CConstaterende datBrummen
Koppel je AI →
Document · PDF

(093) Nota van zienswijzen

Besluitvormende raadsvergadering 20 november 2025, gemeente BrummenBij agendapunt: Vaststellen Regionaal programma energievoorziening39.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Niet gevonden in dit document.

In het RPE wordt inderdaad gerekend met TWh als maat voor de jaarlijkse energieproductie, omdat dit aansluit bij de nationale doelstellingen (zoals het RES-bod) en het eindbeeld voor 2050. Tegelijkertijd worden MW en MWp gebruikt om het benodigde vermogen van installaties te duiden, bijvoorbeeld bij de inschatting van ruimtebeslag of netbelasting.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8

De indiener stelt dat het handhaven van het RES 1.0-bod van 1,07 TWh in het ontwerp-RPE en het doorschuiven van de realisatietermijn naar uiterlijk 2035 getuigt van realiteitszin.

We danken de indiener voor deze inbreng.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

14

De indiener stelt dat de twee scenario’s op bladzijde 51 van het regionale rapport eerder lijken op voorlopig wensdenken dan op een solide basis voor concrete planning. Volgens de indiener gaan deze scenario’s gepaard met grote onzekerheden en zijn ze daardoor onvoldoende bruikbaar voor besluitvorming.

De scenario’s op bladzijde 51 van het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) zijn bedoeld als verkenningen van mogelijke ontwikkelpaden richting het realiseren van het RES 1.0-bod van 1,07 TWh duurzame elektriciteit. Ze zijn gebaseerd op aannames over het tempo van netversterking en de implementatie van energieopslag, en geven inzicht in de bandbreedte van de haalbaarheid.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

We erkennen dat deze scenario’s met onzekerheden gepaard gaan. Daarom worden ze niet gepresenteerd als vaststaande plannen, maar als onderbouwde inschattingen die richting geven aan de inspanningsverplichting. 15

De indiener stelt dat de energiemix en bronverdeling zoals opgenomen in het bod van RES 2.0 en de beleidsrichting van de regio en gemeente Lochem herzien moeten worden. Daarbij moet niet alleen worden gewerkt met de vaak abstracte eenheid TWh, maar ook met concrete capaciteiten zoals MW (wind), MWp (zon), m³ biogas en aardwarmteopwek. Dit is nodig voor begrijpelijke en bruikbare besluitvorming.

De zienswijze van de indiener is gedeeld met de gemeente Lochem.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

16

De indiener stelt dat het realistisch is dat de mogelijkheden voor windenergie beperkt worden geacht, gezien de aard van het landschap, de voorwaarden voor de leefomgeving, het ontbreken van landelijke normen, de voortdurende netcongestie en het afnemend rendement van kleinschalige en grootschalige zon- en windprojecten.

We bedanken de indiener voor deze bijdrage.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

17

De indiener stelt dat bij de beoordeling van mogelijke windlocaties niet alleen gewacht moet worden op landelijke normen voor geluid en afstand, maar dat ook andere criteria integraal moeten worden meegewogen, zoals natuur, landschap, gezondheid, netwerksystemen en congestie. Daarbij wijst de indiener op de Regionale Aanvullingen van ROM-Sweco bij het provinciale concept PlanMER en benadrukt dat gemeenten beleidsruimte hebben om hier een eigen invulling aan te geven.

Het RPE zelf bevat geen besluiten over specifieke locaties of projecten. De daadwerkelijke belangenafweging, onder meer op het gebied van gezondheid en leefomgeving, vindt inderdaad zoals indiener benoemt plaats bij concrete plan- en besluitvorming. In hoofdstuk 4 van deze nota lichten we toe hoe, op projectniveau, de effecten van windenergie op natuur, gezondheid en leefomgeving worden meegewogen. In dat hoofdstuk lichten we ook toe hoe lokale overheden in afwachting van landelijke normen zelf normen kunnen stellen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Indiener H, zienswijze ontvangen op 26-06-2025 (zienswijze 6) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

Alg em een A1

Op meerdere plaatsen in de tekst komt naar voren dat de indiener het gevoerde proces rondom het RPE als niet democratisch ervaart.

In hoofdstuk 3 van deze nota is de werkwijze bij het opstellen van het RPE toegelicht. Ook is toegelicht door welke democratisch gekozen volksvertegenwoordigingen het definitieve RPE wordt vastgesteld.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

A2

Op meerdere plaatsen in de tekst komt naar voren dat de indiener niet vertrouwd dat het RPE op betrouwbare bronnen is gestoeld.

Het RPE is gebaseerd op een breed palet aan bronnen, waaronder landelijke studies, scenarioplanning van netbeheerders en analyses van maatschappelijke, technische en ruimtelijke ontwikkelingen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

A3

Op meerdere plaatsen in de tekst komt naar voren dat de indiener stelt dat energiecoöperaties geen goede

De energieregio zal de signalen uit deze en andere zienswijzen meenemen in gesprekken met overheden en de samenwerkende energiecoöperaties.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

vertegenwoordigers zijn van omwonenden en een verlengstuk van de overheid. A4

Op meerdere plaatsen in de tekst vraagt de indiener om aandacht voor de rol van gedragsverandering en bewustwording en energiebesparing in de energietransitie.

Het RPE erkent dat de energievoorziening van de toekomst vraagt om meer dan alleen technische oplossingen. Naast grootschalige opwek, opslag en netaanpassing is er ook een andere houding en gedrag nodig: zuiniger omgaan met energie, efficiënter gebruik van wat we opwekken, en het voorkomen van onnodige groei in de vraag. We zijn het met de indiener eens dat dit aspect onvoldoende belicht was in de ontwerpversie van het RPE.

Onder andere naar aanleiding van deze zienswijze hebben we een paragraaf over gedragsverandering (en hoe we hier als energieregio op inzetten) toegevoegd aan het RPE als paragraaf 6.1.

A5

Op meerdere plaatsen in de tekst komt naar voren dat de indiener de participatie rondom het RPE en eerder de RES 1.0 niet positief heeft ervaren.

Voor meer informatie over de participatie over het RPE verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Indiener I, zienswijze ontvangen op 29-06-2025 (zienswijze 7) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

Alg em een A1

Indiener stelt veel vragen die betrekking hebben op windprojecten in het algemeen en het project Papenslagweg door te informeren naar: • De positionering van het windgebied aan de rand van de regio waardoor de overlast ontstaat in aangrenzende gebieden die geen rol hebben in de besluitvorming. • De locatie Papenslagweg is geen no-regret locatie • Er zouden afspraken gemaakt moeten worden met lokale windproducenten om ervoor te zorgen dat ook zij zich houden aan de afspraken in het RPE • Regie van de provincies zet gemeentes buiten spel Indiener noemt een aantal projecten.

Het RPE bevat geen besluiten over specifieke projecten of locaties. Voor meer informatie over de relatie van het RPE met gemeentelijk en provinciaal beleid verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota. Voor meer informatie over windenergie in het RPE verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

• • • •

•

Initiatiefnemers houden ten onrechte vast aan de “oude normen” Initiatiefnemers overschrijden het windbod zoals genoemd in de RES Initiatiefnemers kiezen een gebied wat nog niet benoemd is als zoeklocatie Initiatiefnemers een gerechtelijke procedure zijn gestart om het uitgangspunt van de gemeente Lochem dat zij wachten op de landelijke milieunormen omzeilen. De indiener noemt dat 90% van de omwonenden tegen het initiatief Papenslagweg zijn, en dat er zeven rechtszaken lopen bij de Raad van State.

A2

De indiener stelt op meerdere plaatsen dat de RES1.0 een keurslijf was en beter geëvalueerd had moeten worden.

Wij herkennen ons niet in het geschetste beeld van de indiener over het dwangmatige karakter van de RES. Voor meer informatie over de evaluatie van de RES 1.0 verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

1A

De indiener stelt dat het onduidelijk is wat met de “herijking” van de RES 1.0 wordt bedoeld, aangezien het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) een aanzienlijk bredere scope heeft dan de oorspronkelijke RES. De indiener vraagt zich af of de aanpak van RES 1.0 nog wel passend is voor deze bredere opgave, en stelt dat een herijking zou moeten beginnen met een reflectie op de ervaringen met RES 1.0.

Het RPE is inderdaad een herijking van de RES 1.0, maar met een bredere scope en een andere benadering. Waar de RES 1.0 zich primair richtte op grootschalige opwek van elektriciteit met zon en wind, kijkt het RPE naar de gehele energievoorziening: vraag, aanbod, transport, opslag en flexibel gebruik. Deze verbreding is ingegeven door de ervaringen met RES 1.0 en door de veranderende context, zoals netcongestie, maatschappelijke ontwikkelingen en nieuwe wet- en regelgeving. Bij die verbreding past inderdaad ook een verbrede aanpak, die we hebben geschetst in het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

1B

De indiener stelt dat het achteraf bezien de vraag is of het maken van een regio-indeling voor de RES een goed idee is geweest. De RES-indeling schuurt volgens de indiener met de democratisch gekozen indeling in provincies, gemeenten en waterschappen. RES-biedingen zijn niet bindend en moeten door de samenwerkende organen worden bekrachtigd. Daarbij bevinden sommige RES-regio’s zich in meerdere provincies, wat extra complexiteit met zich meebrengt.

Het valt buiten de kaders van de energieregio Stedendriehoek om de landelijke indeling in RES-regio’s te evalueren of beoordelen. We kunnen wel zeggen dat we binnen de energieregio Stedendriehoek de samenwerking tussen gemeenten, provincie, waterschappen, netbeheerder en maatschappelijke partners als constructief en waardevol ervaren.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

1C

De indiener vraagt zich af of de indeling in RES-regio’s wel goed gekozen is. De indiener stelt dat de gekozen indeling de eerlijke verdeling van lusten en lasten mogelijk in de weg

De indeling in RES-regio’s is landelijk vastgesteld bij de start van het Nationaal Programma RES. Deze indeling is tot stand gekomen in overleg

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

staat. Als voorbeeld noemt de indiener de energieregio Stedendriehoek, die bestaat uit een groot natuurgebied (Veluwe), een stedelijk gebied (Apeldoorn) en een deel van de Achterhoek (waaronder Lochem). De indruk ontstaat dat daarmee op voorhand vaststaat waar grootschalige opwek terechtkomt.

tussen medeoverheden en sluit aan bij bestaande samenwerkingsverbanden. Binnen de energieregio Stedendriehoek is nadrukkelijk oog voor een eerlijke verdeling van de opgave. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is: Wat we op gebied van windenergie niet kunnen realiseren op en rondom de Veluwe mag niet leiden tot een zogenaamd waterbedeffect. Dit betekent dat die windenergie niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden. Tegelijkertijd sturen we regionaal en gezamenlijk op de inrichting van onze toekomstige energievoorziening, met een energiemix die nodig is om deze betaalbaar, betrouwbaar en klimaatneutraal te maken. Dit uitgangspunt is al in RES 1.0 benoemd en wordt opnieuw bekrachtigd in het RPE.

De indiener stelt vragen bij de keuze om de RES 1.0 vorm te geven als een inspanningsverplichting in plaats van een resultaatverplichting. De indiener vraagt zich af in hoeverre dit goed heeft gewerkt. De indiener wijst erop dat er in de Tweede Kamer recent een meerderheid is gevormd om de RES-regio’s af te schaffen.

We begrijpen dat er onduidelijkheid kan bestaan over de status van de RES / het RPE en benadrukken nogmaals dat de RES 1.0.

1F

De indiener stelt dat de resultaten van het RES-proces door initiatiefnemers worden geïnterpreteerd als toezeggingen om een vastgestelde hoeveelheid energie op te wekken, zonder de randvoorwaarden die in de regio zijn gesteld serieus te nemen.

Het RPE bevat geen besluiten over specifieke locaties of projecten. Wel geeft het RPE aan hoeveel duurzame opwek de gezamenlijke overheden realistisch achten. Dit is echter geen maximum. Ondanks de afspraken in het RPE kennen we in Nederland het recht op initiatief en zijn de bevoegde gezagen verplicht aanvragen in behandeling te nemen. De beoordeling en besluitvorming over het project vindt plaats binnen de wettelijke kaders van het omgevingsrecht

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

1G

De indiener vraagt wat het resultaat is geweest van de RES 1.0 op het gebied van kennismanagement.

De energieregio Stedendriehoek herkent het belang van goede kennisdeling en kennisontwikkeling binnen de energietransitie.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

1E

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

In de Tweede Kamer is een motie aangenomen om de RES-regio’s in 2030 of eerder op te heffen. De minister van KGG zal kijken hoe hier invulling aan wordt gegeven, ook in relatie tot het nieuwe op te richten Nationaal Programma Energiesysteem waar de RES sowieso al onderdeel van wordt. De motie heeft geen directe impact op het werk van vandaag en morgen in onze energieregio en ook de (gezamenlijke) RES-opgave blijft tot 2030 bestaan.

Vanuit NP RES en de 30 RES-regio’s is sinds 2019 een stevige samenwerkingsstructuur opgebouwd – zowel binnen de regio’s als tussen

hen onderling. Binnen deze structuur is veel waardevolle energiekennis beschikbaar, evenals een breed netwerk van ambtelijke, bestuurlijke en maatschappelijke partners zoals netbeheerders, ondernemers, agrariërs, onderwijsinstellingen, energiecoöperaties en jongeren. Ook vinden regelmatig landelijke werksessies, leerkringen en kennisdagen plaats waar regio’s inzichten uitwisselen en gezamenlijk optrekken in actuele vraagstukken. 1H

De indiener stelt dat de communicatie binnen de RES-aanpak tekort is geschoten. In plaats van dialoog was volgens de indiener sprake van drang en dwang. De indiener verwijst naar een persoonlijke ervaring bij de RES 1.0. De indiener pleit voor een eerstvolgende evaluatie en herijking van de RES 1.0, alvorens door te gaan met de herijking via het RPE.

Voor meer informatie over de evaluatie van de RES 1.0 verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota. In dat hoofdstuk lichten we ook het participatietraject rondom het RPE toe. Ervaringen met participatie in het kader van de RES 1.0 vallen buiten de reikwijdte van het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2

De indiener stelt dat het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) voorsorteert op het Nationaal Programma Energiesysteem (NPE), dat nog in ontwikkeling is en weer gekoppeld wordt aan allerlei andere programma’s. De indiener vraagt zich af waarom niet direct met het NPE wordt gewerkt, mede op basis van de lessen uit de RES 1.0.

Het Nationaal Programma Energiesysteem, waar de RES een onderdeel van wordt, is op dit moment nog in oprichting. Het programma is zeer recent (juni 2025) aangekondigd als opvolger van het NPRES. Het is nog niet duidelijk wanneer dit programma gereed is en wat het inhoudelijk en organisatorisch gaat betekenen. Daarentegen blijft de RES-opgave tot 2030 bestaan. Het is in onze ogen niet wenselijk om te wachten op landelijke kaders die nog in ontwikkeling zijn, terwijl het regionale energiesysteem van de toekomst nu om keuzes vraagt. Tegelijkertijd sorteert de regio Stedendriehoek in haar aanpak met het RPE hier wel op voor.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat er sprake lijkt van een inconsequentie en stelt dat er duidelijker gemaakt moet worden dat het bod een inspanningsverplichting betreft.

In het RPE wordt expliciet benoemd dat het wat betreft het bod gaat om een inspanningsverplichting.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4A

De indiener stelt dat de energietransitie van kolen naar aardgas al heeft plaatsgevonden in de periode 1960–1975 en dat die transitie juist een beweging was van decentrale naar centrale energievoorziening. De indiener benoemt daarnaast dat energieopwekking met kolen tegenwoordig beperkt is tot een drietal moderne, efficiënte centrales die een belangrijke stabiliserende rol in het energiesysteem hebben, gezien de weersafhankelijkheid van wind en zon.

De energieregio Stedendriehoek herkent het historisch verloop van de energietransitie van kolen naar aardgas en het stabiliserend effect van de centrale energievoorziening. In de huidige energietransitie bewegen we juist in de richting van een meer gedecentraliseerd systeem, waarbij we het centrale netwerk niet loslaten

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Het RPE onderkent dat conventionele centrales momenteel nog een rol spelen in de stabilisering van het elektriciteitsnet en dat de overgang naar

een volledig duurzaam energiesysteem stapsgewijs verloopt. De integrale benadering uit het RPE (ten opzichte van de RES 1.0) helpt hierbij, omdat we niet alleen kijken naar aanbod, maar juist ook vraag, opslag, transport en flexibiliteit meenemen. 4B

De indiener stelt dat duurzame energie niet zomaar “overal beschikbaar” is, Duurzame opwek via zon en wind is niet overal mogelijk en wenselijk.

Het RPE benoemt dat duurzame energiebronnen zoals wind breed beschikbaar zijn in de omgeving, maar stelt nadrukkelijk niet dat windenergie overal gerealiseerd moet of kan worden. Juist daarom wordt in het RPE (en hiervoor in de RES 1.0) veel nadruk gelegd op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4C

De indiener stelt dat het RPE niet ingaat op of meer windmolens op zee.

Het RPE gaat over de energievoorziening in onze regio en niet over wind op zee. Voor meer informatie over de rol van windenergie in de decentrale energievoorziening verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4D

De indiener stelt dat het aardgasnetwerk behouden blijft en kan worden gebruikt voor waterstoftransport. Daarnaast vraagt indiener zich af of het verbod op energie-import van de wereldmarkt wel verstandig is. Alleen handel drijven met landen die hetzelfde wereldbeeld en beleid hebben als Nederland is volgens de indiener een utopie.

De inzet van het gasnet voor waterstof wordt voorzien in de landelijke infrastructuur. Echter ook waterstof moet worden geproduceerd. Geopolitieke ontwikkelingen hebben ons laten inzien dat een decentrale energievoorziening ook andere voordelen kent, maar een besluit om energie-import te weren wordt niet op het niveau van het RPE gemaakt.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4E

De indiener stelt dat het RPE geen aandacht besteedt aan de optie om elders waterstof te produceren uit zonne- en windenergie en deze energie te importeren Het importeren van energie vindt ook nu al plaats.

Een strategie rondom energie-import uit andere landen valt buiten de kaders van het RPE en wordt niet op het niveau van de energieregio gemaakt.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

5

De indiener stelt dat de RPE-tekst een tendentieuze en onvolledige weergave geeft van de fysieke impact van energieopwekking in de eigen leefomgeving. Er wordt te weinig gesproken over de visueel en ruimtelijk ingrijpende aard van windturbines van 280 meter hoog. Indiener merkt op dat er geen wettelijke minimale afstandsnormen bestaan tussen windturbines en woningen en dat er nog altijd geen normering is voor laagfrequent geluid en trillingen. Dit maakt de zorgen over leefbaarheid en gezondheid volgens hem terecht en urgent.

In het RPE staat benoemd dat windmolens vanwege hun ruimtelijke impact om een zorgvuldige inpassing vragen. Het RPE gaat niet over lokale projecten Voor meer informatie over hoe gezondheid en milieueffecten bij windenergieprojecten worden meegewogen verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6

De indiener stelt de vraag of het vasthouden aan de biedingen uit RES 1.0 nog gerechtvaardigd is, gezien de politieke ontwikkelingen en nieuwe inzichten over gezondheidseffecten.

Het klopt dat het (kwantitatieve) bod van 1,07 TWh uit de RES 1.0 is overgenomen in het RPE. Dit bod wordt nog steeds gezien als een belangrijke mijlpaal op weg naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050, maar het is geen doel op zich. We hebben in het RPE echter nadrukkelijk gekozen voor een bredere benadering van de energievoorziening dan in de RES 1.0. Niet alleen grootschalige opwek met zon en wind, maar ook vraag, lokaal aanbod, transport, opslag en flexibel gebruik van energie maken nu integraal onderdeel uit van de strategie.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6B

De indiener vraagt op welke basis de gebruikte definitie van klimaatneutraal in het RPE is vastgesteld.

We hanteren binnen de energieregio de gangbare definitie van klimaatneutraal: klimaatneutraal betekent dat er netto niet meer broeikasgassen worden uitgestoten. Vanwege de mogelijke verwarring passen we de regel op pagina 6 aan.

We hebben de gangbare definitie voor klimaatneutraal ook in pagina 6 benoemd.

6C

De indiener stelt dat de beloofde betaalbaarheid van duurzame oplossingen in de praktijk niet is waargemaakt. Teruglopende terugleververgoedingen en tegenvallende terugverdientijden leiden tot financiële teleurstelling bij investeerders. De indiener pleit ervoor dat het RPE lering trekt uit deze ervaringen door alleen betaalbare oplossingen te presenteren als daar ook een betrouwbare financieringsstructuur tegenover staat.

We zijn het met de indiener eens dat we in de transitiefase kwetsbaar zijn voor fouten en misbruik (cowboys). We zouden daarom liever zeggen dat betaalbaarheid en betrouwbaarheid nog niet altijd worden waargemaakt. We hebben als regio geen invloed op marktprijzen of landelijke regelgeving, maar benadrukken het belang van eerlijke verdeling van kosten en baten. Prijsontwikkelingen zoals bij zonnepanelen of warmtepompen zijn lastig te voorspellen en maken deel uit van een dynamisch energiesysteem. Lokale samenwerking, coöperatief eigendom en slimme combinaties van opwek, opslag en gebruik kunnen bijdragen aan lagere kosten.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

7

De indiener stelt dat de visie in het RPE gebaseerd lijkt op bestaande ontwikkelingen, in plaats van dat het een overkoepelende, professioneel ontworpen architectuur voor de toekomstige energievoorziening biedt. De indiener pleit ervoor om het RPE te baseren op een doordachte ontwerpvisie.

Het ontwerpen van de energievoorziening van de toekomst is een complexe puzzel die niet aan de regio is voorbehouden. Het energieperspectief bij het RPE brengt de toekomstige regionale energiebehoefte echter zo goed mogelijk in beeld om op basis daarvan het regionale energiesysteem, dat gekoppeld wordt aan het centrale netwerk, te ontwerpen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8A

De indiener stelt dat de uitgangspunten in het RPE generiek overkomen en niet specifiek zijn toegespitst op de regio Stedendriehoek. De indiener vraagt zich af of de uitgangspunten landelijk zijn gedefinieerd.

Het doel achter het regionale schaalniveau is om met maatwerk en oog voor de lokale maatschappelijke en ruimtelijke context keuzes te maken over de regionale energievoorziening. Dit staat los van de keuzes die er voor het centrale netwerk gemaakt worden. Hoewel we ervan uitgaan dat

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

andere regio’s vergelijkbare uitgangspunten hanteren, zijn deze uitgangspunten vanuit de regionale context opgesteld. 8B

De indiener stelt dat de uitgangspunten in het RPE nu een combinatie lijken te zijn van verwachtingen, randvoorwaarden, beperkingen en harde gegevens. Om de inhoud beter te kunnen begrijpen, stelt indiener voor om in de tekst expliciet onderscheid te maken tussen deze verschillende typen informatie.

Het doel van de uitgangspunten benoemd in het RPE, is dat deze gezamenlijke kaders vormen. Deze gebruiken we wanneer we spreken en denken over de energievoorziening van de toekomst. Ze hebben allen dezelfde status. Een explicieter onderscheid is daarom wat ons betreft niet nodig.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8C

De indiener stelt dat in punt 1 van het RPE ten onrechte duurzame elektriciteit en omgevingsenergie worden gepresenteerd als ruggengraat van de energievoorziening. Volgens indiener zouden juist gas- en kolengestookte centrales, import van elektriciteit en waterstof, en kernenergie die rol moeten vervullen.

Het landelijke streven is een klimaatneutrale en fossielvrije energievoorziening in 2050. Gas- en kolencentrales kunnen daardoor niet de ruggengraat zijn van de toekomstige energievoorziening. De inzet op wind- en zonne-energie kent voor- en nadelen. De nadelen zijn inderdaad dat wind- en zonne-energie weersafhankelijk zijn. Daarom zetten we in het RPE ook in op opslag en flexibiliteit en blijven we gebruik maken van het centrale elektriciteitsnetwerk als buffer.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8D

De indiener merkt op dat het niet zeker is dat het centrale elektriciteitsnet in gebruik blijft. Volgens hen kan dit veranderen als technologische ontwikkelingen op het gebied van opslag van duurzaam opgewekte elektriciteit sterk vooruitgaan, waardoor het centrale net minder noodzakelijk wordt.

De rol van het centrale elektriciteitsnetwerk gaat veranderen. Scenariostudies van Netbeheer Nederland laten zien dat een volledige ontkoppeling van het centrale net onwaarschijnlijk is, onder andere voor stabilisering en balancering van de energievraag en het energieaanbod tussen verschillende regio’s.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8E

Indiener vraagt het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom beter te duiden in de tekst en geeft als voorbeeld dat eigendom pas lokaal is als deze eigenaren binnen een straal van 10 keer de tiphoogte van de windturbine moeten wonen.

Ten aanzien van financiele participatie hebben we in de energieregio afgesproken dat gemeenten (en de provincie) als bevoegd gezag de randvoorwaarden uitwerken.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8F

De indiener geeft aan dat het onduidelijk is wat er precies bedoeld wordt met het voorkomen van een waterbedeffect wanneer realisatie van windenergie niet lukt. Er wordt gevraagd om meer duidelijkheid over de consequenties en welke oplossingen daarvoor worden voorgesteld.

In een straal van 1 kilometer rondom de Veluwe is het niet mogelijk om met windturbines energie op te wekken, omdat de beschermde Wespendief in de Veluwe broedt. In de 1-8 km zone zijn beperkte mogelijkheden aanwezig. Het uitgangspunt rondom het waterbedeffect betekent dat wat we in en rond de Veluwe niet kunnen realiseren, niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden. Tegelijkertijd sturen we regionaal en gezamenlijk op de inrichting van onze toekomstige

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

energievoorziening, met een energiemix die nodig is om deze betaalbaar, betrouwbaar en klimaatneutraal te maken. Eén van de inspanningen die we als energieregio verrichten is het gesprek voeren met de provincie Gelderland over de zone van 1 tot en met 8 kilometer rondom de Veluwe. Daar gelden nu zeer strenge voorwaarden voor de ontwikkeling van windenergie. Op dit moment onderzoekt de provincie verschillende maatregelen waardoor de voorwaarden mogelijk minder streng hoeven te zijn in deze regio. Het beleid van de provincie wordt mogelijk aangepast op basis van de uitkomsten. We ervaren op dit moment nog geen risico’s voor het behalen van onze gezamenlijke doelstellingen. Mochten dat soort risico’s zich in de toekomst wel voordoen, dan zullen we die tijdig en gezamenlijk bespreken en maken we afspraken over hoe we hiermee omgaan. 8G

De indiener mist in de RPE duidelijke uitgangspunten over de import en export van energie.

Het is niet helemaal duidelijk wat de indiener bedoelt. In het RPE gaan we ervan uit dat de regio uiteindelijk gedeeltelijk in haar eigen energievoorziening kan voorzien, en dat er ook een deel van onze energiebehoefte wordt ingevuld met aanvoer van buiten de regio. We hebben geen specifieke uitgangspunten opgenomen over de import en export van energie, maar gaan er vanuit dat import en export plaatsvindt. We hebben wel uitgangspunten opgenomen over het benutten van het centrale elektriciteitsnetwerk, waarmee duidelijk wordt dat we ook in de toekomst op momenten stroom importeren van buiten de regio of exporten vanuit de regio.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8H

De indiener mist restrictieve uitgangspunten, bijvoorbeeld dat lokaal opgewekte energie niet zonder meer op het net mag worden verkocht.

Dit is geen regel die we als regio kunnen opleggen. De netwerkbedrijven reguleren de transportvergunningen waarin restricties kunnen worden opgenomen om netcongestie te voorkomen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8I

De indiener mist een uitgangspunt over kernenergie.

Kernenergie maakt vooralsnog geen deel uit van de regionale energiemix op korte termijn. We bespreken de kenmerken van kernenergie in relatie tot de toekomstige energievoorziening in bijlage 1 bij het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

8J

De indiener mist een uitgangspunt over de inzet van waterstof als energiedrager, en de mogelijkheden van gebruik van waterstof door inwoners, bijvoorbeeld als aftakking van het voormalige aardgasnetwerk.

We hebben geen uitgangspunten opgenomen over waterstof omdat deze voor de regionale energievoorziening op korte termijn nog geen optie zijn. Waterstof zal in eerste instantie vooral toepasbaar zijn in de

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

chemische en zware industrie (waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn) en als back-up voor elektriciteitscentrales. Bij de omzetting van lokaal geproduceerde elektriciteit naar waterstof gaat nog steeds relatief veel energie verloren. Hierdoor komt deze lokale buffering nog niet op gang. Op de lange termijn richting 2050 is dit door innovaties mogelijk wel een optie. 9B

De indiener vraagt om een toelichting op de relatie tussen de genoemde verzorgingsgebieden van de onderstations voor het balanceren van vraag en aanbod en de indeling van de RES-regio’s, omdat wordt verwacht dat deze verzorgingsgebieden de basis zouden zijn voor de regioindeling.

De regio-indeling is gebaseerd op bestaande (bestuurlijke) samenwerkingsverbanden en niet op basis van de elektriciteitsinfrastructuur. De lokale netbeheerders zijn aangesloten bij elke RES-regio om grip te houden op de regionale afspraken, lokale plannen en de netinfrastructuur.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

9C

De indiener stelt dat door het opstellen van Provinciale Inpassingsplannen en Projectprocedures onder de Omgevingswet worden gemeenten buitenspel gezet. Daarnaast keert de provincie Gelderland zich volgens de indiener in de praktijk ook tegen het eigen beleid van Windladder en Subsidiariteit.

Voor meer informatie over de doorwerking van het RPE in relatie tot lokaal en provinciaal beleid verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota. Voor meer informatie over de verdeling van bevoegdheden in relatie tot windenergie verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

10

De indiener wijst op een tekst op pagina 8 en benoemd dat er fouten in deze tekst zitten.

In de tekst in het kader op pagina 8 is per abuis een fout leesteken komen te staan. We danken de indiener voor de oplettendheid en verbeteren deze fout in de definitieve versie.

Deze zienswijze leidt tot een aanpassing in het RPE. De typefout is hersteld.

11 A

De indiener stelt dat waterstof weliswaar genoemd wordt als duurzaam gas, maar dat het in feite een energiedrager is.

Beide bepalingen zijn correct en worden benoemd in het RPE. Groene gassen, zoals groene waterstof, biogas of groen gas, zijn geen primaire energiebronnen. Ze dragen energie die eerder is opgewekt uit hernieuwbare bronnen (zoals elektriciteit en biomassa).

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

11 B

De indiener stelt dat de berekening dat in 2050 ongeveer 80% van de elektriciteit zelf wordt opgewekt, niet goed te volgen is omdat de totale elektriciteitsvraag niet is aangegeven, en vraagt om een nadere toelichting van deze berekening.

Het is niet zo dat we zeggen dat we ongeveer 80% van onze elektriciteit lokaal opwekken. We zeggen wel dat we voor onze totale energiebehoefte ongeveer 80% zelfvoorzienend kunnen worden.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Het RPE laat in de tabel op pagina 8 zien dat we in totaal ongeveer 7 TWh energievraag hebben in 2050. Aan de aanbodkant staat daar ongeveer 7,5 TWh tegenover, bestaande uit ongeveer 3 TWh eigen opwek van

elektriciteit in de regio, ongeveer 2 TWh import van elektriciteit van buiten de regio, ongeveer 2 TWh lokale omgevingsenergie (met name uit de lucht en uit water) en ongeveer 0,5 TWh uit duurzame gassen en geothermie. Voor het elektriciteitsdeel zijn we dus ongeveer 60% zelfvoorzienend (3 TWh van de benodigde 5 TWh wekken we in de regio op). 12

De indiener stelt dat in de toelichting uiteen wordt gezet waarom het bod niet in 2030 kan worden gehaald. Indiener stelt dat netcongestie wellicht kan worden opgelost, maar dat de overige belemmeringen (aangescherpte normen voor grootschalige opwek en de bescherming van de wespendief) de mogelijkheden flink beperken. Daarom verzoekt de indiener om een toelichting op de handhaving van het bod.

De indiener benoemt dat de aangescherpte normen voor grootschalige opwek en de beschermde habitat van de wespendief blijvende belemmeringen zijn voor de realisatie van het bod van 1,07 TWh. In het bod gaan we uit van een bredere energiemix en het gebruik van omgevingsenergie. Het uitblijven van nieuwe landelijke milieunormen voor wind heeft met name voor veel vertraging gezorgd. Het is nog niet duidelijk of nieuwe landelijke normen consequenties hebben voor de potentie van windenergie in de regio. Ten aanzien van de potentie van zon (op dak) in lokale netwerken en een betere buffering en afstemming van vraag en aanbod verwachten we dat dit een groter aandeel in de energievoorziening zal opleveren.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

14

De indiener stelt bezwaar te hebben tegen het gebruik van de formulering "nog los van aspecten als ruimtelijke inpassing, maatschappelijk draagvlak en de geldende politiekbestuurlijke opvattingen". Volgens de indiener impliceert deze formulering dat technische kenmerken en netwerkaansluitingen zwaarder zouden wegen dan democratische processen en het welzijn van burgers. De indiener noemt dit "de omgekeerde wereld".

De tekst impliceert niet dat technische kenmerken zoals netaansluiting zwaarder wegen dan ruimtelijke inpassing, maatschappelijk draagvlak en de geldende politiek-bestuurlijke opvattingen. We geven met deze tekst aan dat ook de technische puzzel achter het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening heel complex is.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

15a

De indiener vraagt om meer duidelijkheid over wie worden bedoeld met “andere partners” in de RPE. Tot slot vindt de indiener dat de verdeling van verantwoordelijkheden en belangen van de betrokken partijen beter uitgewerkt moet worden.

In hoofdstuk 5 van het RPE staan de verschillende partners toegelicht. Op dit moment zijn de windenergie- en zonne-energiesector geen volwaardige partners binnen het RPE. De afspraken die we in het RPE maken, landen via de lokale uitwerking als bindende afspraken bij initiatiefnemers van energieprojecten.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

15 C

De indiener stelt dat de netcongestie inmiddels veel ernstiger blijkt te zijn dan gedacht in april 2025, met door de netbeheerder geschatte wachttijden tot 2035. De indiener vraagt zich daarom af of het nog terecht is om te stellen dat

De berichten over de netcongestie van de afgelopen maanden benadrukken het belang van een betrouwbare energievoorziening. De recente berichten veranderen niets aan de stappen die we nu al kunnen zetten, benoemd in hoofdstuk 2 van het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

we ondanks deze netcongestie nu al kunnen doorbouwen aan de energievoorziening van de toekomst. 16

De indiener stelt dat de toekomstschets op pagina 11 van het RPE een positief en verhullend beeld schetst van windenergie in de leefomgeving. De toon van de toekomstschets wordt als manipulatief ervaren en niet representatief voor de ervaringen van omwonenden van windparken.

De toekomstschetsen in het RPE zijn bedoeld als illustratieve voorbeelden van hoe de energietransitie in de toekomst door bewoners ervaren zou kunnen worden. Ze zijn nadrukkelijk geen doelbeelden of beleidsuitspraken.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

17

De indiener vraagt naar de functie van de foto van drie grote windturbines onderaan pagina 13 en de afbeelding op pagina 36. Volgens de indiener kan de afbeelding overkomen als een impressie van het landschap van de toekomst.

De afbeelding op pagina 13 is geen landschappelijke impressie van toekomstige ontwikkelingen in de regio. De foto is bedoeld als illustratie bij de tekst

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

18

De indiener stelt dat de term “aard van de energievraag” op pagina 13 verwarring kan oproepen. De indiener pleit voor een kort overzicht van de verhouding in energievraag tussen woningen, bedrijven en verkeer. Daarbij wordt opgemerkt dat grote ondernemingen een groot deel van de energie gebruiken, en wordt gevraagd naar de rol van gemeenten bij de energievoorziening van dergelijke bedrijven.

De term “aard van de energievraag” verwijst in deze context inderdaad mede naar de verandering van energiedragers, zoals de overgang van gas naar elektriciteit of warmte. Een gedetailleerde uitsplitsing naar sectoren is op regioniveau niet in het RPE opgenomen, omdat het programma zich richt op strategische keuzes en regionale samenwerking, niet op gedetailleerde lokale analyses. Mogelijk kan de indiener de gevraagde informatie opzoeken in de regionale klimaatmonitor.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De gemeente heeft in de energietransitie een belangrijke rol als regisseur van het ruimtelijk beleid en warmtetransitie, maar grote industriële verbruikers opereren grotendeels onder het landelijke en Europese energiebeleid. Desondanks worden bedrijven in de regio gestimuleerd om samen te werken in bijvoorbeeld energiehubs, wat wordt toegelicht in hoofdstuk 5 van het RPE. 19 A

De indiener refereert aan de tabel op pagina 19 en stelt dat waterstof niet onder energieaanbod valt, maar onder transport en opslag.

In figuur 2 is waterstof gepositioneerd onder het kopje “energieaanbod” omdat geïmporteerde waterstof functioneert als energiedrager waarmee een deel van de energievraag wordt ingevuld.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

19 B

De indiener vraagt zich af in hoeverre een Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) nog zinvol is.

De regionale opgave is nog steeds relevant en vraagt om regionale samenwerking. In aanvulling op de RES 1.0, kijkt het RPE breder naar de volledige energievoorziening. De energieregio Stedendriehoek ziet juist in de regionale schaal een kans om gemeenten, waterschappen, provincie en netbeheerders beter op elkaar af te stemmen, knelpunten gezamenlijk

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

aan te pakken, en gezamenlijke strategieën te ontwikkelen die lokaal beleid ondersteunen. Zie hoofdstuk 1 en 2 van het RPE voor een verdere toelichting op de meerwaarde en rol van het RPE. 19 C

De indiener stelt dat de energievraag het beste op gemeentelijk niveau kan worden benaderd, in het bijzonder voor inwoners en industrie.

Het klopt dat gemeenten een cruciale rol spelen in de lokale uitvoeringspraktijk en de vormgeving van het energiebeleid. Tegelijkertijd overstijgt de energievraag in veel gevallen gemeentegrenzen — denk aan regionale bedrijventerreinen of warmtenetten. Het RPE biedt daarom een aanvullend strategisch kader op regionale schaal.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

19 D

De indiener stelt dat opwek met technologieën als geothermie en kernenergie landelijke systemen betreft.

Dat klopt grotendeels: kernenergie is een landelijke aangelegenheid en wordt voor de korte termijn niet als realistisch alternatief op regionale schaal beschouwd (zie ook hoofdstuk 4.3 van het RPE). Diepe geothermie valt onder landelijke regelgeving, maar kan in de toekomst op een aantal plekken regionaal relevant zijn. In het RPE houden we daarom rekening met mogelijke ontwikkelingen, maar zijn deze vormen van opwek in scenario’s niet leidend.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De indiener stelt dat transport en opslag, zoals met waterstof, beter landelijk georganiseerd kunnen worden, en dat de indeling in regio’s eerder leidt tot versnippering.

Transport en opslag zijn inderdaad onderwerpen die op landelijk niveau worden gereguleerd, met bijvoorbeeld landelijke normen, netstandaarden en infrastructuurprojecten. Tegelijkertijd is er ook een belangrijke regionale component, bijvoorbeeld in het bepalen van geschikte locaties voor energiehubs of het reserveren van ruimte in omgevingsvisies. Het RPE sluit daarom nadrukkelijk aan bij landelijke ontwikkelingen maar biedt tegelijk een platform voor regionale samenwerking en ruimtelijke afstemming. Dchaal van de energieregio is geen extra bestuurslaag die wordt betrokken, maar een samenwerking tussen de partners in die regio. Afstemming wordt daarmee eenvoudiger in plaats van complexer.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De indiener stelt dat de in het RPE genoemde redenen voor de bredere, integrale benadering (zoals netcongestie en de oorlog in Oekraïne) niet overtuigend zijn. Andere factoren, zoals aardbevingen in Groningen en milieuschade door broeikasgassen, worden als belangrijker gezien. De indiener vraagt zich af waarom deze bredere aanpak niet al bij de RES 1.0 is ingezet en stelt dat het RPE geen oplossingen biedt voor de toenemende maatschappelijke weerstand tegen

In het RPE is gekozen voor een bredere benadering dan in de RES 1.0, omdat de energietransitie inmiddels niet meer alleen over elektriciteitsproductie gaat, maar ook over opslag, flexibiliteit en transport. De redenen die daarvoor in het RPE worden genoemd (waaronder netcongestie, toegenomen afhankelijkheid van internationale energiemarkten, en maatschappelijke druk op de ruimtelijke inpassing) zijn aanvullend op bekende motieven, zoals de vermindering van broeikasgasemissies en de gevolgen van aardgaswinning in Groningen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

21

22

grootschalige windopwek. De indiener pleit daarom voor een moratorium of herbezinning op windenergie op land.

De bredere benadering in het RPE is een logische vervolgstap op de RES 1.0, waarin vooral de grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit centraal stond. Sindsdien is de behoefte ontstaan om ook andere onderdelen van het energiesysteem in beeld te brengen en te verbinden met ruimtelijk beleid, netcapaciteit en warmtevoorziening. Wat betreft de rol van windenergie op land: het RPE bevat geen keuze voor specifieke locaties of verplichtingen tot grootschalige windontwikkeling. Dit wordt lokaal afgewogen. In hoofdstuk 4 van de nota van zienswijzen wordt ingegaan op de zorgvuldigheid van besluitvorming over windenergie, inclusief de ruimte voor participatie en bezwaar. Een moratorium op windenergie is geen onderwerp van het RPE; dit vereist een besluit van Rijk of provincie.

De indiener stelt dat het idee in het RPE dat opwekking en opslag dicht bij het gebruik leidt tot een efficiënter energiesysteem, niet overtuigend is. Het landelijke elektriciteitsnet is juist bedoeld voor centrale opwek en verdeling, en grootschalige opwek is doorgaans niet lokaal inpasbaar.

Het uitgangspunt in het RPE om vraag en aanbod waar mogelijk dichter bij elkaar te brengen, sluit aan bij de gedachte van een veerkrachtiger en ruimtelijk efficiënter energiesysteem. Dit betekent niet dat alle opwek of opslag lokaal moet plaatsvinden, maar dat we op plekken waar dat ruimtelijk, technisch en maatschappelijk kan, bewust nadenken over slimme combinaties van functies — zoals lokale opwek bij bedrijventerreinen, of warmtenetten in stedelijk gebied.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De landelijke infrastructuur blijft daarbij onmisbaar en wordt ook expliciet als zodanig erkend in het RPE. Deze infrastructuur ondergaat de komende jaren een grote transformatie, zodat het beter kan inspelen op decentrale vormen van opwek. 23a

De indiener stelt dat in de opsomming van betrokken partijen in het RPE de rol van initiatiefnemers ontbreekt. Volgens de indiener hebben initiatiefnemers, waaronder energiecoöperaties, een grote en in de praktijk vaak dominante rol bij de ontwikkeling van windprojecten. De indiener uit zorgen over het winstoogmerk van deze partijen en stelt dat het RPE hiermee de werkelijkheid onvoldoende weerspiegelt.

Het klopt dat commerciële initiatiefnemers van energieprojecten geen rol hebben gehad bij de totstandkoming van de RES 1.0 en het RPE. De afspraken die we in het RPE maken, landen via de lokale uitwerking als bindende afspraken bij initiatiefnemers van energieprojecten. De suggestie om de wind- en zonsector beter te betrekken nemen we mee in de uitwerking van het RPE. Energiecoöperaties zijn wel betrokken bij de totstandkoming van het RPE. Zij zijn vertegenwoordigd in de Adviestafel (zie hoofdstuk 5 van het RPE) en zijn daarmee nadrukkelijk gesprekspartners voor de energieregio. De energieregio zal de signalen uit deze en andere zienswijzen meenemen in gesprekken met overheden en de samenwerkende energiecoöperaties.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

25

De indiener stelt dat het tweerichtingsverkeer op het elektriciteitsnet mede een gevolg is van de decentrale opwek. De voorkeur gaat uit naar concentratie van windenergie in een beperkt aantal grootschalige clusters, zoals het Markermeer, in plaats van verspreiding over het land.

Dit soort beslissingen worden op landelijk niveau genomen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

26

De indiener betwijfelt of het beperken van de energievraag daadwerkelijk de eerste stap moet zijn richting klimaatneutraliteit. Volgens de indiener kan het huidige accent op beperking van de vraag als frustrerend worden ervaren.

Het beperken van de energievraag is een erkende eerste stap binnen de zogenoemde 'trias energetica', die internationaal breed wordt toegepast: eerst besparen, dan duurzaam opwekken, en pas daarna aanvullen met fossiele energie als dat nog nodig is. Deze aanpak leidt tot een efficiënter energiesysteem, lagere kosten voor eindgebruikers en minder druk op de benodigde infrastructuur. Energiebesparing levert daarnaast ook direct lagere energiekosten op voor bewoners en gebruikers.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

In het RPE wordt het beperken van de energievraag daarom nadrukkelijk benoemd als cruciaal onderdeel van de strategie. 27

De indiener vraagt zich af of het ondersteunen van mensen met een lagere draagkracht bij energiekosten een politieke keuze is en of dit binnen de taak van het RPE valt.

Het uitgangspunt dat een betaalbare energievoorziening voor iedereen bereikbaar moet zijn, is een breed gedeeld maatschappelijk streven dat ook op nationaal niveau als belangrijk beleidsdoel wordt gezien. In het RPE wordt dit benoemd als onderdeel van het streven naar een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening voor alle inwoners in de regio.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

28

De indiener vraagt zich af of regionale kennisstructuren zoals het OKE wel efficiënt zijn, en suggereert dat een landelijke kennisstructuur (zoals een helpdesk of implementatieteams) wellicht effectiever is.

Het Ondersteunings- en Kenniscentrum voor Energie-initiatieven is niet primair bedoeld een regionale kennisstructuur. Het OKE is bedoeld als praktische ondersteuning van initiatieven uit de regio door experts en mensen met ervaring met de regionale praktijk. Deze experts hebben ook een landelijk netwerk, kennis van buiten de regio blijft daarom niet buiten beschouwing.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

29

De indiener uit zorgen over de manier waarop sommige energiecoöperaties opereren, met name wanneer zij zich volgens de indiener meer als investeerders gedragen, en wanneer de verdeling van winsten niet ten goede komt aan de omgeving die de lasten draagt.

De energieregio zal de signalen uit deze en andere zienswijzen meenemen in gesprekken met overheden en de samenwerkende energiecoöperaties.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

30

De indiener betwijfelt of het beeld klopt dat decentrale opwek de ruggengraat van het toekomstige energiesysteem is, en vraagt om meer onderbouwing over de rol en kosten van het centrale net als ‘terugvaloptie’. De indiener vraagt daarbij specifiek waarom het net verzwaard wordt en wat de kosten van het voor de langere termijn in stand houden van het centrale net zijn in relatie tot de functie van achtervang bij weersafhankelijke opwek (met als voorbeeld Dunkelflaute).

Het RPE stelt dat tot wel 60% van de benodigde elektriciteit binnen de regio op te wekken is, en dat we ook veel meer omgevingsenergie kunnen benutten. Dat zou betekenen dat we nog steeds 40% van onze elektriciteit uit bronnen van buiten de regio halen (zoals kern, wind op zee, wind in Flevoland, en back up centrales op duurzame gassen). Goede verbindingen met een sterk centraal net blijven dus belangrijk.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

31

De indiener vraagt om toelichting op de in het RPE genoemde bewering dat er ongeveer 6000 uur p.j. te veel en ongeveer 3000 uur p.j. te weinig aan elektriciteit en omgevingsenergie zou zijn. De indiener stelt dat dit zou betekenen dat aangezien een jaar 8.760 uur kent, er 240 uur per jaar tegelijkertijd te veel als te weinig elektriciteit zou zijn.

Het gaat om ordegrootte getallen die zijn afgeleid uit de ii3050 scenario's van de netbeheerders. We weten dat er 8760 uur in een jaar zitten, maar noemen bewust ongeveer 6000 om 3000 uur omdat we het beeld willen neerzetten dat er regelmatig overvloed is en regelmatig schaarste, en dat er in de energietransitie een kernopgave ligt om overschotten en tekorten d.m.v. opslag en beïnvloeding van vraag en aanbod, op ieder moment in balans te krijgen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

32

De indiener stelt vragen over het uitgangspunt dat in de toekomst, meer dan 50% van de energie door een vorm van opslag of buffer gaat voor het bij de gebruiker komt. De indiener refereert aan de genoemde tijden van onbalans en geeft aan dat deze niet overeenkomen met de genoemde 50%. De indiener vraagt om toelichting. De vragen die de indiener daarbij heeft zijn of het uitgangspunt over opslag en buffer alleen gaat over elektriciteit, of ook andere vormen van

De inschatting voor opslag zijn afgeleid uit de ii3050 scenario's van de netbeheerders. De genoemde uren van ongeveer 6000 uur met momentane overschotten en de ongeveer 3000 uur in een jaar met momentane tekorten zeggen nog niets over de hoogte van die overschotten en tekorten en de duur ervan. En juist dat bepaalt in grote mate (samen met de aard van de energievraag) hoeveel en welke vormen van opslag nodig zijn. De ii3050 scenario's gebruiken vraag en aanbodprofielen om een inschatting te maken van de benodigde

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Niemand weet precies tot hoever de energievoorziening zal decentraliseren. Maar het inzicht groeit wel dat decentrale opties voortdurend aantrekkelijker worden door leercurves van de onderliggende technologieën voor opslag en opwek, en omdat kleinschalige decentrale projecten vaak minder complex zijn (zelf beslissen, zelf financieren, minder vergunningen) dan grote (vergunningen, stikstof, bankfinanciering, lange looptijden etc.). Verder groeit de overtuiging dat veel kleine decentrale projecten samen wel degelijk zoden aan de dijk zetten, en dat die kunnen leiden tot besparingen bij, en minder tijdsdruk op de versterking van de centrale infrastructuur (experts noemen daarbij getallen van 30-40% minder centrale infra die nodig zou kunnen zijn als dat soort lokale projecten netvriendelijk worden uitgevoerd.

35

energie, of dit uitgangspunt een ontwerpcriterium is en of het genoemde percentage in stand blijft in de toekomst met de verwachte daling van het energieverbruik.

hoeveelheid opslag. Het gaat daarbij over batterijen/accu's, maar ook over warmte en koudebuffers.

De indiener vraagt om meer informatie over het concept van ‘kleine waardevolle elektriciteitscentrales’ die op lokaal niveau functioneren in tijden van netuitval. Waar komt het ‘groene gas’ vandaan, en is het correct dat deze voorziening bijdraagt aan de betrouwbaarheid van het centrale in plaats van het decentrale net?

In het RPE worden lokale, flexibele energievoorzieningen genoemd als aanvulling op het centrale energiesysteem. Daarmee bedoelen we onder meer systemen die kunnen functioneren als tijdelijke back-up bij netuitval of piekbelasting, bijvoorbeeld kleine gasgestookte WKK’s op (groen) gas of biogas, of andere vormen van lokale opslag en opwek. De term ‘groen gas’ verwijst naar hernieuwbaar gas, zoals geproduceerd via vergisting of vergassing van biomassa.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De beschikbaarheid en inzetbaarheid van deze technologieën is in ontwikkeling en sterk afhankelijk van nationale (marktordenings)regelgeving, infrastructuur en marktwerking. In het RPE wordt hiermee niet beoogd het centrale systeem te vervangen, maar wel om in bepaalde situaties de veerkracht van het energiesysteem te vergroten via lokale aanvullingen. Dit soort oplossingen dragen individueel bij aan lokale betrouwbaarheid en voortgang van projecten, en gezamenlijk (via virtualisatie) aan de betrouwbaarheid en betaalbaarheid, en maakbaarheid van de centrale energievoorziening. 38

Indiener maakt bezwaar tegen het opnemen van de (nog niet definitieve) planMER als bijlage bij het RPE. De indiener stelt dat dit niet past bij het uitgangspunt van lokale afwegingen en energiegemeenschappen.

We gebruiken het provinciale planMER windbeleid en RES voor de actualisatie en verdere uitwerking van de ideeën over windenergie in het RPE. De verwijzing naar het provinciale PlanMER is bedoeld om beleidsvorming op regionaal en lokaal niveau te ondersteunen met objectieve milieukundige informatie. Een planMER legt, net zoals het RPE, geen locaties vast, maar sluit ook geen locaties uit.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De indiener stelt dat het noemen van de initiatieven IJsselwind en Papenslagweg als voorbeeld van toepassing van het energieperspectief wringt, omdat deze projecten volgens de indiener juist leiden tot grote maatschappelijke weerstand, rechtszaken en een dominante rol van commerciële initiatiefnemers. Dit staat volgens de indiener haaks op het uitgangspunt van energiegemeenschappen zoals bepleit in het RPE.

Het RPE beschrijft het energieperspectief als een hulpmiddel om het gesprek te voeren over passende energievoorzieningen op een specifieke plek. Het RPE neemt geen besluit over concrete projecten of locaties.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De indiener vraagt op welke gronden gesteld wordt dat er op dit moment bij gemeenten geen politiek-bestuurlijk draagvlak is voor kleinschalige kernenergie

Kleinschalige vormen van kernenergie raken de regionale opgave in de zin dat deze vormen van energieproductie lokaal en regionaal moeten worden ingepast. De provincie Gelderland onderzoekt op dit moment de mogelijkheden voor kleinschalige kerncentrales. We hebben in het RPE opgenomen dat bij de gemeenten in de energieregio op dit moment geen bestuurlijk-politiek draagvlak is voor kleinschalige vormen van kernenergie, omdat dit in bestuurlijke regionale overleggen op deze manier naar voren is gebracht.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

De indiener stelt vragen over de juridische onderbouwing van het gebruik van de provinciale PlanMER windbeleid ten behoeve van het RPE. Hij vraagt naar het juiste wetsartikel voor hergebruik van een planMER, en vraagt of de provinciale Notitie Reikwijdte en Detailniveau voldoende is afgestemd op het abstractieniveau van het RPE.

Voor het ontwerp RPE is gebruikgemaakt van het PlanMER dat de provincie Gelderland heeft opgesteld in het kader van haar windbeleid en de RES. Artikel 16.37 van de Omgevingswet, lid b licht de mogelijkheden voor hergebruik van milieueffectrapporten toe.

Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het RPE.

44

De indiener stelt dat de opmerking in het RPE dat waar veel zonnepanelen zijn, windenergie kan worden toegevoegd zonder extra netbelasting, eenzijdig en manipulatief overkomt. De indiener suggereert dat het omgekeerde evenzeer gezegd zou moeten worden, en plaatst vraagtekens bij het vooropstellen van kosten boven het welzijn van inwoners.

Het genoemde voorbeeld illustreert hoe we in de energieregio op een efficiënte manier gebruik maken van het elektriciteitsnet en welke kansen er zijn om ondanks netcongestie toch stappen te zetten richting een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening. Het gaat hier om een fictief voorbeeld. Als in de energieregio projecten ontstaan die lijken op dit fictieve voorbeeld, zouden deze projecten zorgvuldig aan alle wet- en regelgeving getoetst moeten worden, zoals toegelicht in hoofdstuk 4 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

45

De indiener stelt dat Oost-Nederland geografisch ongeschikt is voor windenergie vanwege de zwakkere wind, aanwezigheid van bossen en hogere ligging. De indiener suggereert een tekst in het RPE op te nemen die stelt dat Oost-Nederland ongeschikt is voor windenergie.

Het klopt dat windopbrengst op land per regio verschilt. De opmerking in het RPE dat hogere turbines of meer exemplaren nodig zijn om in OostNederland hetzelfde rendement te halen als in het westen, is feitelijk bedoeld.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

41

Op grond van dit artikel kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van eerder opgestelde planMER’en, mits de informatie actueel, volledig en passend is bij het type besluit. De provincie heeft aangegeven dat haar planMER daarvoor toereikend is, met name voor de onderdelen over windenergie. Omdat het RPE geen concrete locatiebesluiten bevat, is geen projectMER vereist.

46 A

De indiener stelt dat het verschil in efficiëntie van netgebruik tussen windturbines en zonnepanelen weinig relevant lijkt. De indiener vraagt om toelichting op de stelling dat wind op land netcapaciteit efficiënter benut dan zon.

De opmerking over de efficiënte benutting van netcapaciteit door windturbines is wel relevant in het kader van het RPE. Het Regionaal Programma Energievoorziening kijkt namelijk integraal naar de toekomstige energievoorziening, waarbij niet alleen de energiemix zelf, maar ook de benodigde infrastructuur en het ruimtegebruik meewegen. Windturbines leveren relatief stabiele en gespreide productie, ook in de winter en ‘s nachts, en maken daardoor efficiënter gebruik van het bestaande elektriciteitsnet. Dit helpt om netverzwaring te beperken en draagt bij aan het verlagen van de maatschappelijke kosten van de energievoorziening. Daarmee ondersteunt het een betaalbare, betrouwbare en robuuste energie-infrastructuur voor de regio.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

46 B

De indiener stelt dat het recyclen van turbinebladen in de praktijk nauwelijks gebeurt. Hij stelt dat afgedankte bladen PFAS-problemen opleveren en vraagt om nadere toelichting op de tekst in het RPE.

In het RPE staat dat circa 90% van een windturbine op dit moment kan worden gerecycled. Dit betreft onder andere staal, koper en beton. Het recyclen van rotorbladen, doorgaans gemaakt van composietmaterialen zoals glasvezelversterkte kunststof, is technisch uitdagender. Er zijn inmiddels pilots en methoden in ontwikkeling (zoals pyrolyse en mechanische vermaling), maar brede toepassing daarvan staat nog aan het begin. Het afvoeren en verwerken van composietmaterialen moet zorgvuldig gebeuren volgens de geldende milieuregelgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16162818/2