SM 1165781 bijlage presentatie BBS 22-09-2021
Tekst van het document
DE (W&I) KLANTEN VAN BBS Wie zijn ze, en wat proberen we met hen te bereiken?
Een relatief kleine groep • In januari 2021 had 5,2% van alle huishoudens in Nederland een bijstandsuitkering. In Soest was dat 3,5, in Baarn 3,1 en in Bunschoten 2,0% (in Rotterdam 11,9). • De afgelopen jaren was de afname in Soest en vooral Bunschoten relatief sterk. In de eerste helft van 2021 was de ontwikkeling juist in Baarn gunstig en in Bunschoten ongunstig. • Grosso modo verandert het beeld niet: de BBS-gemeenten kennen verhoudingsgewijs weinig mensen in de bijstand.
3%
Grote ‘afstand tot de arbeidsmarkt’ • Ca. 3% kan in principe heel snel aan het werk (A).
15%
47%
• 15% mist bepaalde ‘skills’ (bv taal), maar kan aan het werk als die zijn aangeleerd (B). 35%
• 40% moet eerst ‘leren leven’, heeft grote problemen die een belemmering die vormen om aan de slag te gaan. Als die hanteerbaar worden, kan de stap naar werk alsnog gemaakt (C).
A
B
• 42% is de eerste jaren niet in staat de stap te zetten (heel beperkte capaciteit door fysieke of psychiatrische problematiek of combinatie daarvan; ouderen; mensen in instellingen)(D).
C
D
Die afstand zie je niet altijd • Veel klanten worden vooraf te positief ingeschat doordat ze zich met succes anders voordoen dan ze zijn. Gaandeweg blijken ze toch ernstige problemen te hebben, bijvoorbeeld met drugs of gokverslaving, of is er sprake van oorlogstrauma’s. • Er is dan vaak een A- of een B-traject gestart, en pas een paar werkgevers later blijkt het een ‘C-klant’ en kunnen we echt gaan helpen. • Dergelijke ervaringen maken werkgevers (extra) kopschuw.
Beperkte mogelijkheden • Sinds 2010 is het re-integratiebudget voor de oorspronkelijke doelgroep flink verlaagd. Eerst ging het totale bedrag naar beneden, later kwamen er veel taken bij die voor hetzelfde geld moesten worden uitgevoerd. • Bovendien is sinds de economische groei van 2013-2020 vrijwel iedereen die makkelijk aan het werk kan, er inmiddels wel uit. De achterblijvers zijn niet voor niets ingedeeld zoals ze zijn. • Er is nu dus veel minder geld voor gemiddeld veel complexere cases.
Nieuwe doelgroep • Met de participatiewet (2015) kwam een nieuwe doelgroep mee, die vroeger in de WSW of Wajong zat. Het gaat om mensen met ernstige arbeidsbeperkingen, die geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen. • Voor deze nieuwe doelgroep ontvangen gemeenten p.p. jaarlijks € 800-900, terwijl de werkelijke kosten voor begeleiding naar en tijdens werk worden geraamd op € 6600/jaar, het 8-voudige (Berenschot 2021). • Het aantal mensen in de nieuwe doelgroepen neemt landelijk toe met 6000 per jaar. Bij BBS zijn er nu 190, en komen er ieder jaar 40 bij.
• Deze groep kan in B, C of D zitten, kan uit de uitkering komen, maar raakt nooit helemaal los van ondersteuning vanuit de gemeente.
Wat doen we nu eigenlijk voor de ‘oude’ doelgroep? • Voor A-klanten: veel uitnodigen, druk erop houden, voorkomen dat mensen passief worden. Gemiddeld 20 uur begeleiding noodzakelijk. • Voor B-klanten: veel uitnodigen, mensen eigen plan laten maken, trajecten met ze bespreken en ze erop plaatsen. Inzet werkervaringsplaatsen. Vervolgens vinger aan de pols houden, inschakelen jobhunter zodra mogelijk. 40 uur begeleiding. • Voor C-klanten: met mensen hun eigen plan maken, op verschillende ‘leefgebieden’. Inzet derden bij trajecten, overleg met hen en met de klanten over de voortgang. Zo nodig bijsturen. 30 uur begeleiding. In praktijk halen we dit lang niet.
• Voor D-klanten: zoveel mogelijk overdragen aan derde partijen (in zorg en welzijn), af en toe kijken of situatie nog gelijk is; kunnen ons toch heel veel tijd kosten. Dagbesteding. Indien mogelijk vrijwilligerswerk als tegenprestatie naar vermogen. 5 uur begeleiding. • In totaal vergt dit als alles volgens plan loopt 17-18 fte. We doen het met 11.
Wat we daarnaast doen voor deze klanten... • Proberen te vermijden dat ze in de schulden komen en zo hun kans op werk kleiner wordt, en dus zorgen dat we financieel ondersteunen waar nodig en mogelijk. • Handhaven waar signalen aangeven dat dat noodzakelijk is. • Werkgevers benaderen en bewerken om met onze klanten te willen (blijven) werken.
En voor de nieuwe doelgroep? • Alle activiteiten die we ook uitvoeren bij B, C of D, afhankelijk van categorisering klant. • Extra voorwerk richting klant en vooral ook werkgever. • Veel meer administratie. • Begeleiding loopt door nadat mensen zijn uitgestroomd, op straffe van terugval in de bijstand.
• Ongeveer 3 fte extra bovenop het gewone werk, we zitten op 2,2.
Budgetten Verdeling participatiebudget
Uitgaven ‘vrij’ besteedbare deel (290k)
100% 90%
€ 290.000 vrij besteedbaar
werkevaringsplaatsen
80%
loonwaardebepaling 70%
scholing
60% 50% 40%
€ 920.000 mw ‘oude’ doelgroepen
medisch
kinderopvang
30%
reiskosten 20% 10% 0%
€ 175.000 mw nieuwe doelgroepen
anders
Relatief veel personeel-weinig vrij besteedbaar • Onderzoeken wijzen uit dat eigenlijk alleen aandacht helpt. • Zorgt dat we klanten zo goed mogelijk kennen, remt bureaucratie en misstanden. • ‘Eigen aandacht’ is (veel) goedkoper dan ingehuurde aandacht. • Ingehuurde aandacht kost ook veel tijd van medewerkers. • Vergt grote omslag van regelgerichtheid naar mens- en oplossingsgerichtheid bij de medewerkers cultuurtraject dat we aan het doorlopen zijn.
Conclusie: ook de BBS-gemeenten moeten heel scherpe keuzes maken • Het is nu niet mogelijk alle klanten goed te helpen. • Zelfs als we de aandacht alleen richten op A, B en C-klanten, en nog los van de nieuwe doelgroep, kunnen we lang niet alles doen wat eigenlijk nodig is. • Inzet op mensen die (vrij) snel aan het werken kunnen, is erg belangrijk voor henzelf, en sociaal en economisch gunstig voor de gemeenten. Als mensen niet snel uitstromen, wordt het steeds moeizamer. • Gevaar is veronachtzaming van de groep die niet snel kan werken. Dat is maar heel gedeeltelijk te ondervangen door inzet op de relatie met zorg- en welzijnpartijen. • De nieuwe doelgroep vraagt meer en veel langduriger begeleiding (team banenafspraak).