Reactie op wensen en bedenkingen VVD, CDA en Lokaal Belang
Tekst van het document
Inhoudelijke reactie VVD/CDA/LB op de wensen en bedenkingen van college Kleinschalige opvang als alternatief voor een groot AZC Inleiding De initiatiefnemers hebben kennisgenomen van de wensen en bedenkingen van het college ten aanzien van het initiatiefvoorstel voor een alternatieve invulling van de asielopvang in de gemeente Brummen. De initiatiefnemers waarderen dat het college zijn visie heeft toegelicht, maar kunnen niet meegaan met de inhoudelijke redenering en de daaruit getrokken conclusies. In deze notitie geven de initiatiefnemers aan waarom zij van mening zijn dat de door het college geschetste risico’s en aannames niet juist of onvoldoende onderbouwd zijn. Hierbij wordt begonnen met een duiding van de huidige juridische situatie en wordt vervolgens de indeling van het college gevolgd. Ten slotte wordt ingegaan op de positie en de rol van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verder in dit document COA genoemd). De initiatiefnemers beogen nadrukkelijk met hun voorstel níét om de opvangtaak van Brummen te ontlopen, maar juist om deze op een realistische, zorgvuldige en maatschappelijk gedragen wijze te vervullen. Huidige juridische situatie aangaande de aantallen Het college verwijst in zijn reactie naar 350 opvangplaatsen op de locatie Michaëlshoeve.
De initiatiefnemers achten dat aantal niet passend bij de schaal van onze gemeente en de draagkracht van onze samenleving. In het formele verdeelbesluit van het ministerie van Asiel en Migratie (20-122024) is Brummen aangewezen voor 31 opvangplaatsen. Dat is het enige aantal dat juridisch bindend is. De indicatieve opgave van 119 plekken is een berekende richtwaarde op basis van inwonertal en lokale capaciteit. Deze opgave heeft geen verplichtend karakter, maar geeft een redelijke inschatting van wat haalbaar zou kunnen zijn. Het college heeft tegen het verdeelbesluit van 31 plekken bezwaar gemaakt en daarbij zelf verzocht om verhoging naar 350 plaatsen. Dat was geen eis of verplichting vanuit het ministerie, maar een eigen bestuurlijke keuze. De initiatiefnemers kiezen voor 119 opvangplaatsen. Dat aantal sluit aan bij de landelijke indicatie, past bij de schaal van Brummen en doet recht aan onze verantwoordelijkheid onder de Spreidingswet, zonder de grenzen van draagvlak en uitvoerbaarheid te overschrijden. In de wensen en bedenkingen wordt aangegeven dat de gemeente Brummen meer opvangt dan voortvloeit uit de Spreidingswet en het college geeft aan dat dit een beleidskeuze is. Omdat het hier gaat om een 1
beleidskeuze met grote maatschappelijke, ruimtelijke en financiële gevolgen, is het niet het college maar de gemeenteraad die daar een besluit over moet nemen. Het college is feitelijk vooruitgelopen op een beleidsbesluit dat nog niet is genomen. De raad heeft immers nooit ingestemd met 350 opvangplaatsen waardoor bij een dergelijk besluit de noodzakelijke democratische legitimiteit ontbreekt. Inhoudelijke reactie op de wensen en bedenkingen van het college 1 Kwalitatief Het college stelt dat kleinschalige opvang meer risico’s kent en dat grootschaligheid de kwaliteit van de opvang zou verbeteren. De initiatiefnemers onderschrijven het belang van kwaliteit van opvang en begeleiding. Het beeld dat kleinschalige opvang automatisch minder professioneel of onveiliger zou zijn, onderschrijven de initiatiefnemers niet. Integendeel: in meerdere gemeenten blijkt juist dat kleinere opvang leidt tot beter contact met omwonenden, meer lokale betrokkenheid en snellere integratie van bewoners. Het college veronderstelt dat begeleiding bij een kleinere locatie niet uitvoerbaar is. De initiatiefnemers stellen daartegenover dat goede samenwerking met het COA, maatschappelijke organisaties zoals Vluchtelingenwerk en vrijwilligers juist ruimte biedt om kleinschalige opvang kwalitatief goed te organiseren. De menselijke maat versterkt de leefbaarheid en het draagvlak.
In de Raadsinformatiebrief van 7 oktober 2024 wordt over de huidige opvang bij de Michaëlshoeve al vermeld dat er onzekerheid en emoties, boosheid en/of agressief gedrag plaatsvinden, naar elkaar, en naar de begeleiding. Kortom, de aanwezige begeleiding voorkomt verstoring van rust en stabiliteit binnen de poorten ook niet. Gelukkig is dat nog binnen de opvang. Dankzij de samenstelling van die kleine groep bewoners is overigens ook nauwelijks overlast buiten de opvang te verwachten. Interessant, omdat een dergelijke opvanggrootte past bij de huidige verplichting van de gemeente Brummen om 31 asielzoekers op te vangen. De initiatiefnemers beseffen dat een groot aantal van de mensen dat in ons land zijn toevlucht zoekt, getraumatiseerd is door onderdrukking, oorlog of ander geweld. En er is aangetoond dat de verblijfsduur in een AZC, voordat daadwerkelijk een woning kan worden betrokken, momenteel gemiddeld 2,5 jaar is, landelijk gezien. Het is dan ook best begrijpelijk dat bij deze mensen onzekerheid, emoties, boosheid en agressief gedrag kunnen optreden. Helaas is maar al te vaak aangetoond dat dit gedrag zich ook buiten de poorten kan uiten. Het is logisch dat bij een aantal van 350 personen het risico van problemen groter is dan bij 119 personen. Kwaliteit kleinschalige opvang Het college stelt dat er onvoldoende ervaring is met kleinschalige opvang.
Bij nadere beschouwing van bijlage 2 van het initiatiefvoorstel, waarin alle AZC ’s met een vergelijkbare situatie worden vergeleken, blijkt dat 49 van 2
de 97 AZC ‘s (de helft) 150 plekken heeft of kleiner is. Dit betekent dus dat het COA in minstens 49 gevallen ervaring heeft opgedaan met kleinschalige opvang. Hoe dit te vertalen is naar onvoldoende ervaring, is onduidelijk. Vervolgens identificeert het college een aantal risico’s als de gemeente initiatiefnemer wordt. Deze risico’s zijn volgens het college ‘bestuurlijke kwetsbaarheid en reputatieschade bij incidenten’. De houding en het gebrek aan draagkracht bij de lokale bevolking lijkt in de ogen van het college geen risico te zijn. Daarna vervolgt het college met het probleem van continuïteit. Hierin lijkt het college ervan uit te gaan dat het college dit volledig voor zijn rekening hoort te nemen. Het scenario dat vrijwilligers betrokken worden, waarbij te verwachten is dat de animo hiervoor bij een kleinschalig AZC evident groter zal zijn dan bij het voorstel van het college, lijkt niet op te komen. Dit scenario biedt wel ruimere mogelijkheden ten aanzien van de bezetting. Het college vervolgt met een stelling over het onderscheid tussen beveiliging en begeleiding.
Hierbij dient allereerst opgemerkt te worden dat het college in zijn raadsinformatiebrief van 18 februari 2025 nog van mening was dat bij een kleinschalig AZC beveiliging door de gemeente geregeld moest worden.1 Nu blijkt dat vanaf 100 personen permanente beveiliging door het COA geregeld wordt (zoals ook vermeld in de openbare bronnen op de COA-site, zie ook het initiatiefvoorstel). Het is onwaarschijnlijk dat het beleid hierin gewijzigd is. Dit lijkt eerder een indicatie van het verkeerd voorlichten van de raad. Het college besluit met de stelling dat een kleinschalig AZC directe gevolgen heeft voor de rust en veiligheid in de omgeving. Aan deze stelling vallen enkele dingen op. Allereerst wordt voor deze stelling geen enkele onderbouwing geleverd. Als in Brummen een kleinschalig AZC met draagvlak onder de lokale bevolking geplaatst wordt, is het maar de vraag of dit qua onrust opweegt tegen een groot AZC zónder lokaal draagvlak. Daarnaast heeft het college/COA in zijn communicatie altijd doen voorkomen dat de overlast búíten een AZC beperkt is. In deze stelling is echter impliciet vermeld dat een AZC zeker wél overlast geeft en dat dit bij een groter AZC minder zou zijn. Maar hoe zit dit dan met Ter Apel? En Budel? Opnieuw komt het college met de eerstelijnszorg in Brummen.
Zoals uit het initiatiefvoorstel blijkt, is er geen enkel AZC waar de eerstelijnszorg lokaal geregeld wordt, ook niet bij de kleinere AZC ‘s. Wat opvalt aan deze alinea is dat de expliciete formulering dat een klein AZC betekent dat de eerstelijnszorg lokaal geregeld wordt, niet meer terug te vinden is, zoals dat wel het geval was in de raadsinformatiebrief van 18 februari jl. 2 Dit lijkt een teken aan de wand. Als deze stelling immers écht zou kloppen, is er 1 2
Raadsinformatiebrief 18 februari 2025, Z104682/D453598, p.2. Raadsinformatiebrief 18 februari 2025, Z104682/D453598, p.2.
3
geen reden om deze stelling in de huidige wensen en bedenkingen niet meer expliciet op te nemen. Oftewel: als het college in februari gelijk had, waarom wordt hier dan nu over gezwegen? De zorg voor asielzoekers wordt geregeld via de Regeling medische zorg asielzoekers (RMA). Hierin is de financiering van de zorg voor asielzoekers geregeld. ‘RMA Healthcare’ fungeert als een zorgverzekeraar en koopt zorg in bij zorgaanbieders.3 Voor de huisartsenzorg wordt sinds 2018 ingekocht bij de organisatie ‘Arts en Zorg’, die de ‘huisartspraktijk’ Gezondheidszorg Asielzoekers runt (GZA). In de lijst van gecontracteerde zorgverleners van RMA Healthcare staat dan ook geen enkele andere huisarts gecontracteerd (alleen apotheekhoudende huisartsen voor de apotheekfunctie). Het is de vraag of de overeenkomst tussen Arts en Zorg en RMA Healthcare überhaupt contracteren van lokale huisartsen toestaat. Gezien het feit dat alle huisartsenzorg via GZA loopt en dit ook zo gecommuniceerd wordt, is het zeer wel denkbaar dat contracteren van lokale huisartsen überhaupt niet mogelijk is. Dit naast het feit dat het dan de enige situatie in Nederland zou zijn waar dit zo is. Mocht dit echter wél juridisch mogelijk zijn, dan moet de zorg gecontracteerd worden bij lokale huisartsen. Dit betekent dus een overeenkomst en géén verplichting.
Als lokale huisartsen deze zorg niet kunnen leveren, dan hoeven zij zich niet voor het karretje van het COA te laten spannen en hoeven zij geen contract met het COA aan te gaan. Hiermee ontstaat dan dus ook geen capaciteitsprobleem. Samenvatting kwaliteit kleinschalige opvang: met minstens 49 AZC ‘s in den lande van 150 plekken of minder lijkt de stelling dat hier onvoldoende ervaring mee is, moeilijk houdbaar; het risico op onvoldoende draagvlak bij inwoners wordt door het college niet genoemd; het college is, aangaande de verzorging van beveiliging bij een klein AZC, 180 graden gedraaid ten opzichte van februari, zonder hier nadere uitleg aan te geven; de stelling dat een groot AZC minder overlast geeft, wordt niet onderbouwd; het is de vraag of lokale huisartsenzorg überhaupt mogelijk is, door de monopolypositie van Arts en Zorg bij RMA Healthcare. Maar áls dit mogelijk is, is dit zeer eigenaardig. 2. Juridisch Het college stelt dat de door de initiatiefnemers voorgestelde aanpassing niet juridisch houdbaar kan zijn, omdat de gemeente zich inmiddels richting het Rijk zou hebben gecommitteerd aan de opvang van 350 asielzoekers. De initiatiefnemers kunnen deze redenering niet volgen. Allereerst is er op dit moment nog geen nieuw of gewijzigd verdeelbesluit vastgesteld door het Ministerie van (nu) Justitie en Veiligheid. 3
https://www.coa.nl/nl/vergoeding-van-medische-zorg
4
Het enige geldige besluit is het Verdeelbesluit Asielopvang van 20 december 2024, waarin de gemeente Brummen is aangewezen voor 31 opvangplaatsen. Dat is het enige aantal dat juridisch bindend is onder de Spreidingswet. Naast dit formele besluit heeft het ministerie een indicatieve opgave opgesteld van 119 opvangplaatsen. Deze opgave is bedoeld als richtinggevend instrument om gemeenten te helpen bij de uitvoering, maar heeft geen verplichtend karakter en schept dus geen juridische verplichting voor de gemeente Brummen. Het college heeft er vervolgens zelfstandig voor gekozen om tegen het Verdeelbesluit van 31 plekken bezwaar te maken en in dat bezwaar 350 opvangplaatsen op te geven. Daarmee heeft het college feitelijk een vrijwillige toezegging gedaan die niet voortvloeit uit enige wettelijke plicht. Het betreft een bestuurlijke keuze, geen juridische noodzaak. Zolang de minister geen nieuw besluit heeft genomen op dit bezwaar, is er geen sprake van een gewijzigde taakstelling. De gemeente Brummen is op dit moment uitsluitend gehouden aan de 31 plekken uit het formele verdeelbesluit van 20 december 2024. Het is daarom juridisch niet houdbaar om te stellen dat de gemeente “gebonden” zou zijn aan het aantal van 350, zoals het college in zijn wensen en bedenkingen suggereert.
Een bestuursorgaan kan zichzelf niet binden aan de uitkomst van een bezwaar dat het zélf heeft ingediend. Dat zou betekenen dat een college, door eigen handelen, de democratische rol van de raad kan inperken en dat is in strijd met de bedoeling van de Spreidingswet. Deze gaat nadrukkelijk uit van gemeentelijke besluitvorming en lokale regie. De juridische werkelijkheid is dus helder: het geldende verdeelbesluit noemt 31 opvangplaatsen; de indicatieve opgave van 119 plekken is niet verplichtend, maar richtinggevend. Het aantal van 350 is een zelfstandige bestuurlijke keuze van het college, zonder juridische grondslag. De initiatiefnemers achten het daarom volledig rechtmatig om, binnen deze kaders, een voorstel te doen dat uitgaat van 119 opvangplaatsen, conform de indicatieve richtlijn, met draagvlak en uitvoerbaarheid als uitgangspunt. In het juridische deel van de wensen en bedenkingen legt het college nogmaals uit hoe het tracht de taakstelling voor zichzelf van 350 asielzoekers te realiseren. Dit ziet het college voor zich via een bezwaar op het verdeelbesluit van 20 december 2024. In de tweede alinea wordt echter een juridisch onjuiste stelling geponeerd. Het college stelt namelijk dat het besluit op beroep, dat aangekondigd is voor eind oktober (sidenote: was begin oktober) de onherroepelijke verplichting tot 350 asielzoekers zou geven.
Er wordt niet bij verteld dat een besluit op bezwaar uitdrukkelijk níét hetzelfde is als het verdeelbesluit volgend uit de Spreidingswet. Het besluit op bezwaar kan ambtelijk op het ministerie genomen worden, het verdeelbesluit kan slechts door de minister genomen worden. Het verdeelbesluit zou een verplichting in het leven
5
roepen, maar ook hiertegen is bezwaar mogelijk. Dit is helder uitgelegd door prof. mr. J.W.L. Broeksteeg.4 In de volgende alinea stelt het college dat het wijzigen van standpunt gezien kan worden als inconsistent beleid. Dit zou het vertrouwen ondermijnen. Technisch gezien is dit een juiste stelling. Het college verzuimt hierbij echter te vermelden, dat het college zélf besloot om op een gevoelig en gepolariseerd onderwerp een enorme belangrijke beslissing buiten de raad om te nemen. Het college is dus zélf verantwoordelijk voor deze gang van zaken en heeft dus ook het risico genomen teruggefloten te worden door de raad. Dit is immers een bevoegdheid van de raad, zoals in het initiatiefvoorstel reeds uitgelegd is. Het college kan hierin het gebrek aan politieke antennes niet afschuiven op de raad. Daarnaast is inconsistent beleid bij asiel niet vreemd. Het COA zelf trok onlangs nog de stekker uit een AZC na 1,5 jaar onderhandelen. Dit gebeurde in een laat stadium en leidde tot grote verbazing bij de betrokken gemeente.5 Dit alles omdat de business case niet rondkwam. Ook dit is een voorbeeld waarin het COA kiest voor een zuiver financiële rendementsafweging zonder de belangen van de lokale bevolking mee te nemen, maar óók een voorbeeld van hoogst inconsistent beleid door het COA zélf. Daarnaast houdt het COA zich zelf ook niet aan (zelfs) rechterlijke uitspraken.
De dwangsom die het COA aan de gemeente Westerwolde wegens Ter Apel moet betalen, is inmiddels meer dan een miljoen. Als het om de bevoegdheidsvraag gaat, draait het college eromheen. Tevens wordt een feitelijke onjuistheid gesteld. Het college stelt dat het een zorgvuldige afweging heeft gemaakt of het bevoegd was te beslissen tot dit aantal asielzoekers. Het stelt dat het college zelf het advies bij Pels Rijcken ingewonnen heeft, maar dit is onjuist. Dit gebeurde door het COA, omdat het college het COA om hulp vroeg bij de juridische onderbouwing naar aanleiding van vragen van de VVD.6 In deze hulpvraag wordt gesproken van ‘op zoek [zijn] naar een steviger onderbouwing van de juridische lijn onder onze besluitvorming’. Een dergelijke formulering past niet in een zorgvuldige afweging waar voors en tegens gewikt en gewogen worden, maar veeleer in een zoektocht naar argumenten om de bestaande lijn te verstevigen. Opgeteld heeft het college pas advies ingewonnen na vragen. Hierop heeft het COA het advies van Pels Rijcken ingewonnen. Daarbij komt dat Pels Rijcken niet beschikte over alle onderliggende stukken (zoals het heroverwegingsverzoek) om een goed oordeel te kunnen vormen. Daarnaast stelt Pels Rijcken zelf dat het bevoegdheidsvraagstuk op meerdere manieren te interpreteren is.
Een dergelijke gang van zaken kan niet gezien worden in het beeld van een zorgvuldige afweging zoals het college dat neerzet.
4
https://www.brummensnieuws.nl/algemeen/algemeen/32428/wie-is-de-azc-baas-inbrummen5 https://www.teylingen.nl/nieuws/nieuwsbericht/artikel/geen-opvanglocatie-amvers-opvrachtwagenparkeerplaats-in-voorhout 6 WOO-documenten, deel 1, p.48.
6
De stelling van het college dat het niet aan de raad is wat juridisch juist is, dat klopt, maar dit is ook niet aan het college. Het is wel aan de raad om te bepalen wat dagelijks bestuur is, of niet. Dit wordt in het initiatiefvoorstel uitgebreid besproken. Ook áls het college al had mogen denken dat het besluit in januari dagelijks bestuur zou zijn geweest, dan nóg wordt deze bevoegdheid met dit initiatiefvoorstel gekaderd. Daarom is dit onderdeel van het raadsbesluit. Ten overvloede merken de initiatiefnemers op dat het college ten aanzien van de juridische kant van de zaak geen enkel nieuw argument aanlevert en ook niet inhoudelijk reageert op de juridische redeneerlijn zoals de initiatiefnemers schetsen. Samenvatting Juridisch: een besluit op bezwaar is níét hetzelfde als een nieuw verdeelbesluit zoals het college doet voorkomen. Een besluit op bezwaar geeft dus geen enkele verplichting. De stellingname van het college is feitelijk onjuist; voortschrijdend inzicht heeft bij twee partijen geleid tot een nieuw standpunt, dat kan wijzen op inconsistent beleid, maar het college is hier zelf verantwoordelijk voor. Daarnaast blijkt het COA zelf een inconsistente partner te zijn. Het beeld dat het college schetst dat er zorgvuldig gewikt en gewogen is, kan niet standhouden op basis van de openbare stukken.
Er werd juist gezocht naar een onderbouwing van het eigen bestaande standpunt van het college, zonder voor de hand liggende tegenargumenten te wikken en te wegen. De stelling dat alleen de rechter kan bepalen wat juridisch juist is, ondermijnt de bevoegdheid van de raad niet om het college vanaf nu te kaderen ten aanzien van dagelijks bestuur. 3. Financieel Het college wijst in zijn wensen en bedenkingen op aanzienlijke financiële risico’s die zouden samenhangen met het realiseren van een kleinschalige opvanglocatie. Volgens het college zou een locatie voor circa 119 bewoners leiden tot structurele tekorten, onder andere door kosten voor beheer, toezicht en maatschappelijke begeleiding. De initiatiefnemers kunnen deze conclusie niet volgen. De berekeningen die het college presenteert, zijn onvoldoende onderbouwd en gaan uit van aannames die niet overeenkomen met de praktijk van asielopvang elders in Nederland. Er wordt bijvoorbeeld uitgegaan van een situatie waarin de gemeente zelf volledig verantwoordelijk zou zijn voor exploitatie, personele inzet, beveiliging en beheer van de locatie. Dat is echter niet de opzet van het initiatiefvoorstel. Financiële vergoedingen, maatwerk in samenwerking met COA Het voorstel van de initiatiefnemers gaat nadrukkelijk uit van samenwerking met het COA.
Het COA is wettelijk verantwoordelijk voor de organisatie, financiering en uitvoering van opvangvoorzieningen. Ook bij 7
kleinere opvangvormen, zoals in diverse gemeenten met 80 tot 150 bewoners, draagt het COA bij in zowel de structurele kosten als de facilitering van begeleiding en beheer. In veel gevallen betaalt het COA de exploitatie van de locatie, vergoedt het personele inzet en onderhoud, en ondersteunt het gemeenten financieel bij aanpassingen van gebouwen of voorzieningen. Daarnaast ontvangen gemeenten vanuit het rijk per opvangplaats een vergoeding per persoon per dag, ter compensatie van gemeentelijke lasten, maatschappelijke begeleiding en lokale inzet. Deze systematiek geldt onafhankelijk van de schaalgrootte. De stelling van het college dat een kleinere opvanglocatie financieel onhaalbaar zou zijn, mist daarom feitelijke grondslag. De kosten hangen niet primair af van het aantal bewoners, maar van de afspraken die worden gemaakt met het COA over beheer, uitvoering en taakverdeling. In diverse gemeenten blijkt dat kleinschalige opvanglocaties financieel goed uitvoerbaar zijn binnen een samenwerkingsmodel met het COA. Het COA vermeldt op de eigen website dat de kosten voor exploitatie, huisvesting, beveiliging en begeleiding conform afspraken worden vergoed. De leidraad daarvoor is het Faciliteitenbesluit. Dit besluit is echter verlopen en er is nog geen nieuw besluit. Daar komt bij dat er voor kleinschalige AZC ‘s (nog) geen bestaand beleid is, op enkele afspraken na.
Voor elk kleinschalig AZC moeten afspraken met het COA gemaakt worden op basis van maatwerk. Dat zal dus ook plaats moeten vinden in Brummen. Een grootschalige opvang van 350 personen brengen juist aanzienlijke indirecte kosten en brengt maatschappelijke druk met zich mee: extra inzet op zorg, veiligheid, onderwijs, maatschappelijke begeleiding en handhaving. Niet alle indirecte kosten zullen declarabel blijken te zijn. De initiatiefnemers concluderen dat de financiële paragraaf van het college een eenzijdig en onvolledig beeld schetst van de werkelijke risico’s en mogelijkheden. Een goed afgestemd samenwerkingsmodel met het COA voor circa 119 bewoners biedt juist meer financiële beheersbaarheid, minder maatschappelijke druk en een realistischer balans tussen kosten, draagvlak en uitvoerbaarheid. Programmabegroting 2026-2029 en budgetrecht In de tekst van de begroting 2026-2029 is bij de Inleiding, Wonen en de Risicoanalyse (Programma 4, Financiën) door het college melding gemaakt van de motie van de initiatiefnemers en het voorstel voor een kleinschalig AZC, zonder specifieke toelichting. Er wordt een bedrag genoemd van 2,5 miljoen euro, dat als een tekort in de begroting 2026-2029 hiervoor verwerkt zou moeten worden. Dit is echter niet onderbouwd en dus een niet-valide aanname van het college.
Het is immers niet bekend welke kosten gemaakt en vergoed gaan worden, aangezien tarieven ontbreken en er bovendien sprake zal zijn van maatwerk. Ook voor het realiseren van een AZC voor 350 opvangplaatsen ligt er geen businesscase op tafel, laat staan dat deze opgenomen is in de begroting. 8
Dit terwijl er sprake is van de start in 2028, vallend binnen de meerjarenbegroting 2026-2029. Het college meent op grond van de uitspraak van het COA dat de gemeente uit mag gaan van budgetneutraliteit en dat alle kosten worden vergoed door het COA. We zien echter dat er al kosten gemaakt worden, terwijl er geen overeenkomst met het COA gesloten is. Inzet van middelen voor dit doel is niet voorgelegd aan de raad. Er is ondertussen €186.000,= uitgegeven, aldus de wethouder. Bovendien zijn er te verwachten kosten opgenomen voor een bedrag van €450.000,= in de risicoanalyse in de begroting 20262029. .De initiatiefnemers vragen zich af over welke kosten dit gaat. Er is een risicofactor gekozen van 20%. Wij vinden dat aan de lage kant. Het aangaan van een overeenkomst voor 350 opvangplaatsen voor een periode van 30 jaar is echter een strategische beleidswijziging. Om die reden hoort daar op grond van het budgetrecht een complete financiële paragraaf bij en een budgetverzoek dat voorgelegd wordt aan de raad, zodat de raad haar kader stellende en controlerende rol kan uitvoeren. Er zijn voor de hierboven genoemde bedragen ook geen budgetaanvragen gedaan. Als laatste: naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van de VVD heeft het college in de brief van 15 april jl., grofmazig, een poging gedaan om een exploitatieoverzicht op te stellen voor een AZC met 120 plaatsen.
De initiatiefnemers adviseren het college om deze berekening nog eens te controleren. Samenvatting Financiën: het aangaan van een overeenkomst met het COA voor asielopvang is een strategische beleidswijziging; ieder kleinschalig AZC is maatwerk voor COA en gemeente. Vergoedingen worden per azc vastgesteld; alle door het college verstrekte cijfers zijn zeer onzeker; het college heeft een onvolledige financiële paragraaf opgesteld bij het voorstel 350 opvangplaatsen voor 30 jaar. Bij gebrek aan duidelijke financiële kaders kan niet van de initiatiefnemers verwacht worden dat zij een dekkende businesscase voor kunnen leggen. 4. Beschikbaarheid locaties In het initiatiefvoorstel staat een uitnodiging aan het college om met de initiatiefnemers in gesprek te gaan over een mogelijke locatie. De initiatiefnemers hebben bewust geen locaties opgenomen in hun voorstel vanwege de geheimhoudingsplicht en ook om onrust in de samenleving te voorkomen. De initiatiefnemers hebben echter geen reactie van het college ontvangen. Het college geeft in de wensen en bedenkingen aan dat de Michaëlshoeve op termijn mogelijk niet meer beschikbaar is als locatie voor een AZC. Hierin werd medio oktober door het college gesteld dat de afspraken met de verkopende partij medio oktober aflopen. 9
Het college heeft meerdere malen gesteld dat de Michaëlshoeve al jaren leeg staat en er slechts beperkt interesse is om deze locatie te herontwikkelen. Het is daarom de vraag hoe reëel de angst is dat de Michaëlshoeve op termijn niet meer beschikbaar zou zijn. De initiatiefnemers zien potentie bij de Michaëlshoeve, maar ook andere locaties zouden geschikt kunnen zijn. Hiertoe hebben zij het college uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan. Zoals gesteld hebben de initiatiefnemers hier nog niets van gehoord van de zijde van het college. 5. Bestuurlijk Het college vreest dat aanpassing van het aantal opvangplaatsen afbreuk doet aan de bestuurlijke betrouwbaarheid van de gemeente richting het COA en het ministerie. De initiatiefnemers zijn van mening dat bestuurlijke betrouwbaarheid meer omvat dan het naleven van eerdere bestuurlijke toezeggingen. Bestuurlijke betrouwbaarheid gaat juist ook over het vertrouwen van onze inwoners in hun gemeentebestuur. Dat vertrouwen is gebaseerd op transparantie, zorgvuldigheid en het naleven van democratische verhoudingen. Wanneer grote besluiten – zoals het vastleggen van een opvanglocatie voor 350 personen gedurende 30 jaar – worden genomen zonder voorafgaande instemming van de raad en zonder draagvlak onder inwoners, dan raakt dat vertrouwen direct beschadigd. Echte bestuurlijke betrouwbaarheid vraagt om eerlijkheid, evenwicht en openheid.
Het herstellen van een besluit dat onvoldoende draagvlak heeft, is geen teken van onbetrouwbaarheid, maar van bestuurlijke integriteit. Juist door een realistisch en draaglijk besluit te nemen, herwinnen wij het vertrouwen van zowel inwoners als partners in de uitvoering. In deze paragraaf beschrijft het college het bestuurlijk proces. Hierin stelt het college dat het tot februari 2025 geen signalen heeft ontvangen van de raad dat er wensen waren tot kaders. Oftewel: ‘wij hoorden niks van u, dus het zal wel goed zijn’. Deze ‘er staat/ik hoor nergens dat het niet mag, dus het zal wel mogen’ is natuurlijk een uiterst opvallende redenering in het licht van bestuursrechtelijke beginselen en verhoudingen. Zoals eerder gesteld, kan het college zijn gebrek aan politieke antennes bij een uiterst precair, gevoelig én extreem vreemd besluit niet afwentelen op de raad. Het college had de raad op een betere en besluitvormende manier moeten betrekken in dit proces, zoals ook in andere gemeente gebeurt (zie initiatiefvoorstel). Het college besluit met de stelling dat het opgebouwde vertrouwen in de regio geschaad zou worden. Zoals eerder gesteld, gaat het COA zelf ook losjes om met opgebouwd vertrouwen, puur als het financieel niet uitkomt.
Daarnaast is de huidige gang van zaken een gevolg van het handelen van het college zelf, dat een grote afwijkende beslissing onbevoegd buiten de raad om wilde nemen. 6. Korte reactie op de inhoudelijk correcties 10
Het college stelt in deze pagina dat het onderzoek zoals geleverd bij het initiatiefvoorstel geen recht doet aan de complexiteit van bestuurlijke afwegingen. De initiatiefnemers zijn de laatsten die deze stelling zullen ontkrachten. Maar waar het college de initiatiefnemers verwijt te kort door de bocht te gaan, gaat het college dat nu zelf. De initiatiefnemers hebben getoetst welk aantal bij de draagkracht van onze gemeente past en hebben daarbij het indicatieve aantal van 119 plaatsen als uitgangspunt genomen. Dit doet mede recht aan de landelijke praktijk. Het college geeft aan een AZC voor 350 asielzoekers passend te vinden voor Brummen. Dit is dermate opmerkelijk, dat de door het college aangedragen factoren niet zorgen voor een compensatie voor deze afwijkende situatie. In die zin ondersteunt de getalsmatige benadering de stelling van de initiatiefnemers. Het initiatiefvoorstel maakt een bredere afweging dan een puur getalsmatige. Als slechts getalsmatig en feitelijk technisch gekeken zou worden, zou opvang voor 31 asielzoekers voor Brummen immers de verplichting zijn. In een bredere bestuurlijke context en gelet op de draagkracht van de gemeente en verplichting tot asielopvang vanuit humanitair oogpunt komt het initiatiefvoorstel tot het aantal van 119 plaatsen.
Daarnaast stelt het college op dat gekeken moet worden naar de draagkracht van de directe omgeving van een opvanglocatie. Zoals bleek uit het forum van december kwam het COA tot 350 op basis van een financiële afweging. Geenszins lokale draagkracht, maar júíst een getalsmatige benadering. Dit initiatiefvoorstel beschikt wél over lokale draagkracht, zoals de initiatiefnemers ook terug horen én zien in de lokale samenleving. 7. Conclusie De wensen en bedenkingen van het college bieden volgens de initiatiefnemers geen overtuigend inhoudelijk tegenargument tegen het initiatiefvoorstel. De argumentatie van het college is voor een groot deel een herhaling van zetten met argumenten die niet of nauwelijks ingaan op het initiatiefvoorstel. Het voorstel van de initiatiefnemers biedt een realistisch alternatief: juridisch juist (uitgaande van het verdeelbesluit en de indicatieve opgave), financieel verantwoord (in samenwerking met het COA), maatschappelijk draaglijk (kleinschalig en passend bij Brummen). De initiatiefnemers verzoeken de raad en het college om het initiatiefvoorstel positief te beoordelen en daarmee de regie terug te brengen waar deze hoort: bij de gemeenteraad van Brummen.
Namens de initiatiefnemers, 11
VVD – CDA – Lokaal Belang
12