige situatie is het al mogelijk om tot maximaal 85% van het perceel te bebouwen. De waterhuishouding van Fascinatio is middels de Raamvergunning 2001/399 geregeld. Hierdoor hoeft er niet gecompenseerd te worden.

Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 61

de volgende voorkeursvolgorde aangehouden waarbij hemelwater niet direct wordt afgevoerd naar de noordelijke watergang:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In onderhavig geval worden hemelwaterafvoeren aangesloten op het schoonwater riool van de gemeente welke is aangesloten op het oppervlakte water. Tevens worden alleparkeer plaatsen voorzien van grastegels zodat hemelwater eveneens via de bodem wordt afgevoerd.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van één woongebouw met 13 woonfuncties, die ruimte bieden voor 342 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 8 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 62

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. De gemeente stelt in beginsel een exploitatieplan vast, tenzij het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Fascinatio Boulevard, nabij nr. 522 te Capelle aan den IJssel is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Capelle aan den IJssel en Student Housing Fascinatio B.V. (initiatiefnemer). Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer. Als gevolg wordt geen exploitatieplan vastgesteld.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van de ontwikkeling zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd, te weten: - Fysieke voorlichtingsavond aan de buurt: 16-12-2019 - Videoconference overleg met gemeente en WOP, incl. Q&A: 17-12-2020 - Videoconference overleg met gemeente en WOP, incl. Q&A: 22-03-2021 - Klankborden met bewoners en St. Wijkbelangen Fascinatio: 08-09-2021 - Klankborden met bewoners en St. Wijkbelangen Fascinatio: 29-09-2021 - Fysieke voorlichtingsavond aan de buurt [informatiemarkt: 06-10-2021 - Planpresentatie inclusief planbeschrijving aan raadsleden Raad: 11-11-2021 - Planbesprekingen met Collega van B&W: 30-11-2021 - Klankborden met WOP DB: 09-02-2022 - Klankborden met bewoners en St. Wijkbelangen Fascinatio: 17-02-2022 - Bezoeken referentieprojecten toekomstig exploitant met WOP: 05-04-2022 (het verslag van dit bezoek is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing - Bezoeken referentieprojecten toekomstig exploitant met SWF: uitnodiging verstuurd - Bezoeken referentieprojecten met raadsleden en college: vindt nog plaats Zoals in paragraaf 2.2.2.3 reeds is beschreven is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een participatietraject doorlopen.

Naar aanleiding van het participatietraject met de gemeente en de (directe) omgeving van het projectgebied, is het ontwerp voor de beoogde studentenhuisvesting veelvuldig aangepast. Waar het initiatief er eerst op was gericht om circa 480 studenten te huisvesten, is dit later aangepast naar 428, 417, 400 en tot slot 342 studenten. Parallel hieraan is ook het bouwvolume aangepast van 27,5 meter naar 25 meter (conform het geldende bestemmingsplan) en tot slot 22 meter. De gebouwbreedte is ten opzichte van het eerste ontwerp ook 7,7 meter smaller gemaakt. Dit resulteert in het huidige initiatief dat bestaat uit de realisatie van 13 woonfuncties met daarin ruimte voor 342 zelfstandige eenheden voor de kamergewijze verhuur aan studenten, in bebouwing met een hoogte van circa 22 meter. Het plan voorziet daarnaast in inpandige ondersteunde facilitaire diensten zoals de aanwezigheid van een conciërge / gebouwbeheerder, een fitnessruimte en meerdere studie- en loungeruimten.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 63

Figuur 35. Overzicht aanpassingen 2018 t/m heden

Daarnaast was in het participatietraject veel aandacht voor het aspect parkeren. Mede naar aanleiding van de vragen en opmerkingen hierover wordt (zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk) geborgd dat voldaan wordt aan de parkeernorm conform de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Naast de gehouden bijeenkomsten heeft ook een gemeentelijke enquête plaatsgevonden voor wat betreft de parkeeroplossing. De uitkomsten van deze enquête zijn betrokken bij de definitieve keuze voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gekozen is voor de variant waarin in eerste instantie de volledige parkeervraag van 79 parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd. Indien uit monitoring blijkt dat er een lagere parkeervraag is, dan bestaat de mogelijkheid tot het vervallen en vergroenen van een aantal parkeerplaatsen. De parkeerdruk mag echter in geen geval hoger dan 90% zijn. Ook is er vanuit initiatiefnemer (schriftelijk) reactie gegeven op binnengekomen brieven vanuit de omgeving (bijvoorbeeld van de Stichting Wijkbelangen Fascinatio). Initiatiefnemer blijft verder openstaan voor het

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 64

dialoog met de omgeving. In het kader van de dialoog met de omgeving worden in ieder geval de volgende stappen gezet door initiatiefnemer: - Initiatiefnemer en toekomstig exploitant zullen vooruitlopend op het in gebruik nemen van het pand de benodigde overleggen met de wijk arrangeren om de huisregels van de campus op en vast te stellen. - De toekomstige exploitant zal na het in gebruik nemen van het gebouw de benodigde overleggen met de wijk arrangeren om zorg te (blijven) dragen voor een goede verstandhouding tussen buurt en studentencampus. - Er wordt een conciërge c.q. huismeester aangesteld om eventuele (parkeer)overlast te voorkomen. Wanneer onregelmatigheden worden geconstateerd kan de huismeester een eventuele sanctie uitdelen. - Borgen dat één kamer aan één student wordt verhuurd. Daar waar mogelijk worden de hiervoor genoemde stappen zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk geborgd.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 65

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om één woongebouw te realiseren met daarin 13 woonfuncties, die ruimte bieden voor 342 kamers voor de kamergewijze verhuur voor studenten. Daarnaast wordt voorzien in gemeenschappelijke ruimtes, een fitnessruimte voor bewoners en parkeergelegenheid. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het vigerende planologische regime. Derhalve dient voor deze ontwikkeling een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De ontwikkeling bevindt zich in de buitenring van de wijk wijk Fascinatio welke is opgebouwd uit een woongebied, met daaromheen een bufferzone tot de bedrijvigheid. De bufferzone wordt gevormd door een weg (de Fascinatio Boulevard), groen en een watergang. Het doel van de bufferzone is tweeledig. Enerzijds draagt de bufferzone bij aan het reduceren van geluid vanuit de bedrijvigheid en anderzijds draagt de bufferzone bij aan de woonkwaliteit. Vanwege deze opbouw is de afstand tussen de projectlocatie en het woongebied groot, namelijk zo’n ruim 50 meter.

Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing volgt dat de ontwikkeling past binnen zowel het rijks, regionaal, provinciaal als gemeentelijke beleid. Hierbij wordt opgemerkt dat hoewel het niet specifiek is benoemd in het regionaal beleid, zorgt de voorgenomen ontwikkeling er juist voor dat de gevestigde studenten in reguliere woningen kunnen doorstromen naar huisvesting die hun doelgroep specifiek bediend. Hierdoor komen er weer reguliere woningen terug op de markt. Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in woningen met een huur onder de bovenste aftoppingsgrens. Daarnaast is de projectlocatie in de gemeentelijke structuurvisie aangeduid als 'kantoren/ bedrijven'. Deze functie is als zodanig in het geldende bestemmingsplan 'Fascinatio‐Capelsebrug' vertaald. Het perceel ligt echter al enige tijd braak. Hoewel de kantorenmarkt weer iets aantrekt, is de toenemende vraag naar woningen nog steeds erg groot. Dit maakt woningbouw op de projectlocatie gewenst. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Daaruit blijkt dat voorzien kan worden in voldoende parkeergelegenheid. Ook andere omgevingsaspecten, waaronder archeologie en cultuurhistorie, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid, kabels en leidingen, luchtkwaliteit, natuur en water leiden niet tot belemmeringen.

Vanwege de geluidbelasting van omliggende wegen dienen hogere waarden verleend te worden. Het overgrote deel van de studentenkamers voldoet aan de voorwaarde van een geluidsluwe gevel. Daarbij wordt voorzien in gezamenlijke geluidsluwe buitenruimten. Op deze wijze wordt op gebouwniveau aan de voorwaarde uit het geluidsbeleid voldaan. Gezien voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het woongebouw sprake zal zijn van een acceptabele woon- en leefklimaat. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een participatietraject doorlopen. Er hebben diverse overleggen plaatsgevonden met zowel de gemeente als betrokken uit de (directe) omgeving. Naar aanleiding van het participatietraject met de gemeente en de (directe) omgeving van het projectgebied, is het ontwerp voor de beoogde studentenhuisvesting meermaals aangepast. Met de beoogde invulling is zoveel mogelijk rekening gehouden met de aandachtspunten (met name parkeren en het beoogde volume) die tijdens het participatietraject ter sprake zijn gebracht.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 66

Gezien voorgaande zijn er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd en na realisatie van het voornemen zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 67

Bijlage 1. Advies BOOR

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 63

Onderwerp: A2021079 Gemeente Capelle aan den IJssel, Fascinatio Boulevard (nabij nr. 522) Bezoek-/postadres: Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl/archeologie

Retouradres: Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam

Gemeente Capelle aan den IJssel t.a.v. mevrouw T. Buijze Postbus 70 2900 AB CAPELLE AAN DEN IJSSEL

Van: Mw. dr. A.V. Schoonhoven Telefoon: 010 - 489 8515 E-mail: av.schoonhoven@rotterdam.nl Ons kenmerk: AS21/03334-21/0004658 Datum: 9 maart 2021

Geachte mevrouw Buijze, De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft op uw verzoek de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw van een woongebouw aan de Fascinatio Boulevard te Capelle aan den IJssel beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is onderstaand advies opgesteld. Advies De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Capelle aan den IJssel dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Capelle aan den IJssel, te informeren. Onderbouwing Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Capelle aan den IJssel (2010) wordt aan de locatie een redelijk tot hoge archeologische verwachting toegekend.

Conform het bestemmingsplan ‘FascinatioCapelsebrug (2013)’ geldt voor de planlocatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2 m beneden NAP en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. De bodemverstorende ingrepen bestaan uit de nieuwbouw van een woongebouw voor 400 studentenwoningen (of 189 jongerenwoningen), met daarbij een fitnessruimte voor bewoners, gemeenschappelijke ruimten en bijbehorende (fiets)parkeergelegenheid. Ten behoeve van de fundering van de nieuwe bebouwing zullen heipalen worden aangebracht. Met uitzondering van de palen blijven bodemverstorende werkzaamheden binnen de vrijgestelde dieptemarge van het bestemmingsplan. Het heipalenplan is niet intensief. De kans dat eventueel in de diepere ondergrond aanwezige archeologische waarden niet meer onderzocht kunnen worden in de toekomst, wordt als erg klein ingeschat. In verband hiermee wordt een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht.

Blad:

2/2

Mochten er in het bouwplan wijzigingen optreden, dan dient het bouwplan opnieuw ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente Capelle aan den IJssel. Met een vriendelijke groet, DIRECTEUR STADSBEHEER OPENBARE WERKEN (voor deze)

dr. A. Carmiggelt Hoofd Archeologie Rotterdam (BOOR)

Bijlage 2. Bodemonderzoek

Mees Ruimte & Milieu | 19090.RO

Pagina | 64

RAPPORT C19-476-B6 Partijkeuring grond ter plaatse van de Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel.

Capelle aan den IJssel, 21 februari 2020

Opdrachtgever:

Contactpersoon:

Gemeente Capelle aan den IJssel Postbus 70 2900 AH Capelle aan den IJssel R.M. Kandel

Monsternemer: Protocol: Rapportage: Controle:

R. Roewas BRL SIKB 1000-Protocol 1001 A.R. Latifiy D. de Jonge

CAPELLE A/D IJSSEL Molenbaan 7 2908 LL Capelle a/d IJssel T. 010 2582300 APPINGEDAM Kanaalweg 1 9902 AX Appingedam T. 059 669 36 00

www.arnicon.nl

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING........................................................................................................................ 1 1.1 Inleiding 1.2 Kwaliteitswaarborg 1.3 Rapportage

1 1 1

2. RESULTATEN VOORONDERZOEK ................................................................................ 2 2.1 Inleiding 2.2 Resultaten 2.3 Conclusies vooronderzoek

2 2 4

3. RESULTATEN EN TOETSING ......................................................................................... 5 3.1 Veldwerk 3.2 Chemisch-analytisch onderzoek

5 5

4. CONCLUSIES .................................................................................................................. 8

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Regionale overzichtskaart Detailtekening Monsternemingsplan Monsternemingsformulier Analysecertificaat Toetsing en toetsingswaarden Arnicon groep, kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid

Rapport C19-476-B6 / 21-02-20 / Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel

1. INLEIDING 1.1

Inleiding

Op 21 oktober 2019 is door de Gemeente Capelle aan den IJssel aan Arnicon B.V. opdracht verleend voor een in situ partijkeuring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit ter plaatse Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel De partij bestaat volgens de opdrachtgever uit grond met een geschatte omvang van circa 4.029 m3 (circa 7.454 ton). De opdrachtgever verwacht dat de partij toepasbaar zal zijn. Aanleiding tot het onderzoek is de geplande afvoer van de partij grond. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de partij om de mogelijkheden voor hergebruik buiten de locatie te kunnen bepalen. 1.2

Kwaliteitswaarborg

De partijkeuring is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 1000, conform Protocol 1001, versie 2.1 d.d. 12-12-2013 (Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie) en voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Het procescertificaat SIKB BRL 1000 van Arnicon en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium. Voor een overzicht van de in het kader van het Besluit bodemkwaliteit gehanteerde regeling, beoordelingsrichtlijnen en protocollen wordt verwezen naar bijlage 7. De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn sinds 2007 door Rijkswaterstaat Leefomgeving/ Bodem+ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) erkend voor het verrichten van diensten vallend onder diverse BRL SIKB protocollen waarmee wordt voldaan aan de wet en regelgeving KWALIBO. De Arnicon Groep is eveneens gecertificeerd voor de kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals gesteld in de NEN-EN-ISO 9001:2015 en VCA**. Onafhankelijkheid De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn op geen enkele wijze gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzoekslocatie. De Arnicon Groep heeft geen enkel (financieel) belang bij het weergeven van de resultaten van het onderzoek.

Voor meer informatie over de kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid wordt verwezen naar bijlage 7. 1.3

Rapportage

In dit rapport worden achtereenvolgens de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de resultaten van de partijkeuring grond (hoofdstuk 3) beschreven. Het rapport wordt afgesloten met de conclusies (hoofdstuk 4).

Rapport C19-476-B6 / 21-02-20 / Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel

1

2. RESULTATEN VOORONDERZOEK 2.1

Inleiding

Voorafgaand aan de in-situ partijkeuring is informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", oktober 2017. 2.2

Resultaten

Situering De locatie wordt kadastraal aangeduid als gemeente Capelle aan den IJssel, sectie E, nr. 3744 (ged.). De locatie is gelegen aan de zuidzijde van Fascinatio Boulevard naast nummer 582 in de wijk Fascinatio in Capelle aan den IJssel. Door de gemeente is de locatie gecodeerd als kavel 2K-4. De locatie heeft een oppervlakte van 3.663 m2 en zal tot 1,1 m-mv worden ontgraven. Momenteel is de locatie braakliggend. Partij grond heeft een omvang van circa 4.029 m3 (circa 7.454 ton). De opdrachtgever verwacht dat de partij toepasbaar zal zijn Ten oosten van de locatie is het kantoorpand met nummer 582 gesitueerd. Ten zuiden van de locatie zijn kantoorpanden. Ten westen is een parkeerplaats en zijn kantoorpanden gelegen. Ten noorden is de Fascinatio Boulevard. Historische informatie Op oude topografische kaarten (www.topotijdreis.nl) is te zien dat de huidige wijk Fascinatio tot eind jaren vijftig van de vorige eeuw een agrarisch functie had als grasland en/of tuinbouw. In de periode 1959-1978 is het Fascinatio-terrein gebruikt als baggerspecieloswal (nr. 40, DCMR 1987). In totaal is bijna 8 miljoen kubieke meter slib afkomstig uit de onder andere de 1e, 2e en 3e Petroleumhaven opgebracht. Het opgebracht slib is matig tot sterk verontreinigd met zware metalen.

De hele wijk is in de periode 2000-2002 gesaneerd door het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van minimaal 1,0 meter. Vanaf 2003 zijn op het gesaneerde terrein woningen en bedrijfspanden gerealiseerd. De onderzoekslocatie heeft sinds het aanbrengen van de leeflaag braak gelegen. Brandstoftanks Op de website van de DCMR (www.dcmr.gisinternet.nl) staan geen brandstoftanks geregistreerd op en in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ophogingen/slootdempingen De sloten tussen de percelen zijn ten tijde van het inrichten van het terrein als baggerspecieloswal rond 1959 gedempt, waarvan het terrein is opgehoogd met baggerspecie. Met de bodemsanering is het terrein nogmaals opgehoogd met een laag schone grond. Maaiveldverhardingen De locatie is geheel onverhard. Terreininspectie Bij visuele inspectie van de locatie d.d. 8 februari 2020 zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen.

Rapport C19-476-B6 / 21-02-20 / Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel

2

Asbest Bij eerder uitgevoerde verkennend asbest onderzoek op de locatie zintuiglijk en analytisch in de bovengrond (0-0,5 m-mv) is geen asbest aangetroffen (zie onderzoek). Actief bodembeheer De gemeente Capelle aan den IJssel heeft een Bodemkwaliteitskaart (Bodemkwaliteitskaart gemeente Capelle, Syncera B.V., projectnummer B05A0446, d.d. 24 maart 2006) opgesteld. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de onderzoekslocatie voor zowel de bovengrond als de ondergrond binnen de zone ’10 (B2, O2: leeflaag (schoon)’ ligt. Bodemonderzoek Uit www.dcmr.gisinternet.nl is gebleken dat er voorafgaand aan de bodemsanering diverse bodemonderzoeken zijn verricht. Deze onderzoeken en de documenten met betrekking tot de sanering zijn onder de code AA050200046 bij de DCMR geregistreerd. Op de locatie is na de realisatie van de leeflaag volgende bodemonderzoek uitgevoerd. 1)

Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek in bodem ter plaatse van de Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel, Arnicon B.V., rapportnummer C19-476-O6, d.d. 28 januari 2020.

Tijdens het veldwerk is gebleken dat de leeflaag tot een diepte circa 1,2 à 1,5 m-mv aanwezig is, onder deze diepte wordt de baggerspecielaag waargenomen. In de leeflaag (01,0 m-mv) zijn geen lichte bijmengingen met baksteen en beton waargenomen. In de opgegraven en geïnspecteerde grond zijn geen asbestverdachte materiaal waargenomen. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat grond (0-1,0 m-mv) van de leeflaag niet verontreinigd is met de stoffen uit het standaardpakket. De gehalten aan PFOA en PFOS in de bovengrond (0-0,5 m-mv) overschrijden de tijdelijke landelijke achtergrondwaarde niet. In de bovengrond (0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Bodemopbouw Uit het hiervoor genoemde bodemonderzoek blijkt dat de te onderzoeken partij grond waarschijnlijk uit zand bestaat. PFAS In heel Nederland worden al meer dan vijftig jaar producten gemaakt en gebruikt waar PFAS in voorkomt. Daardoor wordt PFAS nu in alle milieucompartimenten aangetroffen. Het betreft onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). Deze stoffen behoren tot de stofgroep poly- en perfluoralkylstoffen (stofgroep PFAS), een stofgroep die uit ruim 6000 stoffen bestaat. PFAS worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica.

Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS aangetoond dat ze toxisch zijn, voor de meeste PFAS moet dit echter nog worden onderzocht. Door het wijdverbreide gebruik van PFAS wordt PFAS in Nederland, en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen. PFAS is in het Nederlandse milieubeleid opgenomen in de lijst met Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). PFAS is in het Nederlandse milieubeleid opgenomen in de lijst met Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat alle bovengrond en geroerde grond diffuus belast kan zijn met PFAS. Met ingang van 8 juli 2019 dient bij elk grondverzet en alle partijkeuringen in Nederland rekening te worden gehouden met PFAS. Hiertoe is een advieslijst opgesteld met 30 verbindingen waarop onderzocht dient te worden. Gen-X maakt

Rapport C19-476-B6 / 21-02-20 / Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel

3

geen deel uit van de advieslijst, maar dient wel onderzocht te worden wanneer bekend is dat deze stof aanwezig kan zijn. 2.3

Conclusies vooronderzoek

In de partij worden geen sterke verontreinigingen verwacht. De grond is mogelijk diffuus belast met PFAS. Voor het overige worden er geen verontreinigingen verwacht met stoffen die niet zijn opgenomen in het standaardanalysepakket.

Rapport C19-476-B6 / 21-02-20 / Fascinatio Boulevard naast 582 (kavel 2K-4), Capelle aan den IJssel

4

3. RESULTATEN EN TOETSING 3.1

Veldwerk

Het veldwerk is op 8 februari 2020 uitgevoerd conform Protocol 1001, versie 2.1 d.d. 12-122013 (Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie) door R. Roewas erkend monsternemer van Arnicon B.V. Hierbij is tevens gewerkt volgens het Bemonsteringsprotocol PFAS (versie 1.2 02-10-2017, zoals beschreven in Bijlage C uit “Een handelingskader voor PFAS”, Expertisecentrum PFAS, 25 juni 2018). Na inmeten van de partij ter plaatse is gebleken dat de omvang circa 4.029 m3 (circa 7.454 ton) bedraagt. Op basis van de gemeten partijgrootte is het geplande aantal deelpartijen (1) aangehouden. Volgens een systematisch raster (10,4 m x 10,4 m) zijn met behulp van een Edelmanboor van de partij grond 2 x 51 grepen genomen die alternerend over twee mengmonsters A en B verdeeld zijn (MM1A en MM1B). Het systematische raster (r) is bepaald aan de hand van de oppervlakte en de hoogte van de partij en het aantal uit te voeren boringen per partij. Het bemonsterde materiaal bestaat uit zand. Zintuiglijk zijn aan het bemonsterde materiaal verder geen afwijkingen geconstateerd. Voor een nadere beschrijving van de werkzaamheden wordt verwezen naar het monsternemingsplan en het monsternemingsformulier in respectievelijk bijlage 3 en 4. De foto’s geven een indruk van de situatie van de in-situ partij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11922204/1