CConstaterende datBunschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

handleiding-houdbaarheidstest-gemeentefinancien-2026.pdf

Commissie Bestuur en Financiën 18 juni 2026, gemeente BunschotenBij agendapunt: Mededelingen7.644 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Handleiding h oudba a r heidstest gemeentefinanciën 20 2 6

Versie

: Houdbaarheidstest gemeentefinanciën 2026

Datum

: 26 maart 2026

Auteur

: J. van der Lei

Foto omslag

: J. van der Lei

Organisatie

: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

§ 1. Inleiding Deze handleiding hoort bij de Houdbaarheidstest gemeentefinanciën (versie april 2026). De Houdbaarheidstest gemeentefinanciën zelf is samen met deze handleiding te vinden op de website van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten1. De handleiding bevat in paragraaf 2 een korte uitleg over de houdbaarheidstest en de aandachtsgebieden voor houdbare gemeentefinanciën. In paragraaf 3 volgt een invulinstructie voor de test. Paragraaf 4 geeft tot slot een korte beschrijving van de financiële kengetallen van de test en de bijbehorende signaalwaarden. Gemeenten zijn inkomen bestedende huishoudens. Ze halen belasting op of krijgen geld van het Rijk dat uit nationale belastingen afkomstig is, en doen daarmee publieke uitgaven. Zijn deze uitgaven in een jaar hoger dan de inkomsten dan stijgt de schuld, en zijn de uitgaven lager dan daalt de schuld. Voor een oordeel over de gemeentefinanciën moet men zich daarom in de eerste plaats richten op het financieel vermogen van de gemeente, dat in de regel uit een netto schuld bestaat. De mutatie van deze netto schuld is te ontleden in een mutatie door de exploitatieresultaten en een mutatie van de investeringen in kapitaalgoederen (wegen, bruggen, gebouwen etc.) en voorraden (bouwgrond) op de balans.

De (mutatie van de) balansreserves, die slechts aangegeven in hoeverre het gemeentelijk bezit niet met schuld is belast, geven te weinig informatie. De houdbaarheidstest gemeentefinanciën kijkt dan ook naar kasstromen en de ontwikkeling van het financieel vermogen. De test brengt daarbij de uitkomst van tien kengetallen in beeld voor een diagnose van de actuele financiële conditie. Deze kengetallen belichten de aandachtgebieden van de financiële structuur die de toekomstige begrotingsruimte in sterke mate beïnvloeden. Tezamen bepalen deze tien kengetallen en de bijbehorende signaalwaarden de uitkomst van een financiële conditie index. Deze index geeft een algeheel oordeel over de financiële gezondheid van de gemeente. Maar de test is in de eerste plaats een stresstest. De test meet de ombuigingen die minimaal op de exploitatie-rekening nodig zijn om een slechtweer-scenario op te vangen. Voor dit slechtweerscenario waren de gevolgen van de Grote Recessie 2008-2015 voor de gemeentefinanciën het uitgangspunt. Maar voor de test van dit jaar is dit scenario afgezwakt, omdat in de begrotingscijfers 2026 van gemeenten al grote kortingen op de rijksoverdrachten zitten verwerkt. Zonder aanpassing zou een stapeling ontstaan. De minimale ombuigingsopgave voor het opvangen van het slechtweerscenario wordt in beeld gebracht met het financiële kengetal de houdbaarheidsquote.

Op de stand handmatig wordt het slechtweerscenario uitgezet en kunnen met de houdbaarheidstest uiteenlopende simulaties voor de gemeentelijke begrotingspolitiek worden gemaakt. De indicatoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de investeringen en de baten en lasten, zoals de correcties voor de inflatie, loonontwikkeling en bevolkingsgroei, kunnen daarvoor naar eigen inzicht worden aangepast. Bij een gewenste financiële vermogenspositie op de middellange termijn kan dan de financiële begrotingsruimte worden bepaald. Voor het bepalen van de financiële ruimte kan het niveau van de investeringen apart worden bijgesteld. Bij een gegeven ruimte voor investeringen berekent het model dan de maximaal aanwezige ruimte voor de exploitatie-uitgaven aan publieke voorzieningen. Omgekeerd kan bij een gegeven ruimte voor exploitatie-uitgaven de financiële ruimte voor investeringen in beeld worden gebracht.

) https://vng.nl/rubrieken/onderwerpen/financiele-conditie-gemeenten-en-kapitaalmarkt

1

2

§ 2. Korte beschrijving van de methodiek van de houdbaarheidstest gemeentefinanciën Het houdbaarheidstekort De houdbaarheidstest gemeentefinanciën is een kasstroommodel. Het hart van dit kasstroommodel wordt gevormd door de zogenaamde schuld-accumulatievergelijking in baten en lasten.2 Het model maakt daarmee een schatting van de toekomstige kasstromen in lopende prijzen. De kasstroom wordt daarbij gemeten met de mutatie van het financieel vermogen in een jaar. Dit is hetzelfde als de mutatie van de netto-schuld. De methode van de test waarmee het houdbaarheidstekort wordt bepaald, is gebaseerd op het leerstuk houdbare overheidsschuld uit de internationale economische literatuur. Dit leerstuk wordt wereldwijd door overheden van landen en staten toegepast. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank passen dergelijke testen toe om te bepalen hoe groot de structurele ombuigingsopgaaf van een overheid met financiële stress bedraagt en of daar eventueel saneringssteun bij nodig is. De nieuwe regels van het Stabiliteits- en Groeipact gebruiken de methode voor het bepalen van de uitgavenplafonds voor de overheidsfinanciën van de Europese lidstaten. Het leerstuk is ook de naamgever van onze nationale Wet houdbare overheidsfinanciën. Omdat gemeenten een soort van landjes binnen nationale staten zijn, is het concept goed bruikbaar voor gemeenten.

Gemeenten zijn namelijk net als landen en staten ook inkomen bestedende huishoudingen. Kortom, de houdbaarheid van de gemeenteschuld kan net als bij landen en staten worden gemeten met een berekening van de toekomstige schuldevolutie op basis van kasstromen. De financiële gezondheid van een gemeente kan met deze methode worden gevangen in één financieel kengetal over het zogenaamde houdbaarheidstekort. De architectuur van de houdbaarheidstest gemeentefinanciën is daarvoor speciaal toegesneden op de situatie van de Nederlandse gemeenten. Het rekenmodel houdbare gemeentefinanciën berekent de toekomstige financieringsstromen (cashflow) van een gemeente bij ongewijzigd beleid en laat daar vervolgens een slechtweerscenario op los. Op basis van de eindbalans van het boekjaar 2025 en de begrote inkomsten en uitgaven uit de begroting 2026 voorspelt het model het verloop van de netto schuld als aandeel van de baten (voor mutatie van de reserves). Bij die voorspelling houdt de test rekening met de invloed van demografische en economische variabelen, zoals inflatie, loonontwikkeling, groei van het aantal 75-plussers en rente, op de ontwikkeling van de toekomstige inkomsten en uitgaven. Daardoor houdt de test ook rekening met het structureel financieringstekort als financiële ruimte. In de test wordt op de toekomstige kasstroom een slechtweerscenario ingeboekt.

Bij het slechtweerscenario worden de toekomstige baten verlaagd, de toekomstige lasten verhoogd, de rente op nieuwe leningen verhoogd, en de uitgezette leningen afgewaardeerd. Ook wordt een val aan baten uit de grondexploitatie ingeboekt. Hierdoor loopt de netto schuldquote in het rekenmodel op.

) Voor een uitgebreide uitleg van de schuldaccumulatievergelijking in baten en lasten en het kasstroommodel kunnen de hoofdstukken 5 en 6 van het boek Houdbare gemeentefinanciën. Het bewaken van de financiële conditie in Nederland (Van der Lei, J., 2019) worden geraadpleegd. Een digitale versie hiervan staat eveneens op www.vng.nl bij het bericht van de nieuwe versie van deze test. 2

3

De gemeentelijke organisatie reageert vervolgens op die tegenvallers met ombuigingen. Maar de mogelijkheden voor ombuigingen door een gemeente zijn vanwege verschillende redenen begrensd. De eigen belastingen kunnen maar beperkt worden verhoogd en op bijvoorbeeld rentelasten en afschrijvingslasten kan niet worden omgebogen. Met het model kan vervolgens de structurele ombuigingsopgave op de exploitatie voor een houdbare gemeenteschuld worden berekend. Met ombuigingen keert de gemeente op de middellange termijn het oplopen van de netto schuldquote. In de test wordt daarvoor uitgegaan van vijf jaar. Door met de houdbaarheidstest de omvang van de ombuigingen op de baten en lasten te bepalen waarbij de netto schuldquote niet meer oploopt, wordt de weerbaarheid van de gemeente bij een slechtweerscenario in beeld gebracht. De houdbaarheidstest kijkt dus hoeveel een gemeente bij een fictief slechtweerscenario structureel op de baten en lasten moet ombuigen om het oplopen van de netto schuldquote op de middellange termijn te keren. Een alsmaar oplopende (netto) schuldquote wordt in de economische literatuur gezien als hèt teken voor een op (middellange) termijn onhoudbare financiële situatie.

Als een gemeente een alsmaar oplopende schuld op de middellange termijn minimaal weet om te buigen naar een stabiele of licht dalende netto schuldquote dan is sprake van een houdbare gemeenteschuld. Het model veronderstelt hierbij, dat de gemeente zijn investeringen op een gezond peil handhaaft en de belastingen niet verder verhoogt dan een aanvaardbaar niveau. Het bedrag aan structurele ombuigingen dat nodig is om de netto schuldquote te stabiliseren, wordt het houdbaarheidstekort genoemd. Hoe lager het houdbaarheidstekort bij het fictieve slechtweerscenario is, des te weerbaarder de gemeentefinanciën zijn. Het houdbaarheidstekort uitgedrukt in procenten van de baten en lasten waarop ombuigingen mogelijk zijn, wordt in het model de houdbaarheidsquote genoemd. Bij een gestandaardiseerd slechtweerscenario kan met de uitkomst voor de houdbaarheidsquote de weerbaarheid met andere gemeenten worden vergeleken. De financiële conditie index De uitkomst van de houdbaarheidsquote geeft niet onder alle economische omstandigheden een goed oordeel over de houdbaarheid van de gemeentefinanciën. De economische literatuur voorspelt namelijk dat bij een rente lager dan de trendmatige groei van de inkomsten een hogere schuld leidt tot een betere weerbaarheid.

Bij een rente lager dan de trendmatige groei van de inkomsten is het structureel financieringstekort hoger dan de bijbehorende rentelasten van de schuld, zodat een hogere schuld juist meer ruimte voor netto lasten aan publieke voorzieningen schept, en daarmee dus ook een deel van de ombuigingen opvangt. Dit mechanisme wordt versterkt als de rente in de achterliggende periode sterk is gedaald. Bij herfinanciering van de oude leningen dalen dan de rentelasten, waarmee eveneens een deel van de benodigde ombuigingen wordt ingevuld. De rente op gemeenteschulden was in het afgelopen decennium zeer laag, terwijl er nog steeds sprake was van een nominale groei van de inkomsten. Uit berekeningen van de houdbaarheidstekorten van Nederlandse gemeenten en de hoogte van de schulden van bijvoorbeeld het jaar 2017 bleek dan ook dat bij gemeenten met hogere schulden inderdaad sprake was van een betere uitkomst voor de houdbaarheidsquote en er dus sprake was van een betere weerbaarheid. Om deze reden is de houdbaarheidstest uitgebreid met een financiële conditie index. 4

De financiële conditie index kijkt breder naar de houdbaarheid van de gemeentefinanciën door een oordeel over de actuele hoogte van de schuld, de actuele hoogte van de voorraden, het actuele financieringsresultaat, de actuele exploitatieresultaten, de actuele belastingdruk, de actuele hoogte van de investeringen en de actuele hoogte van de lopende uitgaven te vellen. Voor die oordelen wordt juist uitgegaan van prudente of aanvaardbare niveaus. De financiële conditie index kijkt dus naar belangrijke aandachtsgebieden van de financiële gezondheid op dit moment. De filosofie van de index luidt daarmee: Als de gezondheid nu goed is, dan is een gemeente prima in staat om in de toekomst financiële risico’s op te vangen. De financiële conditie index wordt bepaald aan de hand van de uitkomsten van een gemeente op tien financiële kengetallen. Deze kengetallen zijn daarbij gerangschikt naar de thema’s Financieel vermogen, Exploitatie, Voorzieningenniveau en Houdbaarheid. De tien kengetallen belichten samen aandachtsgebieden van de financiële structuur die in hoge mate de toekomstige begrotingsruimte van Nederlandse gemeenten bepalen. Deze aandachtsgebieden van de financiële structuur waar de financiële kengetallen van de financiële conditie index licht op schijnen, zijn: Financieel vermogen 1. Druk van de schuldverplichtingen op de exploitatie (netto schuldquote) 2.

Hoogte van de voor voorraden en risico op uitgeleende gelden gecorrigeerde netto schuld (effectieve netto schuldquote) 3. Toename of afname van de netto schuld (financieringsresultaat) Exploitatie 4. Bijdrage van de exploitatierekening aan het financieringsresultaat (exploitatieresultaat) 5. Mate waarin lasten structureel worden gedekt door baten (aantal negatieve exploitatieresultaten in de afgelopen drie jaar) 6. Gevoeligheid voor bezuinigingen op overdrachten van het rijk (afhankelijkheidsratio) Voorzieningenniveau 7. Hoogte van de netto lopende uitgaven op de exploitatie (netto lasten per inwoner) 8. Hoogte van de investeringsuitgaven (netto investeringsquote) Houdbaarheid 9. Percentage van het bezit dat nog niet met schuld is belast (solvabiliteitsratio) 10. Ruimte voor verhoging van de eigen belastinginkomsten (onbenutte belastingcapaciteit) Voor elk aandachtsgebied wordt een financieel kengetal gebruikt. Deze worden tussen haken achter de bovenstaande opsomming van aandachtsgebieden genoemd. Voor het signaleren van financiële stress op een aandachtsgebied maakt de index gebruik van een signaalwaarde voor elk van deze kengetallen. Als de uitkomst op een kengetal de signaalwaarde overschrijdt, is er potentieel sprake van financiële stress op het desbetreffende aandachtsgebied. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van licht op groen, licht op oranje en licht op rood.

De financiële conditie index die start op tien, wordt bij een kengetal met het licht op oranje met een half punt verlaagd en bij een kengetal met het licht op rood met een vol punt verlaagd. Bij het overschrijden van de signaalwaarden op een, twee, drie of vier kengetallen heeft een gemeente nog steeds een voldoende financiële conditie. De financiële conditie index bedraagt dan respectievelijk negen (zeer goed), acht (goed), zeven (ruim voldoende) en zes (voldoende). 5

Daarmee staat de financiële conditie index bijvoorbeeld toe dat een gemeente met een goede financiële vermogenspositie zich exploitatietekorten en hoge investeringsuitgaven kan veroorloven. De financiële conditie is dan niet onder de maat. Er wordt tijdelijk op grote voet geleefd, maar daar is ook eenmalig geld als vermogensbuffer voor beschikbaar. Worden echter de signaalwaarden van meer dan vier kengetallen overschreden en staan de lichten daarvan op oranje of rood, dan is er sprake van potentieel onhoudbare gemeentefinanciën. De financiële conditie is dan matig (vijf en een half, licht op oranje) of onvoldoende (vijf of lager, licht op rood). Aanvullend op de uitkomst voor de financiële conditie index kan op basis van de uitkomsten op elk van de kengetallen een diagnose over de financiële structuur van de gemeente worden geveld. De oordelen over de symptomen (met tussen haken de bijbehorende kengetallen) luiden dan: 1. Erg hoge schuldendruk (netto schuldquote) 2. Erg hoge schuld (effectieve netto schuldquote) 3. Erg grote toename van de schuld (financieringsresultaat in procenten van de baten) 4. Tekort op de exploitatie in het lopende jaar (exploitatieresultaat in procenten van de baten) 5. Structureel tekort op de exploitatie (aantal negatieve exploitatieresultaten in drie jaar tijd) 6.

Hoge gevoeligheid voor kortingen op overdrachten van het Rijk (afhankelijkheidsratio) 7. Erg hoge of juist erg lage investeringsuitgaven (netto investeringsquote) 8. Erg hoge of juist erg lage lopende uitgaven (netto lasten per inwoner) 9. Weinig tot geen remweg om tegenvallers op de exploitatie op te vangen (solvabiliteitsratio) 10. Weinig tot geen structurele ruimte door verhoging van belastingtarieven (onbenutte belastingcapaciteit) In paragraaf 4 is een overzicht opgenomen met de definities en een uitleg van de financiële kengetallen. Daar zijn ook de signaalwaarden voor de kengetallen te vinden, waarboven financiële stress op het desbetreffende aandachtsgebied wordt verondersteld.

§ 3. Invulinstructie Houdbaarheidstest gemeentefinanciën versie maart 2026 De houdbaarheidstest gemeentefinanciën is geschreven in Excel en bestaat uit vijf tabbladen. Dit zijn de tabbladen: • • • • •

Financiële conditie Macrogegevens Balansprognose Investeringen & financiering Inkomsten & uitgaven

Op het eerste tabblad Financiële conditie kan de gemeentenaam worden geselecteerd. Dit blad bevat verder een overzicht van de uitkomsten voor de financiële conditie index en de bijbehorende kengetallen van drie opeenvolgende jaren, waaronder als laatste het lopende begrotingsjaar. Ook wordt op dit blad met vier grafieken weergegeven: hoe de schuldevolutie in het lopende begrotingsjaar is opgebouwd, wat de resterende financieringsruimte is, of er sprake is van een houdbaarheidstekort of houdbaarheidsoverschot, en hoe hoog de schuldbelasting van het bezit is. 6

Bij het selecteren van de gemeentenaam linksboven op dit blad worden de andere vier tabbladen gevuld met de meest actuele IV-3 opendata van de jaarrekening 2024 en de primitieve begroting 2026. Dit zijn de gegevens die de gemeente zelf heeft aangeleverd bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vervolgens moeten de invoervelden van de andere tabbladen met actuelere gegevens van de gemeente zelf worden overschreven. Van deze tabbladen moeten alleen de witte velden worden ingevuld. Daar waar bedragen worden gevraagd, moeten de bedragen in hele euro’s worden ingegeven. De bedragen kunnen niet worden afgekort in duizenden euro’s. De informatie die al in de witte velden staat, is in veel gevallen niet actueel en moet dus worden overschreven met de actuele informatie van de gemeente zelf. De witte invoervelden hebben daarvoor veelal een invulinstructie op detailniveau, die in beeld verschijnt als de cursor op het desbetreffende veld wordt geplaatst. Tot besluit kan op het tabblad Macrogegevens het houdbaarheidstekort worden bepaald. Op dat tabblad kunnen eveneens afwijkende waarden voor de indicatoren die de groei van de inkomsten en uitgaven beïnvloeden, en een afwijkend scenario worden ingegeven voor het ramen van de toekomstige begrotingsruimte of investeringsruimte. Hierna volgt per tabblad een aanvullende instructie voor het invullen van de houdbaarheidstest.

Blad Balansprognose Op het tabblad Balansprognose moeten ten eerste de witte velden van de eindbalans 2025 worden overgeschreven. De al ingevulde gegevens betreffende de eindbalans van de jaarrekening 2024 volgens de opgave van de gemeente met de IV-3 aan het CBS. Deze gegevens moeten worden overgeschreven met de informatie van de eindbalans uit de (voorlopige) jaarrekening 2025. De indeling van de balans uit de test sluit aan bij de indeling uit het BBV. Hier en daar kan sprake zijn van een afwijking met de balans uit de jaarrekening van de gemeente. Bij afwijkingen moet erop worden gelet dat bij het opnieuw rubriceren alle bedragen van de balans uit de gemeentelijke jaarrekening worden meegenomen. Na het overnemen van de balans uit de (voorlopige) jaarrekening 2025 moeten rechtsonder de balans de totale baten voor bestemming reserves 2025 en totale lasten voor bestemming reserves 2025 worden ingevuld. Deze gegevens zijn veelal te vinden in het overzicht van de baten en lasten in de (voorlopige) jaarrekening 2025 van de gemeente. Ook moeten daar de baten en lasten voor mutatie van de reserves van het jaar 2026 worden ingevuld. Voor deze bedragen moet worden uitgegaan van de bedragen inclusief de mutatie voorzieningen en de baten en lasten uit de grondexploitatie.

Voor de begrote totale baten en lasten voor bestemming van de reserves voor het jaar 2026 kan worden gevaren op cijfers van de (bijgestelde) begroting van de gemeente. Tot slot moet hier het saldo van de onttrekkingen aan en de toevoegingen aan de balanspost voorzieningen in 2026 worden ingegeven, voor zover dit saldo al in de begrote baten en lasten van het jaar 2026 is verwerkt. Linksonder de balans op het tabblad Balansprognose moeten vervolgens de begrote afschrijvingslasten 2026 voor de immateriële activa en de materiële activa worden ingevuld. Het reeds ingevulde bedrag betreft de afschrijvingslasten van de begroting 2026 volgens de opendata

7

IV-3. Bij de afschrijvingslasten moeten ook de afschrijvingslasten worden meegenomen die worden gedekt uit bestemmingsreserves. Onder het invoerveld voor de afschrijvingslasten staat een zwart omlijnd blok met witte invoervelden. Vul dit zwart omlijnde blok pas in, nadat het blad Investeringen & financiering is ingevuld. De uitleg voor het invullen van dit blok staat aan het slot van de invulinstructie van het blad Investeringen & financiering. Blad Investeringen & financiering Vul op de eerste rij met witte invoervelden van het tabblad Investeringen & financiering in: de investeringen van 2026 in (Im-)materiele activa; de aankoop in 2026 van Niet in exploitatie genomen gronden; de investeringen van 2026 in Onderhanden werk bouwgrondexploitatie; de aankoop in 2026 van Overige voorraden; en het bedrag van nieuwe Kapitaalverstrekkingen in 2026.

Vul op de tweede rij met witte invoervelden van het blad Investeringen & financiering in: de eventuele bruto verkoopopbrengst in 2026 van het afstoten van (Im-)materiele activa; het bedrag van de overboeking in 2026 van Niet in exploitatie genomen grond naar de voorraad Onderhanden werk bouwgrondexploitatie; de verwachte bruto verkoopopbrengsten in 2026 uit de kavelverkopen bouwgrond van de voorraad Onderhanden werk bouwgrondexploitatie; het bedrag aan onttrekking in 2026 van Overige voorraden en de bruto-opbrengst in 2026 uit de verkoop of liquidatie van Kapitaalverstrekkingen. Let op bij het invullen van het bedrag voor de overboeking van Niet in exploitatie genomen grond. Daar moet alleen de afname van de voorraad worden ingeboekt en niet de waardestijging bij die overboeking. In het onderste blok van het tabblad Investering & financiering moeten de aflossingen in 2026 op de uitstaande leningen en op de aangetrokken leningen worden ingegeven. Nieuw aan te trekken langlopende leningen berekent het model zelf. Nieuwe leningen aan verbonden partijen, nieuwe leningen aan derden en nieuwe langlopende uitzettingen in 2026 moeten op het tabblad Balansprognose in het zwart omlijnde blok linksonder worden ingevuld.

Voor het ramen van de uitkomst van de eindbalans 2026 kunnen tot slot op het tabblad Investeringen & financiering de mutaties voor de vlottende financiële activa en de vlottende financiële passiva worden ingegeven. Maar meestal zijn deze mutaties tot ver in het begrotingsjaar niet bekend. De velden kunnen dan leeg worden gelaten. Na het invullen van het tabblad Investeringen & financiering moeten vervolgens in het zwart omlijnde blok linksonder op het tabblad Balansprognose de gemaakte boekwinsten op het afstoten van (Im-) materiele activa en Kapitaalverstrekkingen worden ingegeven. Ook moeten hier de nieuw te verstrekken leningen aan derden en leningen aan verbonden partijen worden ingegeven en de geplande nieuwe langlopende uitzettingen. In het zwart omlijnde blok linksonder moet ook de sprong in waarde van de bouwgrond bij de overboeking van Niet in exploitatie genomen bouwgronden naar Onderhanden werk bouwgrondexploitatie worden ingegeven.

8

Tot slot moet voor de eindstand Onderhanden werk bouwgrondexploitatie de afname van deze voorraad door verkopen worden ingeven door middel van het invoeren van de kostprijs van de verkopen bouwgrondexploitatie uit de voorraad onderhanden werk bouwgrondexploitatie. Dit is het bedrag zoals dat bij de begroting van de exploitatierekening is opgevoerd als de in 2026 te verantwoorden lasten bouwgrondexploitatie. Bij de bovenstaande mutatie past de opmerking dat het model veronderstelt dat de baten en lasten van de bouwgrondexploitatie bruto in de cijfers van de exploitatie worden meegenomen. Is dit niet het geval dan moeten op het blad Balansprognose de ingevulde baten en lasten 2026 met de baten en lasten van de bouwgrondexploitatie worden opgehoogd. Blad Inkomsten & uitgaven Voordat het houdbaarheidstekort kan worden bepaald, moeten als laatste op het tabblad Inkomsten & uitgaven de kasstromen uit de baten en de lasten worden toegedeeld aan de verschillende inkomsten- en uitgavencategorieën. De al ingevulde gegevens op dit blad zijn gebaseerd op de gegevens voor het begrotingsjaar 2026 zoals die bekend zijn bij het CBS. De baten voor overdrachten van het rijk, zoals de algemene uitkeringen en het budget voor de bijstandsverstrekking, zijn gebaseerd op openbare bronnen van het Rijk stand Miljoenennota 2026.

De bedragen voor de belastingen, rechten en leges zijn gebaseerd op de begrotingscijfers 2026 van het CBS. Juist het goed en volledig categoriseren van de baten is belangrijk. Daarmee wordt namelijk indirect ook de omvang van de uitgaven bepaald waarop de gemeente ombuigingen kan realiseren. Voor de indeling van de uitgaven op het tabblad Inkomsten & uitgaven is aansluiting gezocht bij de hoofdindeling in taakvelden. Wel zijn de uitgaven aan lonen, salarissen en inkomstenregelingen, zoals de bijstand en de WSW-oud, apart gehouden. Voor het categoriseren van de rest van de uitgaven aan de verschillende taakvelden moet daarom worden uitgegaan van de uitgaven exclusief door de gemeente betaalde lonen, rente, afschrijvingen, inzet en vorming reserves, inzet en vorming van voorzieningen en lasten bouwgrondexploitatie. Het totaalbedrag van de kasstroom uit de baten (exclusief rente, boekwinsten en opbrengsten uit de bouwgrondexploitatie) dat nog niet is toegedeeld aan een categorie, staat in de eerste kolom met inkomstencategorieën achter nr. 14. Aan de hand daarvan kan de mate van volledigheid van het categoriseren van de inkomsten worden gecontroleerd. Het totaalbedrag van de kasstroom uit de lasten (exclusief afschrijvingen, rente en lasten bouwgrondexploitatie) dat nog niet is toebedeeld, staat in de tweede kolom met uitgavencategorieën achter nr. 21.

Aan de hand daarvan kan bij het toedelen van de exploitatie-uitgaven aan de verschillende categorieën eveneens de mate van volledigheid worden gecontroleerd. Het volledig toedelen van de baten en lasten op de euro nauwkeurig is in de regel niet haalbaar. Dat is op zich niet erg en beïnvloedt de uitkomst weinig. Maak hier dan ook geen levenswerk van. Van belang is juist om de baten uit de rechten en leges, de decentralisatie-uitkeringen en de specifieke uitkeringen op dit blad zo goed als mogelijk te ramen.

9

Blad Macrogegevens Op het tabblad Macrogegevens kan tot slot linksboven worden gekozen of wordt uitgegaan van de voor ingevulde groeicijfers voor de ontwikkeling van de inkomsten en uitgaven of dat zelf handmatig cijfers worden ingevoerd. De gegevens van de kolom Macrogegevens bij de stand Trend 2027-2031 linksboven van het tabblad zijn gebaseerd op openbare bronnen. De cijfers over de bevolkingsgroei zijn gebaseerd op de regionale bevolkingsstatistieken van het CBS en de Primosraming 2025 van ABF. De cijfers over de inflatie (cpi), het prijspeil binnenlands bruto product, de trendmatige economische groei, het prijspeil beloning werknemers (overheid), het prijspeil netto materieel (overheid), het prijspeil bruto investeringen (overheid) en de ontwikkeling CAO-loon marktsector zijn gebaseerd op de meerjarenraming bij het Centraal Economisch Plan 2026 van het Centraal Planbureau (CPb). Voor de reële groei van de zorgkosten is uitgegaan van de raming van de gemiddelde reële groei van alle zorgkosten uit de middellange termijnraming van het CPb uit het voorjaar 2025. Door in dit blok in plaats van Trend 2027-2031 de stand Handmatig te selecteren wordt juist uitgegaan van de getallen die zelf in de lege witte kolom worden ingevuld.

Nadat de inkomsten en lopende uitgaven op het tabblad Inkomsten & uitgaven zijn gecategoriseerd, en de groeicijfers voor de ontwikkeling van de inkomsten en uitgaven zijn geselecteerd, kan het houdbaarheidstekort voor houdbare gemeentefinanciën worden bepaald door het aanpassen van het ombuigingspercentage bij knop nr. 33 onder het kopje Scenario. Door trail en error moet hier een percentage worden ingegeven waarbij de netto schuldquote in de grafiek op dit tabblad vanaf 2032 stabiliseert of licht daalt. Of dit het geval is, kan ook worden afgelezen in het veld doelzoeken of aan de hand van de reeks met netto schuldquotes erboven. Het ombuigingspercentage kan natuurlijk ook met de functie doelzoeken van Excel zelf worden gevonden. Bij knop nr. 35 onder de kolom Handmatig kan door het ingeven van een positief of een negatief percentage het niveau van de investeringsuitgaven worden bijgesteld. Dit invoerveld werkt ook als de test op het scenario Slechtweer is ingesteld. Hier kan dus ook een ombuiging op de investeringsruimte voor investeringen in vaste (im-)materiële activa worden ingeboekt. Bij ombuigingen op ook de investeringsruimte hoeft minder op de lopende exploitatie-uitgaven worden omgebogen. Met het ingeven van negatieve percentages op de invoervelden bij de knoppen nr. 33 en nr.

35 worden juist structurele meeruitgaven voor respectievelijk de exploitatie en de jaarlijkse investeringen ingeboekt. De hoogte van het bedrag aan investeringen per inwoner waar het model van uitgaat, kan in de tweede kolom worden afgelezen. Bij het bepalen van het ombuigingspercentage bij knop nr.33 voor het houdbaarheidstekort moet dus een percentage worden gekozen, waarbij de netto schuldquote vanaf het jaar 2032 licht daalt. Het kan zijn dat daarvoor een negatief percentage moet worden ingegeven. Er is dan ruimte voor meeruitgaven op de exploitatie. Achter knop nr. 33 staat het bedrag aan ombuigingen dat bij het desbetreffende scenario nodig is voor houdbare gemeentefinanciën. Na het bepalen van het benodigde ombuigingspercentage is de test gereed en kan de financiële conditie van de gemeente op het blad Financiële conditie worden afgelezen. Voor het maken van een inschatting van de begrotingspolitiek bij verschillende scenario’s kan het scenario van de test in plaats van op Slechtweer op Handmatig worden gezet. De omvang van de exploitatie in kasstromen en de investeringsruimte voor de toekomstige jaren kunnen dan rechtsboven op het blad Macrogegevens worden afgelezen. 10

§ 4. De kengetallen van de financiële conditie index In het navolgende deel van de Handleiding houdbaarheidstest gemeentefinanciën worden de definities van de kengetallen van de financiële conditie index gegeven en vervolgens kort toegelicht. Daarbij worden ook de signaalwaarden van elk kengetal gegeven, waarboven (of waaronder) potentieel sprake is van financiële stress op het bijbehorende aandachtsgebied.

Netto schuldquote (inclusief uitgeleende gelden) - 100% x ((Langlopende leningen + Overige langlopende schuldverplichtingen + Kortlopende leningen + Rekeningcourant kredieten + Crediteuren + Overlopende passiva – Langlopende verstrekte leningen aan verbonden partijen – Langlopende verstrekte leningen aan derden – Langlopende uitzettingen – Kortlopende verstrekte leningen – Kortlopende uitzettingen – Vorderingen – Debiteuren – Liquide middelen – Overlopende activa) : Baten voor mutatie reserves) Een gemeente is een inkomen bestedend huishouden. Daarom draait het voor de financiële gezondheid in de eerste plaats om de hoogte van de schulden en geldelijke bezittingen in relatie tot de inkomsten. Het saldo van de schulden en geldelijke bezittingen heet het financieel vermogen. Is het financieel vermogen negatief dan spreekt men over een netto schuld. Gemeenten worden geacht hoofdzakelijk schulden aan te gaan voor investeringen. Daarmee worden kosten van die investeringen naar de toekomstige verbruikers verlegd. Betalen en genieten komen daarmee in een hand te liggen. De netto schuldquote geeft indirect antwoord op de vraag of met het inkomen blijvend de schuldverplichtingen kunnen worden gedragen. Een hoge netto schuldquote geeft aan dat bij een recessie de druk van de schuldverplichtingen op de exploitatie-uitgaven hoog kan oplopen.

De signaalwaarde voor de netto schuldquote bedraagt 130%. Erboven springt het licht op rood (1 punt aftrek). Er is dan sprake van een erg hoge schuldendruk. Al bij een netto schuldquote hoger dan 100% springt het licht op oranje (½ punt aftrek).

Effectieve netto schuldquote - Netto schuldquote + (risico op wanbetaling uitgeleende gelden x Uitleenquote) + (voorraadrisico bouwgrondexploitatie x Voorraadquote) – Voorraadquote Een hoge netto schuldquote hoeft niet te betekenen dat een gemeente relatief gezien hoge schulden heeft. Mogelijk heeft de gemeente tegenover de schulden grote voorraden onderhanden werk grondexploitatie staan die op de korte termijn worden verkocht. Daarmee daalt de schuld. Gemeenten lenen daarbij vanuit hun publieke taak ook zelf gelden uit aan bijvoorbeeld gemeentelijke overheidsbedrijven. Omdat hierover rente wordt ontvangen, drukt de schuldenlast die er tegenover staat, niet op de exploitatie. Wel loopt een gemeente op deze uitgeleende gelden een risico op wanbetaling. Het aandeel uitgeleende gelden in de netto schuldquote kan laag zijn, zodat de gemeente een in omvang maar beperkt wanbetalingsrisico op deze uitzettingen loopt. Uit de netto schuldquote kan tezamen met de uitleenquote en de voorraadquote het kengetal effectieve netto schuldquote worden gedefinieerd, dat een ander licht op de hoogte van de schulden schijnt. De uitleenquote is daarbij de omvang van de uitgeleende gelden gedeeld door de baten voor mutatie van de reserves. De voorraadquote wordt berekend door de omvang van de voorraden te delen door de baten voor mutatie van de reserves.

11

Een hoge effectieve netto schuldquote geeft aan dat er mogelijk al sprake is van een risico op financiële stress door hoge schulden. Een lage effectieve netto schuldquote, ondanks een hoge netto schuldquote, geeft aan dat er geen sprake is van te hoge schulden. Voor het berekenen van de effectieve schuldquote wordt uitgegaan van een wanbetalingsrisico op uitgeleende gelden van 12%. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat bij financiële stress de bouwplannen van de voorraad onderhanden werk voor 70% van de waarde waartegen ze op de balans staan, kunnen worden verkocht. Het voorraadrisico bedraagt daarmee 30%. De signaalwaarde voor de effectieve netto schuldquote bedraagt 120%. Erboven springt het licht op rood (1 punt aftrek). De gemeente heeft dan een erg hoge schuld. Al bij een effectieve netto schuldquote hoger dan 90% sprint het licht op oranje (½ punt aftrek).

Financieringsresultaat - 100% x ((Netto schuld ultimo – Netto schuld primo) : Baten voor mutatie reserves) Een gemeente kan worden beschouwd als een klein landje dat deel uitmaakt van Nederland net zoals Nederland een land in de Europese Unie is. Het draait bij dergelijke organisaties om de hoogte van de netto schuld en het saldo waarmee die netto schuld muteert. Gemeenten vallen dan ook onder het Europese begrotingstoezicht met normen voor de hoogte van de schuld en de mutatie ervan in een jaar. Het saldo waarmee de netto schuld in een jaar muteert heet het financieringsresultaat. Het financieringsresultaat geeft aan hoeveel de netto schuldquote in een jaar is gestegen of gedaald. Het financieringsresultaat in een jaar wordt beïnvloed door het exploitatieresultaat, de mutatie van de balanspost voorzieningen, de investeringen in vaste- en vlottende (im-)materiele activa en de mutatie van de balanspost kapitaalverstrekkingen. Bij een negatief exploitatieresultaat of een afname van de balanspost voorzieningen stijgt de netto schuld en is de bijdrage aan het financieringsresultaat negatief (en visa versa). Bij een toename van de vaste- en vlottende (im-) materiele activa en van de kapitaalverstrekkingen stijgt de netto schuld eveneens en is de bijdrage aan het financieringsresultaat eveneens negatief (en visa versa).

Vooral het exploitatieresultaat en de hoogte van de investeringen in (im-) materiele vaste activa zijn in de regel van invloed op het financieringsresultaat. De definitie van het kengetal financieringsresultaat komt grotendeels overeen met die van het emu-saldo van de gemeente uitgedrukt in procenten van de baten. Normaal worden de uitgaven aan investeringen ieder jaar duurder door inflatie, stijgende lonen, bevolkingsgroei en de vraag naar hogere standaarden voor publieke voorzieningen. Daarmee overtreffen de investeringsuitgaven in de regel de afschrijvingslasten. Het saldo ervan, de nettoinvesteringen, zijn zodoende positief en vragen om aanvullende financiering. Voor zover daar niet met een positief exploitatieresultaat in wordt voorzien, zal een gemeente extra leningen moeten aantrekken. In de regel is het financieringsresultaat van een gemeente daarom negatief. Met het kengetal financieringsresultaat kan worden gekeken of de netto schuld erg snel oploopt. Bij een sterk negatief percentage is dit het geval. De signaalwaarde voor het financieringsresultaat voor licht op rood bedraagt -/- 4,75% (1 punt aftrek). Bij een negatiever financieringsresultaat stijgt de netto schuld erg snel. Al bij het percentage -/- 4% springt het licht voor dit kengetal op oranje (½ punt aftrek).

12

Exploitatieresultaat - 100% x ((Algemene reserve ultimo + Bestemmingsreserves ultimo + Resultaat van de rekening ultimo – Algemene reserves primo (inclusief saldo van de rekening) – Bestemmingsreserves primo) : Baten voor mutatie reserves) Normaal hoort een gemeente positieve exploitatieresultaten te behalen. Deze resultaten gebruikt een gemeente in hetzelfde jaar voor de gedeeltelijke financiering van de netto-investeringen. Met gemiddeld genomen positieve exploitatieresultaten behoudt een gemeente een positieve uitkomst voor de solvabiliteitsratio. Bij een negatief exploitatieresultaat leent de gemeente juist geld voor gewone uitgaven zoals de elektriciteitsrekening van de lantaarnpalen. Daarmee wordt het bezit van de gemeente zwaarder met schuld belast. Het kan voorkomen dat de inkomsten in een jaar tegenvallen of de lasten sneller stijgen dan voorzien, waardoor een negatief exploitatieresultaat ontstaat. Er zijn dan ombuigingen nodig om dit negatieve exploitatieresultaat weg te werken. Het kengetal exploitatieresultaat beantwoordt de vraag of een gemeente zijn bezit zwaarder met schuld belast, doordat het exploitatieresultaat negatief is. Juist een exploitatietekort kan een signaal zijn voor het ontstaan van financiële stress. Bij structureel negatieve exploitatieresultaten wordt de schuldbelasting van de bezittingen op de balans op termijn hoger dan 100%.

Er worden dan kosten van lopende consumptieve uitgaven op een toekomstige generatie inwoners afgewenteld. Structureel negatieve exploitatieresultaten bij gemeenten zijn daarom ongewenst. De signaalwaarde voor het kengetal exploitatieresultaat bedraagt daarom 0%. Bij een negatief exploitatieresultaat springt het licht voor dit kengetal op rood (1 punt aftrek). Voor het bepalen van de financiële conditie index maakt de test gebruik van een tweede oordeel over het exploitatieresultaat. Er wordt aanvullend gekeken naar de uitkomsten van het exploitatieresultaat in het lopende jaar en in de twee daaraan voorafgaande jaren. Is er sprake van drie negatieve exploitatieresultaten op rij dan springt er nog een licht op rood (1 punt extra aftrek). Het exploitatieresultaat is in dat geval structureel negatief. Bij twee negatieve exploitatieresultaten in drie jaar springt het licht op oranje (extra ½ punt aftrek).

Afhankelijkheidsratio - 100% x ((Inkomsten uit het gemeentefonds + Inkomsten uit specifieke uitkeringen) : Baten voor mutatie reserves) Nederlandse gemeenten zijn erg afhankelijk voor hun inkomsten van overdrachten van het rijk. Daarmee zijn ze ook erg gevoelig voor kortingen op die overdrachten. Een hoge afhankelijkheid van deze overdrachten wordt internationaal gezien als een nadeel voor de financiële conditie. Het kengetal afhankelijkheidsratio geeft aan in hoeverre een gemeente voor zijn inkomsten afhankelijk is van overdrachten van het rijk. De afhankelijkheid van overdrachten en dus de gevoeligheid voor kortingen loopt tussen gemeenten ver uiteen. De afhankelijkheidsratio’s van gemeenten in Nederland liggen tussen de 45% en 83%. De signaalwaarde voor de afhankelijkheidsratio waarbij het licht op rood springt, bedraagt 80% (1 punt aftrek). De gevoeligheid voor kortingen op overdrachten is dan erg hoog. Bij een afhankelijkheidsratio hoger dan 75% spring het licht op oranje (½ punt aftrek).

13

Netto investeringsquote - 100% x ((Immateriële activa ultimo jaar t + Materiële activa ultimo jaar t) – (Immateriële activa ultimo jaar t-4 + Materiële activa ultimo jaar t-4)) : (4 x Baten voor mutatie reserves jaar t) De netto investeringsquote is geschikt om te beoordelen of een gemeente voldoende investeert voor het behoud van een aanvaardbaar voorzieningenniveau. Normaal zullen de uitgaven aan de investeringen hoger zijn dan de afschrijvingslasten, omdat de investeringen door inflatie en stijgende lonen duurder worden. Maar ook doordat door inwonersgroei en economische groei jaarlijks meer en hoogwaardigere publieke investeringen zoals wegen en scholen nodig zijn. De uitkomst van de netto investeringsquote hoort daarom normaal gesproken gematigd positief te zijn. Voor de berekening van de netto investeringsquote wordt een periode van vier jaar genomen, zodat fluctuaties in de hoogte van de investeringen tussen jaren wegvallen. Ook wordt daarmee over een eventuele politieke investeringscyclus heen gekeken. Gemeenten kunnen op de investeringsuitgaven bezuinigen voor ruimte op de exploitatierekening (minder afschrijvings- en rentelasten). Te lage investeringen kunnen daarom een signaal zijn dat een gemeente een probleem heeft om de gewone uitgaven en rentelasten op de exploitatie te beheersen.

Door investeringen uit of af te stellen dalen de afschrijvingslasten in plaats van dat ze samen met de rentelasten door de nieuwe (vervangings-)investeringen oplopen. Daarmee daalt eveneens de netto schuldquote. Bij te lage investeringen zijn op termijn inhaalinvesteringen nodig, omdat anders de leefbaarheid in de gemeente onder druk komt. Een gemeente kan ook te ambitieus zijn en te veel willen investeren. Te hoge investeringen zorgen voor het oplopen van de netto schuldquote en daarmee voor het oplopen van de schuldverplichtingen. Ook leggen de hogere afschrijvingslasten van de investeringen en de rente van de bijbehorende schuld dan een groter deel van de exploitatierekening vast, waardoor de ruimte voor ombuigingen op de lopende uitgaven van de exploitatie kleiner is. De netto investeringsquote kent dan ook signaalwaarden voor lage investeringen en voor hoge investeringen. Het kengetal kijkt daarbij alleen naar de achterliggende periode. De signaalwaarde voor de netto investeringsquote voor een erg laag investeringsniveau bedraagt 0%. Bij een negatieve netto investeringsquote springt het licht op rood (1 punt aftrek). Bij een investeringsquote lager dan 2% springt het licht al op oranje (½ punt aftrek). De signaalwaarde voor een hoog investeringsniveau bedraagt 7%. Erboven springt het licht op rood (1 punt aftrek).

Bij een netto investeringsquote boven de 5% springt het licht al op oranje (½ punt aftrek).

Netto lasten per inwoner - (Lasten voor mutatie reserves – Rentelasten – Afschrijvingslasten – Lasten bouwgrondexploitatie – Inkomsten uit heffingen en leges – Inkomsten uit specifieke uitkeringen – Inkomsten uit decentralisatie-uitkeringen – Inkomsten uit Toeristenbelasting – Inkomsten uit Parkeerbelasting - Inkomsten uit Pachten) : Inwonertal gemeente Het kengetal netto lasten per inwoner geeft informatie over de hoogte van de lopende uitgaven aan de publieke voorzieningen die uit algemene middelen of met schuldfinanciering worden betaald. Toeristenbelasting, Parkeerbelasting en (Erf-) Pachten zijn ook algemene middelen, maar worden wel in mindering gebracht op het kengetal netto lasten per inwoner om de vergelijkbaarheid tussen gemeenten onderling te verbeteren. Het kengetal geeft een signaal af voor lage of juist hoge lopende uitgaven per inwoner ten opzichte van vergelijkbare gemeenten. Lage netto lasten per inwoner ten opzichte van vergelijkbare gemeenten zijn een indicatie dat het niveau aan noodzakelijke publieke voorzieningen mogelijk onder druk staat. Hoge netto lasten per inwoner ten opzichte van vergelijkbare gemeenten kunnen een signaal zijn dat een gemeente op grote voet 14

leeft. Voor het bepalen of sprake is van afwijkende netto lasten per inwoner is een vergelijking met gemeenten met een vergelijkbare sociale structuur en centrumfunctie nodig. Daarvoor worden drie klassen gemeenten met een vergelijkbare sociale structuur en centrumfunctie onderscheiden, namelijk de klassen laag, midden en hoog. Deze klasse-indeling naar sociale structuur en centrumfunctie steunt op het instrument Begrotingsanalyse van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De signaalwaarden voor dit kengetal worden bepaald aan de hand van een vergelijking van alle netto lasten per inwoner in een jaar binnen de desbetreffende klasse. De onderste signaalwaarde bedraagt de uitkomst van het 1e kwartiel min 5%. De bovenste signaalwaarde bedraagt de uitkomst van het 3e kwartiel plus 5%. Voor gemeenten uit de klasse laag met een goede sociale structuur en geen centrumfunctie ligt de lage signaalwaarde in 2026 op 2.012 euro (licht op rood, 1 punt aftrek). De hoge signaalwaarde bedraagt 2.514 euro (licht op rood, 1 punt aftrek). Voor gemeenten uit de klasse midden met een redelijke of matige sociale structuur en een redelijke tot geen centrumfunctie ligt de onderste signaalwaarde in 2026 op 2.209 euro (licht op rood, 1 punt aftrek) en de bovenste signaalwaarde op 2.829 euro (licht op rood, 1 punt aftrek).

Voor gemeenten uit de klasse hoog met een zwakke of matige sociale structuur en of een sterke centrumfunctie ligt in 2026 de onderste signaalwaarde op 2.725 euro (licht op rood, 1 punt aftrek) en de bovenste signaalwaarde op 3.489 euro (licht op rood, 1 punt aftrek). Bij een onderschrijding van de lage signaalwaarde heeft een gemeente erg lage netto lasten per inwoner. Bij een overschrijding van de bovenste signaalwaarde heeft een gemeente erg hoge netto lasten per inwoner. (Voor het jaar 2024 bedraagt voor de klasse laag de onderste signaalwaarde 1.862 euro en de bovenste signaalwaarde 2.387 euro. Voor de klasse midden bedraagt de onderste signaalwaarde 2.038 euro en de bovenste signaalwaarde 2.584 euro. Voor de klasse hoog bedraagt in 2024 de onderste signaalwaarde 2.533 euro en de bovenste signaalwaarde 3.179 euro.) (Voor het jaar 2025 bedraagt voor de klasse laag de onderste signaalwaarde 1.907 euro en de bovenste signaalwaarde 2.408 euro. Voor de klasse midden bedraagt de onderste signaalwaarde 2.144 euro en de bovenste signaalwaarde 2.694 euro. Voor de klasse hoog bedraagt in 2025 de onderste signaalwaarde 2.672 euro en de bovenste signaalwaarde 3.399 euro.)

Solvabiliteitsratio - 100% x ((Algemene reserve ultimo + Bestemmingsreserves ultimo + Resultaat van de rekening ultimo) : Balanstotaal) De solvabiliteitsratio meet in hoeverre het bezit op de balans niet met schulden is belast. Zo is bij een solvabiliteitsratio van 30% dus 70% van het gemeentebezit wel met schulden belast. Bij een uitkomst voor de solvabiliteitsratio lager dan 0% zijn de schulden hoger dan de balanswaarde van de bezittingen op de linkerzijde van de balans. Het gemeentehuis staat dan bij wijze van spreken financieel onder water. Er is in dat geval sprake van een negatief eigen vermogen. Een lage solvabiliteitsratio is een teken dat een gemeente met zijn exploitatieresultaten weinig tot niet spaart voor de financiering van zijn investeringen. Bij een negatief exploitatieresultaat daalt de omvang van de balansreserves en dus in de regel ook de solvabiliteitsratio. Bij een negatieve solvabiliteitsratio heeft een gemeente met negatieve exploitatieresultaten dusdanig veel geleend voor lopende uitgaven aan publieke voorzieningen dat de kosten van gewone uitgaven aan publieke voorzieningen op een toekomstige generatie inwoners zijn afgewenteld. Dit is in de regel ongewenst. 15

Om enige speling te hebben voor het ontstaan van de hiervoor genoemde negatieve verschijnselen moet voor de signaalwaarde van de solvabiliteitsratio enige ruimte worden aangehouden. De resterende buffer aan leencapaciteit is dan bedoeld als remweg voor het tijdelijk opvangen van exploitatietekorten. Daarom springt al bij een solvabiliteitsratio van 20% het licht op oranje (½ punt aftrek). Bij een lagere waarde is sprake van een hoge schuldbelasting van het bezit. De signaalwaarde voor het licht op rood voor de solvabiliteitsratio bedraagt 0% (1 punt aftrek).

Onbenutte belastingcapaciteit OZB - 100% x ((Redelijk tarief OZB x (WOZ-waarde woningen + WOZ-waarde niet-woningen eigenaar + WOZ-waarde niet-woningen gebruiker)) – (opbrengst OZB woningen + opbrengst OZB niet-woningen eigenaar + opbrengst OZB niet-woningen gebruiker)) : Baten voor mutatie reserves Het kengetal onbenutte belastingcapaciteit OZB geeft aan hoeveel een gemeente bij een slechtweer-scenario zijn inkomsten kan verhogen. Een negatieve uitkomst geeft aan dat een gemeente geen ruimte voor ombuigingen op zijn belastingbaten heeft. Een negatieve uitkomst voor het kengetal betekent ook, dat de belastingdruk hoger is dan wat de wetgever als een aanvaardbaar belastingtarief ziet. Daarmee is het kengetal ook zelf een signaal voor het ontstaan van financiële stress. Bij een negatieve uitkomst is sprake van een hoge belastingdruk, wat het politieke draagvlak voor de bijbehorende uitgaven ondermijnt. Een hoge belastingdruk kan ook een teken zijn dat de gewone uitgaven aan publieke voorzieningen onder druk staan. Het redelijk tarief voor een aanvraag van saneringssteun artikel 12 Financiële-verhoudingswet bedraagt 120% van het gewogen gemiddelde tarief onroerende-zaakbelastingen van alle gemeenten in het voor-voorgaande jaar.

De belastingopbrengst onroerende-zaakbelastingen bij dit tarief dient als uitgangspunt voor de signaalwaarde van het kengetal onbenutte belastingcapaciteit. Is de belastingopbrengst hoger dan heeft een gemeente geen onbenutte belastingcapaciteit meer en springt het licht op rood (1 punt aftrek). De uitkomst voor het kengetal is in dat geval negatief. Bij een overschrijding van de signaalwaarde voor het kengetal onbenutte belastingcapaciteit heeft een gemeente een erg hoge belastingdruk.

Houdbaarheidsquote - Dit aanvullende kengetal maakt geen deel uit van de financiële conditie index en schijnt juist licht op de toekomst. Het kengetal geeft een indicatie van de ombuigingsinspanning die een gemeente bij een slechtweer-scenario moet leveren voor houdbare gemeentefinanciën. Het kengetal drukt de houdbaarheidsopgaaf (= bedrag aan benodigde structurele ombuigingen op de baten en lasten bij het slechtweer-scenario) uit in procenten van de lasten en baten waarop ombuigingen mogelijk zijn. De baten en lasten waarop in de test kan worden omgebogen, is de som van de onbenutte belastingcapaciteit onroerende-zaakbelastingen en de netto lasten zoals die hiervoor zijn gedefinieerd, maar dan inclusief de lasten die worden betaald uit de opbrengsten toeristenbelastingen, parkeerbelasting en pachten. De signaalwaarde waarbij het licht voor de houdbaarheidsquote op oranje springt, bedraagt 25%. Dit betekent vijf jaar achtereen minimaal 5% per jaar ombuigen op het totaal van de onroerendezaakbelastingen en ombuigingsrelevante lasten als het slechtweer-scenario zich voordoet. Hierbij moet wel worden bedacht dat zowel de baten als de lasten in de test jaarlijks met de trendmatige ontwikkeling doorgroeien. Het jaarlijkse bezuinigingspercentage voor licht op oranje ligt dus flink lager. Dit aanvullende kengetal heeft geen signaalwaarde voor licht op rood. 16

Het slechtweerscenario van de test voor 2026 is lichter ingesteld dan voorgaande jaren vanwege de ombuigingen op overdrachten van het Rijk die in de begrotingscijfers 2026 van gemeenten zitten. In 2026 wordt het gemeentefonds gekort voor het incidenteel accres 2022-2025. Ook is sprake van een efficiencykorting van 10% op specifieke uitkeringen en enkele andere niettaakgebonden kortingen. Zonder een bijstelling van het slechtweerscenario vanaf 2027, ontstaat anders een stapeling van slechtweerscenario’s. Door deze wijziging is de uitkomst van de houdbaarheidsquote van het jaar 2026 niet meer vergelijkbaar met die 2024 en 2025.

***

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16981991/1