(086) TAM-omgevingsplan Groene opgave 2025 - Bijlagen bij de motivering - Bijlage 2 M.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
M.e.r.-beoordeling Gemeente Brummen, Groene Opgave 2025
Status: Definitief
April 2026
NOTITIE
Onderwerp: Auteur: Datum: Status:
1.
M.e.r.-beoordeling gemeente Brummen, Groene Opgave 2025 BJZ.nu April 2026 Definitief
INLEIDING
De voorliggende m.e.r.-beoordeling heeft betrekking op herontwikkeling van agrarische gronden naar natuur op 9 locaties binnen de gemeente Brummen (hierna: plangebied). Deze locaties liggen verspreid in het buitengebied van de gemeente. Deze ontwikkeling is onderdeel van de Groene Opgave. De Groene Opgave – IJsselsprong is een project van de gemeente Brummen, samen met Provincie Gelderland en Stichting Landschapsbeheer Gelderland (SLG). Het richt zich op het vergroenen van het buitengebied tussen Eerbeek, Brummen en Zutphen, door een netwerk aan te leggen van natuurlijke landschapselementen. De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt door een wijziging van het omgevingsplan. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob).
In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de planmer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een plan (meestal een wijziging van het omgevingsplan) wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-merbeoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een plan-mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van een aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (artikel 16.35 lid 5 Ow). Hiervoor worden de volgende instanties en bestuursorganen geraadpleegd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
a. b.
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
Inhoudelijk mag de plan-mer-beoordeling echter gelijk zijn aan de project-mer-beoordeling (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054). In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan voor het herontwikkelen van 9 locaties van agrarische gronden naar natuur. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk ‘Eerste bebossing of ontbossing met als doel ene andere ruimtelijke functie van de grond’ (A4). Aangezien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau, kan worden volstaan met een m.e.r-beoordeling. Voorliggende notitie voorziet hierin.
Inhoud en doel van de m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •
De kenmerken van het project; De plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het project kan hebben.
Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken. De ontwikkeling is een initiatief van de gemeente Brummen, samen met Provincie Gelderland en Stichting Landschapsbeheer Gelderland (SLG). Voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit is de gemeenteraad van de gemeente Brummen het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Gelderland, het waterschap Rijn en IJssel en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het concept wijzigingsbesluit in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voorgenomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project. Hierin wordt tevens de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
2.
KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PROJECT
Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Aan elk adres worden nieuwe landschapselementen aangelegd (struweelhagen, houtsingels, bosjes en poelen) om natuur en biodiversiteit rond de erven te versterken. Hieronder per locatie kort wat er gebeurt. •
•
•
• • • •
• •
Hoevesteeg 23, Tonden: Er wordt een brede struweelhaag van circa 160 meter aangeplant, met gevarieerde bloeiende en besdragende struiken, breder aan de straatzijde en smaller verder het perceel op. Lendeweg 9, Hall: Hier komen meerdere landschapselementen: struweelhagen (drie delen van ca. 125, 60 en 50 meter), twee bomengroepen met struweel, een vogelbosje, een houtsingel en een poel, samen goed voor extra structuur en schuilgelegenheid. Rhienderensestraat 4, Brummen: Ten noorden van de woning wordt een groot vogelbosje van circa 5.700 m² aangeplant met vooral besdragende en lang bloeiende struiken, als broed- en schuilplek voor vogels en kleine zoogdieren. Rhienderensestraat 9, Brummen: Hier is in 2024 een poel gegraven en wordt de ondergrond juridisch vastgelegd als natuur, over een oppervlakte van ongeveer 1.300 m². Haarweg, perceel 366, Tonden: Op dit perceel wordt een (vogel)bosje aangelegd, bestaande uit bomen en struweel op ongeveer 8.400 m², als nieuw natuur- en schuilgebied in het agrarische landschap. Pongeweg 8, Hall: Aan de Pongeweg wordt een brede struweelhaag van ongeveer 93 meter aangeplant met een menging van bloeiende en besdragende soorten.
Hogestraat 3, Hall: Rond het bouwblok wordt een struweelhaag aangelegd, de bestaande bomenrij wordt verbreed met struweel/mantel/zoom over circa 100 meter, er komt een houtsingel in het verlengde en aan de noordzijde een vogelbosje van circa 7.000 m². Langedijk 4, Tonden: In het weiland naast de woning wordt een poel van ongeveer 435 m² aangelegd, die samen met bestaande beplanting dekking en leefgebied biedt voor amfibieën en reptielen. Cortenoeverseweg 94, Brummen: Het perceel wordt ingericht met als primair doel natuurontwikkeling. Er wordt een vogelbosje aangeplant met een oppervlakte van 1050 m 2. Verder wordt op twee plekken een struweelhaag aangelegd met een variatie aan bloeiende en besdragende soorten.
Locatiekenmerken Het plangebied bestaat uit 9 locaties in het buitengebied van de gemeente Brummen. De ligging van de locaties zijn weergegeven in afbeelding 1. De locaties zijn genummerd van 1 t/m 10. Hieronder wordt per locatie het adres en de kadastrale aanduiding weergegeven. • • • • • • • • • •
I: Lendeweg 9, Hall o Kadastrale aanduiding: BMN01-L-259, Brummen II: Pongeweg 8, Hall o Kadastrale aanduiding: BMN01-M-235, Brummen III: Hogestraat 3, Hall o Kadastrale aanduiding: BMN01-Q-117, Brummen IV: Vervallen V: Rhienderensestraat 9, Brummen o Kadastrale aanduiding: BMN01-P-537, Brummen VI: Rhienderensestraat 4, Brummen o Kadastrale aanduiding: BMN01-P-589, Brummen VII: Cortenoeverseweg 94, Brummen o Kadastrale aanduiding: BMN01-I-1409, Brummen VIII: Haarweg perceelnummer 366, Tonden o Kadastrale aanduiding: BMN01-N-17, Brummen IX: Hoevesteegweg 23, Tonden o Kadastrale aanduiding: BMN01-N-395, Brummen X: Langedijk 4, Tonden o Kadastrale aanduiding: BMN01-K-889, Brummen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Afbeelding 1
Ligging van de negen locaties (Bron: plattekaart.nl)
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe omgeving van het plangebied. Hierdoor veroorzaakt het project in zijn geheel geen significante druk op deze hulpbronnen. Alleen tijdens de aanlegperiode is tijdelijk fossiele brandstof of elektriciteit nodig voor het materiaal en de werkzaamheden, maar dit gebruik is beperkt tot die korte fase van het project en vormt geen langdurige belasting. Verontreiniging en hinder Tijdens de werkzaamheden zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de projectlocatie en verkeer van en naar het plangebied. Na afronding van de werkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden. Afgezien van de tijdelijke aanlegfase is geen sprake van een betekenisvolle productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook brengt het plan geen bijzondere risico’s voor ongevallen met zich mee. De nieuwe functie heeft geen verkeersaantrekkende werking. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën Dit plan brengt geen risico’s met zich mee voor de menselijke gezondheid.
Door de functiewijziging van agrarisch naar natuur zijn eerder positieve effecten te verwachten op de menselijke gezondheid. De herinrichtingsmaatregelen zullen immers in zekere mate een bijdrage leveren aan een schone lucht en bekend is dat ‘groen’ in algemene zin positieve gezondheidseffecten teweegbrengt. Daarnaast worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
3.
BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN
Voor de m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen project relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven gaat het om de herontwikkeling van agrarische gronden naar natuur. Relevante milieuaspecten zijn: • •
Cultuurhistorie en landschap; Ecologie (soortenbescherming en gebiedsbescherming).
Voor de overige milieuaspecten wordt hieronder kort benoemd waarom daar geen negatieve effecten van hoeven te worden verwacht: •
• • •
•
•
Archeologie: In het plangebied gelden meerdere dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie laag', 'Waarde - Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelmatig' en 'Waarde - Archeologie waardevol'. In het TAM-omgevingsplan zijn de geldende archeologische bestemmingen overgenomen. Hiermee wordt geborgd dat de archeologische waarden binnen het plangebied worden beschermd. Water: het plan heeft betrekking op de realisatie van groenelementen. Er zal geen nieuwe verharding of bebouwing worden gerealiseerd. Externe veiligheid: Met dit plan is geen sprake van de toevoeging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten dan wel risicobronnen in de zin van het aspect externe veiligheid. Luchtkwaliteit: bij onderhavig plan is er slechts tijdelijk sprake van een toename van het verkeer, voor de aanleg van de groenelementen. Verder is er geen sprake van een verkeer aantrekkende werking. Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project. Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Geluid: Bij voorliggend plan is er geen sprake van een toename van het verkeer. Er is daarom geen sprake van een toename van geluidshinder als gevolg van verkeer. Ook voorziet de beoogde ontwikkeling niet in nieuwe geluidgevoelige functies.
Verkeer: Bij het aanleggen van de landschapsversterkende maatregelen vindt geen verandering plaats in de parkeerbehoefte of de verkeersgeneratie. Dit aspect wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
2.
Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
3.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Beoordeling Natura 2000-gebieden Met het plan wordt natuur- en landschapsontwikkeling mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden. Gelet op de aard en omvang van dit plan zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten. GNN-gebieden De locatie Cortenoeverseweg 94 ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk. De locatie valt binnen het kernkwaliteit deelgebied: Landgoederen Brummen. Voor dit gebied zijn de volgende ontwikkelingsdoelen opgesteld ten aanzien van de GNN: • • • • • • • • •
Ontwikkeling zwakgebufferde vennen, vochtige heiden, heischrale graslanden, blauwgraslanden, pioniervegetaties met snavelbiezen en beekbegeleidende bossen Ontwikkeling biotopen voor kamsalamander en drijvende waterweegbree Ontwikkeling ecologische verbinding Eerbeek - IJssel en Soerense Poort: singels, graslanden, poelen, plas- drasbermen en moeraszones, in het bijzonder langs de beken Vermindering barrièrewerking N786, N348, spoorlijn en Apeldoornsch Kanaal Ontwikkeling bronnen en beken Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën Ontwikkeling cultuurhistorische patronen en beheersvormen Ontwikkeling van het kleinschalig landschap op de landgoederen; houtsingels, beken, schrale graslanden, akkers en poelen
Binnen het plangebied zullen landschappelijke- en natuurversterkende elementen worden gerealiseerd in de vorm van een houtsingel. Dit heeft landschappelijke en ecologische kwaliteiten en sluit aan bij de doelen van het GNN. Groene Ontwikkelingszone De volgende locaties liggen binnen de Groene Ontwikkelingszone: Lendeweg 9 Hall, Hogestraat 3 Hall, Cortenoeverseweg 94 Brummen en Hoevesteeg 23 Tonden. De Groene Ontwikkelingszone combineert: • • • • •
ecologische waarden (biodiversiteit, natuur), klimaatrelevante waarden (waterbeheer, duurzaamheid, CO2-vastlegging), ruimtelijke en landschappelijke waarden (divers landschap, identiteitsbehoud, variatie), sociale en recreatieve waarden (leefbaarheid, recreatie, esthetiek), duurzame ontwikkeling (natuurinclusieve landbouw, landschapsonderhoud)
Met voorliggend project wordt actief ingezet op vergroting van natuurwaarden: door aanleg van streekeigen beplanting, hagen, bosjes, poelen, natuurvriendelijke oevers en andere landschapselementen. Dit draagt bij aan een rijker ecosysteem, meer biodiversiteit en een beter leefmilieu voor planten en dieren. Beschermingszone natte landnatuur In de beschermingszone natte landnatuur ligt de locatie Hogestraat 3 Hall, Hoevesteeg 23 Tonden en Langedijk 4 Tonden. De beschermingszone zorgt voor bescherming van gebieden die sterk afhankelijk zijn van grond- en oppervlaktewater: dat betekent dat de hydrologische situatie essentieel is voor het voortbestaan van de habitats en soorten. Aan de Hogestraat 3 Hall en Hoevesteeg 23 Tonden worden bomen en struweel aangeplant. Aan de Langedijk 4 Tonden wordt een poel aangelegd. Dit leidt niet tot negatieve effecten op de beschermingszone natte landnatuur. Nationaal landschap Alle locaties, op Cortenoeverseweg 94 Brummen na, liggen binnen Nationaal Landschap De Veluwe – Zuidelijke IJsselvallei. Dit betekent een zeer gevarieerd landschap: open uiterwaarden, kleinschalig agrarisch gebied, bos, heide, lanen, houtwallen en landgoederen wisselen elkaar af. Deze variatie is essentieel voor de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het gebied.
Voorliggend initiatief draagt bij aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei door de aanleg van onder meer bomen, struweel en poelen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Het effect van de voorgenomen ontwikkeling wordt op ‘neutraal’ geschat met betrekking tot gebiedsbescherming. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling Door EcoTierra zijn voor alle 9 locaties een potentiecheck flora en fauna in het kader van de ontwikkeling opgesteld. Hieronder worden per locatie kort de onderzoeksresultaten besproken. Cortenoeverseweg 94 te Brummen1 Het realiseren van de struweelhaag en geriefbosje/vogelbosje zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/ biodiversiteit tot gevolg hebben. Hoevesteeg 23 te Tonden2 Het realiseren van de struweelhaag zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Hogestraat 3 te Hall3 Het realiseren van de geriefbosje/ vogelbosje, een houtsingel, struweel/ mantel/ zoom en struweelhaag zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Langedijk 4 te Tonden4 Het realiseren van de poel zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Lendeweg 9 te Hall5 Het realiseren van de geriefbosje/ vogelbosje, houtsingel, poel, Struweel/ mantel/zoom, vrijuitgroeiende haag en struweelhaag zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden.
Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben.
1 Briefrapport QS2025-JMW-4065.1: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong
Cortenoeverseweg 96 te Brummen (EcoTierra, april 2026) 2 Briefrapport QS2025-JMW-4065.4: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Hoevesteeg
23 te Tonden (EcoTierra, oktober 2025) 3 Briefrapport QS2025-JMW-4065.5: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Hogestraat 3
te Hall (EcoTierra, oktober 2025) 4 QS2025-JMW-4065.6: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Langedijk 4 te Tonden
(EcoTierra, oktober 2025) 5 Briefrapport QS2025-JMW-4065.7: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Lendeweg 9
te Hall (EcoTierra, oktober 2025)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Pongeweg 8 te Hall6 Het realiseren van de struweelhaag zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Rhienderensestraat 4 te Brummen7 Het realiseren van de gerief/vogelbosje zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Rhienderensestraat 9 te Brummen8 Er zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Het bestaat uitsluitend uit de planologische omzetting naar natuurbestemming. De omzetting naar natuurbestemming zorgt ervoor dat het gebied de komende jaren als natuur behouden blijft. De planologische omzetting zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Haarweg, kad. perc. 366 te Tonden9 Het realiseren van de geriefbosje/vogelbosje en struweel/ mantel/zoom zal niet tot gevolg hebben dat de Ow wordt overtreden. Het plan zal juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg hebben. Er zal rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling wordt op ‘neutraal’ geschat met betrekking tot ecologie. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd.
In voorliggend geval zijn in de directe omgeving van de locaties geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Het gaat om 9 locaties. De locaties liggen dusdanig ver van elkaar af, dat de tijdelijke effecten van de aanleg van groenelementen geen hinder van elkaar ondervinden. Cumulatie is daarom niet aan de orde. Cultuurhistorie en landschap De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld waarin het grondgebied is verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk van deze deelgebieden zijn de karakteristieke landschapskenmerken en de aanwezige flora en fauna beschreven. Op basis van deze kaart zijn voor 9 specifieke locaties inrichtingsplannen ontwikkeld die afgestemd zijn op de ligging en eigenschappen van elk deelgebied. Deze plannen hebben als doel de bestaande landschappelijke waarden te versterken en tegelijkertijd de biodiversiteit te vergroten. De functiewijzigingen van agrarisch gebruik naar natuur dragen direct bij aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van het landschap. Voor elk plangebied is dan ook een inrichtingsplan opgesteld waarin passende ontwikkelingen worden geschetst die rekening houden met deze kernkwaliteiten.
De werkzaamheden die op de verschillende locaties worden uitgevoerd, zijn zodanig ontworpen dat ze bijdragen aan het versterken van zowel de landschappelijke als de natuurwaarden, terwijl negatieve milieueffecten op de cultuurhistorie worden uitgesloten. Hierdoor ontstaan robuuste en ecologisch waardevolle landschappen die passen binnen de specifieke context van de gemeente Brummen en haar deelgebieden, waarmee een duurzame en natuurinclusieve ontwikkeling wordt gerealiseerd. Het effect van de ontwikkeling op de aspecten cultuurhistorie en landschap worden op ‘neutraal’ geschat.
6
Briefrapport QS2025-JMW-4065.8: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Pongeweg 8 te Hall (EcoTierra, oktober 2025) 7 Briefrapport QS2025-JMW-4065.9: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong
Rhienderensestraat 4 te Brummen (EcoTierra, oktober 2025) 8 Briefrapport QS2025-JMW-4065.10: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong
Rhienderensestraat 9 te Brummen (EcoTierra, oktober 2025) 9 Briefrapport QS2025-JMW-4065.3: Potentiecheck flora en fauna in het kader van de Groene Opgave Landschap IJsselsprong Haarweg,
kad. perc. 366 te Tonden (EcoTierra, oktober 2025)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
4.
CONCLUSIE
Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het project kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het voorgenomen project betreft de herontwikkeling van agrarische gronden naar natuur. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • •
De omvang van het project; Hinder.
Omvang De ontwikkeling blijft ruim beneden de gevallen van de plan m.e.r.-plicht blijft. De ontwikkeling is relatief gering in omvang. Hinder Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Zoals blijkt uit voorgaande paragrafen is er geen sprake van hinder in het kader van de Omgevingswet en eventuele andere relevante natuurwetgeving. Plaats van de activiteit Het plangebied bevindt zich volledig binnen het buitengebied van de gemeente Brummen. De gronden waar de groenelementen worden aangelegd hebben momenteel een agrarische functie, die veranderd wordt naar natuur. In eerdere paragrafen is beschreven dat deze ontwikkeling en de tijdelijke effecten ervan geen impact hebben op omliggende gevoelige gebieden zoals Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN), Groene Ontwikkelingszones, beschermingszones voor natte landnatuur of het Nationaal Landschap Veluwe – Zuidelijke IJsselvallei. Hierdoor is er geen risico op negatieve milieueffecten voor deze waardevolle natuurgebieden. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het plangebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden. Het gaat om 9 locaties. De locaties liggen dusdanig ver van elkaar af, dat de tijdelijke effecten van de aanleg van groenelementen geen hinder van elkaar ondervinden.
Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: ▪ ▪ ▪ ▪
Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De activiteit gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van de werkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Milieueffecten van de ontwikkeling van het plangebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat maatregelen niet noodzakelijk worden geacht.
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10