(093) Nota van zienswijzen
Tekst van het document
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
46 C
De indiener stelt dat funderingspalen zelden voorkomen en dat in de meeste gevallen sprake is van een zware betonnen plaat. Hij vraagt of volledige verwijdering van deze fundering als harde eis kan worden opgenomen in het RPE. De indiener geeft aan dat weerstand tegen windenergie vooral wordt veroorzaakt doordat turbines te dicht bij woonomgeving worden geplaatst, en niet per se vanwege de hoogte.
Het RPE stelt op projectniveau geen regels of eisen op. In lijn met de Omgevingswet is het aan de gemeente of provincie om in vergunningen of beleidsregels duidelijke voorwaarden op te nemen over sanering en herstel. De suggestie van de indiener wordt gedeeld met de betrokken overheden voor verdere overweging.
Naar aanleiding van deze zienswijze hebben we de tekst in het RPE op pagina 72 gewijzigd.
De indiener vraagt waarom de provincie Gelderland haar PlanMER al in juli 2025 wil vaststellen, terwijl de landelijke milieunormen voor wind naar verwachting pas in 2026 worden vastgesteld.
De reactie van de indiener hebben betrekking op de inhoud van de provinciale planMER, die als bijlage bij de ontwerpversie van het RPE als beleidsmatige onderbouwing is toegevoegd. De provincie heeft de planMER in de periode van 20 januari tot 3 maart 2025 opengesteld voor inspraak. Zienswijzen die binnen deze termijn zijn ingediend bij de
47
We zijn het met de indiener eens dat windturbines om verschillende redenen veel weerstand oproepen. Dit speelt niet alleen in OostNederland en heeft niet alleen te maken met de hoogte. We nemen de suggestie van indiener over in het RPE. Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
provincie, worden door de provincie behandeld en van een reactie voorzien. Zienswijzen die inhoudelijk betrekking hebben op de provinciale planMER worden daarom niet inhoudelijk behandeld in deze nota bij het RPE. 48 A
De indiener vraagt om kwantitatieve gegevens over de kans op schade door SMR’s en de omvang van het gebied dat mogelijk onbruikbaar wordt bij een ongeval.
Het RPE benoemt in bijlage 1 relevante ontwikkelingen in relatie tot specifieke technologieën. Met betrekking tot SMR’s benoemt het RPE dat deze vooralsnog geen onderdeel uitmaken van de regionale enegiemix. Mocht daar in de toekomst verandering in komen, dan zullen de effecten op de leefomgeving inclusief veiligheid onderwerp zijn van zorgvuldige lokale afweging door het bevoegd gezag.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
48 B
De indiener merkt op dat Nederland vooralsnog alleen tijdelijke opslaglocaties heeft voor radioactief afval. De indiener vraagt of de provincie Gelderland onderzoek doet naar mogelijke opslaglocaties.
Het onderzoek van de provincie Gelderland valt buiten de kaders van het RPE. We hebben de zienswijze van indiener ter kennisname doorgestuurd naar de provincie Gelderland.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
48 C
De indiener vraagt wat er gebeurt met de vaste basiscapaciteit van kerncentrales in tijden van overvloedige hernieuwbare opwek.
Het RPE benoemt dat SMR’s vooralsnog geen onderdeel uitmaken van de regionale energiemix. Mocht daar in de toekomst verandering in komen, dan zal het integraal bezien van de productie van de SMR’s in relatie tot de overige energieproductie een onderwerp zijn om over na te denken.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
49
De indiener vraagt wat bedoeld wordt met de stelling dat we het goed kunnen organiseren “zonder dat het al te veel ruimte kost”. De indiener vraagt om een nadere toelichting.
Het RPE besteedt in de aandachtspunten aandacht aan het belang van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, waar efficiënt ruimtegebruik ook een onderdeel van is. Het bevoegd gezag heeft hier ook op projectniveau aandacht voor.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
50
De indiener merkt op dat de punten 3 en 4 uit de lijst met leerpunten uit de RES-evaluatie overlappen wat betreft “landschappelijk kapitaal”.
Het klopt dat punten 3 en 4 uit de lijst met leerpunten uit de RESevaluatie overlappen. Aangezien zorgvuldig omgaan met het landschap een belangrijk uitgangspunt was in de RES 1.0, hebben we als punt 3 apart benoemd. In punt 4 staan de uitgangspunten uit de RES 1.0 die doorwerking hebben in het RPE. Voor de volledigheid hebben we het uitgangspunt over landschappelijk kapitaal hier ook in opgenomen.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
8. Zienswijzen vanuit bewoners van en organisaties in de gemeente Epe Indiener A, gemeenteraad Epe, zienswijze ontvangen op 26 juni 2025 (zienswijze 17) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
1
De indiener deelt complimenten over de uitgebreide wijze waarop zij zijn meegenomen in de complexe wereld van de energievoorziening van de toekomst. De indiener deelt daarnaast complimenten uit over de samenwerking van alle partners die heeft geleid tot het RPE, dat de indiener als realistisch en gedragen ervaart.
We waarderen de terugkoppeling van de indiener.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
9. Zienswijze vanuit bewoners van en organisaties in de gemeente Voorst4 Indiener A, zienswijze ontvangen op 26-05-2025 (zienswijze 1) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
1.
Indiener stelt dat er voldoende aardgas in de grond zit om onze huizen nog honderden jaren te verwarmen.
Het RPE richt zich op de regionale invulling van de energietransitie en gaat niet inhoudelijk in op de landelijke beschikbaarheid van aardgas. Het beleid voor het afbouwen van het gebruik van aardgas in woningen en gebouwen is onderdeel van landelijke afspraken en wetgeving, zoals het Klimaatakkoord.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
24
De indiener uit in verschillende zienswijzen zorgen of bedenkingen bij het gebruik van elektrische auto’s, inductiekoken, slimme meters en het gebruik 5G/6G.
Het RPE gaat niet over welke auto’s of apparaten bewoners van de regio gebruiken. Het RPE gaat over hoe onze energievoorziening er in de toekomst uit zal zien en welke keuzes we daarvoor moeten maken. Het Rijk, betrokken ministeries en de EU maken beleid (standaarden en regels) voor auto’s en apparaten.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
4 De gemeenteraad van Voorst heeft gereageerd op de ontwerpversie van het RPE met een uitgangspuntennotitie, in plaats van een zienswijze. Deze
uitgangspuntennotitie is op 7 april 2025 vastgesteld en in te zien via https://voorst.raadsinformatie.nl/vergadering/1347346. Voor deze notitie heeft de raad gebruik gemaakt van eerdere participatie-opbrengst. De hoofdpunten hieruit zijn verwerkt in het ontwerp-RPE. Een belangrijk punt hierbij is dat de gemeenteraad in meerderheid tegen het plaatsen van grote windturbines/windmolens hoger dan 25 meter in de gemeente Voorst is. In hoofdstuk 4 van deze nota is uitgelegd dat het RPE geen besluiten neemt over concrete windprojecten en dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij de gemeente en provincie ligt.
5.
De indiener spreekt afkeuring uit over de gebruikte foto’s van zonneparken op pagina 39 en 58 en vraagt zich af of dit werkelijk het gewenste toekomstbeeld is.
Afbeeldingen in het RPE zijn bedoeld als visuele ondersteuning en ter illustratie.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Indiener B, Kadijk Buurtbelang, zienswijze ontvangen op 30-06-2025 (zienswijze 8) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
0
De indiener opent de zienswijzen met een aantal verzoeken aan het college van Voorst.
Deze verzoeken zijn gericht aan het college van Voorst. We hebben deze zienswijze gedeeld met de gemeente Voorst.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
1
De indiener refereert aan H0.1, waarin twee toekomstbeelden zijn neergezet (van de toekomst in 2035 en van 2050). Indiener zet hier twee alternatieve toekomstbeelden tegenover, waarin met name de zorgen van indiener over de effecten van windturbines op de gezondheid naar voren komen.
In het RPE zijn twee toekomstbeelden opgenomen om op een aansprekende manier te illustreren hoe de energievoorziening er in de toekomst uit zou kunnen zien voor inwoners van de energieregio Stedendriehoek. Deze beelden zijn geen doel op zich, maar bedoeld als verkenning van mogelijke ontwikkelingen, op basis van de kennis en inzichten die nu beschikbaar zijn. De beelden zijn gebaseerd op het RPE en het onderliggende energieperspectief waarin door diverse inhoudelijke specialisten uit de regio is nagedacht over scenario’s voor de toekomst. We weten niet welk toekomstbeeld uiteindelijk het meest realistisch of haalbaar zal blijken, en er kunnen zich ook geheel andere ontwikkelingen voordoen. Belangrijker dan het precieze scenario is het besef dat de energievoorziening hoe dan ook verandert. Deze beelden zijn bedoeld om die verandering concreter te maken en het gesprek daarover te ondersteunen, met bewoners en partners in de regio. We streven ernaar dit gesprek op een open, uitnodigende en constructieve manier te blijven voeren.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.1
De indiener stelt dat de documenten zeer eenzijdig en onvolledig zijn opgesteld en een gekleurd beeld geven van de gevolgen van windturbines. In de stuurgroep en adviestafel ontbreken deelnemers die kritisch staan tegenover zonne- en windenergie.
Bij de totstandkoming van het RPE is een breed palet aan belanghebbenden betrokken, waaronder maatschappelijke organisaties, marktpartijen en overheden. We herkennen ons niet in het door indiener geschetste beeld dat kritische geluiden in deze samenstelling ontbreken.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.2
De indiener stelt dat het rapport is geschreven met het doel om zoveel mogelijk locaties open te houden voor windturbines, door locaties minder specifiek te maken. Indiener verzoekt zoekgebied S3H7 te schrappen Zoekgebied S3H7 valt nog steeds binnen de nader te onderzoeken gebieden. De indiener verzoekt dit gebied te schrappen, of anders een volledig onderzoek te doen inclusief alle risico’s en belemmeringen. Het RPE is volgens hen niet toetsbaar voor inwoners en volksvertegenwoordigers en creëert rechtsongelijkheid.
Het RPE bevat geen besluiten over locaties of projecten.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.2 A
De indiener stelt dat bij de documenten die ter inzage hebben gelegen bijlage 5 ontbreekt. De indiener stelt dat dat een reden is om de terinzagelegging opnieuw uit te voeren.
Bijlage 5 bij het RPE (de provinciale planMER) was als externe bijlage beschikbaar op de website van de regio Stedendriehoek. De provinciale planMER heeft daarnaast van 20 januari tot en met 3 maart ter inzage gelegen.
2.3
De indiener stelt dat het RPE niet kan worden vastgesteld, omdat het haaks staat op het gemeentelijk beleid van Voorst, waarin is vastgelegd dat er geen ruimte is voor windturbines. De raad van Voorst heeft dit standpunt ingenomen op 7 april 2025. Het RPE zou via afspraak 9 in feite gemeentelijk beleid willen opleggen dat tegen het standpunt van de raad ingaat. Daarmee is het RPE praktisch niet uitvoerbaar.
Voor meer informatie over de relatie tussen het RPE en gemeentelijk of provinciaal beleid, verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.3
De indiener stelt dat windenergie op land niet duurzaam of milieuvriendelijk is en grote nadelen heeft: gezondheidsschade, ecologische en planologische problemen, economische schade, maatschappelijke onrust en waardevermindering van onroerend goed. Zij stellen dat deze nadelen zwaarder wegen dan de voordelen en verwijzen naar onder meer het standpunt van Urgenda tegen meer windturbines op land.
Voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota. Voor meer informatie over hoe de effecten van windenergie op gezondheid en ecologie worden getoetst bij concrete projecten verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.4
De indiener stelt dat het RPE wel de voorkeur geeft aan zonnepanelen op daken en gevels, maar geen speerpunt maakt van het wegnemen van belemmeringen zoals netverzwaring, hoge terugleverkosten en administratieve
In het RPE volgen we de voorkeursvolgorde zon. Binnen deze voorkeursvolgorde zijn zonnevelden op agrarische grond niet volledig uitgesloten en zijn zonnepanelen op dak eerste prioriteit. De oplossingen voor de huidige belemmeringen voor het benutten van de potentie van zon op dak liggen buiten de bevoegdheden van de gemeenten, regio en
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
lasten. Verzocht wordt vóór 2035 belemmeringen voor plaatsing op daken actief weg te nemen Daarnaast wordt bezwaar gemaakt tegen plaatsing van zonnepanelen op landbouwgrond, ook bij zogenoemd ‘dubbel grondgebruik’, omdat dit vaak slechts een schijnconstructie is.
provincie. Op landelijk niveau zijn de belemmeringen bekend en wordt gewerkt aan een oplossing. Wij volgen de ontwikkelingen hierin. In de energieregio zetten we in op kennisdeling rondom het thema zon op dak en het gemeentelijk instrumentarium hierin en zetten we in op o.a. energieopslag om zonprojecten aantrekkelijker te maken.
2.5
De indiener stelt dat de gemeente Voorst veel meer nadruk moet leggen op energiebesparing, met inzet op naleving van reeds wettelijke verplichtingen voor bedrijven en instellingen. Verzocht wordt om (via de Woo) inzicht te geven in: · het aantal kantoorpanden en hoeveel daarvan voldoen aan energielabel C; · het overzicht van bedrijven die aan wettelijke besparingsvoorschriften moeten voldoen, hun naleving en de gemeentelijke inzet daarop. Daarnaast wordt verzocht om een verbodsbepaling in het omgevingsplan op te nemen voor energie-intensieve bedrijven in de Stedendriehoek.
Energiebesparing is een belangrijk onderdeel van het RPE, zoals op te maken is onder andere uit de afspraak dat besparing altijd onderdeel moet zijn van energie-initiatieven. Het Woo verzoek is ingediend bij de gemeente Voorst, die hierop richting de indieners heeft gereageerd.
2.5 A
De indiener verzoekt om een verbodsbepaling in het omgevingsplan op te nemen voor energie-intensieve bedrijven in de Stedendriehoek.
Het verzoek om een verbodsbepaling op te nemen in het omgevingsplan is gericht aan de gemeente Voorst. We hebben dit verzoek met de gemeente gedeeld en de gemeente heeft hier kennis van genomen.
2.6
De indiener stelt dat het uitsluiten van windturbines in de 8 km-zone rond de Veluwe in de praktijk leidt tot een waterbedeffect: andere gebieden moeten meer windmolens plaatsen om de doelstelling te halen. Primair wordt verzocht windturbines geheel te schrappen uit het RPE; secundair om de doelstelling te verlagen met het aantal MW dat wegvalt door de Veluwe-zone. Verder wordt gewezen op willekeur doordat onderstations van de netbeheerder als uitgangspunt worden gebruikt, wat leidt tot een onevenredige verdeling van lasten.
In het RPE hebben we het uitgangspunt uit de RES over het voorkomen van een waterbedeffect opnieuw bevestigd. Dat betekent dat wat we in en rond de Veluwe niet kunnen realiseren, niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden. Tegelijkertijd sturen we regionaal en gezamenlijk op de inrichting van onze toekomstige energievoorziening, met een energiemix die nodig is om deze betaalbaar, betrouwbaar en klimaatneutraal te maken. Met het gebruiken van de onderstations als uitgangspunt, voorkomen we grotere maatschappelijke kosten voor netverzwaring en stimuleren we een efficiënt gebruik van ruimte en systemen. Het is niet het enige uitgangspunt, andere uitgangspunten zorgen bijvoorbeeld voor de bescherming van het landschap.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota. 2.7
De indiener stelt dat het RPE geen volledige financiële onderbouwing bevat, terwijl dit essentieel is voor een plan met grote ruimtelijke en maatschappelijke gevolgen.
Het RPE is een programma op hoofdlijnen en bevat daarom geen volledige financiële doorrekening van individuele maatregelen of projecten omdat het geen besluiten bevat over maatregelen of effecten. De afspraken en uitgangspunten uit het RPE helpen overheden om keuzes te maken die leiden tot een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
2.7
De indiener stelt dat industriële windturbines leiden tot een aanzienlijke vermindering van woongenot, levenskwaliteit en vastgoedwaarde. Bij realisatie wordt voorbehoud gemaakt om planschade te claimen. Er worden eisen gesteld aan het waarborgen van nachtrust, gezondheid en welzijn.
Het RPE bevat geen besluiten over projecten. Voor meer informatie over de afweging van effecten op de gezondheid en het milieu bij windprojecten verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota. Voor mogelijke waardedaling door overheidsbesluiten kunnen inwoners onder de Omgevingswet een beroep doen op nadeelcompensatie. Dit is mogelijk als een project of maatregel daadwerkelijk is uitgevoerd.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3.1
De indiener stelt dat lokaal hout, indien zorgvuldig beheerd, een duurzaam alternatief kan zijn voor windturbines. Het biedt constante energieproductie, draagt bij aan lokale zelfvoorziening, is CO₂-neutraal en ondersteunt de lokale economie.
In het RPE (bijlage 1) wordt biomassa, waaronder houtige reststromen, benoemd als mogelijke hernieuwbare energiebron.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3.3
De indiener stelt dat biogas continu energie kan produceren, afval helpt te reduceren, lokaal kan worden opgewekt en bijdraagt aan CO₂-reductie.
In het RPE (bijlage 1) wordt biogas benoemd als mogelijke hernieuwbare energiebron.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3.4
De indiener stelt dat kernenergie constant veel energie levert met lage CO₂-uitstoot, weinig ruimte gebruikt, een kleinere ecologische footprint heeft dan wind en zon en relatief weinig afval produceert.
In het RPE (hoofdstuk 5 en bijlage 1) wordt kernenergie benoemd als mogelijke hernieuwbare energiebron voor de energiemix van 2050. Om het bod in het RPE tot 2035 te halen zien we kernenergie niet als een reële optie.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
3.5
De indiener stelt dat waterstof een veelbelovend alternatief is dat kan worden opgeslagen en getransporteerd, breed toepasbaar is, geen CO₂ uitstoot en overtollige hernieuwbare energie kan benutten.
In het RPE (bijlage 1) wordt waterstof benoemd als mogelijke hernieuwbare energiebron of energiedrager.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Zienswijzen vanuit bewoners van en organisaties in de gemeente Zutphen Indiener A, gemeenteraad Zutphen, zienswijze ontvangen op 23-06-2025 (zienswijze 9) #
Zienswijze
Reactie
Conclusie
A
De indiener verzoekt om in het RPE meer aandacht te besteden aan de betaalbaarheid van het energiesysteem en een rechtvaardige verdeling van maatschappelijke kosten en baten. De indiener verzoekt om, naast de investeringskosten zoals beschreven in bijlage 1, ook een toelichting op te nemen over de financiering van de maatschappelijke kosten voor het verzwaren en uitbreiden van het elektriciteitsnetwerk. Ook wordt gevraagd inzicht te geven in hoe (lokale) investeringen in opwek en buffering van energie leiden tot maatschappelijke en financiële voordelen.
Het RPE bevat uitgangspunten en afspraken die overheden helpen keuzes te maken die leiden tot een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening. De verzwaring en uitbreiding van de elektriciteitsnetten is een verantwoordelijkheid van de netbeheerders, zij maken hiervoor de (maatschappelijke kosten) inzichtelijk. In het Rijk-regio traject met het ministerie van Klimaat en Groene Groei wordt gekeken naar de mogelijkheden (en opbrengsten) van het beter benutten van het elektriciteitsnet. Beide ontwikkelingen volgen we op de voet.
B
De indiener stelt dat het RPE nog onvoldoende inzicht biedt in welk gedrag gewenst is voor het toekomstige energiesysteem en hoe de regio hierop wil sturen.
Bewustwording creëren bij de verschillende spelers in de energietransitie is een van de doelstellingen van het RPE. De energietransitie is niet alleen een technische of ruimtelijke opgave, maar ook een maatschappelijke. Een toekomstbestendige en decentrale energievoorziening vraagt nadrukkelijk om ander gedrag van bewoners, bedrijven en overheden. We zijn het met de indiener eens dat dit aspect in het ontwerp RPE onderbelicht bleef.
Naar aanleiding van meerdere zienswijzen hebben we een paragraaf over gedragsverandering toegevoegd aan het RPE als paragraaf 6.1.
C
De indiener stelt dat de voorkeur uitgaat naar opwek van elektriciteit via zonnepanelen op daken, maar erkent het belang van een mix aan opwekvormen. Het verzoek is om in het RPE sterker in te zetten op het beter benutten van beschikbare daken voor zonnepanelen.
Het RPE volgt de voorkeursvolgorde zon. Het beter benutten van daken voor zonnepanelen is een opgave waar gemeenten relatief weinig instrumenten voor hebben. In de regio zetten we in op kennisdeling rondom het gemeentelijk instrumentarium voor zon op dak.
We hebben naar aanleiding van deze zienswijze in de tekst van het RPE toegevoegd hoe we kennisdeling rondom het thema zon op dak bevorderen.
D
De indiener stelt dat het wenselijk is om een actueel en realtime energie-dashboard te ontwikkelen. Dit dashboard zou inzicht moeten geven in de voortgang van genomen en
Hoewel wenselijk, schatten wij in dat het op korte termijn niet realistisch is om een realtime dashboard te ontwikkelen. We zijn in gesprek met Liander over het sneller ter beschikking stellen van data, zodat de
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.
geplande maatregelen, inclusief hun effecten op CO₂-reductie en de toevoeging van hernieuwbare energie, gekoppeld aan de doelstellingen van de regio.
bestaande monitoring actueler wordt. Daarnaast gaan we het regionale programma ook monitoren aan de hand van meetbare waarden, deze monitoring wordt in de uitvoering van het RPE opgezet.